Jeremia 39
De val van Jeruzalem en de belofte aan Ebed-Melech
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het beleg en de val van Jeruzalem
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Het negende jaar van Zedekia en de tiende maand: zo begon het beleg van Jeruzalem.
Zie ook 2 Kon. 25:1 en Jer. 52:4.
Daar staat ook de dag, de tiende van de maand.
De naam staat in het Hebreeuws als נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadretsar); wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’, zoals in 2 Kon. 24–25.
וַיָּצֻרוּ (vayyatsuru), ‘en zij belegerden’: het werkwoord ‘omsingelen, insluiten’. Het beleg heeft in 2 Kon. 25:1 nog een kamp en een belegeringswal; die staan hier niet.
Het elfde jaar van Zedekia, de vierde maand, de negende dag: de dag waarop de stad werd opengebroken.
Zie 2 Kon. 25:2–4 en Jer. 52:5–7.
הָבְקְעָה (havqe’ah), ‘werd opengebroken’: een lijdende vorm van het werkwoord ‘splijten, doorbreken’. Zo ook in 2 Kon. 25:4.
De middelste poort (שַׁעַר הַתָּוֶךְ, sha’ar hatavekh) was een poort van Jeruzalem.
Haar ligging is niet bekend; mogelijk lag zij in het noorden van de stad.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
De namen zijn Babylonisch.
Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo en Sarsechim zijn uitspraken van namen die in het Hebreeuws niet helemaal zeker zijn.
Wij laten ze zoals de tekst ze geeft.
Er staan in het Hebreeuws twee keer ‘Nergal-Sarezer’: dat zijn mogelijk twee mannen, maar het kan ook één man zijn die twee keer genoemd wordt.
In vers 13 staat ‘Nergal-Sarezer, de Rabmag’ opnieuw.
רַב סָרִיס (rav saris), ‘Rabsaris’, en רַב מָג (rav mag), ‘Rabmag’: titels van hoge ambtenaren. Het eerste is letterlijk ‘overste van de hovelingen’ (zoals 2 Kon. 18:17). De betekenis van ‘mag’ is niet zeker. Wij laten beide staan als namen.
De vlucht en de straf van Zedekia
De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee.
De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam.
De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen.
Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning.
De precieze plaats is niet bekend.
‘Hen’ zijn de oversten van Babel uit vers 3.
Het werkwoord ‘zag’ staat in het enkelvoud, ‘Zedekia zag hen’, met daarna ‘en alle krijgsmannen’.
Wij vertalen met een meervoud.
‘Hij ging uit’ aan het slot is Zedekia zelf.
De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:4. Daar staan de poort en de tuin in een andere volgorde en ontbreekt ‘toen zij hen zagen’. ‘De poort tussen de twee muren’ (הַחֹמֹתַיִם, hachomotayim) is dezelfde plaats.
De vlakten van Jericho (עַרְבוֹת יְרֵחוֹ, arvot Yerecho) liggen in het Jordaandal bij Jericho (Westelijke Jordaanoever).
Ribla lag aan de Orontes in het huidige Syrië, ten zuidwesten van Homs.
Het lag in het land Chamat.
Zie ook 2 Kon. 25:6.
Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.
Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 25:5–6.
In 2 Kon. 25:5 staat ‘de koning’ en ‘heel zijn leger was van hem weg verspreid’.
Dat staat hier niet; hier staat ‘in het land Chamat’, wat in 2 Kon. 25:21 en Jer. 52:9 ook staat.
מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsuitspraken’: het woord staat in het meervoud. Wij vertalen zoals 2 Kon. 25:6: ‘recht uitspreken’. De aanklacht noemt de tekst niet; zie Ezech. 17:11–21.
Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.
Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
חֹרִים (chorim), ‘edelen’: mannen van een vrij en aanzienlijk geslacht.
Het woord staat ook in 1 Kon. 21:8, 11.
In Jer. 52:10 staat ‘alle oversten van Juda’.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen ketenen’: letterlijk ‘dubbel koper’.
De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:7.
Zie ook Ezech. 12:13, over een koning die Babel niet zal zien.
De stad wordt verwoest
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
בֵּית הָעָם (beit ha’am), ‘het huis van het volk’: waarschijnlijk de huizen van de gewone inwoners, tegenover ‘het huis van de koning’.
De tempel staat hier niet bij.
Zie 2 Kon. 25:9, waar ‘het huis van Yahweh’ en ‘alle huizen van Jeruzalem’ staan, en Jer. 52:13.
חֹמוֹת (chomot), ‘muren’: zie 2 Kon. 25:10.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
נְבוּזַר אֲדָן (Nevuzar Adan), ‘Nebuzaradan’: hier in twee woorden geschreven, elders in één woord.
Het is dezelfde man als in vers 10 en 13 en in 2 Kon. 25:8.
הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘de overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen’, mensen die naar de koning van Babel waren overgelopen. Zie 2 Kon. 25:11. ‘Hem’ is de koning van Babel.
Het Hebreeuws noemt ‘de rest van het volk, de achterblijvers’ twee keer. Wij laten beide staan.
In 2 Kon. 25:11 staat aan het slot ‘de rest van de menigte’ in plaats van ‘de rest van het volk’.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
דַּלִּים (dallim), ‘armen’, en יְגֵבִים (yegevim), ‘akkers’: het tweede woord komt alleen hier voor.
In 2 Kon. 25:12 staat een verwant woord, יֹגְבִים (yogvim), dat wij vertalen als ‘akkerbouwers’ (naast ‘wijngaardeniers’).
De betekenis is niet helemaal zeker; wij nemen aan dat het om bouwland gaat.
Jeremia wordt beschermd
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Het bevel staat hier kort.
Jer. 40:1–6 vertelt opnieuw hoe Jeremia door de bevelhebber van de lijfwacht wordt vrijgelaten.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Het Hebreeuws heeft hier één werkwoord, ‘hij stuurde’, zonder voorwerp.
Het vervolg in vers 14 heeft ‘zij stuurden’ en noemt wat er gebeurde.
Wij nemen de gestuurde mensen als bedoeld.
נְבוּשַׁזְבָּן (Nevushazban), ‘Nebusjazban’: de naam is Babylonisch. Hij heet hier ook ‘Rabsaris’; zie vers 3.
רַבֵּי (rabbei), ‘hoge ambtenaren’: het zijn de ‘groten’ van de koning van Babel.
De binnenplaats van de wacht (חֲצַר הַמַּטָּרָה, chatsar hammattarah) lag volgens Jer. 32:2 in het huis van de koning van Juda.
Zie ook Jer. 37:21 en 38:6.
Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, wordt in 2 Kon. 25:22 door Nebukadnezar aangesteld.
Zie ook Jer. 26:24 en 40:5.
Het huis: er staat ‘het huis’ zonder naam. Het is niet zeker van wie het huis was; wij laten het zo staan. Jer. 40:1–6 vertelt anders over de vrijlating van Jeremia: daar wordt hij vanuit Rama vrijgelaten. Wij laten beide verslagen naast elkaar staan.
Een woord voor Ebed-Melech
Dit woord was al eerder tot Jeremia gekomen, in de tijd van het beleg (Jer. 38:7–13).
Het Hebreeuws zegt alleen ‘tot Jeremia was het woord van Yahweh’.
Omdat dit in de tijd van het beleg gebeurde, vertalen wij ‘was gekomen’.
עֶבֶד־מֶלֶךְ (Eved-Melekh), ‘Ebed-Melech’: letterlijk ‘dienaar van de koning’.
Hij was een Kushiet, een man uit Kush (Nubië), een hoveling van koning Zedekia (Jer. 38:7).
Hij had Jeremia uit de put gehaald.
De woorden van Yahweh aan Jeremia staan rood, ook de opdracht ‘Ga en zeg’. Daarbinnen staat de boodschap voor Ebed-Melech, in enkele aanhalingstekens.
הַכּוּשִׁי (hakushi), ‘de Kushiet’: iemand uit Kush.
לָרָעָה (lara’ah), ‘ten kwade’, en לְטוֹבָה (letovah), ‘ten goede’: zie Jer. 21:10 en 44:27.
Het geschreven woord (ketiv) is מבי (zonder aleph); het qere is מֵבִיא (mevi), ‘brengend’.
De betekenis is gelijk; wij volgen het qere.
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.
וְהִצַּלְתִּיךָ (vehitsalticha), ‘en Ik zal je bevrijden’: wij vertalen het werkwoord נָצַל (natsal) in dit boek met ‘bevrijden’.
יָגוֹר (yagor), ‘bang zijn’: een zeldzamer woord voor ‘vrezen’, zoals in Deut. 28:60.
מַלֵּט אֲמַלֶּטְךָ (malet amallet’kha), ‘Ik zal je zeker laten ontkomen’: het werkwoord wordt herhaald voor nadruk.
וְהָיְתָה לְךָ נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל (vehayetah lekha nafshekha leshalal), ‘je leven zal je tot buit zijn’: je ontkomt met alleen je leven, zoals iemand die uit een oorlog buit meeneemt. Zo ook in Jer. 21:9, 38:2 en 45:5.
בָּטַחְתָּ בִּי (batachta bi), ‘je hebt op Mij vertrouwd’: de reden voor de belofte. Zie Jer. 38:7–13 voor wat Ebed-Melech voor Jeremia deed.