Ezechiël eet de rol en wordt aangesteld als wachter
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Eet de rol
1Hij zei tot mij: „Mensenkind, eet wat je vindt. Eet deze rol en ga, spreek tot het huis van Israël.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תִּמְצָ֖א
(timtsa)
je zult vinden
אֱכ֑וֹל
(ekhol)
eet
אֱכוֹל֙
(ekhol)
eet
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּ֣ה
(hamegila)
de rol
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
וְלֵ֥ךְ
(velekh)
en ga
דַּבֵּ֖ר
(daber)
spreek
אֶל
(el)
tot
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ezechiël moet de rol eten: de woorden van Yahweh moeten eerst in hem worden opgenomen, voordat hij ze brengt.
Vergelijk Jer. 15:16 en, in het Nieuwe Testament, Openb. 10:9–10.
אֱכוֹל אֱכוֹל (ekhol ekhol), ‘eet, eet’: het werkwoord staat twee keer, ter nadruk. Wij vertalen ‘Eet wat je vindt. Eet deze rol’.
3Hij zei tot mij: „Mensenkind, laat je buik eten en vul je ingewanden met deze rol die Ik je geef.” Ik at hem, en in mijn mond was hij zoet als honing.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
בִּטְנְךָ֤
(bitnekha)
je buik
תַֽאֲכֵל֙
(taakhel)
zal eten
וּמֵעֶ֣יךָ
(umeeikha)
en je ingewanden
תְמַלֵּ֔א
(temale)
zult vullen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הַמְּגִלָּ֣ה
(hamegila)
de rol
הַזֹּ֔את
(hazot)
deze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
נֹתֵ֣ן
(noten)
gevend
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
aan je
וָאֹ֣כְלָ֔ה
(vaokhela)
en ik at
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
בְּפִ֖י
(befi)
in mijn mond
כִּדְבַ֥שׁ
(kidvash)
als honing
לְמָתֽוֹק
(lematoq)
tot zoetheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּדְבַשׁ לְמָתוֹק (kidvash lematoq), ‘zoet als honing’: de woorden van Yahweh smaken Ezechiël zoet, ook al is de inhoud van de rol rouw en oordeel (2:10).
6Niet naar vele volken met een onverstaanbare spraak en een moeilijke taal, wier woorden je niet kunt verstaan. Zeker, als Ik je naar hen had gezonden, dan zouden zij naar je luisteren.
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶל
(el)
naar
עַמִּ֣ים
(amim)
volken
רַבִּ֗ים
(rabim)
vele
עִמְקֵ֤י
(imqei)
diepe van
שָׂפָה֙
(safa)
lip
וְכִבְדֵ֣י
(vekhivdei)
en zware van
לָשׁ֔וֹן
(lashon)
tong
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
תִשְׁמַ֖ע
(tishma)
je kunt verstaan
דִּבְרֵיהֶ֑ם
(divreihem)
hun woorden
אִם
(im)
als
לֹ֤א
(lo)
niet
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
naar hen
שְׁלַחְתִּ֔יךָ
(shelachtikha)
Ik heb je gezonden
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
יִשְׁמְע֥וּ
(yishmeu)
zouden luisteren
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
naar je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִם־לֹא (im lo), ‘zeker’: letterlijk ‘als niet’.
De twee woorden beginnen samen een bevestiging: ‘Zeker, als Ik je naar hen had gezonden, zouden zij naar je luisteren.’
7Maar het huis van Israël wil niet naar je luisteren, want zij willen niet naar Mij luisteren. Want heel het huis van Israël is stug van voorhoofd en hard van hart.
וּבֵ֣ית
(uveit)
en huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לֹ֤א
(lo)
niet
יֹאבוּ֙
(yovu)
zullen willen
לִשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar je
כִּֽי
(ki)
want
אֵינָ֥ם
(einam)
niet zijn zij
אֹבִ֖ים
(ovim)
willend
לִשְׁמֹ֣עַ
(lishmoa)
om te luisteren
אֵלָ֑י
(elay)
naar Mij
כִּ֚י
(ki)
want
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
חִזְקֵי
(chizqei)
stugge van
מֵ֥צַח
(metsach)
voorhoofd
וּקְשֵׁי
(uqeshei)
en harde van
לֵ֖ב
(lev)
hart
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חִזְקֵי־מֵצַח (chizqei metsach), ‘stug van voorhoofd’, en קְשֵׁי־לֵב (qeshei lev), ‘hard van hart’: zie 2:4.
9Als een diamant, sterker dan een scherpe steen, heb Ik je voorhoofd gemaakt. Wees niet bang voor hen en schrik niet van hun gezichten, want zij zijn een weerspannig huis.”
כְּשָׁמִ֛יר
(keshamir)
als een diamant
חָזָ֥ק
(chazaq)
sterker
מִצֹּ֖ר
(mitsor)
dan scherpe steen
נָתַ֣תִּי
(natati)
Ik heb gemaakt
מִצְחֶ֑ךָ
(mitschekha)
je voorhoofd
לֹֽא
(lo)
niet
תִירָ֤א
(tira)
wees bang
אוֹתָם֙
(otam)
voor hen
וְלֹא
(velo)
en niet
תֵחַ֣ת
(techat)
schrik
מִפְּנֵיהֶ֔ם
(mipeneihem)
van hun gezichten
כִּ֛י
(ki)
want
בֵּֽית
(beit)
huis van
מְרִ֖י
(meri)
weerspannigheid
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁמִיר (shamir), ‘diamant’: een zeer harde steen.
Het woord betekent elders ‘doornstruik’, zoals in Jes. 5:6.
De betekenis ‘diamant’ is hier onzeker; bedoeld is iets dat harder is dan een scherpe steen.
צֹר (tsor), ‘scherpe steen’: zoals in Exod. 4:25. Het kan ook ‘vuursteen’ betekenen.
11Ga naar de ballingen, naar de zonen van je volk, en spreek tot hen. Je moet tegen hen zeggen: ‘Zo zegt Heer Yahweh’, of zij nu luisteren of het laten.”
וְלֵ֨ךְ
(velekh)
en ga
בֹּ֤א
(bo)
kom
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹלָה֙
(hagola)
de ballingen
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמֶּ֔ךָ
(amekha)
je volk
וְדִבַּרְתָּ֤
(vedibarta)
en je zult spreken
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אִֽם
(im)
of
יִשְׁמְע֖וּ
(yishmeu)
zij zullen luisteren
וְאִם
(veim)
en of
יֶחְדָּֽלוּ
(yechdalu)
zij zullen ophouden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Een geest tilde mij op, en achter mij hoorde ik een geluid van een grote beving: „Gezegend is de heerlijkheid van Yahweh vanuit Zijn plaats!”
וַתִּשָּׂאֵ֣נִי
(vatisaeni)
en tilde mij op
ר֔וּחַ
(ruach)
geest
וָאֶשְׁמַ֣ע
(vaeshma)
en ik hoorde
אַחֲרַ֔י
(acharay)
achter mij
ק֖וֹל
(qol)
geluid van
רַ֣עַשׁ
(raash)
beving
גָּד֑וֹל
(gadol)
grote
בָּר֥וּךְ
(barukh)
gezegend
כְּבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמְּקוֹמֽוֹ
(mimeqomo)
vanuit Zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בָּרוּךְ כְּבוֹד־יְהוָה מִמְּקוֹמוֹ (baruch kevod Yahweh mimmeqomo), ‘Gezegend is de heerlijkheid van Yahweh vanuit Zijn plaats’: wie dit roept, noemt de tekst niet.
Sommige oude vertalingen lezen hier anders.
רַעַשׁ (ra’ash), ‘beving’: het woord kan ook ‘dreun’ of ‘aardbeving’ betekenen.
13Ik hoorde ook het geluid van de vleugels van de levende wezens, die elkaar raakten. Ik hoorde ook het geluid van de wielen naast hen en het geluid van een grote beving.
וְק֣וֹל
(veqol)
en geluid van
כַּנְפֵ֣י
(kanfei)
vleugels van
הַחַיּ֗וֹת
(hachayot)
de levende wezens
מַשִּׁיקוֹת֙
(mashiqot)
rakend
אִשָּׁ֣ה
(isha)
de ene
אֶל
(el)
aan
אֲחוֹתָ֔הּ
(achotah)
de andere
וְק֥וֹל
(veqol)
en geluid van
הָאוֹפַנִּ֖ים
(haofanim)
de wielen
לְעֻמָּתָ֑ם
(leumatam)
naast hen
וְק֖וֹל
(veqol)
en geluid van
רַ֥עַשׁ
(raash)
beving
גָּדֽוֹל
(gadol)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het werkwoord ‘ik hoorde’ uit vers 12 loopt door in dit vers: ‘en het geluid van de vleugels… en het geluid van de wielen…’.
Wij vullen ‘Ik hoorde ook’ in.
מַשִּׁיקוֹת (mashiqot), ‘zij raakten’: het werkwoord is verwant met נָשַׁק (nashaq), ‘kussen’. De vleugels raken elkaar.
15Ik kwam bij de ballingen in Tel-Abib, die bij de rivier de Kebar woonden. Ik ging zitten waar zij zaten, en daar bleef ik zeven dagen zitten, verbijsterd in hun midden.
וָאָב֨וֹא
(vaavo)
en ik kwam
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹלָ֜ה
(hagola)
de ballingen
תֵּ֣ל
(tel)
Tel
אָ֠בִיב
(aviv)
Abib
הַיֹּשְׁבִ֤ים
(hayoshevim)
de wonende
אֶֽל
(el)
bij
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָר֙
(kevar)
Kebar
וָֽאֵשֵׁ֔ב
(vaeshev)
en ik zat
הֵ֖מָּה
(hema)
zij
יוֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
zittend
שָׁ֑ם
(sham)
daar
וָאֵשֵׁ֥ב
(vaeshev)
en ik zat
שָׁ֛ם
(sham)
daar
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
מַשְׁמִ֥ים
(mashmim)
verbijsterd
בְּתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tel-Abib (ligging onzeker): Tel-Abib was de woonplaats van de ballingen aan de Kebar, in Babylonië.
De precieze plaats is niet bekend.
Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.
Daar woonden de ballingen met Ezechiël.
Uitleg
תֵּל אָבִיב (Tel Aviv), ‘Tel-Abib’: letterlijk ‘heuvel van de aren’.
Het was een plaats van ballingen bij de Kebar.
Waar het precies lag, is onbekend.
מַשְׁמִים (mashmim), ‘verbijsterd’: ontzet en sprakeloos van wat hij had gezien.
Lezing
In de geschreven tekst staat ואשר (w’shr), ‘en waar’; de overlevering leest וָאֵשֵׁב (va’esheb), ‘en ik zat’.
17„Mensenkind, als wachter heb Ik je aangesteld over het huis van Israël. Wanneer je een woord uit Mijn mond hoort, moet je hen namens Mij waarschuwen.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
צֹפֶ֥ה
(tsofe)
wachter
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
Ik heb je aangesteld
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְשָׁמַעְתָּ֤
(veshamata)
en je zult horen
מִפִּי֙
(mipi)
uit Mijn mond
דָּבָ֔ר
(davar)
woord
וְהִזְהַרְתָּ֥
(vehizharta)
en je zult waarschuwen
אוֹתָ֖ם
(otam)
hen
מִמֶּֽנִּי
(mimeni)
namens Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹפֶה (tsofeh), ‘wachter’: iemand die op een toren of muur uitkijkt en de stad waarschuwt als er gevaar komt.
In 33:1–9 legt Yahweh de taak van de wachter nogmaals uit.
הִזְהַרְתָּ (hizhirta), ‘je waarschuwt’: het werkwoord betekent ‘waarschuwen’. Het gaat om een woord van Yahweh dat Ezechiël moet doorgeven.
18Als Ik tegen een goddeloze zeg: ‘Je zult zeker sterven’, en je waarschuwt hem niet en spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn goddeloze weg, zodat hij in leven blijft, dan zal die goddeloze sterven in zijn schuld. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.
בְּאָמְרִ֤י
(beameri)
bij Mijn zeggen
לָֽרָשָׁע֙
(larasha)
tegen de goddeloze
מ֣וֹת
(mot)
sterven
תָּמ֔וּת
(tamut)
je zult sterven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
הִזְהַרְתּ֗וֹ
(hizharto)
je hebt hem gewaarschuwd
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
דִבַּ֛רְתָּ
(dibarta)
je hebt gesproken
לְהַזְהִ֥יר
(lehazhir)
om te waarschuwen
רָשָׁ֛ע
(rasha)
de goddeloze
מִדַּרְכּ֥וֹ
(midarko)
voor zijn weg
הָרְשָׁעָ֖ה
(hareshaa)
de goddeloze
לְחַיֹּת֑וֹ
(lechayoto)
om hem in leven te houden
ה֤וּא
(hu)
hij
רָשָׁע֙
(rasha)
goddeloze
בַּעֲוֺנ֣וֹ
(baavono)
in zijn schuld
יָמ֔וּת
(yamut)
zal sterven
וְדָמ֖וֹ
(vedamo)
en zijn bloed
מִיָּדְךָ֥
(miyadekha)
van jouw hand
אֲבַקֵּֽשׁ
(avaqesh)
Ik zal terugeisen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָשָׁע (rasha), ‘goddeloze’: iemand die zich bewust van Yahweh en van recht afkeert.
וְדָמוֹ מִיָּדְךָ אֲבַקֵּשׁ (vedamo miyadekha avaqqesh), ‘zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen’: wie zijn taak als wachter verzaakt, wordt verantwoordelijk gehouden voor het leven van de ander. Het werkwoord בִּקֵּשׁ (biqqesh), ‘eisen’, staat ook in 2 Sam. 4:11. Zie ook Gen. 9:5.
19Maar als jij de goddeloze waarschuwt en hij zich niet afkeert van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg, dan zal hij sterven in zijn schuld. Jij hebt je leven gered.
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
כִּֽי
(ki)
als
הִזְהַ֣רְתָּ
(hizharta)
je hebt gewaarschuwd
רָשָׁ֔ע
(rasha)
goddeloze
וְלֹא
(velo)
en niet
שָׁב֙
(shav)
hij keert zich af
מֵֽרִשְׁע֔וֹ
(merisho)
van zijn goddeloosheid
וּמִדַּרְכּ֖וֹ
(umidarko)
en van zijn weg
הָרְשָׁעָ֑ה
(hareshaa)
de goddeloze
ה֚וּא
(hu)
hij
בַּעֲוֺנ֣וֹ
(baavono)
in zijn schuld
יָמ֔וּת
(yamut)
zal sterven
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַפְשְׁךָ֥
(nafshekha)
je leven
הִצַּֽלְתָּ
(hitsalta)
heb gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַפְשְׁךָ (nafshekha), ‘je leven’: het woord נֶפֶשׁ (nefesh) betekent ‘ziel’, ‘leven’ of ‘persoon’.
Hier vertalen wij ‘je leven’: de wachter redt zichzelf als hij heeft gewaarschuwd.
Zo vertalen wij nefesh in deze hoofdstukken steeds (zie ook 3:21 en 4:14); vergelijk 33:9.
20En als een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, en Ik een struikelblok voor hem neerleg, dan zal hij sterven. Omdat je hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij sterven in zijn zonde. De gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal niet herdacht worden. Maar zijn bloed zal Ik van jouw hand terugeisen.
וּבְשׁ֨וּב
(uveshuv)
en bij het zich afkeren van
צַדִּ֤יק
(tsadiq)
rechtvaardige
מִצִּדְקוֹ֙
(mitsidqo)
van zijn gerechtigheid
וְעָ֣שָׂה
(veasa)
en hij doet
עָ֔וֶל
(avel)
onrecht
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik leg
מִכְשׁ֛וֹל
(mikhshol)
struikelblok
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor hem
ה֣וּא
(hu)
hij
יָמ֑וּת
(yamut)
zal sterven
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
הִזְהַרְתּוֹ֙
(hizharto)
je hebt hem gewaarschuwd
בְּחַטָּאת֣וֹ
(bechatato)
in zijn zonde
יָמ֔וּת
(yamut)
zal hij sterven
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִזָּכַ֗רְןָ
(tizakharna)
zal herdacht worden
צִדְקֹתָו֙
(tsidqotav)
zijn gerechtigheid
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשָׂ֔ה
(asa)
hij deed
וְדָמ֖וֹ
(vedamo)
en zijn bloed
מִיָּדְךָ֥
(miyadekha)
van jouw hand
אֲבַקֵּֽשׁ
(avaqesh)
Ik zal terugeisen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִכְשׁוֹל (mikhshol), ‘struikelblok’: iets waarover men valt.
Wat dit struikelblok is, zegt de tekst niet.
צִדְקֹתָו (tsidqoto), ‘zijn gerechtigheid’: de goede daden van de rechtvaardige tellen niet meer als hij zich afkeert. Zie ook 18:24.
21Maar als jij de rechtvaardige waarschuwt, zodat de rechtvaardige niet zondigt, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is. En jij hebt je leven gered.”
וְאַתָּ֞ה
(veata)
en jij
כִּ֧י
(ki)
als
הִזְהַרְתּ֣וֹ
(hizharto)
je hebt hem gewaarschuwd
צַדִּ֗יק
(tsadiq)
rechtvaardige
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
חֲטֹ֛א
(chato)
te zondigen
צַדִּ֖יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
לֹא
(lo)
niet
חָטָ֑א
(chata)
heeft gezondigd
חָי֤וֹ
(chayo)
leven
יִֽחְיֶה֙
(yichye)
zal hij leven
כִּ֣י
(ki)
want
נִזְהָ֔ר
(nizhar)
hij is gewaarschuwd
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַפְשְׁךָ֥
(nafshekha)
je leven
הִצַּֽלְתָּ
(hitsalta)
heb gered
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Ik stond op en ging naar het dal. En zie: daar stond de heerlijkheid van Yahweh, zoals de heerlijkheid die ik bij de rivier de Kebar had gezien. Ik viel op mijn gezicht.
וָאָקוּם֮
(vaaqum)
en ik stond op
וָאֵצֵ֣א
(vaetse)
en ik ging uit
אֶל
(el)
naar
הַבִּקְעָה֒
(habiqa)
het dal
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֤ם
(sham)
daar
כְּבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֹמֵ֔ד
(omed)
staand
כַּכָּב֕וֹד
(kakavod)
zoals de heerlijkheid
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
רָאִ֖יתִי
(raiti)
ik zag
עַל
(al)
bij
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָ֑ר
(kevar)
Kebar
וָאֶפֹּ֖ל
(vaepol)
en ik viel
עַל
(al)
op
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.
Daar woonden de ballingen met Ezechiël.
Uitleg
Ezechiël ziet dezelfde heerlijkheid als in 1:28.
Zo wordt zijn roeping uit het eerste hoofdstuk hier bevestigd.
27Maar wanneer Ik met je spreek, zal Ik je mond openen. Dan moet je tegen hen zeggen: ‘Zo zegt Heer Yahweh.’ Wie luistert, zal luisteren, en wie het laat, zal het laten. Want zij zijn een weerspannig huis.”
וּֽבְדַבְּרִ֤י
(uvedaberi)
en bij Mijn spreken
אֽוֹתְךָ֙
(otekha)
met je
אֶפְתַּ֣ח
(eftach)
Ik zal openen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּ֔יךָ
(pikha)
je mond
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tot hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַשֹּׁמֵ֤עַ
(hashomea)
wie luistert
יִשְׁמָע֙
(yishma)
zal luisteren
וְהֶחָדֵ֣ל
(vehechadel)
en wie het laat
יֶחְדָּ֔ל
(yechdal)
zal het laten
כִּ֛י
(ki)
want
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
מְרִ֖י
(meri)
weerspannigheid
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)