Elohim Bijbel

Jeremia 39

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152

De val van Jeruzalem en de belofte aan Ebed-Melech

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het beleg en de val van Jeruzalem

1In het negende jaar van koning Zedekia van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, met heel zijn leger naar Jeruzalem. Zij belegerden haar.
בַּשָּׁנָ֣ה
(bashana)
in het jaar
הַ֠תְּשִׁעִית
(hateshiit)
het negende
לְצִדְקִיָּ֨הוּ
(letsidqiyahu)
van Zedekia
מֶלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָעֲשִׂרִ֗י
(haasiri)
de tiende
בָּ֠א
(ba)
kwam
נְבוּכַדְרֶאצַּ֨ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֤ל
(bavel)
Babel
וְכָל
(vekhal)
en heel
חֵילוֹ֙
(cheilo)
zijn leger
אֶל
(el)
naar
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיָּצֻ֖רוּ
(vayatsuru)
en zij belegerden
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het negende jaar van Zedekia en de tiende maand: zo begon het beleg van Jeruzalem.

Zie ook 2 Kon. 25:1 en Jer. 52:4.

Daar staat ook de dag, de tiende van de maand.

De naam staat in het Hebreeuws als נְבוּכַדְרֶאצַּר (Nevukhadretsar); wij schrijven overal ‘Nebukadnezar’, zoals in 2 Kon. 24–25.

וַיָּצֻרוּ (vayyatsuru), ‘en zij belegerden’: het werkwoord ‘omsingelen, insluiten’. Het beleg heeft in 2 Kon. 25:1 nog een kamp en een belegeringswal; die staan hier niet.

2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende van de maand, werd de stad opengebroken.
בְּעַשְׁתֵּֽי
(beashtei)
in elf
עֶשְׂרֵ֤ה
(esre)
tien
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
לְצִדְקִיָּ֔הוּ
(letsidqiyahu)
van Zedekia
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הָרְבִיעִ֖י
(harevii)
de vierde
בְּתִשְׁעָ֣ה
(betisha)
op de negende
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָבְקְעָ֖ה
(haveqea)
werd opengebroken
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het elfde jaar van Zedekia, de vierde maand, de negende dag: de dag waarop de stad werd opengebroken.

Zie 2 Kon. 25:2–4 en Jer. 52:5–7.

הָבְקְעָה (havqe’ah), ‘werd opengebroken’: een lijdende vorm van het werkwoord ‘splijten, doorbreken’. Zo ook in 2 Kon. 25:4.

3Alle oversten van de koning van Babel kwamen en namen plaats in de middelste poort: Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo, Sarsechim, de Rabsaris, Nergal-Sarezer, de Rabmag, en heel de rest van de oversten van de koning van Babel.
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
כֹּ֚ל
(kol)
alle
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij zaten
בְּשַׁ֣עַר
(beshaar)
in de poort
הַתָּ֑וֶךְ
(hatavekh)
de middelste
נֵרְגַ֣ל
(neregal)
Nergal
שַׂר
(sar)
Sar
אֶ֠צֶר
(etser)
ezer
סַֽמְגַּר
(samgar)
Samgar
נְב֞וּ
(nevu)
Nebo
שַׂר
(sar)
Sar
סְכִ֣ים
(sekhim)
Sechim
רַב
(rav)
Rab
סָרִ֗יס
(saris)
Saris
נֵרְגַ֤ל
(neregal)
Nergal
שַׂר
(sar)
Sar
אֶ֨צֶר֙
(etser)
ezer
רַב
(rav)
Rab
מָ֔ג
(mag)
Mag
וְכָל
(vekhal)
en heel
שְׁאֵרִ֔ית
(sheerit)
de rest van
שָׂרֵ֖י
(sarei)
oversten van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De middelste poort (שַׁעַר הַתָּוֶךְ, sha’ar hatavekh) was een poort van Jeruzalem.

Haar ligging is niet bekend; mogelijk lag zij in het noorden van de stad.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

De namen zijn Babylonisch.

Nergal-Sarezer, Samgar-Nebo en Sarsechim zijn uitspraken van namen die in het Hebreeuws niet helemaal zeker zijn.

Wij laten ze zoals de tekst ze geeft.

Er staan in het Hebreeuws twee keer ‘Nergal-Sarezer’: dat zijn mogelijk twee mannen, maar het kan ook één man zijn die twee keer genoemd wordt.

In vers 13 staat ‘Nergal-Sarezer, de Rabmag’ opnieuw.

רַב סָרִיס (rav saris), ‘Rabsaris’, en רַב מָג (rav mag), ‘Rabmag’: titels van hoge ambtenaren. Het eerste is letterlijk ‘overste van de hovelingen’ (zoals 2 Kon. 18:17). De betekenis van ‘mag’ is niet zeker. Wij laten beide staan als namen.

De vlucht en de straf van Zedekia

4Toen Zedekia, de koning van Juda, en alle krijgsmannen hen zagen, vluchtten zij. Zij gingen ’s nachts de stad uit, langs de weg van de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren. Hij ging langs de weg van de Araba.
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
רָ֠אָם
(raam)
zag hen
צִדְקִיָּ֨הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de oorlog
וַֽ֠יִּבְרְחוּ
(vayivrechu)
en zij vluchtten
וַיֵּצְא֨וּ
(vayetseu)
en zij gingen uit
לַ֤יְלָה
(layla)
’s nachts
מִן
(min)
uit
הָעִיר֙
(hair)
de stad
דֶּ֚רֶךְ
(derekh)
weg van
גַּ֣ן
(gan)
tuin van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּשַׁ֖עַר
(beshaar)
door de poort
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
הַחֹמֹתָ֑יִם
(hachomotayim)
de twee muren
וַיֵּצֵ֖א
(vayetse)
en hij ging uit
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
weg van
הָעֲרָבָֽה
(haarava)
de Araba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De Araba (הָעֲרָבָה, ha’aravah) is het diepe dal van de Jordaan en de Zoutzee.

De tuin van de koning lag waarschijnlijk in het zuiden van de stad, bij de vijver van Siloam.

De poort tussen de twee muren is niet met zekerheid aan te wijzen.

Zie Tuin van de koning (ligging onzeker): De tuin van de koning lag in het zuiden van Jeruzalem, waarschijnlijk bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet bekend.

Zie Poort tussen de twee muren (ligging onzeker): De poort tussen de twee muren lag in de zuidelijke stadsmuur van Jeruzalem, bij de tuin van de koning.

De precieze plaats is niet bekend.

Uitleg

‘Hen’ zijn de oversten van Babel uit vers 3.

Het werkwoord ‘zag’ staat in het enkelvoud, ‘Zedekia zag hen’, met daarna ‘en alle krijgsmannen’.

Wij vertalen met een meervoud.

‘Hij ging uit’ aan het slot is Zedekia zelf.

De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:4. Daar staan de poort en de tuin in een andere volgorde en ontbreekt ‘toen zij hen zagen’. ‘De poort tussen de twee muren’ (הַחֹמֹתַיִם, hachomotayim) is dezelfde plaats.

5Het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen. Zij haalden Zedekia in op de vlakten van Jericho. Zij grepen hem en brachten hem naar Nebukadnezar, de koning van Babel, in Ribla, in het land Chamat. Daar sprak hij recht over hem uit.
וַיִּרְדְּפ֨וּ
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
חֵיל
(cheil)
leger van
כַּשְׂדִּ֜ים
(kasdim)
Chaldeeën
אַחֲרֵיהֶ֗ם
(achareihem)
achter hen
וַיַּשִּׂ֣גוּ
(vayasigu)
en zij haalden in
אֶת
(et)
(obj.)
צִדְקִיָּהוּ֮
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְּעַֽרְב֣וֹת
(bearvot)
op de vlakten van
יְרֵחוֹ֒
(yerecho)
Jericho
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en zij grepen
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
וַֽ֠יַּעֲלֻהוּ
(vayaaluhu)
en zij brachten hem omhoog
אֶל
(el)
naar
נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
רִבְלָ֖תָה
(rivlata)
naar Ribla
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
חֲמָ֑ת
(chamat)
Chamat
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
מִשְׁפָּטִֽים
(mishpatim)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De vlakten van Jericho (עַרְבוֹת יְרֵחוֹ, arvot Yerecho) liggen in het Jordaandal bij Jericho (Westelijke Jordaanoever).

Ribla lag aan de Orontes in het huidige Syrië, ten zuidwesten van Homs.

Het lag in het land Chamat.

Zie ook 2 Kon. 25:6.

Zie Vlakten van Jericho: De vlakten van Jericho zijn het lage land langs de Jordaan bij Jericho.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Zie Hamat: Hamat (Hama) ligt aan de Orontes, in het huidige Syrië.

Uitleg

Dit vers is bijna gelijk aan 2 Kon. 25:5–6.

In 2 Kon. 25:5 staat ‘de koning’ en ‘heel zijn leger was van hem weg verspreid’.

Dat staat hier niet; hier staat ‘in het land Chamat’, wat in 2 Kon. 25:21 en Jer. 52:9 ook staat.

מִשְׁפָּטִים (mishpatim), ‘rechtsuitspraken’: het woord staat in het meervoud. Wij vertalen zoals 2 Kon. 25:6: ‘recht uitspreken’. De aanklacht noemt de tekst niet; zie Ezech. 17:11–21.

6In Ribla slachtte de koning van Babel de zonen van Zedekia voor zijn ogen. Ook alle edelen van Juda slachtte de koning van Babel.
וַיִּשְׁחַט֩
(vayishchat)
en hij slachtte
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֧י
(benei)
zonen van
צִדְקִיָּ֛הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
בְּרִבְלָ֖ה
(berivla)
in Ribla
לְעֵינָ֑יו
(leeinav)
voor zijn ogen
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
חֹרֵ֣י
(chorei)
edelen van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
שָׁחַ֖ט
(shachat)
slachtte
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ribla (Ribleh): Ribla lag aan de Orontes, in het land Hamat, bij het huidige Ribleh.

Farao Necho en later Nebukadnezar hadden daar hun hoofdkwartier.

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

חֹרִים (chorim), ‘edelen’: mannen van een vrij en aanzienlijk geslacht.

Het woord staat ook in 1 Kon. 21:8, 11.

In Jer. 52:10 staat ‘alle oversten van Juda’.

7De ogen van Zedekia maakte hij blind. Hij bond hem met koperen ketenen om hem naar Babel te brengen.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵינֵ֥י
(einei)
ogen van
צִדְקִיָּ֖הוּ
(tsidqiyahu)
Zedekia
עִוֵּ֑ר
(iver)
maakte hij blind
וַיַּאַסְרֵ֨הוּ֙
(vayaasrehu)
en hij bond hem
בַּֽנְחֻשְׁתַּ֔יִם
(banchushtayim)
met koperen ketenen
לָבִ֥יא
(lavi)
om te brengen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בָּבֶֽלָה
(bavela)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נְחֻשְׁתַּיִם (nechushtayim), ‘koperen ketenen’: letterlijk ‘dubbel koper’.

De woorden zijn bijna gelijk aan 2 Kon. 25:7.

Zie ook Ezech. 12:13, over een koning die Babel niet zal zien.

De stad wordt verwoest

8Het huis van de koning en het huis van het volk verbrandden de Chaldeeën met vuur. De muren van Jeruzalem braken zij af.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
שָׂרְפ֥וּ
(sarefu)
verbrandden
הַכַּשְׂדִּ֖ים
(hakasdim)
de Chaldeeën
בָּאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֹמ֥וֹת
(chomot)
muren van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
נָתָֽצוּ
(natatsu)
braken af
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בֵּית הָעָם (beit ha’am), ‘het huis van het volk’: waarschijnlijk de huizen van de gewone inwoners, tegenover ‘het huis van de koning’.

De tempel staat hier niet bij.

Zie 2 Kon. 25:9, waar ‘het huis van Yahweh’ en ‘alle huizen van Jeruzalem’ staan, en Jer. 52:13.

חֹמוֹת (chomot), ‘muren’: zie 2 Kon. 25:10.

9Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg dat in de stad was achtergebleven. Ook voerde hij de overlopers weg die naar hem waren overgelopen. Zo voerde hij de rest van het volk dat was achtergebleven naar Babel weg.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
יֶ֨תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֣ים
(hanisharim)
de achterblijvers
בָּעִ֗יר
(bair)
in de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֹּֽפְלִים֙
(hanofelim)
de overlopers
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נָפְל֣וּ
(nafelu)
liepen over
עָלָ֔יו
(alav)
naar hem
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
יֶ֥תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הַנִּשְׁאָרִ֑ים
(hanisharim)
de achterblijvers
הֶגְלָ֛ה
(hegla)
voerde weg
נְבֽוּזַר
(nevuzar)
Nebuzar
אֲדָ֥ן
(adan)
Adan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֖ים
(tabachim)
de lijfwacht
בָּבֶֽל
(bavel)
naar Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

נְבוּזַר אֲדָן (Nevuzar Adan), ‘Nebuzaradan’: hier in twee woorden geschreven, elders in één woord.

Het is dezelfde man als in vers 10 en 13 en in 2 Kon. 25:8.

הַנֹּפְלִים (hannofelim), ‘de overlopers’: letterlijk ‘de gevallenen’, mensen die naar de koning van Babel waren overgelopen. Zie 2 Kon. 25:11. ‘Hem’ is de koning van Babel.

Het Hebreeuws noemt ‘de rest van het volk, de achterblijvers’ twee keer. Wij laten beide staan.

In 2 Kon. 25:11 staat aan het slot ‘de rest van de menigte’ in plaats van ‘de rest van het volk’.

10Van het volk liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de armen achter die niets hadden, in het land Juda. Op die dag gaf hij hun wijngaarden en akkers.
וּמִן
(umin)
en van
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַדַּלִּ֗ים
(hadalim)
de armen
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
אֵין
(ein)
niet
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
מְא֔וּמָה
(meuma)
iets
הִשְׁאִ֛יר
(hishir)
liet achter
נְבוּזַרְאֲדָ֥ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֖ים
(tabachim)
de lijfwacht
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en hij gaf
לָהֶ֛ם
(lahem)
aan hen
כְּרָמִ֥ים
(keramim)
wijngaarden
וִֽיגֵבִ֖ים
(vigevim)
en akkers
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

דַּלִּים (dallim), ‘armen’, en יְגֵבִים (yegevim), ‘akkers’: het tweede woord komt alleen hier voor.

In 2 Kon. 25:12 staat een verwant woord, יֹגְבִים (yogvim), dat wij vertalen als ‘akkerbouwers’ (naast ‘wijngaardeniers’).

De betekenis is niet helemaal zeker; wij nemen aan dat het om bouwland gaat.

Jeremia wordt beschermd

11Nebukadnezar, de koning van Babel, gaf over Jeremia bevel door middel van Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht. Hij zei:
וַיְצַ֛ו
(vaytsav)
en hij gaf bevel
נְבוּכַדְרֶאצַּ֥ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
עַֽל
(al)
over
יִרְמְיָ֑הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
בְּיַ֛ד
(beyad)
door de hand van
נְבוּזַרְאֲדָ֥ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֖ים
(tabachim)
de lijfwacht
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het bevel staat hier kort.

Jer. 40:1–6 vertelt opnieuw hoe Jeremia door de bevelhebber van de lijfwacht wordt vrijgelaten.

12„Neem hem mee en houd je ogen op hem gericht. Doe hem niets kwaads aan. Maar doe met hem zoals hij tegen je zegt.”
קָחֶ֗נּוּ
(qachenu)
neem hem
וְעֵינֶ֨יךָ֙
(veeineikha)
en je ogen
שִׂ֣ים
(sim)
leg
עָלָ֔יו
(alav)
op hem
וְאַל
(veal)
en niet
תַּ֥עַשׂ
(taas)
doe
ל֖וֹ
(lo)
hem
מְא֣וּמָה
(meuma)
iets
רָּ֑ע
(ra)
kwaads
כִּ֗י
(ki)
maar
אם
(em)
als
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
יְדַבֵּ֣ר
(yedaber)
hij zal spreken
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tot jou
כֵּ֖ן
(ken)
zo
עֲשֵׂ֥ה
(ase)
doe
עִמּֽוֹ
(imo)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְעֵינֶיךָ שִׂים עָלָיו (ve’einekha sim alav), ‘en leg je ogen op hem’: een uitdrukking voor ‘zorg voor hem’ (zoals Gen. 44:21).

Wij laten de uitdrukking staan.

Zie ook Jer. 40:4.

13Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Nebusjazban, de Rabsaris, Nergal-Sarezer, de Rabmag, en alle hoge ambtenaren van de koning van Babel stuurden mensen.
וַיִּשְׁלַ֞ח
(vayishlach)
en hij stuurde
נְבֽוּזַרְאֲדָ֣ן
(nevuzaradan)
Nebuzaradan
רַב
(rav)
bevelhebber van
טַבָּחִ֗ים
(tabachim)
de lijfwacht
וּנְבֽוּשַׁזְבָּן֙
(unevushazban)
en Nebusjazban
רַב
(rav)
Rab
סָרִ֔יס
(saris)
Saris
וְנֵרְגַ֥ל
(veneregal)
en Nergal
שַׂר
(sar)
Sar
אֶ֖צֶר
(etser)
ezer
רַב
(rav)
Rab
מָ֑ג
(mag)
Mag
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
רַבֵּ֥י
(rabei)
hoge ambtenaren van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

Het Hebreeuws heeft hier één werkwoord, ‘hij stuurde’, zonder voorwerp.

Het vervolg in vers 14 heeft ‘zij stuurden’ en noemt wat er gebeurde.

Wij nemen de gestuurde mensen als bedoeld.

נְבוּשַׁזְבָּן (Nevushazban), ‘Nebusjazban’: de naam is Babylonisch. Hij heet hier ook ‘Rabsaris’; zie vers 3.

רַבֵּי (rabbei), ‘hoge ambtenaren’: het zijn de ‘groten’ van de koning van Babel.

14Zij zonden hen en lieten Jeremia halen van de binnenplaats van de wacht. Zij gaven hem aan Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, om hem naar het huis te brengen. Zo woonde hij te midden van het volk.
וַיִּשְׁלְחוּ֩
(vayishlechu)
en zij stuurden
וַיִּקְח֨וּ
(vayiqchu)
en zij namen
אֶֽת
(et)
(obj.)
יִרְמְיָ֜הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
מֵחֲצַ֣ר
(mechatsar)
van de binnenplaats van
הַמַּטָּרָ֗ה
(hamatara)
de wacht
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶל
(el)
aan
גְּדַלְיָ֨הוּ֙
(gedalyahu)
Gedalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁפָ֔ן
(shafan)
Safan
לְהוֹצִאֵ֖הוּ
(lehotsiehu)
om hem te brengen
אֶל
(el)
naar
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De binnenplaats van de wacht (חֲצַר הַמַּטָּרָה, chatsar hammattarah) lag volgens Jer. 32:2 in het huis van de koning van Juda.

Zie ook Jer. 37:21 en 38:6.

Uitleg

Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, wordt in 2 Kon. 25:22 door Nebukadnezar aangesteld.

Zie ook Jer. 26:24 en 40:5.

Het huis: er staat ‘het huis’ zonder naam. Het is niet zeker van wie het huis was; wij laten het zo staan. Jer. 40:1–6 vertelt anders over de vrijlating van Jeremia: daar wordt hij vanuit Rama vrijgelaten. Wij laten beide verslagen naast elkaar staan.

Een woord voor Ebed-Melech

15Tot Jeremia was het woord van Yahweh gekomen toen hij opgesloten was op de binnenplaats van de wacht:
וְאֶֽל
(veel)
en tot
יִרְמְיָ֖הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הָיָ֣ה
(haya)
was
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּֽהְיֹת֣וֹ
(bihyoto)
toen hij was
עָצ֔וּר
(atsur)
opgesloten
בַּחֲצַ֥ר
(bachatsar)
op de binnenplaats van
הַמַּטָּרָ֖ה
(hamatara)
de wacht
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit woord was al eerder tot Jeremia gekomen, in de tijd van het beleg (Jer. 38:7–13).

Het Hebreeuws zegt alleen ‘tot Jeremia was het woord van Yahweh’.

Omdat dit in de tijd van het beleg gebeurde, vertalen wij ‘was gekomen’.

16„Ga en zeg tegen Ebed-Melech, de Kushiet: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: Zie, Ik breng Mijn woorden over deze stad, ten kwade en niet ten goede. Op die dag zullen ze voor je ogen gebeuren.
הָל֣וֹךְ
(halokh)
ga
וְאָמַרְתָּ֡
(veamarta)
en je zult zeggen
לְעֶבֶד
(leeved)
tot Ebed
מֶ֨לֶךְ
(melekh)
Melech
הַכּוּשִׁ֜י
(hakushi)
de Kushiet
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggend
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Mij
מֵבִ֨יא
(mevi)
brengend
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרַ֜י
(devaray)
Mijn woorden
אֶל
(el)
over
הָעִ֥יר
(hair)
de stad
הַזֹּ֛את
(hazot)
deze
לְרָעָ֖ה
(leraa)
ten kwade
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
לְטוֹבָ֑ה
(letova)
ten goede
וְהָי֥וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לְפָנֶ֖יךָ
(lefaneikha)
voor je ogen
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַהֽוּא
(hahu)
die
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֶבֶד־מֶלֶךְ (Eved-Melekh), ‘Ebed-Melech’: letterlijk ‘dienaar van de koning’.

Hij was een Kushiet, een man uit Kush (Nubië), een hoveling van koning Zedekia (Jer. 38:7).

Hij had Jeremia uit de put gehaald.

De woorden van Yahweh aan Jeremia staan rood, ook de opdracht ‘Ga en zeg’. Daarbinnen staat de boodschap voor Ebed-Melech, in enkele aanhalingstekens.

הַכּוּשִׁי (hakushi), ‘de Kushiet’: iemand uit Kush.

לָרָעָה (lara’ah), ‘ten kwade’, en לְטוֹבָה (letovah), ‘ten goede’: zie Jer. 21:10 en 44:27.

Lezing

Het geschreven woord (ketiv) is מבי (zonder aleph); het qere is מֵבִיא (mevi), ‘brengend’.

De betekenis is gelijk; wij volgen het qere.

17Op die dag bevrijd Ik je, godsspraak van Yahweh. Je wordt niet gegeven in de hand van de mannen voor wie jij bang bent.
וְהִצַּלְתִּ֥יךָ
(vehitsaltikha)
en Ik zal je bevrijden
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
תִנָּתֵן֙
(tinaten)
zul je worden gegeven
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
voor wie
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
יָג֖וֹר
(yagor)
bang bent
מִפְּנֵיהֶֽם
(mipeneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.

וְהִצַּלְתִּיךָ (vehitsalticha), ‘en Ik zal je bevrijden’: wij vertalen het werkwoord נָצַל (natsal) in dit boek met ‘bevrijden’.

יָגוֹר (yagor), ‘bang zijn’: een zeldzamer woord voor ‘vrezen’, zoals in Deut. 28:60.

18Want Ik laat je zeker ontkomen. Je valt niet door het zwaard. Je leven zal je tot buit zijn, omdat je op Mij hebt vertrouwd, godsspraak van Yahweh.’”
כִּ֤י
(ki)
want
מַלֵּט֙
(malet)
laten ontkomen
אֲמַלֶּטְךָ֔
(amaletkha)
Ik zal je laten ontkomen
וּבַחֶ֖רֶב
(uvacherev)
en door het zwaard
לֹ֣א
(lo)
niet
תִפֹּ֑ל
(tipol)
zul je vallen
וְהָיְתָ֨ה
(vehayeta)
en zal zijn
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
je leven
לְשָׁלָ֔ל
(leshalal)
tot buit
כִּֽי
(ki)
want
בָטַ֥חְתָּ
(batachta)
je hebt vertrouwd
בִּ֖י
(bi)
op Mij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַלֵּט אֲמַלֶּטְךָ (malet amallet’kha), ‘Ik zal je zeker laten ontkomen’: het werkwoord wordt herhaald voor nadruk.

וְהָיְתָה לְךָ נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל (vehayetah lekha nafshekha leshalal), ‘je leven zal je tot buit zijn’: je ontkomt met alleen je leven, zoals iemand die uit een oorlog buit meeneemt. Zo ook in Jer. 21:9, 38:2 en 45:5.

בָּטַחְתָּ בִּי (batachta bi), ‘je hebt op Mij vertrouwd’: de reden voor de belofte. Zie Jer. 38:7–13 voor wat Ebed-Melech voor Jeremia deed.