Elohim Bijbel

Ezechiël 11

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Een slecht plan in Jeruzalem, de belofte van een nieuw hart en het vertrek van de heerlijkheid

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Mannen met slechte raad in de oostpoort

1Een geest tilde mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van Yahweh, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort stonden vijfentwintig mannen. Onder hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, oversten van het volk.
וַתִּשָּׂ֨א
(vatisa)
en tilde op
אֹתִ֜י
(oti)
mij
ר֗וּחַ
(ruach)
een geest
וַתָּבֵ֣א
(vatave)
en bracht
אֹ֠תִי
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
הַקַּדְמוֹנִי֙
(haqadmoni)
de oostelijke
הַפּוֹנֶ֣ה
(hapone)
die gekeerd is
קָדִ֔ימָה
(qadima)
naar het oosten
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
בְּפֶ֣תַח
(befetach)
bij de ingang van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וָאֶרְאֶ֨ה
(vaere)
en ik zag
בְתוֹכָ֜ם
(betokham)
in hun midden
אֶת
(et)
(obj.)
יַאֲזַנְיָ֧ה
(yaazanya)
Jaäzanja
בֶן
(ben)
zoon van
עַזֻּ֛ר
(azur)
Azzur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פְּלַטְיָ֥הוּ
(pelatyahu)
Pelatja
בֶן
(ben)
zoon van
בְּנָיָ֖הוּ
(benayahu)
Benaja
שָׂרֵ֖י
(sarei)
oversten van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוח (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’ betekenen.

Zo wordt Ezechiël ook elders opgetild (Ezech. 3:12, 3:14, 8:3).

In vers 5 heet het ‘de Geest van Yahweh’ en in vers 24 ‘de Geest van Elohim’.

הקדמוני (haqqadmoni), ‘de oostelijke’: de oostpoort van het huis, zoals in 10:19.

Jaäzanja de zoon van Azzur is een ander man dan Jaäzanja de zoon van Safan in 8:11. Het getal vijfentwintig staat ook in 8:16; of het om dezelfde mannen gaat, zegt de tekst niet.

שׂרי העם (sarei ha’am), ‘oversten van het volk’: leiders van de stad.

2Hij zei tegen mij: „Mensenkind, dit zijn de mannen die onrecht bedenken en kwade raad geven in deze stad.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tegen mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
הָאֲנָשִׁ֞ים
(haanashim)
de mannen
הַחֹשְׁבִ֥ים
(hachoshevim)
die bedenken
אָ֛וֶן
(aven)
onrecht
וְהַיֹּעֲצִ֥ים
(vehayoatsim)
en die raad geven
עֲצַת
(atsat)
raad van
רָ֖ע
(ra)
kwaad
בָּעִ֥יר
(bair)
in de stad
הַזֹּֽאת
(hazot)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zie de uitleg bij Ezech. 2:1.

און (aven), ‘onrecht’: zoals in Jes. 1:13.

עצת רע (atsat ra), ‘kwade raad’: ‘raad’ is het woord voor wat mensen bedenken. Een plan van Yahweh heet in onze vertaling ‘besluit’.

3Zij zeggen: ‘Het is niet nabij, het bouwen van huizen. Zij is de pot en wij zijn het vlees.’
הָאֹ֣מְרִ֔ים
(haomerim)
die zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
בְקָר֖וֹב
(beqarov)
nabij
בְּנ֣וֹת
(benot)
het bouwen van
בָּתִּ֑ים
(batim)
huizen
הִ֣יא
(hi)
zij
הַסִּ֔יר
(hasir)
de pot
וַאֲנַ֖חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
הַבָּשָֽׂר
(habasar)
het vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is kort en moeilijk.

Wij vertalen letterlijk: ‘niet nabij, het bouwen van huizen’.

Er zijn twee manieren om het te lezen.

Mogelijk zeggen de mannen: ‘Het is nog niet zo ver; laten wij huizen bouwen.’

Ze zijn dan gerust over de stad.

Of zij zeggen: ‘Is het niet nabij?

Het is tijd om huizen te bouwen.’

הסיר (hasir), ‘de pot’, en הבשׂר (habasar), ‘het vlees’: de stad is de kookpot en zij zijn het vlees dat daarin veilig is. Dit beeld komt terug in vers 7 en 11. Zie ook 24:3–5.

4Daarom: profeteer tegen hen. Profeteer, mensenkind.”
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
הִנָּבֵ֣א
(hinave)
profeteer
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
tegen hen
הִנָּבֵ֖א
(hinave)
profeteer
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָֽם
(adam)
mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Geest van Yahweh en het oordeel

5De Geest van Yahweh viel op mij. Hij zei tegen mij: „Zeg: Zo zegt Yahweh: Zo hebben jullie gesproken, huis van Israël. Wat in jullie geest opkomt, Ik ken het.
וַתִּפֹּ֣ל
(vatipol)
en viel
עָלַי֮
(alay)
op mij
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
אֱמֹר֙
(emor)
zeg
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֥ן
(ken)
zo
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie hebben gezegd
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּמַעֲל֥וֹת
(umaalot)
en wat opkomt in
רֽוּחֲכֶ֖ם
(ruchakhem)
jullie geest
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְדַעְתִּֽיהָ
(yedatiha)
ken het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint een tweede toespraak.

Yahweh geeft Ezechiël de opdracht (‘Zeg’), en geeft hem daarna de woorden die hij moet zeggen (‘Zo zegt Yahweh’).

De formule ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood.

ומעלות רוחכם (uma’alot ruchakhem), ‘wat in jullie geest opkomt’: de gedachten van hun hart.

6Jullie hebben het aantal van jullie gedoden in deze stad vergroot en haar straten met gedoden gevuld.
הִרְבֵּיתֶ֥ם
(hirbeitem)
jullie hebben vermeerderd
חַלְלֵיכֶ֖ם
(challeikhem)
jullie gedoden
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
וּמִלֵּאתֶ֥ם
(umiletem)
en jullie hebben gevuld
חוּצֹתֶ֖יהָ
(chutsoteiha)
haar straten
חָלָֽל
(chalal)
gedoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חלליכם (chalaleykhem), ‘jullie gedoden’: de mensen die jullie hebben doodgeslagen.

Het woord is hetzelfde als in 9:7.

7Daarom, zo zegt Heer Yahweh: De gedoden die jullie in haar midden hebben neergelegd, zij zijn het vlees en zij is de pot. Maar jullie zal men uit haar midden wegvoeren.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
חַלְלֵיכֶם֙
(challeikhem)
jullie gedoden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שַׂמְתֶּ֣ם
(samtem)
jullie hebben gelegd
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
הַבָּשָׂ֖ר
(habasar)
het vlees
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
הַסִּ֑יר
(hasir)
de pot
וְאֶתְכֶ֖ם
(veetkhem)
en jullie
הוֹצִ֥יא
(hotsi)
heeft uitgebracht
מִתּוֹכָֽהּ
(mitokhah)
uit haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4.

הוציא (hotsi), ‘heeft uitgebracht’: de vorm is derde persoon enkelvoud (‘Hij heeft gebracht’). Wij vertalen onpersoonlijk, ‘men zal wegvoeren’, omdat Yahweh in vers 8 en 9 zelf in de eerste persoon spreekt. Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Het beeld is omgekeerd. De mannen noemden zichzelf het vlees in de pot. Nu zijn hun slachtoffers het vlees, en zij worden uit de pot gehaald.

8Het zwaard hebben jullie gevreesd, en het zwaard breng Ik over jullie, godsspraak van Heer Yahweh.
חֶ֖רֶב
(cherev)
zwaard
יְרֵאתֶ֑ם
(yeretem)
jullie hebben gevreesd
וְחֶ֨רֶב֙
(vecherev)
en zwaard
אָבִ֣יא
(avi)
Ik breng
עֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
over jullie
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.

Hier staat de formule midden in de woorden van Yahweh en is daarom rood.

9Ik haal jullie uit haar midden weg, Ik geef jullie over in de hand van vreemden en Ik voltrek gerichten over jullie.
וְהוֹצֵאתִ֤י
(vehotseti)
en Ik zal uitbrengen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִתּוֹכָ֔הּ
(mitokhah)
uit haar midden
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
זָרִ֑ים
(zarim)
vreemden
וְעָשִׂ֛יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
בָכֶ֖ם
(bakhem)
aan jullie
שְׁפָטִֽים
(shefatim)
gerichten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Door het zwaard zullen jullie vallen. Aan de grens van Israël zal Ik over jullie oordelen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
תִּפֹּ֔לוּ
(tipolu)
jullie zullen vallen
עַל
(al)
aan
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶשְׁפּ֣וֹט
(eshpot)
Ik zal oordelen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

על גבול ישׂראל (el gevul Yisrael), ‘aan de grens van Israël’: vergelijk 2 Kon. 25:20–21: bij Ribla in het land Chamat, aan de noordgrens, werden de leiders van Jeruzalem gedood.

Zo wordt dit vers vaak verstaan.

11Zij zal voor jullie geen pot zijn, en jullie zullen in haar midden geen vlees zijn. Aan de grens van Israël zal Ik over jullie oordelen.
הִ֗יא
(hi)
zij
לֹֽא
(lo)
niet
תִהְיֶ֤ה
(tihye)
zal zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְסִ֔יר
(lesir)
tot pot
וְאַתֶּ֛ם
(veatem)
en jullie
תִּהְי֥וּ
(tihyu)
zullen zijn
בְתוֹכָ֖הּ
(betokhah)
in haar midden
לְבָשָׂ֑ר
(levasar)
tot vlees
אֶל
(el)
aan
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶשְׁפֹּ֥ט
(eshpot)
Ik zal oordelen
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Want in Mijn voorschriften hebben jullie niet gewandeld en Mijn rechtsregels hebben jullie niet gedaan. Jullie hebben gedaan volgens de rechtsregels van de volken om jullie heen.”
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
want
בְּחֻקַּי֙
(bechuqay)
in Mijn voorschriften
לֹ֣א
(lo)
niet
הֲלַכְתֶּ֔ם
(halakhtem)
jullie hebben gewandeld
וּמִשְׁפָּטַ֖י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
לֹ֣א
(lo)
niet
עֲשִׂיתֶ֑ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
וּֽכְמִשְׁפְּטֵ֧י
(ukhemishpetei)
en volgens de rechtsregels van
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
סְבִיבוֹתֵיכֶ֖ם
(sevivoteikhem)
om jullie heen
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
jullie hebben gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בחקי (bechuqqai), ‘in Mijn voorschriften’, en ומשׁפטי (umishpatai), ‘Mijn rechtsregels’: zoals in Deut. 4:1.

Dit verwijt staat ook in 5:7 en 20:13.

Pelatja sterft; Ezechiëls kreet

13Terwijl ik profeteerde, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik viel op mijn gezicht en riep met luide stem: „Ach, Heer Yahweh! Maakt U een volledig einde aan de overgeblevenen van Israël?”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
כְּהִנָּ֣בְאִ֔י
(kehinavei)
toen ik profeteerde
וּפְלַטְיָ֥הוּ
(ufelatyahu)
en Pelatja
בֶן
(ben)
zoon van
בְּנָיָ֖ה
(benaya)
Benaja
מֵ֑ת
(met)
stierf
וָאֶפֹּ֨ל
(vaepol)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנַ֜י
(panay)
mijn gezicht
וָאֶזְעַ֣ק
(vaezaq)
en ik riep
קוֹל
(qol)
stem
גָּד֗וֹל
(gadol)
grote
וָאֹמַר֙
(vaomar)
en ik zei
אֲהָהּ֙
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּלָה֙
(kala)
een einde
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עֹשֶׂ֔ה
(ose)
maakt
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כלה (kalah), ‘een volledig einde’: de vraag is of Yahweh van Israël niets overlaat.

Vergelijk 9:8.

Ezechiël bidt hier bij de dood van een van de leiders.

De vader van Pelatja heet in vers 1 בְּנָיָהוּ (Benayahu) en in vers 13 בְּנָיָה (Benayah): dezelfde naam in een langere en een kortere vorm. Wij schrijven beide keren ‘Benaja’. De tekst zegt niet hoe hij stierf.

Een belofte aan de ballingen

14Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15„Mensenkind, jouw broers, jouw broers, de mannen van jouw verlossing en heel het huis van Israël, allemaal. Tegen hen hebben de inwoners van Jeruzalem gezegd: ‘Blijf ver van Yahweh. Aan ons is het land gegeven als bezit.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
אַחֶ֤יךָ
(acheikha)
je broers
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
גְאֻלָּתֶ֔ךָ
(geulatekha)
je verlossing
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כֻּלֹּ֑ה
(kulo)
allemaal
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
אָמְר֨וּ
(ameru)
hebben gezegd
לָהֶ֜ם
(lahem)
tegen hen
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
רַֽחֲקוּ֙
(rachaqu)
blijf ver
מֵעַ֣ל
(meal)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֥נוּ
(lanu)
aan ons
הִ֛יא
(hi)
zij
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
is gegeven
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְמוֹרָשָֽׁה
(lemorasha)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אנשׁי גאלתך (anshei ge’ullatekha), ‘de mannen van jouw verlossing’: de ge’ullah is het recht en de plicht van de naaste verwant om een familielid te lossen (Lev. 25:25).

Hier gaat het om de bloedverwanten van Ezechiël in ballingschap.

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

רחקו (rachaqu), ‘blijf ver’: de inwoners van Jeruzalem zeggen tegen de ballingen dat zij ver van Yahweh en van het land moeten blijven, en dat het land aan hen is gegeven.

16Daarom, zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Ik heb hen ver weggebracht onder de volken. Ik heb hen verspreid over de landen. Toch ben Ik voor hen een klein heiligdom geweest in de landen waar zij zijn gekomen.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
ja
הִרְחַקְתִּים֙
(hirchaqtim)
Ik heb hen ver weggebracht
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וְכִ֥י
(vekhi)
en ja
הֲפִֽיצוֹתִ֖ים
(hafitsotim)
Ik heb hen verspreid
בָּאֲרָצ֑וֹת
(baaratsot)
over de landen
וָאֱהִ֤י
(vaehi)
en Ik ben geweest
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לְמִקְדָּ֣שׁ
(lemiqdash)
tot heiligdom
מְעַ֔ט
(meat)
klein
בָּאֲרָצ֖וֹת
(baaratsot)
in de landen
אֲשֶׁר
(asher)
waar
בָּ֥אוּ
(bau)
zij zijn gekomen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כי (ki), ‘ja’: het woord staat twee keer en kan ook ‘omdat’ of ‘hoewel’ betekenen.

Wij laten het onvertaald en lezen: ondanks de verbanning is Yahweh bij hen.

Daarom zetten wij ‘Toch’ voor de laatste zin.

למקדשׁ מעט (lemiqdash me’at), ‘een klein heiligdom’: het kan ook ‘een heiligdom voor korte tijd’ betekenen. Yahweh zelf is hun heiligdom in het vreemde land, nu zij het huis in Jeruzalem missen.

17Daarom, zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Ik zal jullie bijeenbrengen uit de volken en jullie verzamelen uit de landen waarin jullie verspreid zijn. Ik zal jullie de grond van Israël geven.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְקִבַּצְתִּ֤י
(veqibatsti)
en Ik zal bijeenbrengen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְאָסַפְתִּ֣י
(veasafti)
en Ik zal verzamelen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
נְפֹצוֹתֶ֖ם
(nefotsotem)
jullie verspreid zijn
בָּהֶ֑ם
(bahem)
daarin
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
אַדְמַ֥ת
(admat)
de grond van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אדמת ישׂראל (admat Yisrael), ‘de grond van Israël’: dit boek noemt het land vaak zo.

Het Hebreeuwse woord adamah betekent ‘grond’.

18Zij zullen daarheen komen en al haar gruwelbeelden en al haar gruwelen daaruit wegdoen.
וּבָ֖אוּ
(uvau)
en zij zullen komen
שָׁ֑מָּה
(shama)
daarheen
וְהֵסִ֜ירוּ
(vehesiru)
en zij zullen wegdoen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
שִׁקּוּצֶ֛יהָ
(shiqutseiha)
haar gruwelbeelden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבוֹתֶ֖יהָ
(toavoteiha)
haar gruwelen
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
daaruit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁקוציה (shiqqutseha), ‘haar gruwelbeelden’: de afgodsbeelden waar Yahweh van walgt.

תועבותיה (to’avoteha), ‘haar gruwelen’: wat Yahweh verafschuwt.

Zie hoofdstuk 8, waar deze gruwelen in het huis zelf staan.

Een nieuw hart en een nieuwe geest

19Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegnemen en hun een hart van vlees geven.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
לֵ֣ב
(lev)
hart
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְר֥וּחַ
(veruach)
en geest
חֲדָשָׁ֖ה
(chadasha)
nieuwe
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie binnenste
וַהֲסִ֨רֹתִ֜י
(vahasiroti)
en Ik zal wegnemen
לֵ֤ב
(lev)
hart van
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מִבְּשָׂרָ֔ם
(mibesaram)
uit hun vlees
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
לֵ֥ב
(lev)
hart van
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לב אחד (lev echad), ‘één hart’: één hart, gericht op Yahweh.

Sommige oude vertalingen lezen hier anders.

Zie ook Jer. 32:39.

ורוח חדשׁה (ruach chadashah), ‘een nieuwe geest’: Yahweh zelf geeft de nieuwe geest. Het gaat om de geest van de mens, die vernieuwd wordt. Zie ook Ezech. 36:26–27.

לב האבן (lev ha’even), ‘het hart van steen’: een hart dat niet meer reageert, tegenover het hart van vlees dat wel luistert.

20Zodat zij in Mijn voorschriften wandelen, Mijn rechtsregels bewaren en ze doen. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn.
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
zodat
בְּחֻקֹּתַ֣י
(bechuqotay)
in Mijn voorschriften
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zij zullen wandelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁפָּטַ֥י
(mishpatay)
Mijn rechtsregels
יִשְׁמְר֖וּ
(yishmeru)
zij zullen bewaren
וְעָשׂ֣וּ
(veasu)
en zij zullen doen
אֹתָ֑ם
(otam)
ze
וְהָיוּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לִ֣י
(li)
voor Mij
לְעָ֔ם
(leam)
tot volk
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en Ik
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
tot Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

למען (lema’an), ‘zodat’: het doel van het nieuwe hart.

De woorden ‘Zij zullen Mijn volk zijn en Ik zal hun Elohim zijn’ zijn de vaste verbondsformule. Zie ook Exod. 6:7 en Lev. 26:12.

21Maar zij wier hart zich richt op het hart van hun gruwelbeelden en gruwelen: hun weg leg Ik op hun hoofd, godsspraak van Heer Yahweh.”
וְאֶל
(veel)
en naar
לֵ֧ב
(lev)
hart van
שִׁקּוּצֵיהֶ֛ם
(shiqutseihem)
hun gruwelbeelden
וְתוֹעֲבוֹתֵיהֶ֖ם
(vetoavoteihem)
en hun gruwelen
לִבָּ֣ם
(libam)
hun hart
הֹלֵ֑ךְ
(holekh)
gaat
דַּרְכָּם֙
(darkam)
hun weg
בְּרֹאשָׁ֣ם
(berosham)
op hun hoofd
נָתַ֔תִּי
(natati)
Ik leg
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De heerlijkheid van Yahweh verlaat de stad

22De cherubs hieven hun vleugels op, met de wielen naast hen. De heerlijkheid van de Elohim van Israël was boven hen, van boven.
וַיִּשְׂא֤וּ
(vayisu)
en hieven op
הַכְּרוּבִים֙
(hakeruvim)
de cherubs
אֶת
(et)
(obj.)
כַּנְפֵיהֶ֔ם
(kanfeihem)
hun vleugels
וְהָאֽוֹפַנִּ֖ים
(vehaofanim)
en de wielen
לְעֻמָּתָ֑ם
(leumatam)
naast hen
וּכְב֧וֹד
(ukhevod)
en heerlijkheid van
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
boven hen
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De heerlijkheid van Yahweh steeg op uit het midden van de stad en bleef staan op de berg die ten oosten van de stad ligt.
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en steeg op
כְּב֣וֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַֽיַּעֲמֹד֙
(vayaamod)
en bleef staan
עַל
(al)
op
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
מִקֶּ֥דֶם
(miqedem)
aan de oostkant
לָעִֽיר
(lair)
van de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ההר אשׁר מקדם לעיר (heahar asher miqqedem la’ir), ‘de berg die ten oosten van de stad ligt’: de naam is niet genoemd.

Waarschijnlijk is het de Olijfberg.

De heerlijkheid van Yahweh heeft nu de stad verlaten.

Terug bij de ballingen

24Een geest tilde mij op en bracht mij in het visioen, door de Geest van Elohim, naar het land van de Chaldeeën, naar de ballingen. Daarna steeg het visioen dat ik gezien had van mij op.
וְר֣וּחַ
(veruach)
en een geest
נְשָׂאַ֗תְנִי
(nesaatni)
tilde mij op
וַתְּבִיאֵ֤נִי
(vatevieni)
en bracht mij
כַשְׂדִּ֨ימָה֙
(kasdima)
naar Chaldea
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingen
בַּמַּרְאֶ֖ה
(bamare)
in het visioen
בְּר֣וּחַ
(beruach)
door de Geest van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en steeg op
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van mij
הַמַּרְאֶ֖ה
(hamare)
het visioen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִֽיתִי
(raiti)
ik had gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.

Uitleg

כשׂדימה (Kasdimah), ‘naar Chaldea’: de uitgang -ah geeft de richting aan.

Wij schrijven ‘naar het land van de Chaldeeën’.

De terugkeer naar de ballingen sluit het visioen af dat in 8:1–3 begon.

25Ik vertelde de ballingen alle woorden van Yahweh die Hij mij had laten zien.
וָאֲדַבֵּ֖ר
(vaadaber)
en ik sprak
אֶל
(el)
tot
הַגּוֹלָ֑ה
(hagola)
de ballingen
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
woorden van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶרְאָֽנִי
(herani)
Hij mij liet zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)