De hoge ceder die in Sjeol wordt neergehaald: Farao en Assyrië
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
1In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van Yahweh tot mij:
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het werd
בְּאַחַ֤ת
(beachat)
in een
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
בַּשְּׁלִישִׁ֖י
(bashelishi)
in de derde
בְּאֶחָ֣ד
(beechad)
op de eerste
לַחֹ֑דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הָיָ֥ה
(haya)
kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De derde maand van het elfde jaar ligt ongeveer twee maanden na de datum van Ezech. 30:20.
Het elfde jaar is geteld vanaf de wegvoering van Jojachin (2 Kon. 24:12–15), ongeveer 587 v.Chr.
4Water maakte hem groot, de oervloed verhief hem. Haar stromen liepen rondom haar plantplaats, en haar kanalen zond zij naar alle bomen van het veld.
מַ֣יִם
(mayim)
water
גִּדְּל֔וּהוּ
(gideluhu)
maakte hem groot
תְּה֖וֹם
(tehom)
oervloed
רֹֽמְמָ֑תְהוּ
(romematehu)
verhief hem
אֶת
(et)
(obj.)
נַהֲרֹתֶ֗יהָ
(naharoteiha)
haar stromen
הֹלֵךְ֙
(holekh)
lopend
סְבִיב֣וֹת
(sevivot)
rondom
מַטָּעָ֔הּ
(mataah)
haar plantplaats
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תְּעָלֹתֶ֣יהָ
(tealoteiha)
haar kanalen
שִׁלְחָ֔ה
(shilcha)
zond zij
אֶ֖ל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵ֥י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּהוֹם (tehom), ‘oervloed’: het diepe water onder de aarde, zoals in Gen. 7:11 (‘de grote watermassa’).
De woorden ‘haar stromen’ en ‘haar kanalen’ zijn vrouwelijk in het Hebreeuws. Ze verwijzen waarschijnlijk naar de oervloed. De verwijzing is niet helemaal zeker.
מַטָּעָהּ (matta’ah), ‘haar plantplaats’: de plek waar de boom stond.
5Daarom werd zijn gestalte hoger dan alle bomen van het veld. Zijn takken werden talrijk en zijn twijgen werden lang door het vele water, toen hij ze uitschoot.
עַל
(al)
daarom
כֵּן֙
(ken)
zo
גָּבְהָ֣א
(gaveha)
werd hoog
קֹמָת֔וֹ
(qomato)
zijn gestalte
מִכֹּ֖ל
(mikol)
meer dan alle
עֲצֵ֣י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וַתִּרְבֶּ֨ינָה
(vatirbeina)
en werden talrijk
סַֽרְעַפֹּתָ֜יו
(sarapotav)
zijn takken
וַתֶּאֱרַ֧כְנָה
(vateerakhna)
en werden lang
פֹארֹתָ֛יו
(porotav)
zijn twijgen
מִמַּ֥יִם
(mimayim)
door water
רַבִּ֖ים
(rabim)
veel
בְּשַׁלְּחֽוֹ
(beshalecho)
toen hij uitschoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּשַׁלְּחוֹ (beshallecho), ‘toen hij ze uitschoot’: het werkwoord שָׁלַח (shalach) betekent ‘zenden’; hier ‘uitlopen, uitschieten’.
Lezing
In de geschreven tekst staat פארת (pa’rot), ‘zijn twijg’, in het enkelvoud; de overlevering leest פֹארֹתָיו (po’rotav), ‘zijn twijgen’.
6In zijn takken nestelden alle vogels van de hemel. Onder zijn twijgen wierpen alle dieren van het veld hun jongen. In zijn schaduw woonden al die vele volken.
בִּסְעַפֹּתָ֤יו
(bisapotav)
in zijn takken
קִֽנְנוּ֙
(qinnu)
nestelden
כָּל
(kal)
alle
ע֣וֹף
(of)
vogels van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְתַ֤חַת
(vetachat)
en onder
פֹּֽארֹתָיו֙
(porotav)
zijn twijgen
יָֽלְד֔וּ
(yaledu)
wierpen jongen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
dieren van
הַשָּׂדֶ֑ה
(hasade)
het veld
וּבְצִלּוֹ֙
(uvetsilo)
en in zijn schaduw
יֵֽשְׁב֔וּ
(yeshevu)
woonden
כֹּ֖ל
(kol)
alle
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
רַבִּֽים
(rabim)
vele
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Hij was mooi in zijn grootte, in de lengte van zijn ranken, want zijn wortel was bij vele wateren.
וַיְּיִ֣ף
(vayeyif)
en hij was mooi
בְּגָדְל֔וֹ
(begadelo)
in zijn grootte
בְּאֹ֖רֶךְ
(beorekh)
in de lengte van
דָּֽלִיּוֹתָ֑יו
(daliyotav)
zijn ranken
כִּֽי
(ki)
want
הָיָ֥ה
(haya)
was
שָׁרְשׁ֖וֹ
(sharesho)
zijn wortel
אֶל
(el)
bij
מַ֥יִם
(mayim)
water
רַבִּֽים
(rabim)
veel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Cederen in de tuin van Elohim overschaduwden hem niet. Cipressen waren niet gelijk aan zijn takken, en platanen waren niet als zijn twijgen. Geen boom in de tuin van Elohim was hem gelijk in zijn schoonheid.
אֲרָזִ֣ים
(arazim)
cederen
לֹֽא
(lo)
niet
עֲמָמֻהוּ֮
(amamuhu)
overschaduwden hem
בְּגַן
(began)
in de tuin van
אֱלֹהִים֒
(Elohim)
Elohim
בְּרוֹשִׁ֗ים
(beroshim)
cipressen
לֹ֤א
(lo)
niet
דָמוּ֙
(damu)
waren gelijk
אֶל
(el)
aan
סְעַפֹּתָ֔יו
(seapotav)
zijn takken
וְעַרְמֹנִ֥ים
(vearmonim)
en platanen
לֹֽא
(lo)
niet
הָי֖וּ
(hayu)
waren
כְּפֹֽארֹתָ֑יו
(keforotav)
als zijn twijgen
כָּל
(kal)
geen
עֵץ֙
(ets)
boom
בְּגַן
(began)
in de tuin van
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
לֹא
(lo)
niet
דָמָ֥ה
(dama)
was gelijk
אֵלָ֖יו
(elav)
aan hem
בְּיָפְיֽוֹ
(beyafeyo)
in zijn schoonheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גַּן אֱלֹהִים (gan Elohim), ‘de tuin van Elohim’: de tuin in Eden, zie Gen. 2:8–9.
Zie ook Ezech. 28:13.
עֲמָמֻהוּ (amamuhu), ‘overschaduwden hem’: de betekenis is niet helemaal zeker. Het kan ook ‘evenaarden hem’ of ‘verborgen hem’ betekenen.
עַרְמֹנִים (armonim), ‘platanen’: zoals in Gen. 30:37.
12Vreemden hebben hem omgehouwen, de geweldenaars onder de volken, en hebben hem laten liggen. Op de bergen en in alle dalen vielen zijn ranken, en zijn twijgen braken in alle beekbeddingen van het land. Alle volken van de aarde gingen weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen.
וַיִּכְרְתֻ֧הוּ
(vayikhretuhu)
en hebben hem omgehouwen
זָרִ֛ים
(zarim)
vreemden
עָרִיצֵ֥י
(aritsei)
geweldenaars van
גוֹיִ֖ם
(goyim)
volken
וַֽיִּטְּשֻׁ֑הוּ
(vayiteshuhu)
en lieten hem liggen
אֶל
(el)
op
הֶ֠הָרִים
(heharim)
de bergen
וּבְכָל
(uvekhal)
en in alle
גֵּ֨אָי֜וֹת
(geayot)
dalen
נָפְל֣וּ
(nafelu)
vielen
דָלִיּוֹתָ֗יו
(daliyotav)
zijn ranken
וַתִּשָּׁבַ֤רְנָה
(vatishavarna)
en werden gebroken
פֹֽארֹתָיו֙
(porotav)
zijn twijgen
בְּכֹל֙
(bekhol)
in alle
אֲפִיקֵ֣י
(afiqei)
beekbeddingen van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיֵּרְד֧וּ
(vayeredu)
en gingen weg
מִצִּלּ֛וֹ
(mitsilo)
uit zijn schaduw
כָּל
(kal)
alle
עַמֵּ֥י
(amei)
volken van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
וַֽיִּטְּשֻֽׁהוּ
(vayiteshuhu)
en lieten hem liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָרִיצֵי גּוֹיִם (aritsei goyim), ‘geweldenaars onder de volken’: zoals in Ezech. 30:11 en 32:12.
אֲפִיקֵי הָאָרֶץ (afiqei ha’arets), ‘beekbeddingen van het land’: de dalen waar bij regen beken stromen.
14Zodat geen enkele boom bij het water zich verheft in zijn gestalte en geen enkele zijn top tussen het dichte lover steekt. Ook blijft niemand van al die water drinken in zijn hoogte bij hen staan. Want zij zijn allen overgegeven aan de dood, aan de diepste aarde, te midden van mensenkinderen, bij hen die in de kuil neerdalen.
לְמַ֡עַן
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יִגְבְּה֨וּ
(yigbehu)
zich verheffen
בְקוֹמָתָ֜ם
(beqomatam)
in hun gestalte
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵי
(atsei)
bomen van
מַ֗יִם
(mayim)
water
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִתְּנ֤וּ
(yitenu)
zullen geven
אֶת
(et)
(obj.)
צַמַּרְתָּם֙
(tsamartam)
hun top
אֶל
(el)
tot
בֵּ֣ין
(bein)
tussen
עֲבֹתִ֔ים
(avotim)
dicht lover
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעַמְד֧וּ
(yaamdu)
zullen staan
אֵלֵיהֶ֛ם
(eleihem)
bij hen
בְּגָבְהָ֖ם
(begaveham)
in hun hoogte
כָּל
(kal)
alle
שֹׁ֣תֵי
(shotei)
drinkers van
מָ֑יִם
(mayim)
water
כִּֽי
(ki)
want
כֻלָּם֩
(kulam)
zij allen
נִתְּנ֨וּ
(nitenu)
zijn overgegeven
לַמָּ֜וֶת
(lamavet)
aan de dood
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
תַּחְתִּ֗ית
(tachtit)
de diepte
בְּת֛וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אָדָ֖ם
(adam)
mensen
אֶל
(el)
bij
י֥וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
בֽוֹר
(bor)
de kuil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het slot van de zin is moeilijk: ‘en niet zullen staan bij hen in hun hoogte alle drinkers van water’.
De betekenis van ‘bij hen’ is niet helemaal zeker.
אֶרֶץ תַּחְתִּית (erets tachtit), ‘de diepste aarde’: de onderwereld, waar de doden zijn. Dezelfde woorden staan in vers 16 en 18.
בּוֹר (vor), ‘kuil’: een ander woord voor de onderwereld, zoals in Jes. 14:15.
15Zo zegt Heer Yahweh: Op de dag dat hij naar Sjeol afdaalde, liet Ik rouw ontstaan. Ik bedekte de oervloed over hem en hield haar stromen tegen, en de grote wateren werden afgesloten. Ik deed de Libanon om hem donker worden, en alle bomen van het veld verkwijnden om hem.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּי֨וֹם
(beyom)
op de dag
רִדְתּ֤וֹ
(ridto)
van zijn afdalen
שְׁא֨וֹלָה֙
(sheola)
naar Sjeol
הֶאֱבַ֜לְתִּי
(heevalti)
liet Ik rouwen
כִּסֵּ֤תִי
(kiseti)
bedekte Ik
עָלָיו֙
(alav)
over hem
אֶת
(et)
(obj.)
תְּה֔וֹם
(tehom)
de oervloed
וָֽאֶמְנַע֙
(vaemna)
en Ik hield tegen
נַהֲרוֹתֶ֔יהָ
(naharoteiha)
haar stromen
וַיִּכָּלְא֖וּ
(vayikaleu)
en werden afgesloten
מַ֣יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֑ים
(rabim)
grote
וָאַקְדִּ֤ר
(vaaqdir)
en Ik deed donker worden
עָלָיו֙
(alav)
om hem
לְבָנ֔וֹן
(levanon)
de Libanon
וְכָל
(vekhal)
en alle
עֲצֵ֥י
(atsei)
bomen van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
עָלָ֥יו
(alav)
om hem
עֻלְפֶּֽה
(ulpe)
verkwijnden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁאוֹלָה (She’olah), ‘naar Sjeol’: het dodenrijk, zoals in Jes. 14:9.
הֶאֱבַלְתִּי (he’evalti), ‘liet Ik rouw ontstaan’: van אָבַל (aval), ‘rouwen’. Het gaat om rouw in de hele schepping.
וָאַקְדִּר (va’aqdir), ‘Ik deed donker worden’: van קָדַר (qadar), ‘donker zijn, in rouwkleren gaan’.
עֻלְפֶּה (ulfeh), ‘verkwijnden’: het werkwoord is zeldzaam; de betekenis is niet helemaal zeker.
16Door het geluid van zijn val deed Ik de volken beven, toen Ik hem naar Sjeol deed afdalen, bij hen die in de kuil neerdalen. In de diepste aarde vonden alle bomen van Eden troost, het uitgelezene en het beste van de Libanon, alle waterdrinkers.
מִקּ֤וֹל
(miqol)
door het geluid van
מַפַּלְתּוֹ֙
(mapalto)
zijn val
הִרְעַ֣שְׁתִּי
(hirashti)
deed Ik beven
גוֹיִ֔ם
(goyim)
volken
בְּהוֹרִדִ֥י
(behoridi)
toen Ik deed afdalen
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
שְׁא֖וֹלָה
(sheola)
naar Sjeol
אֶת
(et)
(obj.)
י֣וֹרְדֵי
(yoredei)
hen die neerdalen naar
ב֑וֹר
(bor)
de kuil
וַיִּנָּ֨חֲמ֜וּ
(vayinachamu)
en zij werden getroost
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land van
תַּחְתִּית֙
(tachtit)
de diepte
כָּל
(kal)
alle
עֲצֵי
(atsei)
bomen van
עֵ֔דֶן
(eden)
Eden
מִבְחַ֥ר
(mivchar)
het uitgelezene van
וְטוֹב
(vetov)
en het beste van
לְבָנ֖וֹן
(levanon)
de Libanon
כָּל
(kal)
alle
שֹׁ֥תֵי
(shotei)
drinkers van
מָֽיִם
(mayim)
water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּנָּחֲמוּ (vayyinnachamu), ‘vonden troost’: van נָחַם (nacham).
De bomen van Eden vinden troost omdat de trotse boom ook neerligt.
מִבְחַר וְטוֹב (mivchar vetov), ‘het uitgelezene en het beste’: de mooiste bomen.
18Met wie ben je zo te vergelijken in heerlijkheid en grootheid onder de bomen van Eden? Je wordt met de bomen van Eden neergebracht naar de diepste aarde. Te midden van onbesnedenen zul je liggen, bij de door het zwaard gesneuvelden. Dat is Farao en heel zijn menigte, godsspraak van Heer Yahweh.’”
אֶל
(el)
met
מִ֨י
(mi)
wie
דָמִ֥יתָ
(damita)
ben je gelijk
כָּ֛כָה
(kakha)
zo
בְּכָב֥וֹד
(bekhavod)
in heerlijkheid
וּבְגֹ֖דֶל
(uvegodel)
en grootheid
בַּעֲצֵי
(baatsei)
onder de bomen van
עֵ֑דֶן
(eden)
Eden
וְהוּרַדְתָּ֨
(vehuradta)
en je wordt neergebracht
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצֵי
(atsei)
bomen van
עֵ֜דֶן
(eden)
Eden
אֶל
(el)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
תַּחְתִּ֗ית
(tachtit)
de diepte
בְּת֨וֹךְ
(betokh)
te midden van
עֲרֵלִ֤ים
(arelim)
onbesnedenen
תִּשְׁכַּב֙
(tishkav)
zul je liggen
אֶת
(et)
bij
חַלְלֵי
(challei)
gesneuvelden van
חֶ֔רֶב
(cherev)
het zwaard
ה֤וּא
(hu)
dat is
פַרְעֹה֙
(paro)
Farao
וְכָל
(vekhal)
en heel
הֲמוֹנֹ֔ה
(hamono)
zijn menigte
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲרֵלִים (arelim), ‘onbesnedenen’: wie niet bij het verbond hoort.
In dit boek ligt Farao straks bij hen in de onderwereld; zie Ezech. 32:19–32.
נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie de Uitleg bij Ezech. 5:11.
דָּמִיתָ (damita), ‘ben je gelijk’: het werkwoord דָּמָה (damah) betekent ‘gelijk zijn, vergelijken’; de vraag uit vers 2 keert hier terug.