Het oordeel over Tyrus: Nebukadnezar komt en de stad verdwijnt in de zee
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tyrus roept ‘Aha!’ over Jeruzalem
1In het elfde jaar, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij:
וַיְהִ֛י
(vayhi)
en het was
בְּעַשְׁתֵּֽי
(beashtei)
in elf
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
(tien)
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op één
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws noemt het jaar en de dag, maar niet de maand.
Ezechiël telt de jaren vanaf de ballingschap van koning Jojachin (zie Ezech. 1:2).
Het elfde jaar is waarschijnlijk het jaar waarin Jeruzalem viel; zie 2 Kon. 25:2.
2„Mensenkind, omdat Tyrus over Jeruzalem heeft gezegd: ‘Aha! De poorten van de volken zijn gebroken. Zij is naar mij toegekeerd. Ik word vervuld, nu zij verwoest is.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
יַ֠עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָ֨מְרָה
(amera)
zij heeft gezegd
צֹּ֤ר
(tsor)
Tyrus
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
הֶאָ֔ח
(heach)
aha
נִשְׁבְּרָ֛ה
(nishbera)
zijn gebroken
דַּלְת֥וֹת
(daltot)
deuren van
הָעַמִּ֖ים
(haamim)
de volken
נָסֵ֣בָּה
(naseba)
zij is gekeerd
אֵלָ֑י
(elay)
naar mij
אִמָּלְאָ֖ה
(imalea)
ik zal vervuld worden
הָחֳרָֽבָה
(hachorava)
zij is verwoest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
צר (Tsor), ‘Tyrus’: de Fenicische havenstad aan de kust ten noorden van Israël.
דלתות העמים (daltot ha’ammim), ‘de poorten van de volken’: letterlijk ‘de deuren van de volken’. Het is een beeld voor Jeruzalem, waar de volken binnenkwamen. Tyrus verwacht voordeel van haar val.
אמלאה (immal’ah), ‘Ik word vervuld’: Tyrus verwacht rijker te worden. Het Hebreeuws zegt niet in welk opzicht.
5Zij wordt een plaats om netten uit te spreiden midden in de zee, want Ik heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh. Zij wordt tot buit voor de volken.
מִשְׁטַ֨ח
(mishtach)
uitspreidplaats van
חֲרָמִ֤ים
(charamim)
netten
תִּֽהְיֶה֙
(tihye)
zij zal zijn
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
כִּ֚י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
דִבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zij zal worden
לְבַ֖ז
(levaz)
tot buit
לַגּוֹיִֽם
(lagoyim)
voor de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
משׁטח חרמים (mishtach charamim), ‘plaats om netten uit te spreiden’: een plek waar vissers hun netten laten drogen.
7Want zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik breng Nebukadnezar, de koning van Babel, de koning der koningen, uit het noorden tegen Tyrus. Hij komt met paarden, wagens en ruiters, met een menigte en een groot volk.
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֧י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֣יא
(mevi)
brengend
אֶל
(el)
tegen
צֹ֗ר
(tsor)
Tyrus
נְבוּכַדְרֶאצַּ֧ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
מִצָּפ֖וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מְלָכִ֑ים
(melakhim)
koningen
בְּס֛וּס
(besus)
met paard
וּבְרֶ֥כֶב
(uverekhev)
en met wagen
וּבְפָרָשִׁ֖ים
(uvefarashim)
en met ruiters
וְקָהָ֥ל
(veqahal)
en een menigte
וְעַם
(veam)
en volk
רָֽב
(rav)
groot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
נבוכדראצר (Nevukhadre’tsar), ‘Nebukadnezar’: in Ezechiël staat de naam met een r erin.
Wij schrijven overal Nebukadnezar.
מלך מלכים (melekh melakhim), ‘koning der koningen’: een titel voor een heerser boven andere koningen.
מצפון (mitsafon), ‘uit het noorden’: Babel ligt in het oosten, maar de legers trokken via het noorden het land binnen.
8Je dochters op het land doodt hij met het zwaard. Hij bouwt een belegeringswal tegen je, werpt een aarden helling tegen je op en richt een groot schild tegen je op.
בְּנוֹתַ֥יִךְ
(benotayikh)
je dochters
בַּשָּׂדֶ֖ה
(basade)
op het veld
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
יַהֲרֹ֑ג
(yaharog)
hij zal doden
וְנָתַ֨ן
(venatan)
en hij zal opstellen
עָלַ֜יִךְ
(alayikh)
tegen jou
דָּיֵ֗ק
(dayeq)
belegeringswal
וְשָׁפַ֤ךְ
(veshafakh)
en hij zal opwerpen
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
tegen jou
סֹֽלְלָ֔ה
(solela)
aarden helling
וְהֵקִ֥ים
(veheqim)
en hij zal oprichten
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
צִנָּֽה
(tsina)
schild
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דיק (dayeq), ‘belegeringswal’ (zoals in 4:2 en 2 Kon. 25:1): een werk dat tegen de stad wordt opgeworpen.
De betekenis is niet helemaal zeker; sommigen denken aan een belegeringstoren.
סללה (solelah), ‘aarden helling’: opgeworpen om de muur te bereiken.
צנה (tsinnah), ‘groot schild’: het schild waarachter de aanvallers dekking zoeken.
9Hij zet de slag van zijn stormram tegen je muren in en breekt je torens af met zijn zwaarden.
וּמְחִ֣י
(umechi)
en de slag van
קָֽבָלּ֔וֹ
(qavalo)
zijn stormram
יִתֵּ֖ן
(yiten)
hij zal zetten
בְּחֹֽמוֹתָ֑יִךְ
(bechomotayikh)
tegen je muren
וּמִ֨גְדְּלֹתַ֔יִךְ
(umigdelotayikh)
en je torens
יִתֹּ֖ץ
(yitots)
hij zal afbreken
בְּחַרְבוֹתָֽיו
(becharvotav)
met zijn zwaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ומחי קבלו (mechi qovalo), ‘de slag van zijn stormram’: het woord קבלו (qovel) komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker; ‘stormram’ is een gok uit de samenhang.
בחרבותיו (charevotav), ‘zijn zwaarden’: het woord kan ook een ander slagwerktuig aanduiden.
10Door de overvloed van zijn paarden bedekt het stof je. Je muren beven door het geluid van ruiters, wielen en wagens, wanneer hij je poorten binnentrekt, zoals men een stad binnentrekt die doorbroken is.
מִשִּׁפְעַ֥ת
(mishifat)
wegens overvloed van
סוּסָ֖יו
(susav)
zijn paarden
יְכַסֵּ֣ךְ
(yekhasekh)
zal bedekken je
אֲבָקָ֑ם
(avaqam)
hun stof
מִקּוֹל֩
(miqol)
vanwege geluid van
פָּרַ֨שׁ
(parash)
ruiter
וְגַלְגַּ֜ל
(vegalgal)
en wiel
וָרֶ֗כֶב
(varekhev)
en wagen
תִּרְעַ֨שְׁנָה֙
(tirashna)
zullen beven
חֽוֹמוֹתַ֔יִךְ
(chomotayikh)
je muren
בְּבֹאוֹ֙
(bevoo)
als hij binnenkomt
בִּשְׁעָרַ֔יִךְ
(bisharayikh)
in je poorten
כִּמְבוֹאֵ֖י
(kimvoei)
zoals het binnenkomen van
עִ֥יר
(ir)
stad
מְבֻקָּעָֽה
(mevuqaa)
doorbroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Met de hoeven van zijn paarden vertrapt hij al je straten. Je volk doodt hij met het zwaard, en de gewijde stenen van je kracht vallen neer op de grond.
בְּפַרְס֣וֹת
(befarsot)
met hoeven van
סוּסָ֔יו
(susav)
zijn paarden
יִרְמֹ֖ס
(yirmos)
hij zal vertrappen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
חֽוּצוֹתָ֑יִךְ
(chutsotayikh)
je straten
עַמֵּךְ֙
(amekh)
je volk
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
met het zwaard
יַהֲרֹ֔ג
(yaharog)
hij zal doden
וּמַצְּב֥וֹת
(umatsevot)
en gewijde stenen van
עֻזֵּ֖ךְ
(uzekh)
je kracht
לָאָ֥רֶץ
(laarets)
naar de aarde
תֵּרֵֽד
(tered)
zullen neerdalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ומצבות עזך (umatsevot uzzekh), ‘de gewijde stenen van je kracht’: ומצבות (matsevot) is elders ‘gewijde stenen’.
Hier zijn waarschijnlijk zuilen of gedenkstenen bedoeld die Tyrus’ kracht uitdrukken.
12Zij roven je rijkdom en plunderen je koopwaar. Zij breken je muren af en slopen je kostbare huizen. Je stenen, je hout en je stof gooien zij midden in het water.
וְשָׁלְל֣וּ
(veshalelu)
en zij zullen roven
חֵילֵ֗ךְ
(cheilekh)
je rijkdom
וּבָֽזְזוּ֙
(uvazezu)
en zij zullen plunderen
רְכֻלָּתֵ֔ךְ
(rekhulatekh)
je koopwaar
וְהָֽרְסוּ֙
(veharesu)
en zij zullen afbreken
חוֹמוֹתַ֔יִךְ
(chomotayikh)
je muren
וּבָתֵּ֥י
(uvatei)
en huizen van
חֶמְדָּתֵ֖ךְ
(chemdatekh)
je kostbaarheid
יִתֹּ֑צוּ
(yitotsu)
zij zullen slopen
וַאֲבָנַ֤יִךְ
(vaavanayikh)
en je stenen
וְעֵצַ֨יִךְ֙
(veetsayikh)
en je hout
וַֽעֲפָרֵ֔ךְ
(vaafarekh)
en je stof
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
מַ֖יִם
(mayim)
water
יָשִֽׂימוּ
(yasimu)
zij zullen leggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חילך (cheilekh), ‘je rijkdom’: het woord חיל (chayil) betekent ook ‘kracht’ en ‘leger’.
14Ik maak je tot een kale rots, een plaats om netten uit te spreiden. Je wordt niet meer herbouwd, want Ik, Yahweh, heb gesproken, godsspraak van Heer Yahweh.
וּנְתַתִּ֞יךְ
(unetatikh)
en Ik zal je maken
לִצְחִ֣יחַ
(litschiach)
tot kaalheid van
סֶ֗לַע
(sela)
rots
מִשְׁטַ֤ח
(mishtach)
uitspreidplaats van
חֲרָמִים֙
(charamim)
netten
תִּֽהְיֶ֔ה
(tihye)
je zult zijn
לֹ֥א
(lo)
niet
תִבָּנֶ֖ה
(tibane)
je zult herbouwd worden
ע֑וֹד
(od)
meer
כִּ֣י
(ki)
want
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zo zegt Heer Yahweh tot Tyrus: Zullen de kustlanden niet beven van het geluid van je val, wanneer de gewonden kermen en er in je midden gemoord wordt?
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְצ֑וֹר
(letsor)
aan Tyrus
הֲלֹ֣א
(halo)
is het niet
מִקּ֣וֹל
(miqol)
vanwege het geluid van
מַפַּלְתֵּ֗ךְ
(mapaltekh)
je val
בֶּאֱנֹ֨ק
(beenoq)
bij het kermen van
חָלָ֜ל
(chalal)
gewonde
בֵּהָ֤רֵֽג
(behareg)
bij het doden van
הֶ֨רֶג֙
(hereg)
slachting
בְּתוֹכֵ֔ךְ
(betokhekh)
in je midden
יִרְעֲשׁ֖וּ
(yirashu)
zullen beven
הָאִיִּֽים
(haiyim)
de kustlanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
האיים (ha’iyyim), ‘de kustlanden’: de eilanden en kustgebieden aan de zee; zie ook Jes. 23:2.
16Alle vorsten van de zee komen van hun tronen af. Zij leggen hun mantels af en trekken hun geborduurde kleren uit. Zij kleden zich in schrik en zitten op de grond. Zij sidderen telkens weer en zijn ontzet over jou.
וְֽיָרְד֞וּ
(veyaredu)
en zij zullen afdalen
מֵעַ֣ל
(meal)
van
כִּסְאוֹתָ֗ם
(kisotam)
hun tronen
כֹּ֚ל
(kol)
alle
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
vorsten van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְהֵסִ֨ירוּ֙
(vehesiru)
en zij zullen verwijderen
אֶת
(et)
(obj.)
מְעִ֣ילֵיהֶ֔ם
(meileihem)
hun mantels
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
רִקְמָתָ֖ם
(riqmatam)
hun borduurwerk
יִפְשֹׁ֑טוּ
(yifshotu)
zij zullen uittrekken
חֲרָד֤וֹת
(charadot)
beving
יִלְבָּ֨שׁוּ֙
(yilbashu)
zij zullen aantrekken
עַל
(al)
op
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
de aarde
יֵשֵׁ֔בוּ
(yeshevu)
zij zullen zitten
וְחָֽרְדוּ֙
(vecharedu)
en zij zullen beven
לִרְגָעִ֔ים
(lirgaim)
elk ogenblik
וְשָׁמְמ֖וּ
(veshamemu)
en zij zullen ontzet zijn
עָלָֽיִךְ
(alayikh)
over jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נשׂיאי הים (nesi’ei hayyam), ‘de vorsten van de zee’: de leiders van de handelssteden aan de kust.
Zij leggen hun rang af in rouw.
חרדות (charadot), ‘schrik’: letterlijk ‘beving’; zij kleden zich als het ware in schrik.
17Zij heffen een klaaglied over je aan en zeggen tegen je: ‘Hoe ben je vergaan, jij die bewoond werd vanuit de zeeën, beroemde stad! Zij was sterk op de zee, zij en haar inwoners. Zij legden hun schrik op al haar bewoners.
וְנָשְׂא֨וּ
(venaseu)
en zij zullen opheffen
עָלַ֤יִךְ
(alayikh)
over jou
קִינָה֙
(qina)
klaaglied
וְאָ֣מְרוּ
(veameru)
en zij zullen zeggen
לָ֔ךְ
(lakh)
tegen jou
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
אָבַ֔דְתְּ
(avadt)
ben je vergaan
נוֹשֶׁ֖בֶת
(noshevet)
bewoonde
מִיַּמִּ֑ים
(miyamim)
vanuit zeeën
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַהֻלָּ֗לָה
(hahulala)
de geroemde
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
הָיְתָ֨ה
(hayeta)
was
חֲזָקָ֤ה
(chazaqa)
sterk
בַיָּם֙
(bayam)
op de zee
הִ֣יא
(hi)
zij
וְיֹשְׁבֶ֔יהָ
(veyosheveiha)
en haar inwoners
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתְנ֥וּ
(natenu)
zij gaven
חִתִּיתָ֖ם
(chititam)
hun schrik
לְכָל
(lekhal)
aan alle
יוֹשְׁבֶֽיהָ
(yosheveiha)
haar bewoners
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קינה (qinah), ‘klaaglied’: een lied bij een sterfgeval of ramp.
Zie ook 27:2.
נושׁבת מימים (noshevet miyyammim), ‘bewoond vanuit de zeeën’: de stad leefde van de zee.
Het slot, ‘al haar bewoners’, is niet helemaal duidelijk: ‘haar’ kan op de zee of op de stad slaan. Het Hebreeuws laat dat open.
19Want zo zegt Heer Yahweh: Wanneer Ik je maak tot een verwoeste stad, zoals de steden die niet bewoond worden, wanneer Ik de oervloed over je laat opkomen en de grote wateren je bedekken,
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּתִתִּ֤י
(betiti)
als Ik geef
אֹתָךְ֙
(otakh)
jou
עִ֣יר
(ir)
stad
נֶחֱרֶ֔בֶת
(necherevet)
verwoeste
כֶּעָרִ֖ים
(kearim)
zoals steden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
נוֹשָׁ֑בוּ
(noshavu)
bewoond worden
בְּהַעֲל֤וֹת
(behaalot)
als Ik laat opkomen
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
over jou
אֶת
(et)
(obj.)
תְּה֔וֹם
(tehom)
oervloed
וְכִסּ֖וּךְ
(vekhisukh)
en zullen bedekken je
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
de wateren
הָרַבִּֽים
(harabim)
de grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תהום (tehom), ‘oervloed’: de diepe wateren, hetzelfde woord als in Gen. 1:2.
20dan breng Ik je naar beneden, bij hen die in de kuil dalen, naar het volk van vroeger. Ik laat je wonen in de diepten van de aarde, in puinhopen van oudsher, bij hen die in de kuil dalen. Zo woon jij niet meer. Ik zet pracht in het land van de levenden.
וְהוֹרַדְתִּיךְ֩
(vehoradtikh)
en Ik zal je neerbrengen
אֶת
(et)
met
י֨וֹרְדֵי
(yoredei)
dalenden naar
ב֜וֹר
(bor)
kuil
אֶל
(el)
naar
עַ֣ם
(am)
volk van
עוֹלָ֗ם
(olam)
eeuwigheid
וְ֠הוֹשַׁבְתִּיךְ
(vehoshavtikh)
en Ik zal je doen wonen
בְּאֶ֨רֶץ
(beerets)
in het land van
תַּחְתִּיּ֜וֹת
(tachtiyot)
diepten
כָּחֳרָב֤וֹת
(kachoravot)
als puinen
מֵֽעוֹלָם֙
(meolam)
van oudsher
אֶת
(et)
met
י֣וֹרְדֵי
(yoredei)
dalenden naar
ב֔וֹר
(bor)
kuil
לְמַ֖עַן
(lemaan)
opdat
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵשֵׁ֑בִי
(teshevi)
je zult wonen
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
צְבִ֖י
(tsevi)
pracht
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
חַיִּֽים
(chayim)
levenden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בור (bor), ‘kuil’: het dodenrijk, zoals in Ps. 28:1.
עם עולם (am olam), ‘het volk van vroeger’: letterlijk ‘volk van de eeuwigheid’, de doden uit oude tijden.
Het slot van het vers (‘Ik zet pracht in het land van de levenden’) is moeilijk. Sommige oude vertalingen lezen anders. Wij volgen de Masoretische tekst.