Elohim Bijbel

Zacharia 6

1234567891011121314

De vier wagens en de kronen voor Jozua

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De vier wagens

1Ik sloeg opnieuw mijn ogen op en zag, en zie, vier wagens kwamen naar voren tussen twee bergen. De bergen waren bergen van brons.
וָאָשֻׁ֗ב
(vaashuv)
en ik keerde terug
וָאֶשָּׂ֤א
(vaesa)
en ik sloeg op
עֵינַי֙
(einay)
mijn ogen
וָֽאֶרְאֶ֔ה
(vaere)
en ik zag
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
אַרְבַּ֤ע
(arba)
vier
מַרְכָּבוֹת֙
(markavot)
wagens
יֹֽצְא֔וֹת
(yotseot)
die naar voren kwamen
מִבֵּ֖ין
(mibein)
van tussen
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
הֶֽהָרִ֑ים
(heharim)
de bergen
וְהֶהָרִ֖ים
(veheharim)
en de bergen
הָרֵ֥י
(harei)
bergen van
נְחֹֽשֶׁת
(nechoshet)
brons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מרכבות (merkavot), ‘wagens’: oorlogswagens, die door paarden worden getrokken.

Dit is het achtste visioen.

Het begint net als het eerste (Zach. 1:8) met gekleurde paarden.

הרי נחשׁת (harei nechoshet), ‘bergen van brons’: het woord נְחֹשֶׁת (nechoshet) betekent ‘brons’ of ‘koper’. De beelden van de twee bergen worden niet uitgelegd.

2Bij de eerste wagen waren rode paarden en bij de tweede wagen zwarte paarden.
בַּמֶּרְכָּבָ֥ה
(bamerkava)
bij de wagen
הָרִֽאשֹׁנָ֖ה
(harishona)
de eerste
סוּסִ֣ים
(susim)
paarden
אֲדֻמִּ֑ים
(adumim)
rode
וּבַמֶּרְכָּבָ֥ה
(uvamerkava)
en bij de wagen
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
סוּסִ֥ים
(susim)
paarden
שְׁחֹרִֽים
(shechorim)
zwarte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Bij de derde wagen waren witte paarden en bij de vierde wagen gevlekte, sterke paarden.
וּבַמֶּרְכָּבָ֥ה
(uvamerkava)
en bij de wagen
הַשְּׁלִשִׁ֖ית
(hashelishit)
de derde
סוּסִ֣ים
(susim)
paarden
לְבָנִ֑ים
(levanim)
witte
וּבַמֶּרְכָּבָה֙
(uvamerkava)
en bij de wagen
הָרְבִעִ֔ית
(hareviit)
de vierde
סוּסִ֥ים
(susim)
paarden
בְּרֻדִּ֖ים
(berudim)
gevlekte
אֲמֻצִּֽים
(amutsim)
sterke
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ברדים (beruddim), ‘gevlekte’: hetzelfde woord als in Gen. 31:10 en 31:12, waar het geiten beschrijft.

אמצים (amutsim), ‘sterke’: het woord komt in vers 7 terug.

Sommigen verstaan het als een kleur; wij houden ‘sterke’.

4Ik antwoordde en zei tegen de engel die met mij sprak: „Wat zijn dezen, mijn heer?”
וָאַ֨עַן֙
(vaaan)
en ik antwoordde
וָֽאֹמַ֔ר
(vaomar)
en ik zei
אֶל
(el)
tot
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de engel
הַדֹּבֵ֣ר
(hadover)
die sprak
בִּ֑י
(bi)
met mij
מָה
(ma)
wat
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אדני (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van de engel, met kleine letter.

Het is niet de naam Adonai voor Yahweh.

5De engel antwoordde en zei tegen mij: „Dit zijn de vier winden van de hemel. Zij komen naar buiten nadat zij zich hebben opgesteld voor de Heer van heel de aarde.
וַיַּ֥עַן
(vayaan)
en antwoordde
הַמַּלְאָ֖ךְ
(hamalakh)
de engel
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
אֵ֗לֶּה
(ele)
dezen
אַרְבַּע֙
(arba)
vier
רֻח֣וֹת
(ruchot)
winden van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
יוֹצְא֕וֹת
(yotseot)
die naar buiten komen
מֵֽהִתְיַצֵּ֖ב
(mehityatsev)
van het zich opstellen
עַל
(al)
voor
אֲד֥וֹן
(adon)
de Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָֽרֶץ
(haarets)
de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רחות (ruchot), ‘winden’: het woord ruach betekent zowel ‘wind’ als ‘geest’.

Wij kiezen hier ‘winden’, zoals in Dan. 7:2 (‘de vier winden van de hemel’).

אדון כל הארץ (adon kol ha’arets), ‘de Heer van heel de aarde’: een titel van Yahweh, zoals in Joz. 3:11 en 3:13. Wij schrijven ‘Heer’ met hoofdletter.

6De wagen waarin de zwarte paarden zijn, gaat naar het land in het noorden. De witte gaan achter hen aan, en de gevlekte gaan naar het land in het zuiden.”
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
בָּ֞הּ
(bah)
in haar
הַסּוּסִ֣ים
(hasusim)
de paarden
הַשְּׁחֹרִ֗ים
(hashechorim)
de zwarte
יֹֽצְאִים֙
(yotseim)
gaan uit
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
het noorden
וְהַלְּבָנִ֔ים
(vehalevanim)
en de witte
יָצְא֖וּ
(yatseu)
gaan uit
אֶל
(el)
naar
אַֽחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
achter hen
וְהַ֨בְּרֻדִּ֔ים
(vehaberudim)
en de gevlekte
יָצְא֖וּ
(yatseu)
gaan uit
אֶל
(el)
naar
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land van
הַתֵּימָֽן
(hateiman)
het zuiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התימן (hateiman), ‘het zuiden’: letterlijk ‘Teman’, de zuidkant.

Het is hier de richting en geen plaatsnaam.

De rode paarden van vers 2 worden in dit vers niet genoemd.

7De sterke paarden kwamen naar buiten en wilden gaan om de aarde te doorkruisen. Hij zei: „Ga, doorkruis de aarde.” Zij doorkruisten de aarde.
וְהָאֲמֻצִּ֣ים
(vehaamutsim)
en de sterke
יָצְא֗וּ
(yatseu)
gingen uit
וַיְבַקְשׁוּ֙
(vayvaqshu)
en zij zochten
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
te gaan
לְהִתְהַלֵּ֣ך
(lehithalekh)
om rond te trekken
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in de aarde
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
הִתְהַלְּכ֣וּ
(hithalekhu)
trekt rond
בָאָ֑רֶץ
(baarets)
in de aarde
וַתִּתְהַלַּ֖כְנָה
(vatithalakhna)
en zij trokken rond
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
in de aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

והאמצים (ha’amutsim), ‘de sterke’: zie de Uitleg bij vers 3.

De rode paarden uit vers 2 worden niet genoemd.

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

ללכת להתהלך (lalekhet lehithalekh), ‘gaan om rond te trekken’: het werkwoord halakh in de verlengde vorm betekent heen en weer lopen. Het is het woord van Zach. 1:10.

8Hij riep mij toe en sprak tot mij. „Zie, zij die naar het land in het noorden gaan, hebben Mijn Geest in het land in het noorden tot rust gebracht.”
וַיַּזְעֵ֣ק
(vayazeq)
en hij riep
אֹתִ֔י
(oti)
tot mij
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
רְאֵ֗ה
(ree)
zie
הַיּֽוֹצְאִים֙
(hayotseim)
die uitgaan
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
het noorden
הֵנִ֥יחוּ
(henichu)
zij hebben laten rusten
אֶת
(et)
(obj.)
רוּחִ֖י
(ruchi)
Mijn geest
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
צָפֽוֹן
(tsafon)
het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוחי (ruchi), ‘Mijn Geest’: de spreker wordt niet genoemd.

Omdat ‘Mijn Geest’ in de eerste persoon staat, zetten wij het vers rood: Yahweh spreekt door de engel.

Het woord ruach kan ook ‘gramschap’ betekenen: dan is bedoeld dat Zijn toorn in het noorden tot rust is gekomen.

הניחו (heniychu), ‘zij hebben laten rusten’: het werkwoord nuach, ‘tot rust brengen’, wordt ook van Yahweh gebruikt, bijvoorbeeld in Ezech. 5:13 (Zijn gramschap laten rusten).

Kronen voor Jozua, de hogepriester

9Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10„Neem iets aan van de ballingen, van Cheldai, van Tobia en van Jedaja. Ga jij zelf op die dag naar het huis van Josia, de zoon van Sefanja. Zij zijn uit Babel gekomen.
לָק֨וֹחַ֙
(laqoach)
neem
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingschap
מֵחֶלְדַּ֕י
(mechelday)
van Cheldai
וּמֵאֵ֥ת
(umeet)
en van
טוֹבִיָּ֖ה
(toviya)
Tobia
וּמֵאֵ֣ת
(umeet)
en van
יְדַֽעְיָ֑ה
(yedaya)
Jedaja
וּבָאתָ֤
(uvata)
en kom
אַתָּה֙
(ata)
jij
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
וּבָ֗אתָ
(uvata)
en kom
בֵּ֚ית
(beit)
het huis van
יֹאשִׁיָּ֣ה
(yoshiya)
Josia
בֶן
(ben)
zoon van
צְפַנְיָ֔ה
(tsefanya)
Sefanja
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֖אוּ
(bau)
zijn gekomen
מִבָּבֶֽל
(mibavel)
uit Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

מחלדי (Cheldai), טוביה (Toviyyah), ידעיה (Yeda’yah): drie mannen die uit de ballingschap in Babel zijn gekomen.

Het Hebreeuws zegt niet wat ze moeten geven.

Vers 11 noemt zilver en goud.

יאשׁיה בן צפניה (Yoshiyyah ben Tsefanyah), ‘Josia, de zoon van Sefanja’: niet de koning Josia. De naam is dezelfde.

Het Hebreeuws ‘zij zijn uit Babel gekomen’ staat in het meervoud en slaat op de ballingen.

11Neem zilver en goud, maak kronen en zet ze op het hoofd van Jozua, de zoon van Jehozadak, de hogepriester.
וְלָקַחְתָּ֥
(velaqachta)
en neem
כֶֽסֶף
(kesef)
zilver
וְזָהָ֖ב
(vezahav)
en goud
וְעָשִׂ֣יתָ
(veasita)
en maak
עֲטָר֑וֹת
(atarot)
kronen
וְשַׂמְתָּ֗
(vesamta)
en zet
בְּרֹ֛אשׁ
(berosh)
op het hoofd van
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוֹצָדָ֖ק
(yehotsadaq)
Jehozadak
הַכֹּהֵ֥ן
(hakohen)
de priester
הַגָּדֽוֹל
(hagadol)
de hoge
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עטרות (atarot), ‘kronen’: een meervoud.

Het kan één kroon van verscheidene ringen zijn.

In vers 14 staat ook een meervoud.

יהושׁע בן יהוצדק (Yehoshua ben Yehotsadaq), ‘Jozua, de zoon van Jehozadak’: dezelfde als de hogepriester in Zach. 3 en Hag. 1:1. In Ezra heet hij Jesua. Wij volgen in elk boek de Hebreeuwse spelling.

12Zeg tegen hem: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Zie, een man, Spruit is zijn naam. Vanuit zijn eigen plaats zal hij opspruiten en hij zal de tempel van Yahweh bouwen.
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en zeg
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּה
(hine)
zie
אִ֞ישׁ
(ish)
een man
צֶ֤מַח
(tsemach)
Spruit
שְׁמוֹ֙
(shemo)
zijn naam
וּמִתַּחְתָּ֣יו
(umitachtav)
en van onder hem
יִצְמָ֔ח
(yitsmach)
zal hij opspruiten
וּבָנָ֖ה
(uvana)
en hij zal bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הֵיכַ֥ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָֽהּ
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צמח (tsemach), ‘Spruit’: wat uit de grond opschiet, een scheut.

Het wordt een eigennaam voor een toekomstige koning uit het huis van David (Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8).

Wij schrijven ‘Spruit’ hier met hoofdletter, omdat het hier als naam staat.

ומתחתיו יצמח (umittachtav yitsmach), ‘vanuit zijn eigen plaats zal hij opspruiten’: letterlijk ‘van onder hem’. Het werkwoord tsamach, ‘opspruiten’, is verwant met de naam Spruit.

Het Hebreeuws noemt de man niet verder bij naam. De tekst zet de kronen op het hoofd van Jozua (vers 11) en spreekt dan over deze man.

13Hij is het die de tempel van Yahweh zal bouwen. Hij is het die majesteit zal dragen. Hij zal op zijn troon zitten en heersen. Er zal een priester zijn op zijn troon, en een raad van vrede zal er zijn tussen die twee.
וְ֠הוּא
(vehu)
en hij
יִבְנֶ֞ה
(yivne)
zal bouwen
אֶת
(et)
(obj.)
הֵיכַ֤ל
(heikhal)
de tempel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְהֽוּא
(vehu)
en hij
יִשָּׂ֣א
(yisa)
zal dragen
ה֔וֹד
(hod)
majesteit
וְיָשַׁ֥ב
(veyashav)
en hij zal zitten
וּמָשַׁ֖ל
(umashal)
en heersen
עַל
(al)
op
כִּסְא֑וֹ
(kiso)
zijn troon
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en er zal zijn
כֹהֵן֙
(kohen)
een priester
עַל
(al)
op
כִּסְא֔וֹ
(kiso)
zijn troon
וַעֲצַ֣ת
(vaatsat)
en raad van
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
תִּהְיֶ֖ה
(tihye)
zal zijn
בֵּ֥ין
(bein)
tussen
שְׁנֵיהֶֽם
(sheneihem)
die twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוד (hod), ‘majesteit’: schittering, glans, de waardigheid van een koning.

כהן על כסאו (kohen al kis’o), ‘een priester op zijn troon’: het voegwoord al kan ook ‘naast’ of ‘bij’ betekenen. Wij volgen het Hebreeuws letterlijk.

ועצת שׁלום תהיה בין שׁניהם (va’atsat shalom tihyeh beyn shneihem), ‘een raad van vrede zal er zijn tussen die twee’: de twee kunnen de koning en de priester zijn, of de twee ambten.

14De kronen zullen voor Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Sefanja, zijn tot een gedachtenis in de tempel van Yahweh.
וְהָעֲטָרֹ֗ת
(vehaatarot)
en de kronen
תִּֽהְיֶה֙
(tihye)
zullen zijn
לְחֵ֨לֶם֙
(lechelem)
voor Chelem
וּלְטוֹבִיָּ֣ה
(uletoviya)
en voor Tobia
וְלִידַֽעְיָ֔ה
(velidaya)
en voor Jedaja
וּלְחֵ֖ן
(ulechen)
en voor Chen
בֶּן
(ben)
zoon van
צְפַנְיָ֑ה
(tsefanya)
Sefanja
לְזִכָּר֖וֹן
(lezikaron)
tot gedachtenis
בְּהֵיכַ֥ל
(beheikhal)
in de tempel van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לחלם (Chelem) en ולחן (Chen): waarschijnlijk andere namen van Cheldai en Josia uit vers 10.

Dat is niet zeker.

Het woord ‘Chen’ betekent ook ‘genade’.

לזכרון (lezikkaron), ‘tot gedachtenis’: de kronen blijven in de tempel als herinnering.

15Mensen van ver weg zullen komen en aan de tempel van Yahweh bouwen. Dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft. En het zal gebeuren, als jullie goed luisteren naar de stem van Yahweh, jullie Elohim…’”
וּרְחוֹקִ֣ים
(urechoqim)
en verre mensen
יָבֹ֗אוּ
(yavou)
zullen komen
וּבָנוּ֙
(uvanu)
en zullen bouwen
בְּהֵיכַ֣ל
(beheikhal)
aan de tempel van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וִידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁלָחַ֣נִי
(shelachani)
mij heeft gezonden
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar jullie
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
שָׁמ֣וֹעַ
(shamoa)
luisteren
תִּשְׁמְע֔וּן
(tishmeun)
jullie zullen luisteren
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ורחוקים (verechoqim), ‘mensen van ver weg’: dit kunnen ballingen zijn die nog moeten terugkeren, of mensen van de volken.

וידעתם כי יהוה צבאות שׁלחני אליכם (vida’tem ki Yahweh van de legermachten shelachani aleikhem), ‘dan zullen jullie weten dat Yahweh van de legermachten mij naar jullie gezonden heeft’: dezelfde woorden staan in Zach. 2:13, 2:15 (Hebr.) en 4:9. Wie hier ‘mij’ is, zegt het Hebreeuws niet. Wij zetten deze zin zwart, zoals in 2:13, 2:15 en 4:9: de spreker is de gezondene en niet Yahweh zelf.

והיה אם שׁמוע תשׁמעון בקול יהוה אלהיכם (vehayah im shamo’a tishme’un bekol Yahweh Eloheikhem), ‘en het zal gebeuren, als jullie goed luisteren naar de stem van Yahweh, jullie Elohim’: de zin breekt hier af. Het gevolg wordt niet genoemd.