Elohim Bijbel

2 Kronieken 34

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Josia, het boek van de wet en het verbond

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Josia, koning van Juda

1Josia was 8 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמוֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaar
יֹאשִׁיָּ֣הוּ
(yoshiyahu)
Josia
בְמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁלֹשִׁ֤ים
(usheloshim)
en dertig
וְאַחַת֙
(veachat)
en één
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Leeftijd en regeringsjaren staan zoals in de Masoretische tekst.

Wij rekenen niet na.

Dit hoofdstuk loopt deels parallel met 2 Kon. 22:1–23:3. Kronieken laat de naam van de moeder van Josia weg (Jedida, 2 Kon. 22:1).

2Hij deed wat juist is in de ogen van Yahweh. Hij liep op de wegen van zijn vader David. Hij week niet af, niet naar rechts en niet naar links.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הַיָּשָׁ֖ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֵּ֗לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּדַרְכֵי֙
(bedarkhei)
in de wegen van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔יו
(aviv)
zijn vader
וְלֹא
(velo)
en niet
סָ֖ר
(sar)
week af
יָמִ֥ין
(yamin)
rechts
וּשְׂמֹֽאול
(usemovl)
en links
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Josia reinigt Juda en Israël

3In het achtste jaar van zijn koningschap, toen hij nog een jongen was, begon hij de Elohim van zijn vader David te zoeken. In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de heilige palen, de gesneden beelden en de gegoten beelden.
וּבִשְׁמוֹנֶ֨ה
(uvishmone)
en in acht
שָׁנִ֜ים
(shanim)
jaren
לְמָלְכ֗וֹ
(lemalekho)
van zijn koningschap
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
עוֹדֶ֣נּוּ
(odenu)
nog
נַ֔עַר
(naar)
jongen
הֵחֵ֕ל
(hechel)
begon
לִדְר֕וֹשׁ
(lidrosh)
te zoeken
לֵאלֹהֵ֖י
(lelohei)
de Elohim van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וּבִשְׁתֵּ֧ים
(uvishteim)
en in twee
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֗ה
(shana)
jaar
הֵחֵל֙
(hechel)
begon
לְטַהֵ֔ר
(letaher)
te reinigen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
מִן
(min)
van
הַבָּמוֹת֙
(habamot)
de hoogten
וְהָ֣אֲשֵׁרִ֔ים
(vehaasherim)
en de heilige palen
וְהַפְּסִלִ֖ים
(vehapesilim)
en de gesneden beelden
וְהַמַּסֵּכֽוֹת
(vehamasekhot)
en de gegoten beelden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

In 2 Kon. 22:3 en 23:23 begint het verhaal bij het achttiende jaar van Josia.

Kronieken vertelt eerst over zijn zoeken in het achtste jaar en zijn reiniging in het twaalfde jaar.

Wij rekenen niet na en leggen de teksten niet gelijk.

לִדְרֹשׁ (lidrosh), ‘zoeken’: hetzelfde werkwoord als ‘raadplegen’ in vers 21 en 26.

מַסֵּכוֹת (massekhot), ‘gegoten beelden’: zoals in 2 Kron. 28:2.

4Voor zijn aangezicht braken zij de altaren van de Baäls af. De wierookaltaren die erboven stonden, hakte hij om. De heilige palen, de gesneden beelden en de gegoten beelden brak hij stuk en vermaalde hij. Hij strooide het over de graven van hen die aan hen hadden geofferd.
וַיְנַתְּצ֣וּ
(vaynatetsu)
en zij braken af
לְפָנָ֗יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
מִזְבְּח֣וֹת
(mizbechot)
altaren van
הַבְּעָלִ֔ים
(habealim)
de Baäls
וְהַֽחַמָּנִ֛ים
(vehachamanim)
en de wierookaltaren
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְמַ֥עְלָה
(lemala)
boven
מֵעֲלֵיהֶ֖ם
(mealeihem)
erop
גִּדֵּ֑עַ
(gidea)
hij hakte om
וְ֠הָאֲשֵׁרִים
(vehaasherim)
en de heilige palen
וְהַפְּסִלִ֤ים
(vehapesilim)
en de gesneden beelden
וְהַמַּסֵּכוֹת֙
(vehamasekhot)
en de gegoten beelden
שִׁבַּ֣ר
(shibar)
hij brak
וְהֵדַ֔ק
(vehedaq)
en vermaalde
וַיִּזְרֹק֙
(vayizroq)
en strooide
עַל
(al)
over
פְּנֵ֣י
(penei)
het oppervlak van
הַקְּבָרִ֔ים
(haqevarim)
de graven
הַזֹּבְחִ֖ים
(hazovechim)
van hen die offerden
לָהֶֽם
(lahem)
aan hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: de betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

Het staat ook in Lev. 26:30.

Het Hebreeuws zegt eerst ‘zij braken af’ (de mannen om hem heen) en dan ‘hij hakte om’ (Josia zelf).

5De botten van de priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem.
וְעַצְמוֹת֙
(veatsmot)
en botten van
כֹּֽהֲנִ֔ים
(kohanim)
priesters
שָׂרַ֖ף
(saraf)
verbrandde hij
עַל
(al)
op
מִזְבְּחוֹתָ֑ם
(mizbechotam)
hun altaren
וַיְטַהֵ֥ר
(vaytaher)
en reinigde
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft מזבחותים (mizbechotaim); het qere is מִזְבְּחוֹתָם (mizbechotam), ‘hun altaren’.

Wij volgen het qere.

6Dat deed hij ook in de steden van Manasse, Efraïm en Simeon, tot aan Naftali, in hun verwoeste plaatsen rondom.
וּבְעָרֵ֨י
(uvearei)
en in steden van
מְנַשֶּׁ֧ה
(menashe)
Manasse
וְאֶפְרַ֛יִם
(veefrayim)
en Efraïm
וְשִׁמְע֖וֹן
(veshimon)
en Simeon
וְעַד
(vead)
en tot
נַפְתָּלִ֑י
(naftali)
Naftali
בְּחַרְבֹתֵיהֶ֖ם
(becharvoteihem)
in hun verwoeste plaatsen
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft in dit vers geen werkwoord.

Wij vullen ‘dat deed hij ook’ aan uit vers 3–5.

De steden van Manasse, Efraïm en Naftali liggen in het noorden, het vroegere rijk Israël. Simeon lag in het zuiden van Juda.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft בתיהם (batteihem), ‘hun huizen’.

Het qere is בְּחַרְבֹתֵיהֶם (becharvoteihem), ‘in hun verwoeste plaatsen’.

Wij volgen het qere.

7Hij brak de altaren en de heilige palen af. De gesneden beelden sloeg hij fijn. Alle wierookaltaren hakte hij om in heel het land Israël. Toen keerde hij terug naar Jeruzalem.
וַיְנַתֵּ֣ץ
(vaynatets)
en brak af
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמִּזְבְּח֗וֹת
(hamizbechot)
de altaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאֲשֵׁרִ֤ים
(haasherim)
de heilige palen
וְהַפְּסִלִים֙
(vehapesilim)
en de gesneden beelden
כִּתַּ֣ת
(kitat)
sloeg hij stuk
לְהֵדַ֔ק
(lehedaq)
tot poeder
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַֽחַמָּנִ֥ים
(hachamanim)
de wierookaltaren
גִּדַּ֖ע
(gida)
hakte hij om
בְּכָל
(bekhal)
in heel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיָּ֖שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
לִירוּשָׁלִָֽם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Het huis van Yahweh wordt hersteld

8In het achttiende jaar van zijn koningschap had hij het land en het huis gereinigd. Toen stuurde hij Safan, de zoon van Azalja, Maäseja, de overste van de stad, en Joach, de zoon van Joachaz, de archivaris. Zij moesten het huis van Yahweh, zijn Elohim, herstellen.
וּבִשְׁנַ֨ת
(uvishnat)
en in het jaar
שְׁמוֹנֶ֤ה
(shemone)
acht
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
לְמָלְכ֔וֹ
(lemalekho)
van zijn koningschap
לְטַהֵ֥ר
(letaher)
om te reinigen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
וְהַבָּ֑יִת
(vehabayit)
en het huis
שָׁ֠לַח
(shalach)
stuurde hij
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁפָ֨ן
(shafan)
Safan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲצַלְיָ֜הוּ
(atsalyahu)
Azalja
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַעֲשֵׂיָ֣הוּ
(maaseyahu)
Maäseja
שַׂר
(sar)
overste van
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
וְ֠אֵת
(veet)
en (obj.)
יוֹאָ֤ח
(yoach)
Joach
בֶּן
(ben)
zoon van
יֽוֹאָחָז֙
(yoachaz)
Joachaz
הַמַּזְכִּ֔יר
(hamazkir)
de archivaris
לְחַזֵּ֕ק
(lechazeq)
om te herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֖ית
(beit)
huis van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָֽיו
(elohav)
zijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲצַלְיָהוּ (Atsalyahu): dezelfde man als Azalja in 2 Kon. 22:3.

Maäseja en Joach worden alleen in Kronieken genoemd.

הַמַּזְכִּיר (hamazkir), ‘de archivaris’: zoals in 2 Sam. 8:16 en 1 Kon. 4:3.

לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘herstellen’: letterlijk ‘sterk maken’. Zie 2 Kron. 24:5.

9Zij kwamen bij Hilkia, de hogepriester, en gaven het geld dat in het huis van Elohim was binnengebracht. De Levieten, de wachters van de drempel, hadden het ingezameld uit de hand van Manasse en Efraïm, van heel het overblijfsel van Israël, van heel Juda en Benjamin. Daarna keerden zij terug naar Jeruzalem.
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
tot
חִלְקִיָּ֣הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֗וֹל
(hagadol)
de grote
וַֽיִּתְּנוּ֮
(vayitenu)
en zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּסֶף֮
(hakesef)
het geld
הַמּוּבָ֣א
(hamuva)
dat werd binnengebracht
בֵית
(beit)
huis van
אֱלֹהִים֒
(Elohim)
Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אָסְפֽוּ
(asefu)
hadden verzameld
הַלְוִיִּם֩
(halviyim)
de Levieten
שֹׁמְרֵ֨י
(shomerei)
bewakers van
הַסַּ֜ף
(hasaf)
de drempel
מִיַּ֧ד
(miyad)
uit de hand van
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
וְאֶפְרַ֗יִם
(veefrayim)
en Efraïm
וּמִכֹּל֙
(umikol)
en van heel
שְׁאֵרִ֣ית
(sheerit)
overblijfsel van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וּמִכָּל
(umikal)
en van heel
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֑ן
(uvinyamin)
en Benjamin
וַיָּשֻׁ֖בוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
יְרֽוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het geld kwam niet alleen uit Juda, maar ook uit het noorden, van Manasse en Efraïm en van het overblijfsel van Israël.

Vergelijk 2 Kon. 22:4.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft וְיֹשְׁבֵי (veyoshvei), ‘en de inwoners van’.

Het qere is וַיָּשֻׁבוּ (vayyashuvu), ‘en zij keerden terug’.

Wij volgen het qere.

Met het ketiv zou de zin eindigen met ‘en de inwoners van Jeruzalem’.

10Zij gaven het in de hand van de werkleiders, de aangestelden in het huis van Yahweh. Zij gaven het aan de mannen die het werk deden in het huis van Yahweh, om het huis te onderzoeken en te herstellen.
וַֽיִּתְּנ֗וּ
(vayitenu)
en zij gaven
עַל
(al)
in
יַד֙
(yad)
de hand van
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
uitvoerders van
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
הַמֻּפְקָדִ֖ים
(hamufqadim)
de aangestelden
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתְּנ֨וּ
(vayitenu)
en zij gaven
אֹת֜וֹ
(oto)
het
עוֹשֵׂ֣י
(osei)
uitvoerders van
הַמְּלָאכָ֗ה
(hamelakha)
het werk
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
עֹשִׂים֙
(osim)
doen
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִבְדּ֥וֹק
(livdoq)
om te onderzoeken
וּלְחַזֵּ֖ק
(ulechazeq)
en te herstellen
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לִבְדּוֹק (livdok), ‘onderzoeken’: het werkwoord is zeldzaam.

Het hangt samen met בֶּדֶק (bedeq), ‘schade’ in 2 Kon. 22:5: men onderzoekt de schade en herstelt haar.

11Zij gaven het aan de timmerlieden en de bouwers. Zij moesten gehouwen stenen en hout kopen voor de klemmen. Ook moesten zij de gebouwen van balken voorzien, die de koningen van Juda hadden verwoest.
וַֽיִּתְּנ֗וּ
(vayitenu)
en zij gaven
לֶחָֽרָשִׁים֙
(lecharashim)
aan de timmerlieden
וְלַבֹּנִ֔ים
(velabonim)
en de bouwers
לִקְנוֹת֙
(liqnot)
om te kopen
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
מַחְצֵ֔ב
(machtsev)
uithouwing
וְעֵצִ֖ים
(veetsim)
en hout
לַֽמְחַבְּר֑וֹת
(lamchaberot)
voor de klemmen
וּלְקָרוֹת֙
(uleqarot)
en om balken te leggen
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּ֣תִּ֔ים
(habatim)
de huizen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הִשְׁחִ֖יתוּ
(hishchitu)
hadden verwoest
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְחַבְּרוֹת (mechabberot), ‘klemmen’: metalen verbindingen.

De betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 22:3.

הַבָּתִּים (habbattim), ‘de huizen’: de gebouwen bij het huis van Yahweh.

12De mannen deden het werk met betrouwbaarheid. Over hen waren Jachat en Obadja, Levieten uit de zonen van Merari, aangesteld, en Zacharia en Mesjullam uit de zonen van de Kehatieten, om leiding te geven. De Levieten, allen die kundig waren met muziekinstrumenten,
וְהָאֲנָשִׁים֩
(vehaanashim)
en de mannen
עֹשִׂ֨ים
(osim)
doen
בֶּאֱמוּנָ֜ה
(beemuna)
in betrouwbaarheid
בַּמְּלָאכָ֗ה
(bamelakha)
het werk
וַעֲלֵיהֶ֣ם
(vaaleihem)
en over hen
מֻ֠פְקָדִים
(mufqadim)
aangesteld
יַ֣חַת
(yachat)
Jachat
וְעֹבַדְיָ֤הוּ
(veovadyahu)
en Obadja
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
מְרָרִ֔י
(merari)
Merari
וּזְכַרְיָ֧ה
(uzekharya)
en Zacharia
וּמְשֻׁלָּ֛ם
(umeshulam)
en Mesjullam
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הַקְּהָתִ֖ים
(haqehatim)
de Kehatieten
לְנַצֵּ֑חַ
(lenatseach)
om leiding te geven
וְהַ֨לְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
כָּל
(kal)
allen
מֵבִ֖ין
(mevin)
kundig
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
שִֽׁיר
(shir)
lied
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13waren over de lastdragers aangesteld. Zij leidden allen die in elke dienst werk deden. Uit de Levieten kwamen ook schrijvers, opzichters en poortwachters.
וְעַ֣ל
(veal)
en over
הַסַּבָּלִ֗ים
(hasabalim)
de lastdragers
וּֽמְנַצְּחִים֙
(umenatsechim)
en leiders
לְכֹל֙
(lekhol)
bij elke
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
doener van
מְלָאכָ֔ה
(melakha)
werk
לַעֲבוֹדָ֖ה
(laavoda)
voor dienst
וַעֲבוֹדָ֑ה
(vaavoda)
en dienst
וּמֵֽהַלְוִיִּ֔ם
(umehalviyim)
en uit de Levieten
סוֹפְרִ֥ים
(soferim)
schrijvers
וְשֹׁטְרִ֖ים
(veshoterim)
en opzichters
וְשׁוֹעֲרִֽים
(veshoarim)
en poortwachters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁטְרִים (shoterim), ‘opzichters’: zoals in 1 Kron. 23:4.

Het boek van de wet wordt gevonden

14Zij brachten het geld naar buiten dat in het huis van Yahweh was binnengebracht. Toen vond de priester Hilkia het boek van de wet van Yahweh, gegeven door Mozes.
וּבְהוֹצִיאָ֣ם
(uvehotsiam)
en bij hun naar buiten brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het geld
הַמּוּבָ֖א
(hamuva)
dat werd binnengebracht
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מָצָא֙
(matsa)
vond
חִלְקִיָּ֣הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
סֵ֥פֶר
(sefer)
boek van
תּֽוֹרַת
(torat)
wet van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר תּוֹרַת יְהוָה בְּיַד מֹשֶׁה (sefer torat Yahweh beyad Mosheh), ‘het boek van de wet van Yahweh door de hand van Mozes’.

In 2 Kon. 22:8 staat ‘het boek van de wet’.

Welk boek dit was, zegt de tekst niet.

Zie ook Deut. 31:24–26.

15Hilkia nam het woord en zei tegen Safan, de schrijver: „Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis van Yahweh.” Hilkia gaf het boek aan Safan.
וַיַּ֣עַן
(vayaan)
en antwoordde
חִלְקִיָּ֗הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
שָׁפָ֣ן
(shafan)
Safan
הַסּוֹפֵ֔ר
(hasofer)
de schrijver
סֵ֧פֶר
(sefer)
boek van
הַתּוֹרָ֛ה
(hatora)
de wet
מָצָ֖אתִי
(matsati)
ik heb gevonden
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּתֵּ֧ן
(vayiten)
en gaf
חִלְקִיָּ֛הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֖פֶר
(hasefer)
het boek
אֶל
(el)
aan
שָׁפָֽן
(shafan)
Safan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Safan bracht het boek naar de koning. Ook bracht hij de koning bericht en zei: „Alles wat in de hand van uw dienaren is gegeven, voeren zij uit.
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en bracht
שָׁפָ֤ן
(shafan)
Safan
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֵּ֨פֶר֙
(hasefer)
het boek
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיָּ֨שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
ע֧וֹד
(od)
nog
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָ֖ר
(davar)
bericht
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֛ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
נִתַּ֥ן
(nitan)
is gegeven
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
הֵ֥ם
(hem)
zij
עֹשִֽׂים
(osim)
doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Zij hebben het geld dat in het huis van Yahweh gevonden werd, uitgegoten. Zij hebben het in de hand van de aangestelden en van de mannen die het werk doen, gegeven.”
וַיַּתִּ֕יכוּ
(vayatikhu)
en zij hebben uitgegoten
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
הַנִּמְצָ֣א
(hanimtsa)
dat werd gevonden
בְּבֵית
(beveit)
in het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיִּתְּנ֗וּהוּ
(vayitenuhu)
en zij hebben het gegeven
עַל
(al)
in
יַד֙
(yad)
de hand van
הַמֻּפְקָדִ֔ים
(hamufqadim)
de aangestelden
וְעַל
(veal)
en in
יַ֖ד
(yad)
de hand van
עוֹשֵׂ֥י
(osei)
uitvoerders van
הַמְּלָאכָֽה
(hamelakha)
het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּתִּיכוּ (vayyattikhu), ‘zij hebben uitgegoten’: letterlijk ‘gesmolten’.

Zo vertalen wij ook in 2 Kon. 22:9.

Zie ook2 Kon 22:9
18Safan, de schrijver, vertelde de koning: „Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven.” Safan las eruit voor aan de koning.
וַיַּגֵּ֞ד
(vayaged)
en vertelde
שָׁפָ֤ן
(shafan)
Safan
הַסּוֹפֵר֙
(hasofer)
de schrijver
לַמֶּ֣לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
סֵ֚פֶר
(sefer)
boek
נָ֣תַן
(natan)
gaf
לִ֔י
(li)
aan mij
חִלְקִיָּ֖הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en las voor
ב֥וֹ
(bo)
daaruit
שָׁפָ֖ן
(shafan)
Safan
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Toen de koning de woorden van de wet hoorde, scheurde hij zijn kleren.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
bij het horen van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֑ה
(hatora)
de wet
וַיִּקְרַ֖ע
(vayiqra)
en scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָֽיו
(begadav)
zijn kleren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De koning gaf een bevel aan Hilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Abdon, de zoon van Micha, aan Safan, de schrijver, en aan Asaja, de dienaar van de koning. Hij zei:
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
חִלְקִיָּ֡הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲחִיקָ֣ם
(achiqam)
Achikam
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁ֠פָן
(shafan)
Safan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַבְדּ֨וֹן
(avdon)
Abdon
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָ֜ה
(mikha)
Micha
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שָׁפָ֣ן
(shafan)
Safan
הַסּוֹפֵ֗ר
(hasofer)
de schrijver
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
עֲשָׂיָ֥ה
(asaya)
Asaja
עֶֽבֶד
(eved)
dienaar van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַבְדּוֹן בֶּן מִיכָה (Avdon ben Mikha), ‘Abdon, de zoon van Micha’: in 2 Kon. 22:12 heet de man Achbor, de zoon van Michaja.

Het is onzeker of dit dezelfde man is.

21„Ga, raadpleeg Yahweh voor mij en voor wie in Israël en in Juda zijn overgebleven, over de woorden van het boek dat gevonden is. Want groot is de woede van Yahweh, die over ons is uitgegoten. Onze vaders hebben het woord van Yahweh niet gehouden en niet gedaan naar alles wat in dit boek geschreven staat.”
לְכוּ֩
(lekhu)
gaat
דִרְשׁ֨וּ
(dirshu)
raadpleegt
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲדִ֗י
(baadi)
voor mij
וּבְעַד֙
(uvead)
en voor
הַנִּשְׁאָר֙
(hanishar)
de overgeblevenen
בְּיִשְׂרָאֵ֣ל
(beyisrael)
in Israël
וּבִֽיהוּדָ֔ה
(uvihuda)
en in Juda
עַל
(al)
over
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
הַסֵּ֖פֶר
(hasefer)
het boek
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
נִמְצָ֑א
(nimtsa)
is gevonden
כִּֽי
(ki)
want
גְדוֹלָ֤ה
(gedola)
groot
חֲמַת
(chamat)
woede van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִתְּכָ֣ה
(nitekha)
is uitgegoten
בָ֔נוּ
(banu)
over ons
עַל֩
(al)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
שָׁמְר֤וּ
(shameru)
zij hielden
אֲבוֹתֵ֨ינוּ֙
(avoteinu)
onze vaders
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te doen
כְּכָל
(kekhal)
naar alles
הַכָּת֖וּב
(hakatuv)
wat is geschreven
עַל
(al)
in
הַסֵּ֥פֶר
(hasefer)
het boek
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנִּשְׁאָר בְּיִשְׂרָאֵל וּבִיהוּדָה (hanish’ar beYisra’el uvihudah), ‘wie in Israël en in Juda is overgebleven’: dit staat niet in 2 Kon. 22:13.

דִּרְשׁוּ (dirshu), ‘raadpleeg’: zie vers 3.

Hulda, de profetes

22Hilkia en de mannen van de koning gingen naar Hulda, de profetes. Zij was de vrouw van Sjallum, de zoon van Tokhat, de zoon van Chasra, de bewaarder van de kleren. Zij woonde in Jeruzalem, in het tweede stadsdeel. Zij spraken zo met haar.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
חִלְקִיָּ֜הוּ
(chilqiyahu)
Hilkia
וַאֲשֶׁ֣ר
(vaasher)
en die van
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
חֻלְדָּ֨ה
(chulda)
Hulda
הַנְּבִיאָ֜ה
(hanevia)
de profetes
אֵ֣שֶׁת
(eshet)
vrouw van
שַׁלֻּ֣ם
(shalum)
Sjallum
בֶּן
(ben)
zoon van
תָּקְהַ֗ת
(taqehat)
Tokhat
בֶּן
(ben)
zoon van
חַסְרָה֙
(chasra)
Chasra
שׁוֹמֵ֣ר
(shomer)
bewaarder van
הַבְּגָדִ֔ים
(habegadim)
de kleren
וְהִ֛יא
(vehi)
en zij
יוֹשֶׁ֥בֶת
(yoshevet)
woonde
בִּירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
בַּמִּשְׁנֶ֑ה
(bamishne)
in het tweede stadsdeel
וַיְדַבְּר֥וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
כָּזֹֽאת
(kazot)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het tweede stadsdeel (הַמִּשְׁנֶה, hammishneh) was een nieuwe wijk van Jeruzalem, waarschijnlijk in het noorden of noordwesten.

De ligging is niet zeker.

Uitleg

חֻלְדָּה (Chuldah), ‘Hulda’: een profetes, zoals ook Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4).

In 2 Kon. 22:14 heet haar man Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Charchas.

Hier staan de vormen ‘Sjallum’ (zoals in 1 Kron.), ‘Tokhat’ en ‘Chasra’.

Wij houden de vorm van elk boek.

וַאֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ (va’asher hamelekh), ‘en die van de koning’: de mannen die in vers 20 worden genoemd.

כָּזֹאת (kazot), ‘zo’: zij brachten de opdracht van vers 21 over.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft תוקהת (Tokhat).

Het qere is תָּקְהַת (Toqhat).

Wij schrijven in beide gevallen ‘Tokhat’.

23Zij zei tegen hen: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zeg tegen de man die jullie naar mij heeft gestuurd:
וַתֹּ֣אמֶר
(vatomer)
en zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tot hen
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אִמְר֣וּ
(imru)
zegt
לָאִ֔ישׁ
(laish)
tot de man
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁלַ֥ח
(shalach)
stuurde
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
אֵלָֽי
(elay)
naar mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hulda spreekt in naam van Yahweh.

Haar woorden staan in zwart, met enkele aanhalingstekens waar zij Yahweh citeert.

Dat is de regel voor profeten, zoals bij 2 Kon. 22:15.

24Zo zegt Yahweh: Zie, Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners. Dat zijn alle eden die geschreven staan in het boek dat zij voor de koning van Juda hebben gelezen.
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֥יא
(mevi)
breng
רָעָ֛ה
(raa)
onheil
עַל
(al)
over
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וְעַל
(veal)
en over
יוֹשְׁבָ֑יו
(yoshevav)
haar inwoners
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָאָלוֹת֙
(haalot)
de eden
הַכְּתוּב֣וֹת
(haketuvot)
die geschreven staan
עַל
(al)
in
הַסֵּ֔פֶר
(hasefer)
het boek
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
קָֽרְא֔וּ
(qareu)
zij lazen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלוֹת (alot), ‘eden’: meervoud van אָלָה (alah), een eed waaraan een vloek is verbonden.

Zo vertalen wij ook in Deut. 29:20.

In 2 Kon. 22:16 staat ‘alle woorden van het boek’.

25Omdat zij Mij hebben verlaten en offerrook hebben laten opgaan voor andere goden, is Mijn woede uitgegoten over deze plaats. Zij deden dat om Mij tot toorn te prikkelen met alle werken van hun handen. Die woede zal niet gedoofd worden.
תַּ֣חַת
(tachat)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲזָב֗וּנִי
(azavuni)
zij hebben Mij verlaten
וַֽיְקַטְּרוּ֙
(vayqateru)
en zij lieten offerrook opgaan
לֵֽאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֔ים
(acherim)
andere
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
הַכְעִיסֵ֔נִי
(hakhiseni)
zij Mij tot toorn prikten
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
met alle
מַעֲשֵׂ֣י
(maasei)
werken van
יְדֵיהֶ֑ם
(yedeihem)
hun handen
וְתִתַּ֧ךְ
(vetitakh)
en is uitgegoten
חֲמָתִ֛י
(chamati)
Mijn woede
בַּמָּק֥וֹם
(bamaqom)
over de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִכְבֶּֽה
(tikhbe)
zal gedoofd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתִּתַּךְ (vattattakh), ‘zij is uitgegoten’: de woede wordt als een vloeistof uitgegoten.

In 2 Kon. 22:17 staat ‘is ontbrand’.

וַיְקַטְּרוּ (vayeqatteru), ‘zij lieten offerrook opgaan’: de geschreven tekst (ketiv) heeft ויקטירו (vayaqtiru). Wij volgen het qere en vertalen zoals in 2 Kon. 22:17.

26Maar tegen de koning van Juda, die jullie heeft gestuurd om Yahweh te raadplegen, moeten jullie zeggen: Zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël. Over de woorden die je hebt gehoord:
וְאֶל
(veel)
en tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
הַשֹּׁלֵ֤חַ
(hasholeach)
die stuurde
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
לִדְר֣וֹשׁ
(lidrosh)
om te raadplegen
בַּֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
Yahweh
כֹּ֥ה
(ko)
zo
תֹאמְר֖וּ
(tomru)
zullen jullie zeggen
אֵלָ֑יו
(elav)
tot hem
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֤ר
(amar)
zegt
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמָֽעְתָּ
(shamata)
je hebt gehoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Omdat je hart week was en je je hebt vernederd voor het aangezicht van Elohim, toen je Zijn woorden over deze plaats en over haar inwoners hoorde. Omdat je je hebt vernederd voor Mijn aangezicht, je kleren hebt gescheurd en voor Mijn aangezicht hebt gehuild: ook Ik heb het gehoord, spreekt Yahweh.
יַ֠עַן
(yaan)
omdat
רַךְ
(rakh)
week
לְבָ֨בְךָ֜
(levavekha)
je hart
וַתִּכָּנַ֣ע
(vatikana)
en je vernederde je
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
voor het aangezicht van
אֱלֹהִ֗ים
(Elohim)
Elohim
בְּשָׁמְעֲךָ֤
(beshameakha)
bij je horen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָיו֙
(devarav)
Zijn woorden
עַל
(al)
over
הַמָּק֤וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּה֙
(haze)
deze
וְעַל
(veal)
en over
יֹ֣שְׁבָ֔יו
(yoshevav)
haar inwoners
וַתִּכָּנַ֣ע
(vatikana)
en je vernederde je
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וַתִּקְרַ֥ע
(vatiqra)
en je scheurde
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדֶ֖יךָ
(begadeikha)
je kleren
וַתֵּ֣בְךְּ
(vatevek)
en je huilde
לְפָנָ֑י
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
שָׁמַ֖עְתִּי
(shamati)
heb gehoord
נְאֻם
(neum)
spreken van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In dit vers spreekt Yahweh eerst over Elohim in de derde persoon (‘voor het aangezicht van Elohim’, ‘Zijn woorden’) en daarna in de eerste persoon (‘voor Mijn aangezicht’).

Het Hebreeuws schakelt hier.

Wij laten dat zo staan.

Vergelijk 2 Kon. 22:19.

28Zie, Ik zal je verzamelen bij je vaderen. Je wordt in vrede verzameld in je graven. Je ogen zullen al het onheil niet zien dat Ik over deze plaats en over haar inwoners breng.’” Zij brachten de koning antwoord.
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
אֹֽסִפְךָ֜
(osifkha)
zal je verzamelen
אֶל
(el)
bij
אֲבֹתֶ֗יךָ
(avoteikha)
je vaderen
וְנֶאֱסַפְתָּ֣
(veneesafta)
en je wordt verzameld
אֶל
(el)
naar
קִבְרֹתֶיךָ֮
(qivroteikha)
je graven
בְּשָׁלוֹם֒
(beshalom)
in vrede
וְלֹא
(velo)
en niet
תִרְאֶ֣ינָה
(tireina)
zullen zien
עֵינֶ֔יךָ
(eineikha)
je ogen
בְּכֹל֙
(bekhol)
in al
הָֽרָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
מֵבִ֛יא
(mevi)
breng
עַל
(al)
over
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
וְעַל
(veal)
en over
יֹשְׁבָ֑יו
(yoshevav)
haar inwoners
וַיָּשִׁ֥יבוּ
(vayashivu)
en zij brachten terug
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּבָֽר
(davar)
antwoord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘In vrede verzameld in je graven’: de belofte aan Josia.

Zijn dood in de strijd staat in 2 Kron. 35:20–24 en 2 Kon. 23:29–30.

Wij leggen beide niet gelijk.

Josia sluit het verbond

29De koning stuurde bericht en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.
וַיִּשְׁלַ֖ח
(vayishlach)
en stuurde
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֶּאֱסֹ֕ף
(vayeesof)
en verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
oudsten van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וִירוּשָׁלִָֽם
(virushaliam)
en Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

30De koning ging op naar het huis van Yahweh. Alle mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, de priesters, de Levieten en heel het volk gingen met hem mee, van groot tot klein. Hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van Yahweh was gevonden.
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en ging op
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בֵּית
(beit)
naar het huis van
יְ֠הוָה
(Yahweh)
Yahweh
וְכָל
(vekhal)
en alle
אִ֨ישׁ
(ish)
man van
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהַכֹּֽהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מִגָּד֣וֹל
(migadol)
van groot
וְעַד
(vead)
en tot
קָטָ֑ן
(qatan)
klein
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en las
בְאָזְנֵיהֶ֗ם
(beazeneihem)
in hun oren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵי֙
(divrei)
woorden van
סֵ֣פֶר
(sefer)
boek van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
הַנִּמְצָ֖א
(hanimtsa)
dat werd gevonden
בֵּ֥ית
(beit)
in het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

In 2 Kon. 23:2 gaan ‘de priesters en de profeten’ mee en staat ‘van klein tot groot’.

Hier staan ‘de priesters en de Levieten’ en ‘van groot tot klein’.

31De koning ging op zijn plaats staan en sloot het verbond voor het aangezicht van Yahweh. Hij zou achter Yahweh aan gaan en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn voorschriften houden, met heel zijn hart en heel zijn ziel. Zo zou hij de woorden van het verbond uitvoeren die in dit boek geschreven staan.
וַיַּעֲמֹ֨ד
(vayaamod)
en stond
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַל
(al)
op
עָמְד֗וֹ
(amedo)
zijn plaats
וַיִּכְרֹ֣ת
(vayikhrot)
en sloot
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַבְּרִית֮
(haberit)
het verbond
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
לָלֶ֜כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלִשְׁמ֤וֹר
(velishmor)
en om te houden
אֶת
(et)
(obj.)
מִצְוֺתָיו֙
(mitsvotav)
Zijn geboden
וְעֵֽדְוֺתָ֣יו
(veedevotav)
en Zijn getuigenissen
וְחֻקָּ֔יו
(vechuqav)
en Zijn voorschriften
בְּכָל
(bekhal)
met heel
לְבָב֖וֹ
(levavo)
zijn hart
וּבְכָל
(uvekhal)
en met heel
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn ziel
לַעֲשׂוֹת֙
(laasot)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
הַכְּתוּבִ֖ים
(haketuvim)
die geschreven staan
עַל
(al)
op
הַסֵּ֥פֶר
(hasefer)
het boek
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל עָמְדוֹ (al omdo), ‘op zijn plaats’: in 2 Kon. 23:3 staat ‘bij de zuil’ (עַל הָעַמּוּד, al ha’ammud).

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het leven en het innerlijk van de mens.

32Hij liet allen die in Jeruzalem en in Benjamin aanwezig waren, zich eraan binden. De inwoners van Jeruzalem handelden naar het verbond van Elohim, de Elohim van hun vaders.
וַיַּעֲמֵ֕ד
(vayaamed)
en liet staan
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנִּמְצָ֥א
(hanimtsa)
die gevonden werd
בִירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּבִנְיָמִ֑ן
(uvinyamin)
en in Benjamin
וַֽיַּעֲשׂוּ֙
(vayaasu)
en zij deden
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כִּבְרִ֥ית
(kivrit)
naar het verbond van
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Benjamin: Benjamin is het stamgebied ten noorden van Jeruzalem, tussen Juda en Efraïm.

Uitleg

וַיַּעֲמֵד (vaya’amed), ‘hij liet staan’: de koning liet allen zich aan het verbond verbinden.

In 2 Kon. 23:3 staat dat heel het volk ‘in het verbond’ stond.

Wij vertalen ‘zich eraan binden’.

33Josia verwijderde alle gruwelen uit alle landen die aan de zonen van Israël toebehoorden. Hij liet allen die in Israël aanwezig waren, Yahweh, hun Elohim, dienen. Heel zijn leven weken zij niet af van Yahweh, de Elohim van hun vaders.
וַיָּ֨סַר
(vayasar)
en verwijderde
יֹֽאשִׁיָּ֜הוּ
(yoshiyahu)
Josia
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַתּוֹעֵב֗וֹת
(hatoevot)
de gruwelen
מִֽכָּל
(mikal)
uit alle
הָאֲרָצוֹת֮
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לִבְנֵ֣י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַֽיַּעֲבֵ֗ד
(vayaaved)
en liet dienen
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנִּמְצָא֙
(hanimtsa)
die gevonden werd
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
לַעֲב֖וֹד
(laavod)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
כָּל
(kal)
al
יָמָ֕יו
(yamav)
zijn dagen
לֹ֣א
(lo)
niet
סָ֔רוּ
(saru)
weken af
מֵֽאַחֲרֵ֕י
(meacharei)
van achter
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֵאַחֲרֵי יְהוָה (me’acharei Yahweh), ‘van achter Yahweh’: niet meer achter Yahweh aan lopen.

Zie vers 31.

De gruwelen worden verwijderd uit alle landen van Israël, dus ook uit het noorden (vers 6–7).