Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Uit Egypte geroepen
1„Toen Israël een jongen was, had Ik hem lief, en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.
כִּ֛י
(ki)
toen
נַ֥עַר
(naar)
jongen
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וָאֹהֲבֵ֑הוּ
(vaohavehu)
en Ik had hem lief
וּמִמִּצְרַ֖יִם
(umimitsrayim)
en uit Egypte
קָרָ֥אתִי
(qarati)
Ik riep
לִבְנִֽי
(livni)
Mijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
נַעַר (na’ar), ‘jongen’: Israël als jong volk, toen het uit Egypte werd geroepen.
4Met menselijke koorden trok Ik hen, met banden van liefde. Ik was voor hen als wie het juk van hun kaken optilt. Ik boog Mij naar hem toe en gaf hem te eten.
בְּחַבְלֵ֨י
(bechavlei)
met koorden van
אָדָ֤ם
(adam)
mens
אֶמְשְׁכֵם֙
(emshekhem)
Ik trok hen
בַּעֲבֹת֣וֹת
(baavotot)
met banden van
אַהֲבָ֔ה
(ahava)
liefde
וָאֶהְיֶ֥ה
(vaehye)
en Ik was
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
כִּמְרִ֥ימֵי
(kimrimei)
als wie optillen
עֹ֖ל
(ol)
juk
עַ֣ל
(al)
van
לְחֵיהֶ֑ם
(lecheihem)
hun kaken
וְאַ֥ט
(veat)
en Ik boog Mij neer
אֵלָ֖יו
(elav)
naar hem toe
אוֹכִֽיל
(okhil)
Ik gaf te eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַבְלֵי אָדָם (chavle adam), ‘menselijke koorden’: de koorden waarmee men een mens leidt, tegenover banden voor een dier.
עַל־לְחֵיהֶם (al lechehem), ‘van hun kaken’: ‘al’ betekent letterlijk ‘op’ en kan ook ‘weg van’ betekenen. Wij kiezen ‘van’, omdat het juk wordt opgetild. Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.
5Hij keert niet terug naar het land Egypte, maar Assyrië, dat is zijn koning, want zij weigerden terug te keren.
לֹ֤א
(lo)
niet
יָשׁוּב֙
(yashuv)
hij keert terug
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וְאַשּׁ֖וּר
(veashur)
maar Assyrië
ה֣וּא
(hu)
dat
מַלְכּ֑וֹ
(malko)
zijn koning
כִּ֥י
(ki)
want
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
zij weigerden
לָשֽׁוּב
(lashuv)
terug te keren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’: hetzelfde werkwoord staat twee keer in dit vers (‘terugkeren naar Egypte’ en ‘weigerden terug te keren’), ook voor het zich bekeren tot Yahweh.
Wij houden het woordspel.
Zie ook Hos. 8:13; 9:3.
Sommige oude vertalingen lezen het begin van dit vers anders.
8Hoe kan Ik je prijsgeven, Efraïm? Hoe kan Ik je uitleveren, Israël? Hoe kan Ik je prijsgeven zoals Adma, je maken zoals Zeboïm? Mijn hart keert zich om in Mij. Al Mijn medelijden is ontvlamd.
אֵ֞יךְ
(eikh)
hoe
אֶתֶּנְךָ֣
(etenkha)
kan Ik je prijsgeven
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
אֲמַגֶּנְךָ֙
(amagenkha)
kan Ik je uitleveren
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֵ֚יךְ
(eikh)
hoe
אֶתֶּנְךָ֣
(etenkha)
kan Ik je prijsgeven
כְאַדְמָ֔ה
(keadma)
zoals Adma
אֲשִֽׂימְךָ֖
(asimekha)
kan Ik je maken
כִּצְבֹאיִ֑ם
(kitsvoyim)
zoals Zeboïm
נֶהְפַּ֤ךְ
(nehpakh)
is omgekeerd
עָלַי֙
(alay)
in Mij
לִבִּ֔י
(libi)
Mijn hart
יַ֖חַד
(yachad)
samen
נִכְמְר֥וּ
(nikhmeru)
zijn ontvlamd
נִחוּמָֽי
(nichumay)
Mijn medelijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Adma (ligging onzeker): Adma was een van de steden van de vlakte, bij Sodom en Gomorra (Genesis 14:2; Deuteronomium 29:22), bij de Zoutzee.
De ligging is niet bekend.
Zie Zeboïm (ligging onzeker): Zeboïm was een van de steden van de vlakte, bij Sodom en Gomorra (Genesis 14:2; Deuteronomium 29:22), bij de Zoutzee.
De ligging is niet bekend.
Uitleg
אַדְמָה (Adma) en צְבֹאיִם (Zeboïm): steden bij Sodom en Gomorra die met hen werden verwoest.
Zie ook Deut. 29:22; Gen. 14:2.
נִחוּמָי (nichumai), ‘Mijn medelijden’: letterlijk ‘Mijn troost’; het gaat om ontferming die het hart beweegt.
9Ik zal Mijn brandende toorn niet uitvoeren. Ik keer niet terug om Efraïm te verderven. Want Ik ben El en geen man, de Heilige in je midden. En Ik zal niet in een stad komen.”
לֹ֤א
(lo)
niet
אֶֽעֱשֶׂה֙
(eese)
Ik zal uitvoeren
חֲר֣וֹן
(charon)
gloed van
אַפִּ֔י
(api)
Mijn toorn
לֹ֥א
(lo)
niet
אָשׁ֖וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
לְשַׁחֵ֣ת
(leshachet)
om te verderven
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֤ל
(el)
El
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik ben
וְלֹא
(velo)
en niet
אִ֔ישׁ
(ish)
man
בְּקִרְבְּךָ֣
(beqirbekha)
in je midden
קָד֔וֹשׁ
(qadosh)
de Heilige
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אָב֖וֹא
(avo)
Ik zal komen
בְּעִֽיר
(beir)
in een stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵל (El) en אִישׁ (ish), ‘man’: Ik ben El en geen man.
Zie ook Num. 23:19.
קָדוֹשׁ (qadosh), ‘de Heilige’.
בְּעִיר (be’ir), ‘in een stad’: het woord kan ook ‘woede’ betekenen. De betekenis is onzeker.