De tempel, het hoogheilige en de zijkamers van het huis
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De tempel en het hoogheilige
1Hij bracht mij naar de tempel en mat de pijlers. Zij waren zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent.
וַיְבִיאֵ֖נִי
(vayvieni)
en hij bracht mij
אֶל
(el)
naar
הַהֵיכָ֑ל
(haheikhal)
de tempel
וַיָּ֣מָד
(vayamad)
en hij mat
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵילִ֗ים
(haeilim)
de pijlers
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
אַמּ֨וֹת
(amot)
el
רֹ֧חַב
(rochav)
breedte
מִפּ֛וֹ
(mipo)
aan deze kant
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
אַמּֽוֹת
(amot)
el
רֹ֥חַב
(rochav)
breedte
מִפּ֖וֹ
(mipo)
aan gene kant
רֹ֥חַב
(rochav)
breedte van
הָאֹֽהֶל
(haohel)
de tent
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵיכָל (hekal), ‘tempel’: de grote ruimte van het huis, vóór het hoogheilige.
In 1 Kon. 6–8 heet dit ‘hoofdzaal’.
Hier volgen wij de woordkeuze van Ezechiël (8:16) en vertalen ‘tempel’; het hoogheilige is het achterste vertrek (vers 4).
De voorhal heet ‘voorhal’ (ulam).
אֵילִים (elim), ‘pijlers’: zoals in 40:9. De pijlers van de tempel zijn zes el breed.
הָאֹהֶל (ha’ohel), ‘de tent’: onzeker. Waarschijnlijk wordt de dikte van de muurdelen met de breedte van de tabernakel vergeleken (vergelijk Exod. 26). De betekenis is niet zeker. Sommige oude vertalingen lezen anders.
2De breedte van de ingang was tien el. De zijkanten van de ingang waren vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Hij mat de lengte van de tempel: veertig el, en de breedte: twintig el.
וְרֹ֣חַב
(verochav)
en breedte van
הַפֶּתַח֮
(hapetach)
de ingang
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
אַמּוֹת֒
(amot)
el
וְכִתְפ֣וֹת
(vekhitfot)
en zijkanten van
הַפֶּ֔תַח
(hapetach)
de ingang
חָמֵ֤שׁ
(chamesh)
vijf
אַמּוֹת֙
(amot)
el
מִפּ֔וֹ
(mipo)
aan deze kant
וְחָמֵ֥שׁ
(vechamesh)
en vijf
אַמּ֖וֹת
(amot)
el
מִפּ֑וֹ
(mipo)
aan gene kant
וַיָּ֤מָד
(vayamad)
en hij mat
אָרְכּוֹ֙
(arko)
haar lengte
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
אַמָּ֔ה
(ama)
el
וְרֹ֖חַב
(verochav)
en breedte
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
אַמָּֽה
(ama)
el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De lengte van de tempel (veertig el) en de breedte (twintig el) komen overeen met de hoofdzaal van Salomo (1 Kon. 6:2–3, 17).
Het hoogheilige is twintig bij twintig el (vers 4).
6De zijkamers lagen kamer aan kamer, drieëndertig maal. Zij stonden in de muur van het huis, voor de zijkamers rondom, om vastgehouden te worden. Maar zij werden niet vastgehouden in de muur van het huis.
וְהַצְּלָעוֹת֩
(vehatselaot)
en de zijkamers
צֵלָ֨ע
(tsela)
zijkamer
אֶל
(el)
naast
צֵלָ֜ע
(tsela)
zijkamer
שָׁל֧וֹשׁ
(shalosh)
drie
וּשְׁלֹשִׁ֣ים
(usheloshim)
en dertig
פְּעָמִ֗ים
(peamim)
maal
וּ֠בָאוֹת
(uvaot)
en zij kwamen
בַּקִּ֨יר
(baqir)
in de muur
אֲשֶׁר
(asher)
die
לַבַּ֧יִת
(labayit)
voor het huis
לַצְּלָע֛וֹת
(latselaot)
voor de zijkamers
סָבִ֥יב
(saviv)
rondom
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
אֲחוּזִ֑ים
(achuzim)
vastgehouden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zij waren
אֲחוּזִ֖ים
(achuzim)
vastgehouden
בְּקִ֥יר
(beqir)
in de muur van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁלוֹשׁ וּשְׁלֹשִׁים פְּעָמִים (shalosh ushloshim pe’amim), ‘drieëndertig maal’: het kan betekenen ‘drie verdiepingen van dertig’, dus negentig zijkamers, of ‘driemaal dertig’.
Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘drieëndertig keer’.
Wij laten het zoals het staat.
אֲחוּזִים (achuzim), ‘vastgehouden’: de balken van de zijkamers rustten op insprongen in de muur en zaten niet in de muur zelf vast; zie 1 Kon. 6:6.
7Het werd breder en liep steeds hoger rond, voor de zijkamers. Want de omgang van het huis ging steeds hoger, rondom het huis. Daarom was het huis naar boven breder. Zo ging men omhoog van de onderste laag naar de bovenste, via de middelste.
וְֽרָחֲבָ֡ה
(verachava)
en het werd breder
וְֽנָסְבָה֩
(venaseva)
en het draaide
לְמַ֨עְלָה
(lemala)
omhoog
לְמַ֜עְלָה
(lemala)
omhoog
לַצְּלָע֗וֹת
(latselaot)
voor de zijkamers
כִּ֣י
(ki)
want
מֽוּסַב
(musav)
omgang van
הַ֠בַּיִת
(habayit)
het huis
לְמַ֨עְלָה
(lemala)
omhoog
לְמַ֜עְלָה
(lemala)
omhoog
סָבִ֤יב
(saviv)
rondom
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
לַבַּ֔יִת
(labayit)
voor het huis
עַל
(al)
op
כֵּ֥ן
(ken)
zo
רֹֽחַב
(rochav)
breedte
לַבַּ֖יִת
(labayit)
van het huis
לְמָ֑עְלָה
(lemaela)
omhoog
וְכֵ֧ן
(vekhen)
en zo
הַתַּחְתּוֹנָ֛ה
(hatachtona)
de onderste
יַעֲלֶ֥ה
(yaale)
men ging omhoog
עַל
(al)
naar
הָעֶלְיוֹנָ֖ה
(haelyona)
de bovenste
לַתִּיכוֹנָֽה
(latikhona)
via de middelste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוּסַב (musab), ‘omgang’: een wenteltrap of trap rondom het huis (zoals de ‘wenteltrappen’ in 1 Kon. 6:8).
De betekenis is niet helemaal zeker.
Dit vers beschrijft hoe de zijkamers naar boven breder werden doordat de muur van het huis steeds dunner werd.
11De ingangen van de zijkamers kwamen uit op de open ruimte: een ingang aan de noordkant en een ingang aan de zuidkant. De breedte van de open ruimte was rondom vijf el.
וּפֶ֤תַח
(ufetach)
en ingang van
הַצֵּלָע֙
(hatsela)
de zijkamer
לַמֻּנָּ֔ח
(lamunach)
naar de open ruimte
פֶּ֤תַח
(petach)
ingang
אֶחָד֙
(echad)
een
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
richting
הַצָּפ֔וֹן
(hatsafon)
het noorden
וּפֶ֥תַח
(ufetach)
en ingang
אֶחָ֖ד
(echad)
een
לַדָּר֑וֹם
(ladarom)
naar het zuiden
וְרֹ֨חַב֙
(verochav)
en breedte van
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
הַמֻּנָּ֔ח
(hamunach)
de open ruimte
חָמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
אַמּ֖וֹת
(amot)
el
סָבִ֥יב
(saviv)
rondom
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ingangen aan de noord- en zuidkant verbinden de zijkamers met de open ruimte rondom het huis.
12Het bouwwerk dat tegenover het afgescheiden terrein lag, aan de westkant, was zeventig el breed. De muur van het bouwwerk was rondom vijf el breed. Het was negentig el lang.
וְהַבִּנְיָ֡ן
(vehabinyan)
en het bouwwerk
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֨י
(penei)
voorkant van
הַגִּזְרָ֜ה
(hagizra)
het afgescheiden terrein
פְּאַ֣ת
(peat)
zijde van
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
richting
הַיָּ֗ם
(hayam)
de zee
רֹ֚חַב
(rochav)
breedte
שִׁבְעִ֣ים
(shivim)
zeventig
אַמָּ֔ה
(ama)
el
וְקִ֧יר
(veqir)
en muur van
הַבִּנְיָ֛ן
(habinyan)
het bouwwerk
חָֽמֵשׁ
(chamesh)
vijf
אַמּ֥וֹת
(amot)
el
רֹ֖חַב
(rochav)
breedte
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְאָרְכּ֖וֹ
(vearko)
en haar lengte
תִּשְׁעִ֥ים
(tishim)
negentig
אַמָּֽה
(ama)
el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גִּזְרָה (gizrah), ‘afgescheiden terrein’: een apart stuk grond naast het huis, vermoedelijk met een muur.
Het woord komt in Ezechiël alleen in 41–42 voor; de betekenis is onzeker.
בִּנְיָן (binyan), ‘bouwwerk’: een gebouw aan de westkant, achter het huis.
דֶּרֶךְ הַיָּם (derech hayam), ‘richting de zee’: dat is het westen, naar de Middellandse Zee.
13Hij mat het huis: honderd el lang. Het afgescheiden terrein en het bouwwerk met zijn muren waren ook honderd el lang.
וּמָדַ֣ד
(umadad)
en hij mat
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
אֹ֖רֶךְ
(orekh)
lengte
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
אַמָּ֑ה
(ama)
el
וְהַגִּזְרָ֤ה
(vehagizra)
en het afgescheiden terrein
וְהַבִּנְיָה֙
(vehabinya)
en het bouwwerk
וְקִ֣ירוֹתֶ֔יהָ
(veqiroteiha)
en zijn muren
אֹ֖רֶךְ
(orekh)
lengte
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
אַמָּֽה
(ama)
el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In de verzen 13–15 komt de maat van honderd el steeds terug: voor het huis, voor het afgescheiden terrein met het bouwwerk, en voor de breedte aan de oostkant.
14De breedte van de voorkant van het huis en van het afgescheiden terrein aan de oostkant was honderd el.
וְרֹחַב֩
(verochav)
en breedte van
פְּנֵ֨י
(penei)
voorkant van
הַבַּ֧יִת
(habayit)
het huis
וְהַגִּזְרָ֛ה
(vehagizra)
en het afgescheiden terrein
לַקָּדִ֖ים
(laqadim)
naar het oosten
מֵאָ֥ה
(mea)
honderd
אַמָּֽה
(ama)
el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het huis en het afgescheiden terrein lagen aan de oostkant samen honderd el breed.
De bekleding en de versiering
15Hij mat de lengte van het bouwwerk tegenover het afgescheiden terrein, dat achter het huis lag, met zijn galerijen aan beide kanten: honderd el. De binnenste tempel en de voorhallen van de voorhof,
וּמָדַ֣ד
(umadad)
en hij mat
אֹֽרֶךְ
(orekh)
lengte van
הַ֠בִּנְיָן
(habinyan)
het bouwwerk
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֨י
(penei)
voorkant van
הַגִּזְרָ֜ה
(hagizra)
het afgescheiden terrein
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
אַחֲרֶ֧יהָ
(achareiha)
de achterkant ervan
וְאַתִּיקֶ֛יהָא
(veatiqeiha)
en haar galerijen
מִפּ֥וֹ
(mipo)
aan deze kant
וּמִפּ֖וֹ
(umipo)
en aan gene kant
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
אַמָּ֑ה
(ama)
el
וְהַֽהֵיכָל֙
(vehaheikhal)
en de tempel
הַפְּנִימִ֔י
(hapenimi)
de binnenste
וְאֻֽלַמֵּ֖י
(veulamei)
en voorhallen van
הֶחָצֵֽר
(hechatser)
de voorhof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַתִּיקִים (attiqim), ‘galerijen’: bouwdelen met kolommen of wandelgangen.
Het woord is zeldzaam (zie ook Ezech. 42:3, 5).
De betekenis is onzeker.
De zin loopt door in vers 16. De opsomming gaat verder met drempels, vensters en galerijen.
16de drempels, de gesloten vensters en de galerijen rondom, alle drie, tegenover de drempel, waren rondom met hout bekleed. Ook de grond, tot aan de vensters, en de vensters waren bedekt.
הַסִּפִּ֡ים
(hasipim)
de drempels
וְהַחַלּוֹנִ֣ים
(vehachalonim)
en de vensters
הָ֠אֲטֻמוֹת
(haatumot)
de gesloten
וְהָאַתִּיקִ֤ים
(vehaatiqim)
en de galerijen
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
לִשְׁלָשְׁתָּ֔ם
(lishlashtam)
voor alle drie
נֶ֧גֶד
(neged)
tegenover
הַסַּ֛ף
(hasaf)
de drempel
שְׂחִ֥יף
(sechif)
bekleed
עֵ֖ץ
(ets)
hout
סָבִ֣יב
(saviv)
rondom
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְהָאָ֨רֶץ֙
(vehaarets)
en de grond
עַד
(ad)
tot
הַֽחַלֹּנ֔וֹת
(hachalonot)
de vensters
וְהַֽחַלֹּנ֖וֹת
(vehachalonot)
en de vensters
מְכֻסּֽוֹת
(mekhusot)
bedekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
De tekst noemt drempels, gesloten vensters en galerijen die rondom met hout bekleed zijn.
Wat precies met ‘de grond tot aan de vensters’ en ‘bedekt’ bedoeld is, zegt de tekst niet.
19Het gezicht van een mens was gekeerd naar de palm aan de ene kant. Het gezicht van een jonge leeuw was gekeerd naar de palm aan de andere kant. Zo was het aangebracht aan heel het huis rondom.
וּפְנֵ֨י
(ufenei)
en gezicht van
אָדָ֤ם
(adam)
mens
אֶל
(el)
naar
הַתִּֽמֹרָה֙
(hatimora)
de palm
מִפּ֔וֹ
(mipo)
aan deze kant
וּפְנֵֽי
(ufenei)
en gezicht van
כְפִ֥יר
(kefir)
jonge leeuw
אֶל
(el)
naar
הַתִּֽמֹרָ֖ה
(hatimora)
de palm
מִפּ֑וֹ
(mipo)
aan gene kant
עָשׂ֥וּי
(asuy)
gemaakt
אֶל
(el)
aan
כָּל
(kal)
heel
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
סָבִ֥יב
(saviv)
rondom
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פְּנֵי אָדָם (penei adam), ‘gezicht van een mens’, en פְּנֵי כְפִיר (penei kefir), ‘gezicht van een jonge leeuw’: elke cherub heeft hier twee gezichten.
22een altaar van hout, drie el hoog en twee el lang. Zijn hoeken, zijn lengte en zijn wanden waren van hout. Hij zei tot mij: „Dit is de tafel die voor het aangezicht van Yahweh staat.”
הַמִּזְבֵּ֡חַ
(hamizbeach)
het altaar
עֵ֣ץ
(ets)
hout
שָׁלוֹשׁ֩
(shalosh)
drie
אַמּ֨וֹת
(amot)
el
גָּבֹ֜הַּ
(gavoha)
hoogte
וְאָרְכּ֣וֹ
(vearko)
en zijn lengte
שְׁתַּֽיִם
(shetayim)
twee
אַמּ֗וֹת
(amot)
el
וּמִקְצֹֽעוֹתָיו֙
(umiqtsootav)
en zijn hoeken
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְאָרְכּ֥וֹ
(vearko)
en zijn lengte
וְקִֽירֹתָ֖יו
(veqirotav)
en zijn wanden
עֵ֑ץ
(ets)
hout
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en hij sprak
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
זֶ֚ה
(ze)
dit
הַשֻּׁלְחָ֔ן
(hashulchan)
de tafel
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמִּזְבֵּחַ עֵץ (hammizbeach etz), ‘een altaar van hout’: het wordt daarna ‘de tafel voor het aangezicht van Yahweh’ genoemd.
Het gaat waarschijnlijk om een tafel of altaar in de tempel.
Vergelijk Exod. 25:23–30 en 30:1–10.
אָרְכּוֹ (orko), ‘zijn lengte’: het woord komt twee keer voor. De tweede keer is onzeker: ‘zijn voetstuk’ of ‘zijn bovenkant’. Sommige oude vertalingen lezen anders.