Een slecht plan in Jeruzalem, de belofte van een nieuw hart en het vertrek van de heerlijkheid
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mannen met slechte raad in de oostpoort
1Een geest tilde mij op en bracht mij naar de oostpoort van het huis van Yahweh, die naar het oosten gekeerd is. En zie, bij de ingang van de poort stonden vijfentwintig mannen. Onder hen zag ik Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, oversten van het volk.
וַתִּשָּׂ֨א
(vatisa)
en tilde op
אֹתִ֜י
(oti)
mij
ר֗וּחַ
(ruach)
een geest
וַתָּבֵ֣א
(vatave)
en bracht
אֹ֠תִי
(oti)
mij
אֶל
(el)
naar
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort van
בֵּית
(beit)
huis van
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
הַקַּדְמוֹנִי֙
(haqadmoni)
de oostelijke
הַפּוֹנֶ֣ה
(hapone)
die gekeerd is
קָדִ֔ימָה
(qadima)
naar het oosten
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
בְּפֶ֣תַח
(befetach)
bij de ingang van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וַחֲמִשָּׁ֖ה
(vachamisha)
en vijf
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וָאֶרְאֶ֨ה
(vaere)
en ik zag
בְתוֹכָ֜ם
(betokham)
in hun midden
אֶת
(et)
(obj.)
יַאֲזַנְיָ֧ה
(yaazanya)
Jaäzanja
בֶן
(ben)
zoon van
עַזֻּ֛ר
(azur)
Azzur
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פְּלַטְיָ֥הוּ
(pelatyahu)
Pelatja
בֶן
(ben)
zoon van
בְּנָיָ֖הוּ
(benayahu)
Benaja
שָׂרֵ֖י
(sarei)
oversten van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רוח (ruach), ‘geest’: het woord kan ook ‘wind’ betekenen.
Zo wordt Ezechiël ook elders opgetild (Ezech. 3:12, 3:14, 8:3).
In vers 5 heet het ‘de Geest van Yahweh’ en in vers 24 ‘de Geest van Elohim’.
הקדמוני (haqqadmoni), ‘de oostelijke’: de oostpoort van het huis, zoals in 10:19.
Jaäzanja de zoon van Azzur is een ander man dan Jaäzanja de zoon van Safan in 8:11. Het getal vijfentwintig staat ook in 8:16; of het om dezelfde mannen gaat, zegt de tekst niet.
שׂרי העם (sarei ha’am), ‘oversten van het volk’: leiders van de stad.
3Zij zeggen: ‘Het is niet nabij, het bouwen van huizen. Zij is de pot en wij zijn het vlees.’
הָאֹ֣מְרִ֔ים
(haomerim)
die zeggen
לֹ֥א
(lo)
niet
בְקָר֖וֹב
(beqarov)
nabij
בְּנ֣וֹת
(benot)
het bouwen van
בָּתִּ֑ים
(batim)
huizen
הִ֣יא
(hi)
zij
הַסִּ֔יר
(hasir)
de pot
וַאֲנַ֖חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
הַבָּשָֽׂר
(habasar)
het vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is kort en moeilijk.
Wij vertalen letterlijk: ‘niet nabij, het bouwen van huizen’.
Er zijn twee manieren om het te lezen.
Mogelijk zeggen de mannen: ‘Het is nog niet zo ver; laten wij huizen bouwen.’
Ze zijn dan gerust over de stad.
Of zij zeggen: ‘Is het niet nabij?
Het is tijd om huizen te bouwen.’
הסיר (hasir), ‘de pot’, en הבשׂר (habasar), ‘het vlees’: de stad is de kookpot en zij zijn het vlees dat daarin veilig is. Dit beeld komt terug in vers 7 en 11. Zie ook 24:3–5.
5De Geest van Yahweh viel op mij. Hij zei tegen mij: „Zeg: Zo zegt Yahweh: Zo hebben jullie gesproken, huis van Israël. Wat in jullie geest opkomt, Ik ken het.
וַתִּפֹּ֣ל
(vatipol)
en viel
עָלַי֮
(alay)
op mij
ר֣וּחַ
(ruach)
geest van
יְהוָה֒
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tegen mij
אֱמֹר֙
(emor)
zeg
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כֵּ֥ן
(ken)
zo
אֲמַרְתֶּ֖ם
(amartem)
jullie hebben gezegd
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וּמַעֲל֥וֹת
(umaalot)
en wat opkomt in
רֽוּחֲכֶ֖ם
(ruchakhem)
jullie geest
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְדַעְתִּֽיהָ
(yedatiha)
ken het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint een tweede toespraak.
Yahweh geeft Ezechiël de opdracht (‘Zeg’), en geeft hem daarna de woorden die hij moet zeggen (‘Zo zegt Yahweh’).
De formule ‘Zo zegt Yahweh’ staat zwart; de woorden erna zijn rood.
ומעלות רוחכם (uma’alot ruchakhem), ‘wat in jullie geest opkomt’: de gedachten van hun hart.
7Daarom, zo zegt Heer Yahweh: De gedoden die jullie in haar midden hebben neergelegd, zij zijn het vlees en zij is de pot. Maar jullie zal men uit haar midden wegvoeren.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
חַלְלֵיכֶם֙
(challeikhem)
jullie gedoden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
שַׂמְתֶּ֣ם
(samtem)
jullie hebben gelegd
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
הַבָּשָׂ֖ר
(habasar)
het vlees
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
הַסִּ֑יר
(hasir)
de pot
וְאֶתְכֶ֖ם
(veetkhem)
en jullie
הוֹצִ֥יא
(hotsi)
heeft uitgebracht
מִתּוֹכָֽהּ
(mitokhah)
uit haar midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
הוציא (hotsi), ‘heeft uitgebracht’: de vorm is derde persoon enkelvoud (‘Hij heeft gebracht’). Wij vertalen onpersoonlijk, ‘men zal wegvoeren’, omdat Yahweh in vers 8 en 9 zelf in de eerste persoon spreekt. Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
Het beeld is omgekeerd. De mannen noemden zichzelf het vlees in de pot. Nu zijn hun slachtoffers het vlees, en zij worden uit de pot gehaald.
10Door het zwaard zullen jullie vallen. Aan de grens van Israël zal Ik over jullie oordelen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
תִּפֹּ֔לוּ
(tipolu)
jullie zullen vallen
עַל
(al)
aan
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶשְׁפּ֣וֹט
(eshpot)
Ik zal oordelen
אֶתְכֶ֑ם
(etkhem)
jullie
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
על גבול ישׂראל (el gevul Yisrael), ‘aan de grens van Israël’: vergelijk 2 Kon. 25:20–21: bij Ribla in het land Chamat, aan de noordgrens, werden de leiders van Jeruzalem gedood.
12Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben. Want in Mijn voorschriften hebben jullie niet gewandeld en Mijn rechtsregels hebben jullie niet gedaan. Jullie hebben gedaan volgens de rechtsregels van de volken om jullie heen.”
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
want
בְּחֻקַּי֙
(bechuqay)
in Mijn voorschriften
לֹ֣א
(lo)
niet
הֲלַכְתֶּ֔ם
(halakhtem)
jullie hebben gewandeld
וּמִשְׁפָּטַ֖י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
לֹ֣א
(lo)
niet
עֲשִׂיתֶ֑ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
וּֽכְמִשְׁפְּטֵ֧י
(ukhemishpetei)
en volgens de rechtsregels van
הַגּוֹיִ֛ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
סְבִיבוֹתֵיכֶ֖ם
(sevivoteikhem)
om jullie heen
עֲשִׂיתֶֽם
(asitem)
jullie hebben gedaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בחקי (bechuqqai), ‘in Mijn voorschriften’, en ומשׁפטי (umishpatai), ‘Mijn rechtsregels’: zoals in Deut. 4:1.
13Terwijl ik profeteerde, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik viel op mijn gezicht en riep met luide stem: „Ach, Heer Yahweh! Maakt U een volledig einde aan de overgeblevenen van Israël?”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
כְּהִנָּ֣בְאִ֔י
(kehinavei)
toen ik profeteerde
וּפְלַטְיָ֥הוּ
(ufelatyahu)
en Pelatja
בֶן
(ben)
zoon van
בְּנָיָ֖ה
(benaya)
Benaja
מֵ֑ת
(met)
stierf
וָאֶפֹּ֨ל
(vaepol)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנַ֜י
(panay)
mijn gezicht
וָאֶזְעַ֣ק
(vaezaq)
en ik riep
קוֹל
(qol)
stem
גָּד֗וֹל
(gadol)
grote
וָאֹמַר֙
(vaomar)
en ik zei
אֲהָהּ֙
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
כָּלָה֙
(kala)
een einde
אַתָּ֣ה
(ata)
U
עֹשֶׂ֔ה
(ose)
maakt
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֥ית
(sheerit)
de overgeblevenen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כלה (kalah), ‘een volledig einde’: de vraag is of Yahweh van Israël niets overlaat.
Vergelijk 9:8.
Ezechiël bidt hier bij de dood van een van de leiders.
De vader van Pelatja heet in vers 1 בְּנָיָהוּ (Benayahu) en in vers 13 בְּנָיָה (Benayah): dezelfde naam in een langere en een kortere vorm. Wij schrijven beide keren ‘Benaja’. De tekst zegt niet hoe hij stierf.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15„Mensenkind, jouw broers, jouw broers, de mannen van jouw verlossing en heel het huis van Israël, allemaal. Tegen hen hebben de inwoners van Jeruzalem gezegd: ‘Blijf ver van Yahweh. Aan ons is het land gegeven als bezit.’
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
אַחֶ֤יךָ
(acheikha)
je broers
אַחֶ֨יךָ֙
(acheikha)
je broers
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
גְאֻלָּתֶ֔ךָ
(geulatekha)
je verlossing
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
כֻּלֹּ֑ה
(kulo)
allemaal
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
אָמְר֨וּ
(ameru)
hebben gezegd
לָהֶ֜ם
(lahem)
tegen hen
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
רַֽחֲקוּ֙
(rachaqu)
blijf ver
מֵעַ֣ל
(meal)
van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֥נוּ
(lanu)
aan ons
הִ֛יא
(hi)
zij
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
is gegeven
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְמוֹרָשָֽׁה
(lemorasha)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אנשׁי גאלתך (anshei ge’ullatekha), ‘de mannen van jouw verlossing’: de ge’ullah is het recht en de plicht van de naaste verwant om een familielid te lossen (Lev. 25:25).
Hier gaat het om de bloedverwanten van Ezechiël in ballingschap.
Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
רחקו (rachaqu), ‘blijf ver’: de inwoners van Jeruzalem zeggen tegen de ballingen dat zij ver van Yahweh en van het land moeten blijven, en dat het land aan hen is gegeven.
16Daarom, zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Ik heb hen ver weggebracht onder de volken. Ik heb hen verspreid over de landen. Toch ben Ik voor hen een klein heiligdom geweest in de landen waar zij zijn gekomen.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
כִּ֤י
(ki)
ja
הִרְחַקְתִּים֙
(hirchaqtim)
Ik heb hen ver weggebracht
בַּגּוֹיִ֔ם
(bagoyim)
onder de volken
וְכִ֥י
(vekhi)
en ja
הֲפִֽיצוֹתִ֖ים
(hafitsotim)
Ik heb hen verspreid
בָּאֲרָצ֑וֹת
(baaratsot)
over de landen
וָאֱהִ֤י
(vaehi)
en Ik ben geweest
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לְמִקְדָּ֣שׁ
(lemiqdash)
tot heiligdom
מְעַ֔ט
(meat)
klein
בָּאֲרָצ֖וֹת
(baaratsot)
in de landen
אֲשֶׁר
(asher)
waar
בָּ֥אוּ
(bau)
zij zijn gekomen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כי (ki), ‘ja’: het woord staat twee keer en kan ook ‘omdat’ of ‘hoewel’ betekenen.
Wij laten het onvertaald en lezen: ondanks de verbanning is Yahweh bij hen.
Daarom zetten wij ‘Toch’ voor de laatste zin.
למקדשׁ מעט (lemiqdash me’at), ‘een klein heiligdom’: het kan ook ‘een heiligdom voor korte tijd’ betekenen. Yahweh zelf is hun heiligdom in het vreemde land, nu zij het huis in Jeruzalem missen.
17Daarom, zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Ik zal jullie bijeenbrengen uit de volken en jullie verzamelen uit de landen waarin jullie verspreid zijn. Ik zal jullie de grond van Israël geven.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֗ר
(emor)
zeg
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
וְקִבַּצְתִּ֤י
(veqibatsti)
en Ik zal bijeenbrengen
אֶתְכֶם֙
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְאָסַפְתִּ֣י
(veasafti)
en Ik zal verzamelen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
מִן
(min)
uit
הָ֣אֲרָצ֔וֹת
(haaratsot)
de landen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
נְפֹצוֹתֶ֖ם
(nefotsotem)
jullie verspreid zijn
בָּהֶ֑ם
(bahem)
daarin
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָכֶ֖ם
(lakhem)
aan jullie
אֶת
(et)
(obj.)
אַדְמַ֥ת
(admat)
de grond van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אדמת ישׂראל (admat Yisrael), ‘de grond van Israël’: dit boek noemt het land vaak zo.
19Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in jullie binnenste leggen. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegnemen en hun een hart van vlees geven.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
לֵ֣ב
(lev)
hart
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וְר֥וּחַ
(veruach)
en geest
חֲדָשָׁ֖ה
(chadasha)
nieuwe
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie binnenste
וַהֲסִ֨רֹתִ֜י
(vahasiroti)
en Ik zal wegnemen
לֵ֤ב
(lev)
hart van
הָאֶ֨בֶן֙
(haeven)
de steen
מִבְּשָׂרָ֔ם
(mibesaram)
uit hun vlees
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
לֵ֥ב
(lev)
hart van
בָּשָֽׂר
(basar)
vlees
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לב אחד (lev echad), ‘één hart’: één hart, gericht op Yahweh.
Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
Zie ook Jer. 32:39.
ורוח חדשׁה (ruach chadashah), ‘een nieuwe geest’: Yahweh zelf geeft de nieuwe geest. Het gaat om de geest van de mens, die vernieuwd wordt. Zie ook Ezech. 36:26–27.
לב האבן (lev ha’even), ‘het hart van steen’: een hart dat niet meer reageert, tegenover het hart van vlees dat wel luistert.
24Een geest tilde mij op en bracht mij in het visioen, door de Geest van Elohim, naar het land van de Chaldeeën, naar de ballingen. Daarna steeg het visioen dat ik gezien had van mij op.
וְר֣וּחַ
(veruach)
en een geest
נְשָׂאַ֗תְנִי
(nesaatni)
tilde mij op
וַתְּבִיאֵ֤נִי
(vatevieni)
en bracht mij
כַשְׂדִּ֨ימָה֙
(kasdima)
naar Chaldea
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingen
בַּמַּרְאֶ֖ה
(bamare)
in het visioen
בְּר֣וּחַ
(beruach)
door de Geest van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
וַיַּ֨עַל֙
(vayaal)
en steeg op
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van mij
הַמַּרְאֶ֖ה
(hamare)
het visioen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִֽיתִי
(raiti)
ik had gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
כשׂדימה (Kasdimah), ‘naar Chaldea’: de uitgang -ah geeft de richting aan.
Wij schrijven ‘naar het land van de Chaldeeën’.
De terugkeer naar de ballingen sluit het visioen af dat in 8:1–3 begon.