Elohim Bijbel

Markus 6

12345678910111213141516

Yeshua in Nazaret, de twaalf, de dood van Johannes en de 5000 mannen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua in Zijn vaderstad

1Hij vertrok vandaar en kwam in Zijn vaderstad. Zijn leerlingen volgden Hem.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
καὶ
(kai)
en
ἔρχεται
(erchetai)
komt
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
πατρίδα
(patrida)
vaderstad
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἀκολουθοῦσιν
(akolouthousin)
volgen
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea.

De naam staat hier niet in de tekst.

Uitleg

πατρίς (patris), ‘vaderstad’: de plaats waar iemand thuishoort.

Hier is het Nazaret (1:9; vergelijk Matt. 2:23).

Zie ook Matt. 13:53–58; Luc. 4:16–30.

2Toen het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te onderwijzen. Velen die Hem hoorden, stonden versteld en zeiden: „Waar heeft Hij dit vandaan? Wat is dit voor wijsheid die Hem gegeven is? En wat zijn dit voor krachten die door Zijn handen gebeuren?
καὶ
(kai)
en
γενομένου
(genomenou)
gekomen zijnde
σαββάτου
(sabbatou)
sabbat
ἤρξατο
(erxato)
begon
διδάσκειν
(didaskein)
te onderwijzen
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
συναγωγῇ
(synagoge)
synagoge
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἀκούοντες
(akouontes)
horend
ἐξεπλήσσοντο
(exeplessonto)
stonden versteld
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Πόθεν
(Pothen)
vanwaar
τούτῳ
(touto)
aan deze
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
καὶ
(kai)
en
τίς
(tis)
wat
ἡ
(he)
de
σοφία
(sophia)
wijsheid
ἡ
(he)
de
δοθεῖσα
(dotheisa)
gegeven
τούτῳ
(touto)
aan deze
καὶ
(kai)
en
αἱ
(hai)
de
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
τοιαῦται
(toiautai)
zulke
διὰ
(dia)
door
τῶν
(ton)
de
χειρῶν
(cheiron)
handen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
γινόμεναι
(ginomenai)
gebeurend
Bron: SBLGNT
Uitleg

δύναμις (dynamis), ‘kracht’: in het meervoud ‘krachten’, krachtige werken waarin Elohim werkt.

Wij houden ‘kracht’ vast (5:30; 6:5; 6:14).

ἐξεπλήσσοντο (exeplessonto), ‘stonden versteld’: zo geschokt dat men er niet bij kon.

3Is Hij niet de timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon? En wonen Zijn zusters niet hier bij ons?” En zij struikelden over Hem.
οὐχ
(ouch)
niet
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
τέκτων
(tekton)
timmerman
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
τῆς
(tes)
van de
Μαρίας
(Marias)
Maria
καὶ
(kai)
en
ἀδελφὸς
(adelphos)
broer
Ἰακώβου
(Iakobou)
van Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωσῆτος
(Iosetos)
Joses
καὶ
(kai)
en
Ἰούδα
(Iouda)
Judas
καὶ
(kai)
en
Σίμωνος
(Simonos)
Simon
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
εἰσὶν
(eisin)
zijn
αἱ
(hai)
de
ἀδελφαὶ
(adelphai)
zusters
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὧδε
(hode)
hier
πρὸς
(pros)
bij
ἡμᾶς
(hemas)
ons
καὶ
(kai)
en
ἐσκανδαλίζοντο
(eskandalizonto)
struikelden
ἐν
(en)
over
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

τέκτων (tekton), ‘timmerman’: iemand die met hout bouwt of maakt.

Ἰωσῆτος (Ioseto) is een vorm van de naam Jozef; wij schrijven ‘Joses’. Ἰούδας (Ioudas), ‘Judas’, is hier een broer van Yeshua, niet Judas Iskariot (zoals Matt. 13:55).

ἐσκανδαλίζοντο (eskandalizonto): σκανδαλίζω (skandalizo) is ‘laten struikelen’; wij vertalen het overal zo (zie 9:42). Hier staat de lijdende vorm: zij struikelden over Hem en wilden Hem niet aannemen. Zie ook Matt. 13:57.

4Yeshua zei tegen hen: „Een profeet is niet zonder eer, behalve in zijn eigen vaderstad, onder zijn verwanten en in zijn eigen huis.”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
προφήτης
(prophetes)
profeet
ἄτιμος
(atimos)
zonder eer
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πατρίδι
(patridi)
vaderstad
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
onder
τοῖς
(tois)
de
συγγενεῦσιν
(syngeneusin)
verwanten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
οἰκίᾳ
(oikia)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret (Zijn vaderstad): Met ‘Zijn vaderstad’ wordt waarschijnlijk Nazaret bedoeld (zie Matteüs 2:23 en Markus 1:9), in Neder-Galilea.

De naam staat hier niet in de tekst.

5Hij kon daar geen enkele kracht doen, behalve dat Hij enkele zieken de handen oplegde en hen genas.
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἐδύνατο
(edynato)
kon
ἐκεῖ
(ekei)
daar
ποιῆσαι
(poiesai)
doen
οὐδεμίαν
(oudemian)
geen enkele
δύναμιν
(dynamin)
kracht
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ὀλίγοις
(oligois)
aan weinige
ἀρρώστοις
(arrostois)
zieken
ἐπιθεὶς
(epitheis)
opleggend
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐθεράπευσεν
(etherapeusen)
genas
Bron: SBLGNT
6Hij verbaasde Zich over hun ongeloof. Hij trok door de dorpen in de omtrek en onderwees.
καὶ
(kai)
en
ἐθαύμαζεν
(ethaumazen)
verbaasde Zich
διὰ
(dia)
vanwege
τὴν
(ten)
de
ἀπιστίαν
(apistian)
ongeloof
αὐτῶν
(auton)
hun
Καὶ
(Kai)
en
περιῆγεν
(periegen)
trok rond
τὰς
(tas)
de
κώμας
(komas)
dorpen
κύκλῳ
(kyklo)
rondom
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
Bron: SBLGNT

De twaalf worden uitgezonden

7Hij riep de twaalf bij Zich en begon hen twee aan twee uit te zenden. Hij gaf hun gezag over de onreine geesten.
καὶ
(kai)
en
προσκαλεῖται
(proskaleitai)
roept bij Zich
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
καὶ
(kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀποστέλλειν
(apostellein)
uit te zenden
δύο
(dyo)
twee
δύο
(dyo)
twee
καὶ
(kai)
en
ἐδίδου
(edidou)
gaf
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἐξουσίαν
(exousian)
gezag
τῶν
(ton)
over de
πνευμάτων
(pneumaton)
geesten
τῶν
(ton)
de
ἀκαθάρτων
(akatharton)
onreine
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐξουσία (exousia), ‘gezag’: het recht om te handelen in opdracht van Yeshua.

Zie ook Matt. 10:1, 5–15; Luc. 9:1–6.

8Hij gebood hun niets mee te nemen voor onderweg, behalve alleen een staf: geen brood, geen reistas, geen koper in de gordel,
καὶ
(kai)
en
παρήγγειλεν
(parengeilen)
gebood
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μηδὲν
(meden)
niets
αἴρωσιν
(airosin)
zij meenemen
εἰς
(eis)
voor
ὁδὸν
(hodon)
weg
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ῥάβδον
(rhabdon)
staf
μόνον
(monon)
alleen
μὴ
(me)
geen
ἄρτον
(arton)
brood
μὴ
(me)
geen
πήραν
(peran)
reistas
μὴ
(me)
geen
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
ζώνην
(zonen)
gordel
χαλκόν
(chalkon)
koper
Bron: SBLGNT
Uitleg

χαλκός (chalkos), ‘koper’: kopergeld.

De gordel was de band om het middel waarin men geld bewaarde. πήρα (pera), ‘reistas’: een tas voor onderweg.

9maar wel sandalen aan te doen: „Trek geen twee hemden aan.”
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὑποδεδεμένους
(hypodedemenous)
aangebonden hebbend
σανδάλια
(sandalia)
sandalen
καὶ
(kai)
en
μὴ
(me)
niet
ἐνδύσησθε
(endysesthe)
trek aan
δύο
(dyo)
twee
χιτῶνας
(chitonas)
hemden
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks gaat hier midden in de zin over van weergegeven rede (‘gebood hun … sandalen aan te doen’) op rechtstreekse rede (‘trek niet aan’).

Wij volgen dat. χιτών (chiton), ‘hemd’: het lange kledingstuk dat men onder de mantel droeg.

10Hij zei tegen hen: „Waar jullie ook een huis binnengaan, blijf daar tot jullie van daar vertrekken.
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ὅπου
(Hopou)
waar
ἐὰν
(ean)
ook
εἰσέλθητε
(eiselthete)
jullie binnengaan
εἰς
(eis)
in
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἐκεῖ
(ekei)
daar
μένετε
(menete)
blijf
ἕως
(heos)
totdat
ἂν
(an)
ooit
ἐξέλθητε
(exelthete)
jullie vertrekken
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
Bron: SBLGNT
11Als een plaats jullie niet ontvangt en men niet naar jullie luistert, vertrek dan van daar. Schud het stof onder jullie voeten af, als getuigenis voor hen.”
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
welke
ἂν
(an)
ooit
τόπος
(topos)
plaats
μὴ
(me)
niet
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
μηδὲ
(mede)
noch
ἀκούσωσιν
(akousosin)
zij luisteren
ὑμῶν
(hymon)
naar jullie
ἐκπορευόμενοι
(ekporeuomenoi)
vertrekkend
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἐκτινάξατε
(ektinaxate)
schud af
τὸν
(ton)
het
χοῦν
(choun)
stof
τὸν
(ton)
het
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τῶν
(ton)
de
ποδῶν
(podon)
voeten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰς
(eis)
tot
μαρτύριον
(martyrion)
getuigenis
αὐτοῖς
(autois)
voor hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

εἰς μαρτύριον αὐτοῖς (eis martyrion autois), ‘als getuigenis voor hen’: het kan ook ‘tegen hen’ betekenen.

Zie ook Matt. 10:14; Luc. 9:5.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een toevoeging over Sodom en Gomorra op de dag van het oordeel; vergelijk Matt. 10:15.

Wij vertalen alleen wat in de SBLGNT staat.

12Zij gingen eropuit en verkondigden dat men zich moest bekeren.
Καὶ
(Kai)
en
ἐξελθόντες
(exelthontes)
uitgegaan
ἐκήρυξαν
(ekeryxan)
verkondigden
ἵνα
(hina)
opdat
μετανοῶσιν
(metanoosin)
zij zich bekeren
Bron: SBLGNT
13Zij dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.
καὶ
(kai)
en
δαιμόνια
(daimonia)
demonen
πολλὰ
(polla)
vele
ἐξέβαλλον
(exeballon)
dreven uit
καὶ
(kai)
en
ἤλειφον
(eleiphon)
zalfden
ἐλαίῳ
(elaio)
met olie
πολλοὺς
(pollous)
vele
ἀρρώστους
(arrostous)
zieken
καὶ
(kai)
en
ἐθεράπευον
(etherapeuon)
genazen
Bron: SBLGNT

Herodes en Johannes de Doper

14Koning Herodes hoorde ervan, want Zijn naam was bekend geworden. Men zei: „Johannes de Doper is opgewekt uit de doden, en daarom werken de krachten in hem.”
Καὶ
(Kai)
en
ἤκουσεν
(ekousen)
hoorde
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
φανερὸν
(phaneron)
bekend
γὰρ
(gar)
want
ἐγένετο
(egeneto)
werd
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
ὁ
(ho)
de
βαπτίζων
(baptizon)
Doper
ἐγήγερται
(egegertai)
is opgewekt
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
καὶ
(kai)
en
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
ἐνεργοῦσιν
(energousin)
werken
αἱ
(hai)
de
δυνάμεις
(dynameis)
krachten
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

Herodes Antipas, een zoon van de Herodes uit Matt. 2:1, heerste over Galilea.

Matteüs noemt hem ‘viervorst’ (Matt. 14:1); Markus noemt hem ‘koning’.

Zie ook Matt. 14:1–2; Luc. 9:7–9.

Lezing

In latere handschriften staat ‘hij zei’ (Herodes) in plaats van ‘men zei’.

15Anderen zeiden: „Hij is Elia.” Weer anderen zeiden: „Een profeet, zoals een van de profeten.”
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἠλίας
(Elias)
Elia
ἐστίν
(estin)
is
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
προφήτης
(prophetes)
profeet
ὡς
(hos)
als
εἷς
(heis)
een
τῶν
(ton)
van de
προφητῶν
(propheton)
profeten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Elia werd terugverwacht voordat de dag van Yahweh komt (Mal. 3:23; in de Nederlandse telling is dit 4:5).

Zie ookMal 3:23
16Toen Herodes dit hoorde, zei hij: „Johannes, die ik heb laten onthoofden, die is opgewekt.”
ἀκούσας
(akousas)
horend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
ἔλεγεν
(elegen)
zei
Ὃν
(Hon)
die
ἐγὼ
(ego)
ik
ἀπεκεφάλισα
(apekephalisa)
onthoofdde
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
οὗτος
(houtos)
deze
ἠγέρθη
(egerthe)
werd opgewekt
Bron: SBLGNT
17Want Herodes zelf had Johannes laten grijpen en in de gevangenis laten vastbinden. Dat deed hij vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus. Herodes was namelijk met haar getrouwd.
Αὐτὸς
(Autos)
zelf
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
ἀποστείλας
(aposteilas)
gezonden hebbend
ἐκράτησεν
(ekratesen)
greep
τὸν
(ton)
de
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
καὶ
(kai)
en
ἔδησεν
(edesen)
bond
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐν
(en)
in
φυλακῇ
(phylake)
gevangenis
διὰ
(dia)
vanwege
Ἡρῳδιάδα
(Herodiada)
Herodias
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
Φιλίππου
(Philippou)
van Filippus
τοῦ
(tou)
de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὅτι
(hoti)
omdat
αὐτὴν
(auten)
haar
ἐγάμησεν
(egamesen)
trouwde
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 14:3–12.

Herodias was eerst getrouwd met Filippus, een broer van Herodes.

De wet verbiedt de vrouw van een broer te hebben (Lev. 18:16).

Het Grieks heeft ‘gezonden hebbend greep hij’: wij vullen aan dat Herodes iemand zond om Johannes te laten grijpen.

18Johannes zei steeds tegen Herodes: „Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben.”
ἔλεγεν
(elegen)
zei
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
τῷ
(to)
aan de
Ἡρῴδῃ
(Herode)
Herodes
ὅτι
(hoti)
dat
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔξεστίν
(exestin)
geoorloofd
σοι
(soi)
u
ἔχειν
(echein)
te hebben
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
τοῦ
(tou)
van de
ἀδελφοῦ
(adelphou)
broer
σου
(sou)
uw
Bron: SBLGNT
19Herodias had een wrok tegen hem en wilde hem doden, maar zij kon het niet.
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
Ἡρῳδιὰς
(Herodias)
Herodias
ἐνεῖχεν
(eneichen)
had een wrok
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
καὶ
(kai)
en
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
doden
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδύνατο
(edynato)
kon
Bron: SBLGNT
20Want Herodes was bang voor Johannes. Hij wist dat deze een rechtvaardig en heilig man was, en hij beschermde hem. Als hij naar hem luisterde, wist hij zich geen raad, en toch luisterde hij graag naar hem.
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
ἐφοβεῖτο
(ephobeito)
was bang
τὸν
(ton)
de
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
εἰδὼς
(eidos)
wetend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἄνδρα
(andra)
man
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardig
καὶ
(kai)
en
ἅγιον
(hagion)
heilig
καὶ
(kai)
en
συνετήρει
(syneterei)
beschermde
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
αὐτοῦ
(autou)
hem
πολλὰ
(polla)
veel
ἠπόρει
(eporei)
wist zich geen raad
καὶ
(kai)
en
ἡδέως
(hedeos)
graag
αὐτοῦ
(autou)
hem
ἤκουεν
(ekouen)
luisterde
Bron: SBLGNT
Uitleg

δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardig’: iemand die leeft zoals Elohim het wil.

Lezing

In sommige latere handschriften staat ‘hij deed veel dingen’ (ἐποίει) in plaats van ‘hij wist zich geen raad’ (ἠπόρει).

21Er kwam een gunstige dag. Herodes gaf voor zijn verjaardag een maaltijd voor zijn hooggeplaatsten, de legeroversten en de voornaamsten van Galilea.
Καὶ
(Kai)
en
γενομένης
(genomenes)
gekomen zijnde
ἡμέρας
(hemeras)
dag
εὐκαίρου
(eukairou)
gunstige
ὅτε
(hote)
toen
Ἡρῴδης
(Herodes)
Herodes
τοῖς
(tois)
aan de
γενεσίοις
(genesiois)
verjaardag
αὐτοῦ
(autou)
zijn
δεῖπνον
(deipnon)
maaltijd
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
τοῖς
(tois)
aan de
μεγιστᾶσιν
(megistasin)
hooggeplaatsten
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
χιλιάρχοις
(chiliarchois)
legeroversten
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
πρώτοις
(protois)
voornaamsten
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

γενέσια (genesia), ‘verjaardag’: het feest op de geboortedag. μεγιστᾶνες (megistanes), ‘hooggeplaatsten’: de hoogste functionarissen. χιλίαρχος (chiliarchos), ‘legeroverste’: een aanvoerder van een legerafdeling.

22De dochter van Herodias zelf kwam binnen en danste. Dat beviel Herodes en wie met hem aanlagen. De koning zei tegen het meisje: „Vraag mij wat je maar wilt, en ik zal het je geven.”
καὶ
(kai)
en
εἰσελθούσης
(eiselthouses)
binnengekomen
τῆς
(tes)
de
θυγατρὸς
(thygatros)
dochter
αὐτῆς
(autes)
haar
τῆς
(tes)
de
Ἡρῳδιάδος
(Herodiados)
Herodias
καὶ
(kai)
en
ὀρχησαμένης
(orchesamenes)
gedanst hebbend
καὶ
(kai)
en
ἀρεσάσης
(aresases)
behaagd hebbend
τῷ
(to)
aan de
Ἡρῴδῃ
(Herode)
Herodes
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
συνανακειμένοις
(synanakeimenois)
aanliggenden
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
τῷ
(to)
aan het
κορασίῳ
(korasio)
meisje
Αἴτησόν
(Aiteson)
vraag
με
(me)
mij
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
ooit
θέλῃς
(theles)
je wilt
καὶ
(kai)
en
δώσω
(doso)
ik zal geven
σοι
(soi)
je
Bron: SBLGNT
Lezing

In sommige oude handschriften staat ‘zijn dochter Herodias’ in plaats van ‘de dochter van Herodias zelf’.

Wij volgen de SBLGNT.

23Hij zwoer haar: „Alles wat je mij vraagt, zal ik je geven, tot de helft van mijn koninkrijk.”
καὶ
(kai)
en
ὤμοσεν
(omosen)
zwoer
αὐτῇ
(aute)
haar
Ὅ
(Ho)
wat
τι
(ti)
ook
ἐάν
(ean)
ooit
με
(me)
mij
αἰτήσῃς
(aiteses)
je vraagt
δώσω
(doso)
ik zal geven
σοι
(soi)
je
ἕως
(heos)
tot
ἡμίσους
(hemisous)
helft
τῆς
(tes)
van het
βασιλείας
(basileias)
koninkrijk
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
24Zij ging naar buiten en zei tegen haar moeder: „Wat moet ik vragen?” Haar moeder zei: „Het hoofd van Johannes de Doper.”
καὶ
(kai)
en
ἐξελθοῦσα
(exelthousa)
uitgegaan
εἶπεν
(eipen)
zei
τῇ
(te)
aan de
μητρὶ
(metri)
moeder
αὐτῆς
(autes)
haar
Τί
(Ti)
wat
αἰτήσωμαι
(aitesomai)
zal ik vragen
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Τὴν
(Ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
τοῦ
(tou)
de
βαπτίζοντος
(baptizontos)
dopende
Bron: SBLGNT
25Meteen ging zij haastig naar de koning en vroeg: „Ik wil dat u mij onmiddellijk op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.”
καὶ
(kai)
en
εἰσελθοῦσα
(eiselthousa)
binnengekomen
εὐθὺς
(euthys)
meteen
μετὰ
(meta)
met
σπουδῆς
(spoudes)
haast
πρὸς
(pros)
naar
τὸν
(ton)
de
βασιλέα
(basilea)
koning
ᾐτήσατο
(etesato)
vroeg
λέγουσα
(legousa)
zeggend
Θέλω
(Thelo)
ik wil
ἵνα
(hina)
opdat
ἐξαυτῆς
(exautes)
onmiddellijk
δῷς
(dos)
u geeft
μοι
(moi)
mij
ἐπὶ
(epi)
op
πίνακι
(pinaki)
schaal
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
τοῦ
(tou)
de
βαπτιστοῦ
(baptistou)
Doper
Bron: SBLGNT
26De koning werd diep bedroefd, maar vanwege zijn eden en degenen die aanlagen wilde hij haar niet afwijzen.
καὶ
(kai)
en
περίλυπος
(perilypos)
bedroefd
γενόμενος
(genomenos)
geworden
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
διὰ
(dia)
vanwege
τοὺς
(tous)
de
ὅρκους
(horkous)
eden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἀνακειμένους
(anakeimenous)
aanliggenden
οὐκ
(ouk)
niet
ἠθέλησεν
(ethelesen)
wilde
ἀθετῆσαι
(athetesai)
afwijzen
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
27Meteen zond de koning een lijfwachtsoldaat en beval zijn hoofd te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis.
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἀποστείλας
(aposteilas)
gezonden hebbend
ὁ
(ho)
de
βασιλεὺς
(basileus)
koning
σπεκουλάτορα
(spekoulatora)
lijfwachtsoldaat
ἐπέταξεν
(epetaxen)
beval
ἐνέγκαι
(enenkai)
te brengen
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἀπελθὼν
(apelthon)
weggegaan
ἀπεκεφάλισεν
(apekephalisen)
onthoofdde
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
φυλακῇ
(phylake)
gevangenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπεκουλάτωρ (spekoulator) is een Latijns leenwoord (speculator): een soldaat van de lijfwacht die ook als bode of beul diende.

28Hij bracht zijn hoofd op een schaal en gaf het aan het meisje. Het meisje gaf het aan haar moeder.
καὶ
(kai)
en
ἤνεγκεν
(enenken)
bracht
τὴν
(ten)
het
κεφαλὴν
(kephalen)
hoofd
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἐπὶ
(epi)
op
πίνακι
(pinaki)
schaal
καὶ
(kai)
en
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτὴν
(auten)
het
τῷ
(to)
aan het
κορασίῳ
(korasio)
meisje
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
het
κοράσιον
(korasion)
meisje
ἔδωκεν
(edoken)
gaf
αὐτὴν
(auten)
het
τῇ
(te)
aan de
μητρὶ
(metri)
moeder
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
29Toen zijn leerlingen dit hoorden, kwamen zij, namen zijn lichaam mee en legden het in een graf.
καὶ
(kai)
en
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἦλθον
(elthon)
kwamen
καὶ
(kai)
en
ἦραν
(eran)
namen mee
τὸ
(to)
het
πτῶμα
(ptoma)
lichaam
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἔθηκαν
(ethekan)
legden
αὐτὸ
(auto)
het
ἐν
(en)
in
μνημείῳ
(mnemeio)
graf
Bron: SBLGNT

De apostelen komen terug

30De apostelen kwamen bij Yeshua samen en vertelden Hem alles wat zij gedaan en wat zij onderwezen hadden.
Καὶ
(Kai)
en
συνάγονται
(synagontai)
verzamelen zich
οἱ
(hoi)
de
ἀπόστολοι
(apostoloi)
apostelen
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἀπήγγειλαν
(apengeilan)
meldden
αὐτῷ
(auto)
Hem
πάντα
(panta)
alles
ὅσα
(hosa)
hoeveel
ἐποίησαν
(epoiesan)
zij deden
καὶ
(kai)
en
ὅσα
(hosa)
hoeveel
ἐδίδαξαν
(edidaxan)
zij onderwezen
Bron: SBLGNT
31Hij zei tegen hen: „Kom, jullie zelf, apart naar een verlaten plaats en rust een poos uit.” Want er waren velen die kwamen en gingen. Zij hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Δεῦτε
(Deute)
kom
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
αὐτοὶ
(autoi)
zelf
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
εἰς
(eis)
naar
ἔρημον
(eremon)
verlaten
τόπον
(topon)
plaats
καὶ
(kai)
en
ἀναπαύσασθε
(anapausasthe)
rust uit
ὀλίγον
(oligon)
een weinig
ἦσαν
(esan)
waren
γὰρ
(gar)
want
οἱ
(hoi)
de
ἐρχόμενοι
(erchomenoi)
komenden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ὑπάγοντες
(hypagontes)
gaanden
πολλοί
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
en
οὐδὲ
(oude)
zelfs niet
φαγεῖν
(phagein)
te eten
εὐκαίρουν
(eukairoun)
hadden gelegenheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔρημος τόπος (eremos topos), ‘verlaten plaats’: een onbewoonde streek.

Welke plaats het is, zegt de tekst niet.

32Zij vertrokken in de boot naar een verlaten plaats, apart.
καὶ
(kai)
en
ἀπῆλθον
(apelthon)
gingen weg
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
πλοίῳ
(ploio)
boot
εἰς
(eis)
naar
ἔρημον
(eremon)
verlaten
τόπον
(topon)
plaats
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
Bron: SBLGNT
33Velen zagen hen gaan en herkenden hen. Uit alle steden liepen zij te voet samen daarheen en gingen hen voor.
καὶ
(kai)
en
εἶδον
(eidon)
zagen
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὑπάγοντας
(hypagontas)
gaande
καὶ
(kai)
en
ἐπέγνωσαν
(epegnosan)
herkenden
πολλοί
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
en
πεζῇ
(peze)
te voet
ἀπὸ
(apo)
uit
πασῶν
(pason)
alle
τῶν
(ton)
de
πόλεων
(poleon)
steden
συνέδραμον
(synedramon)
liepen samen
ἐκεῖ
(ekei)
daar
καὶ
(kai)
en
προῆλθον
(proelthon)
gingen voor
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
34Toen Hij naar buiten kwam, zag Hij een grote menigte. Hij had medelijden met hen, want zij waren als schapen zonder herder. En Hij begon hen veel te onderwijzen.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
εἶδεν
(eiden)
zag
πολὺν
(polyn)
grote
ὄχλον
(ochlon)
menigte
καὶ
(kai)
en
ἐσπλαγχνίσθη
(esplanchnisthe)
had medelijden
ἐπ’
(ep’)
met
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὅτι
(hoti)
want
ἦσαν
(esan)
waren
ὡς
(hos)
als
πρόβατα
(probata)
schapen
μὴ
(me)
niet
ἔχοντα
(echonta)
hebbende
ποιμένα
(poimena)
herder
καὶ
(kai)
en
ἤρξατο
(erxato)
begon
διδάσκειν
(didaskein)
te onderwijzen
αὐτοὺς
(autous)
hen
πολλά
(polla)
veel
Bron: SBLGNT
Uitleg

σπλαγχνίζομαι (splanchnizomai), ‘medelijden hebben’: van σπλάγχνα (splanchna), ‘ingewanden’, de plaats van diepe gevoelens.

Het beeld van schapen zonder herder komt uit Num. 27:17, waar Mozes om een leider voor het volk vraagt: ‘kleinvee dat geen herder heeft’.

Zie ookNum 27:17

Yeshua geeft 5000 mannen te eten

35Toen het al erg laat geworden was, kwamen Zijn leerlingen naar Hem toe en zeiden: „Deze plaats is verlaten en het is al erg laat.
Καὶ
(Kai)
en
ἤδη
(ede)
al
ὥρας
(horas)
uur
πολλῆς
(polles)
veel
γενομένης
(genomenes)
geworden
προσελθόντες
(proselthontes)
genaderd
αὐτῷ
(auto)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἔρημός
(Eremos)
verlaten
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
τόπος
(topos)
plaats
καὶ
(kai)
en
ἤδη
(ede)
al
ὥρα
(hora)
uur
πολλή
(polle)
veel
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 14:13–21; Luc. 9:10–17; Joh. 6:1–15.

36Stuur hen weg, zodat zij naar de landerijen en dorpen in de omtrek gaan en iets te eten voor zichzelf kopen.”
ἀπόλυσον
(apolyson)
stuur weg
αὐτούς
(autous)
hen
ἵνα
(hina)
opdat
ἀπελθόντες
(apelthontes)
weggegaan
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
κύκλῳ
(kyklo)
rondom
ἀγροὺς
(agrous)
landerijen
καὶ
(kai)
en
κώμας
(komas)
dorpen
ἀγοράσωσιν
(agorasosin)
zij kopen
ἑαυτοῖς
(heautois)
voor zichzelf
τί
(ti)
wat
φάγωσιν
(phagosin)
zij eten
Bron: SBLGNT
37Hij antwoordde en zei tegen hen: „Geef hun zelf te eten.” Zij zeiden tegen Hem: „Moeten wij weggaan en voor 200 denarie brood kopen en hun te eten geven?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Δότε
(Dote)
geef
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
φαγεῖν
(phagein)
te eten
καὶ
(kai)
en
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἀπελθόντες
(Apelthontes)
weggegaan
ἀγοράσωμεν
(agorasomen)
laten wij kopen
δηναρίων
(denarion)
denarie
διακοσίων
(diakosion)
200
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
δώσομεν
(dosomen)
zullen wij geven
αὐτοῖς
(autois)
hun
φαγεῖν
(phagein)
te eten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Een denarie was een zilveren munt, ongeveer het loon voor een dag werk. 200 denarie is dus het loon van ongeveer 200 werkdagen.

38Hij zei tegen hen: „Hoeveel broden hebben jullie? Ga kijken.” Toen zij het wisten, zeiden zij: „Vijf, en twee vissen.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Πόσους
(Posous)
hoeveel
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
ἄρτους
(artous)
broden
ὑπάγετε
(hypagete)
ga
ἴδετε
(idete)
kijk
καὶ
(kai)
en
γνόντες
(gnontes)
wetend
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
Πέντε
(Pente)
vijf
καὶ
(kai)
en
δύο
(dyo)
twee
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
Bron: SBLGNT
39Hij gebood hun allen in groepen te gaan zitten op het groene gras.
καὶ
(kai)
en
ἐπέταξεν
(epetaxen)
gebood
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἀνακλῖναι
(anaklinai)
te laten zitten
πάντας
(pantas)
allen
συμπόσια
(symposia)
groepen
συμπόσια
(symposia)
groepen
ἐπὶ
(epi)
op
τῷ
(to)
het
χλωρῷ
(chloro)
groene
χόρτῳ
(chorto)
gras
Bron: SBLGNT
40Zij gingen zitten, vak na vak, per 100 en per 50.
καὶ
(kai)
en
ἀνέπεσαν
(anepesan)
gingen zitten
πρασιαὶ
(prasiai)
vakken
πρασιαὶ
(prasiai)
vakken
κατὰ
(kata)
per
ἑκατὸν
(hekaton)
100
καὶ
(kai)
en
κατὰ
(kata)
per
πεντήκοντα
(pentekonta)
50
Bron: SBLGNT
Uitleg

συμπόσια (symposia) is letterlijk ‘gezelschappen aan tafel’; πρασιά (prasia) is een ‘tuinbed’, een rechthoekig vak.

Het beeld is dat de menigte in vakken zat, als bedden in een tuin.

41Hij nam de 5 broden en de 2 vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak de broden. Hij gaf ze aan Zijn leerlingen om ze hun voor te zetten. Ook de 2 vissen verdeelde Hij onder allen.
καὶ
(kai)
en
λαβὼν
(labon)
nemend
τοὺς
(tous)
de
πέντε
(pente)
5
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
2
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
ἀναβλέψας
(anablepsas)
opkijkend
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
εὐλόγησεν
(eulogesen)
sprak de zegen uit
καὶ
(kai)
en
κατέκλασεν
(kateklasen)
brak
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
καὶ
(kai)
en
ἐδίδου
(edidou)
gaf
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἵνα
(hina)
opdat
παρατιθῶσιν
(paratithosin)
zij voorzetten
αὐτοῖς
(autois)
hun
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
δύο
(dyo)
2
ἰχθύας
(ichthyas)
vissen
ἐμέρισεν
(emerisen)
verdeelde
πᾶσιν
(pasin)
aan allen
Bron: SBLGNT
Uitleg

εὐλογέω (eulogeo), ‘zegenen’: het Grieks noemt geen voorwerp.

Wij schrijven ‘sprak de zegen uit’, zoals in Matt. 14:19.

Zie ookMat 14:19
42Allen aten en werden verzadigd.
καὶ
(kai)
en
ἔφαγον
(ephagon)
aten
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
ἐχορτάσθησαν
(echortasthesan)
werden verzadigd
Bron: SBLGNT
43Zij namen twaalf manden vol stukken op, en ook van de vissen.
καὶ
(kai)
en
ἦραν
(eran)
namen op
κλάσματα
(klasmata)
stukken
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
κοφίνων
(kophinon)
manden
πληρώματα
(pleromata)
vullingen
καὶ
(kai)
en
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ἰχθύων
(ichthyon)
vissen
Bron: SBLGNT
Uitleg

κόφινος (kophinos), ‘mand’.

In 8:8 staat een ander woord, σπυρίς (spyris), ‘grote mand’; in 8:19–20 houdt Yeshua beide woorden uit elkaar.

44Zij die van de broden gegeten hadden, waren 5000 mannen.
καὶ
(kai)
en
ἦσαν
(esan)
waren
οἱ
(hoi)
de
φαγόντες
(phagontes)
gegeten hebbenden
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
πεντακισχίλιοι
(pentakischilioi)
5000
ἄνδρες
(andres)
mannen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἄνδρες (andres), ‘mannen’: het getal telt alleen de volwassen mannen.

Yeshua loopt over de zee

45Meteen dwong Hij Zijn leerlingen in de boot te stappen en vooruit naar de overkant te gaan, naar Betsaïda, totdat Hij de menigte had weggestuurd.
Καὶ
(Kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἠνάγκασεν
(enankasen)
dwong
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐμβῆναι
(embenai)
in te stappen
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
προάγειν
(proagein)
vooruit te gaan
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
de
πέραν
(peran)
overkant
πρὸς
(pros)
naar
Βηθσαϊδάν
(Bethsaidan)
Betsaïda
ἕως
(heos)
totdat
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
ἀπολύει
(apolyei)
wegstuurt
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Betsaïda: Betsaïda lag aan de noordkant van het meer van Galilea, vermoedelijk bij et-Tell, bij de monding van de Jordaan.

Ook el-Araj is voorgesteld.

Uitleg

Betsaïda ligt aan de noordkant van het meer van Galilea.

De precieze ligging is niet zeker.

46Nadat Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden.
καὶ
(kai)
en
ἀποταξάμενος
(apotaxamenos)
afscheid genomen hebbend
αὐτοῖς
(autois)
van hen
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
ὄρος
(oros)
berg
προσεύξασθαι
(proseuxasthai)
om te bidden
Bron: SBLGNT
47Toen het avond geworden was, was de boot midden op de zee, en Hij was alleen op het land.
Καὶ
(Kai)
en
ὀψίας
(opsias)
avond
γενομένης
(genomenes)
geworden
ἦν
(en)
was
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
ἐν
(en)
in
μέσῳ
(meso)
midden
τῆς
(tes)
van de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hijzelf
μόνος
(monos)
alleen
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
land
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

48Hij zag dat zij zich afbeulden met roeien, want de wind was hun tegen. Rond de vierde nachtwake kwam Hij naar hen toe, lopend over de zee. Hij wilde hen voorbijgaan.
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
αὐτοὺς
(autous)
hen
βασανιζομένους
(basanizomenous)
gekweld
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
ἐλαύνειν
(elaunein)
roeien
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
ἄνεμος
(anemos)
wind
ἐναντίος
(enantios)
tegen
αὐτοῖς
(autois)
hun
περὶ
(peri)
omstreeks
τετάρτην
(tetarten)
vierde
φυλακὴν
(phylaken)
wake
τῆς
(tes)
van de
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
ἔρχεται
(erchetai)
komt
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
περιπατῶν
(peripaton)
lopend
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
καὶ
(kai)
en
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
παρελθεῖν
(parelthein)
voorbijgaan
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

De nacht was verdeeld in vier wakes.

De vierde nachtwake is ongeveer van drie tot zes uur ’s ochtends.

Zie ook Matt. 14:22–33; Joh. 6:16–21.

49Toen zij Hem over de zee zagen lopen, dachten zij dat het een spook was en schreeuwden het uit.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἰδόντες
(idontes)
ziende
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐπὶ
(epi)
op
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
περιπατοῦντα
(peripatounta)
lopend
ἔδοξαν
(edoxan)
dachten
ὅτι
(hoti)
dat
φάντασμά
(phantasma)
spook
ἐστιν
(estin)
is
καὶ
(kai)
en
ἀνέκραξαν
(anekraxan)
gilden
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

50Want allen zagen Hem en waren ontsteld. Meteen sprak Hij met hen en zei tegen hen: „Heb moed! Ik ben het. Wees niet bang.”
πάντες
(pantes)
allen
γὰρ
(gar)
want
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἶδον
(eidon)
zagen
καὶ
(kai)
en
ἐταράχθησαν
(etarachthesan)
werden ontsteld
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἐλάλησεν
(elalesen)
sprak
μετ’
(met’)
met
αὐτῶν
(auton)
hen
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Θαρσεῖτε
(Tharseite)
heb moed
ἐγώ
(ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
μὴ
(me)
niet
φοβεῖσθε
(phobeisthe)
wees bang
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγώ εἰμι (ego eimi) is letterlijk ‘Ik ben’.

In dit verband betekent het ‘Ik ben het’.

Vergelijk Exod. 3:14, waar Elohim zegt: ‘Ik ben die Ik ben’.

Zie ookEx 3:14
51Hij ging bij hen in de boot, en de wind ging liggen. Zij stonden diep in zichzelf volkomen versteld.
καὶ
(kai)
en
ἀνέβη
(anebe)
steeg
πρὸς
(pros)
naar
αὐτοὺς
(autous)
hen
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
ἐκόπασεν
(ekopasen)
ging liggen
ὁ
(ho)
de
ἄνεμος
(anemos)
wind
καὶ
(kai)
en
λίαν
(lian)
zeer
ἐκ
(ek)
uit
περισσοῦ
(perissou)
overvloed
ἐν
(en)
in
ἑαυτοῖς
(heautois)
zichzelf
ἐξίσταντο
(existanto)
stonden versteld
Bron: SBLGNT
52Want zij hadden het bij de broden niet ingezien, maar hun hart was verhard.
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
συνῆκαν
(synekan)
ingezien
ἐπὶ
(epi)
over
τοῖς
(tois)
de
ἄρτοις
(artois)
broden
ἀλλ’
(all’)
maar
ἦν
(en)
was
αὐτῶν
(auton)
hun
ἡ
(he)
het
καρδία
(kardia)
hart
πεπωρωμένη
(peporomene)
verhard
Bron: SBLGNT
Uitleg

πωρόω (poroo), ‘verharden’: het hart wordt ongevoelig, zodat men niet begrijpt wat men ziet.

Yeshua geneest in Gennesaret

53Zij staken over, kwamen aan land bij Gennesaret en legden aan.
Καὶ
(Kai)
en
διαπεράσαντες
(diaperasantes)
overgestoken
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
ἦλθον
(elthon)
kwamen
εἰς
(eis)
naar
Γεννησαρὲτ
(Gennesaret)
Gennesaret
καὶ
(kai)
en
προσωρμίσθησαν
(prosormisthesan)
legden aan
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Gennesaret: Gennesaret is de vruchtbare vlakte aan de noordwestkant van het meer van Galilea, ten zuiden van Kapernaüm.

Uitleg

Gennesaret is een vruchtbare vlakte aan de westkant van het meer van Galilea.

Zie ook Matt. 14:34–36.

54Toen zij uit de boot stapten, herkenden mensen Hem meteen.
καὶ
(kai)
en
ἐξελθόντων
(exelthonton)
uitgestapt zijnde
αὐτῶν
(auton)
zij
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
πλοίου
(ploiou)
boot
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἐπιγνόντες
(epignontes)
herkennend
αὐτὸν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
55Zij liepen door heel die streek en begonnen de zieken op draagmatten te brengen naar waar zij hoorden dat Hij was.
περιέδραμον
(periedramon)
liepen rond
ὅλην
(holen)
hele
τὴν
(ten)
de
χώραν
(choran)
streek
ἐκείνην
(ekeinen)
die
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
ἐπὶ
(epi)
op
τοῖς
(tois)
de
κραβάττοις
(krabattois)
draagmatten
τοὺς
(tous)
de
κακῶς
(kakos)
slecht
ἔχοντας
(echontas)
hebbenden
περιφέρειν
(peripherein)
rond te dragen
ὅπου
(hopou)
waar
ἤκουον
(ekouon)
zij hoorden
ὅτι
(hoti)
dat
ἐστίν
(estin)
Hij is
Bron: SBLGNT
56Overal waar Hij dorpen, steden of landerijen binnenging, legden zij de zieken op de markten. Zij smeekten Hem of zij alleen de kwast van Zijn mantel mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten, werden gered.
καὶ
(kai)
en
ὅπου
(hopou)
waar
ἂν
(an)
ooit
εἰσεπορεύετο
(eiseporeueto)
Hij binnenging
εἰς
(eis)
in
κώμας
(komas)
dorpen
ἢ
(e)
of
εἰς
(eis)
in
πόλεις
(poleis)
steden
ἢ
(e)
of
εἰς
(eis)
in
ἀγροὺς
(agrous)
landerijen
ἐν
(en)
op
ταῖς
(tais)
de
ἀγοραῖς
(agorais)
markten
ἐτίθεσαν
(etithesan)
legden
τοὺς
(tous)
de
ἀσθενοῦντας
(asthenountas)
zieken
καὶ
(kai)
en
παρεκάλουν
(parekaloun)
smeekten
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
κἂν
(kan)
al was het maar
τοῦ
(tou)
van de
κρασπέδου
(kraspedou)
kwast
τοῦ
(tou)
van het
ἱματίου
(himatiou)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἅψωνται
(hapsontai)
zij aanraken
καὶ
(kai)
en
ὅσοι
(hosoi)
zovelen
ἂν
(an)
ooit
ἥψαντο
(hepsanto)
raakten aan
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἐσῴζοντο
(esozonto)
werden gered
Bron: SBLGNT
Uitleg

κράσπεδον (kraspedon), ‘kwast’ of ‘rand’: de Israëlieten moesten kwasten maken aan de hoeken van hun kleren (Num. 15:38–39).

σῴζω (sozo), ‘redden’: hier gaat het om redding van ziekte, dus genezing; zie 5:23.