Elohim Bijbel

Genesis 38

1234567891011121314151617181920212223242526272829303132333435363738394041424344454647484950

Juda en Tamar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Juda en zijn zonen

1In die tijd daalde Juda af van zijn broers en trok naar een man uit Adullam, die Hira heette.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔וא
(hahi)
die
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en hij daalde af
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
וַיֵּ֛ט
(vayet)
en hij boog af
עַד
(ad)
tot
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
עֲדֻלָּמִ֖י
(adulami)
uit Adullam
וּשְׁמ֥וֹ
(ushemo)
en zijn naam
חִירָֽה
(chira)
Hira
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

וירד יהודה (vayered Yehudah), ‘Juda daalde af’: hoofdstuk 38 onderbreekt het verhaal van Jozef.

אישׁ עדלמי (ish Adullami), ‘een man uit Adullam’: Adullam ligt in de Sefela, ongeveer 20 km ten noordwesten van Hebron (zie Joz. 15:35).

De man, Hira, komt terug in vers 12 en 20.

Aanvullend

Jubileeën 41:1 plaatst dit in het tweede jaar van de tweede jubeljaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar.

2Daar zag Juda de dochter van een Kanaänitische man, die Sua heette. Hij nam haar en ging tot haar in.
וַיַּרְא
(vayar)
en hij zag
שָׁ֧ם
(sham)
daar
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
בַּת
(bat)
dochter van
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
כְּנַעֲנִ֖י
(kenaani)
Kanaänitische
וּשְׁמ֣וֹ
(ushemo)
en zijn naam
שׁ֑וּעַ
(shua)
Sua
וַיִּקָּחֶ֖הָ
(vayiqacheha)
en hij nam haar
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging in
אֵלֶֽיהָ
(eleiha)
tot haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בת אישׁ כנעני (bat ish Kena’ani), ‘de dochter van een Kanaänitische man’: zie 24:3; 28:1.

Alleen de naam van haar vader, Sua, staat in de tekst.

Aanvullend

Jubileeën 41:7 noemt haar Bedsuel; Jasher 45:29 noemt haar Alit.

3Ze werd zwanger en baarde een zoon, en hij noemde hem Er.
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
עֵֽר
(er)
Er
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויקרא (vayyiqra), ‘en hij noemde’: in vers 3 geeft Juda de naam, in vers 4–5 geeft zijn vrouw de naam (zie 4:1, 25; 29:32–35).

4Ze werd opnieuw zwanger en baarde een zoon, en ze noemde hem Onan.
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
ע֖וֹד
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
אוֹנָֽן
(onan)
Onan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ze kreeg nog een zoon en noemde hem Sela. Hij was in Kezib toen ze hem baarde.
וַתֹּ֤סֶף
(vatosef)
en ze voegde toe
עוֹד֙
(od)
nog
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en ze baarde
בֵּ֔ן
(ben)
een zoon
וַתִּקְרָ֥א
(vatiqra)
en ze noemde
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
שֵׁלָ֑ה
(shela)
Sela
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en hij was
בִכְזִ֖יב
(bikhziv)
in Kezib
בְּלִדְתָּ֥הּ
(belidtah)
bij haar baren
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בכזיב (bekhziv), ‘in Kezib’: waarschijnlijk hetzelfde als Achzib in de Sefela (zie Joz. 15:44; Mi 1:14).

Wie ‘hij’ is die in Kezib was, zegt de tekst niet: Juda of het kind.

6Juda nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene. Haar naam was Tamar.
וַיִּקַּ֧ח
(vayiqach)
en hij nam
יְהוּדָ֛ה
(yehuda)
Juda
אִשָּׁ֖ה
(isha)
een vrouw
לְעֵ֣ר
(leer)
voor Er
בְּכוֹר֑וֹ
(bekhoro)
zijn eerstgeborene
וּשְׁמָ֖הּ
(ushemah)
en haar naam
תָּמָֽר
(tamar)
Tamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ושׁמה תמר (ushmah Tamar), ‘en haar naam was Tamar’: ‘dadelpalm’.

Aanvullend

Jasher 45:23 zegt dat Juda naar het huis van Sem ging en Tamar nam, de dochter van Elam, de zoon van Sem.

Jubileeën 41:1 zegt dat ze een dochter van Aram was.

Jasher 54:25 laat Jozef zeggen dat Tamar de zonen van Juda doodde; Genesis 38:7 en 38:10 zeggen dat Yahweh hen doodde.

7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was slecht in de ogen van Yahweh, en Yahweh deed hem sterven.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
עֵ֚ר
(er)
Er
בְּכ֣וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
רַ֖ע
(ra)
slecht
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיְמִתֵ֖הוּ
(vaymitehu)
en Hij deed Hem sterven
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רע בעיני יהוה וימתהו יהוה (ra be’einei YHWH vayemitehu YHWH), ‘slecht in de ogen van Yahweh; Yahweh deed hem sterven’: zie 46:12; Num. 26:19.

Waarin Ers slechtheid bestond, staat er niet.

Aanvullend

Jasher 45:24 zegt dat hij zijn zaad verdierf.

Jubileeën 41:2 zegt dat Er Tamar haatte en niet bij haar lag, omdat zijn moeder een Kanaänitische was en hij een vrouw uit haar verwanten wilde.

8Juda zei tegen Onan: „Ga tot de vrouw van je broer, vervul tegenover haar de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְאוֹנָ֔ן
(leonan)
tot Onan
בֹּ֛א
(bo)
ga in
אֶל
(el)
tot
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
וְיַבֵּ֣ם
(veyabem)
en doe de zwagerplicht
אֹתָ֑הּ
(otah)
haar
וְהָקֵ֥ם
(vehaqem)
en wek op
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht
לְאָחִֽיךָ
(leachikha)
voor je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויבם אתה והקם זרע לאחיך (veyabbem otah vehaqem zera le’achikha), ‘vervul de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer’: het zwagerhuwelijk, zie Deut. 25:5–10; Ruth 4:5.

Aanvullend

Jasher 45:25 en Jubileeën 41:4 geven Judas opdracht aan Onan weer.

9Onan wist dat het nageslacht niet het zijne zou zijn. Telkens als hij tot de vrouw van zijn broer inging, liet hij het op de grond verderven, om zijn broer geen nageslacht te geven.
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en hij wist
אוֹנָ֔ן
(onan)
Onan
כִּ֛י
(ki)
dat
לֹּ֥א
(lo)
niet
ל֖וֹ
(lo)
van hem
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zou zijn
הַזָּ֑רַע
(hazara)
het nageslacht
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het gebeurde
אִם
(im)
als
בָּ֨א
(ba)
hij inging
אֶל
(el)
tot
אֵ֤שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
וְשִׁחֵ֣ת
(veshichet)
en hij liet verderven
אַ֔רְצָה
(artsa)
ter aarde
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
נְתָן
(netan)
geven
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht
לְאָחִֽיו
(leachiv)
aan zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ושׁחת ארצה (veshichet artsah), ‘en liet het op de grond verderven’: zie vers 10.

Aanvullend

Jasher 45:26 zegt dat Onan deed zoals zijn broer.

Jubileeën 41:5 zegt dat Onan wist dat het zaad niet van hem zou zijn.

10Wat hij deed was slecht in de ogen van Yahweh, en Hij deed ook hem sterven.
וַיֵּ֛רַע
(vayera)
en het was slecht
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֑ה
(asa)
hij deed
וַיָּ֖מֶת
(vayamet)
en Hij deed sterven
גַּם
(gam)
ook
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Juda zei tegen zijn schoondochter Tamar: „Blijf als weduwe in het huis van je vader tot mijn zoon Sela groot is.” Want hij zei: „Straks sterft ook hij nog, zoals zijn broers.” Tamar ging en woonde in het huis van haar vader.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
לְתָמָ֨ר
(letamar)
tot Tamar
כַּלָּת֜וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
שְׁבִ֧י
(shevi)
blijf
אַלְמָנָ֣ה
(almana)
weduwe
בֵית
(beit)
huis van
אָבִ֗יךְ
(avikh)
je vader
עַד
(ad)
tot
יִגְדַּל֙
(yigdal)
hij groot wordt
שֵׁלָ֣ה
(shela)
Sela
בְנִ֔י
(beni)
mijn zoon
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
פֶּן
(pen)
opdat niet
יָמ֥וּת
(yamut)
hij sterft
גַּם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
כְּאֶחָ֑יו
(keechav)
zoals zijn broers
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
תָּמָ֔ר
(tamar)
Tamar
וַתֵּ֖שֶׁב
(vateshev)
en ze woonde
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אָבִֽיהָ
(aviha)
haar vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁבי אלמנה (shevi almanah), ‘blijf als weduwe’: zie Lev. 22:13.

Juda houdt Sela terug uit vrees dat ook hij sterft.

Aanvullend

Jasher 45:27 en Jubileeën 41:6–7 vertellen hetzelfde.

Jubileeën 41:7 zegt dat Bedsuel, de vrouw van Juda, haar zoon Sela niet liet trouwen.

Juda en Tamar bij Enajim

12Er verstreken veel dagen, en de dochter van Sua, de vrouw van Juda, stierf. Toen Juda getroost was, ging hij omhoog naar zijn schapenscheerders in Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.
וַיִּרְבּוּ֙
(vayirbu)
en ze werden veel
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַתָּ֖מָת
(vatamat)
en ze stierf
בַּת
(bat)
dochter van
שׁ֣וּעַ
(shua)
Sua
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en hij werd getroost
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en hij ging op
עַל
(al)
naar
גֹּֽזֲזֵ֤י
(gozazei)
scheerders van
צֹאנוֹ֙
(tsono)
zijn kleinvee
ה֗וּא
(hu)
hij
וְחִירָ֛ה
(vechira)
en Hira
רֵעֵ֥הוּ
(reehu)
zijn vriend
הָעֲדֻלָּמִ֖י
(haadulami)
de Adullamiet
תִּמְנָֽתָה
(timnata)
naar Timna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

גזזי צאנו (gozzei tsono), ‘de scheerders van zijn kleinvee’: schapenscheren was een tijd van feest; zie 31:19; 1 Sam. 25:2–8, 36; 2 Sam. 13:23–24.

תמנתה (Timnatah), ‘naar Timna’: Timna in het bergland van Juda (zie Joz. 15:57); de ligging is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 45:29 zegt dat Alit aan het einde van het jaar stierf en dat Juda, getroost, met Hira naar Timna ging.

Jubileeën 41:8 noemt de reis naar Timna.

13Er werd aan Tamar gemeld: „Zie, je schoonvader gaat omhoog naar Timna om zijn kleinvee te scheren.”
וַיֻּגַּ֥ד
(vayugad)
en er werd gemeld
לְתָמָ֖ר
(letamar)
aan Tamar
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
חָמִ֛יךְ
(chamikh)
je schoonvader
עֹלֶ֥ה
(ole)
gaat op
תִמְנָ֖תָה
(timnata)
naar Timna
לָגֹ֥ז
(lagoz)
om te scheren
צֹאנֽוֹ
(tsono)
zijn kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Ze deed de kleren van haar weduwschap uit, bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin. Ze ging zitten bij de ingang van Enajim, dat aan de weg naar Timna ligt, want ze zag dat Sela groot geworden was en dat zij hem niet tot vrouw was gegeven.
וַתָּסַר֩
(vatasar)
en ze deed weg
בִּגְדֵ֨י
(bigdei)
kleren van
אַלְמְנוּתָ֜הּ
(almenutah)
haar weduwschap
מֵֽעָלֶ֗יהָ
(mealeiha)
van zich
וַתְּכַ֤ס
(vatekhas)
en ze bedekte zich
בַּצָּעִיף֙
(batsaif)
met de sluier
וַתִּתְעַלָּ֔ף
(vatitalaf)
en ze wikkelde zich
וַתֵּ֨שֶׁב֙
(vateshev)
en ze zat
בְּפֶ֣תַח
(befetach)
bij de ingang van
עֵינַ֔יִם
(einayim)
Enajim
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg
תִּמְנָ֑תָה
(timnata)
naar Timna
כִּ֤י
(ki)
want
רָאֲתָה֙
(raata)
ze zag
כִּֽי
(ki)
dat
גָדַ֣ל
(gadal)
hij was groot geworden
שֵׁלָ֔ה
(shela)
Sela
וְהִ֕וא
(vehi)
en zij
לֹֽא
(lo)
niet
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
ze was gegeven
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ותכס בצעיף ותתעלף (vattekhas batsa’if vattit’allaf), ‘bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin’: zie 24:65.

בפתח עינים (befetach Einayim), ‘bij de ingang van Enajim’: Enajim is een plaatsnaam (‘twee bronnen’), misschien Enam in de Sefela (zie Joz. 15:34); anderen lezen ‘bij de ingang van de bronnen’ of ‘op de open weg’.

Aanvullend

Jasher 45:31 zegt dat ze zich helemaal bedekte en bij de ingang van Enajim ging zitten.

Jubileeën 41:9 zegt dat ze zich versierde en in de poort langs de weg naar Timna zat.

15Juda zag haar en hield haar voor een hoer, want ze had haar gezicht bedekt.
וַיִּרְאֶ֣הָ
(vayireha)
en hij zag haar
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַֽיַּחְשְׁבֶ֖הָ
(vayachsheveha)
en hij hield haar
לְזוֹנָ֑ה
(lezona)
voor een hoer
כִּ֥י
(ki)
want
כִסְּתָ֖ה
(kiseta)
ze had bedekt
פָּנֶֽיהָ
(paneiha)
haar gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

ויחשׁבה לזונה (vayyachshevehah lezonah), ‘hield haar voor een hoer’: zie vers 21.

Aanvullend

Jasher 45:32 en Jubileeën 41:10 vertellen hoe Juda tot haar ging.

16Hij boog naar haar af, naar de kant van de weg, en zei: „Kom toch, laat mij tot je ingaan.” Hij wist immers niet dat ze zijn schoondochter was. Ze zei: „Wat geef je mij als je tot mij ingaat?”
וַיֵּ֨ט
(vayet)
en hij boog af
אֵלֶ֜יהָ
(eleiha)
naar haar
אֶל
(el)
naar
הַדֶּ֗רֶךְ
(haderekh)
de weg
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הָֽבָה
(hava)
kom
נָּא֙
(na)
toch
אָב֣וֹא
(avo)
laat mij ingaan
אֵלַ֔יִךְ
(elayikh)
tot jou
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔ע
(yada)
hij wist
כִּ֥י
(ki)
dat
כַלָּת֖וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
הִ֑וא
(hi)
zij
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
מַה
(ma)
wat
תִּתֶּן
(titen)
geef je
לִּ֔י
(li)
mij
כִּ֥י
(ki)
als
תָב֖וֹא
(tavo)
je ingaat
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לא ידע כי כלתו הוא (lo yada ki khallato hi), ‘hij wist niet dat ze zijn schoondochter was’: de tekst benadrukt dat hij haar niet herkende; zie vers 25.

17Hij zei: „Ik zal een geitenbokje van de kudde sturen.” Ze zei: „Als je een onderpand geeft totdat je het stuurt.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָנֹכִ֛י
(anokhi)
ik
אֲשַׁלַּ֥ח
(ashalach)
ik zal sturen
גְּדִֽי
(gedi)
bokje van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
מִן
(min)
van
הַצֹּ֑אן
(hatson)
de kudde
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
אִם
(im)
als
תִּתֵּ֥ן
(titen)
je geeft
עֵרָב֖וֹן
(eravon)
een onderpand
עַ֥ד
(ad)
tot
שָׁלְחֶֽךָ
(shalechekha)
je het stuurt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אשׁלח גדי עזים (ashallach gedi izzim), ‘ik zal een geitenbokje sturen’: zie ook Richteren 15:1.

ערבון (eravon), ‘onderpand’: het woord komt in de Bijbel alleen in dit hoofdstuk voor (vers 17, 18, 20).

18Hij zei: „Wat voor onderpand moet ik je geven?” Ze zei: „Je zegel, je snoer en je staf die in je hand is.” Hij gaf ze haar, ging tot haar in, en ze werd zwanger van hem.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָ֣ה
(ma)
wat
הָֽעֵרָבוֹן֮
(haeravon)
het onderpand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶתֶּן
(eten)
ik zal geven
לָּךְ֒
(lakh)
jou
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
חֹתָֽמְךָ֙
(chotamekha)
je zegel
וּפְתִילֶ֔ךָ
(ufetilekha)
en je snoer
וּמַטְּךָ֖
(umatekha)
en je staf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
לָּ֛הּ
(lah)
aan haar
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging in
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חתמך ופתילך ומטך (chotamekha ufetilekha umattekha), ‘je zegel, je snoer en je staf’: een rolzegel aan een snoer om de hals en een staf met een eigen kenmerk: samen zijn ze Judas legitimatie.

Aanvullend

Jubileeën 41:11 noemt een ring, een halsketting en een staf.

19Ze stond op en ging weg, deed haar sluier af en trok de kleren van haar weduwschap weer aan.
וַתָּ֣קָם
(vataqam)
en ze stond op
וַתֵּ֔לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
וַתָּ֥סַר
(vatasar)
en ze deed weg
צְעִיפָ֖הּ
(tseifah)
haar sluier
מֵעָלֶ֑יהָ
(mealeiha)
van zich
וַתִּלְבַּ֖שׁ
(vatilbash)
en ze trok aan
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
אַלְמְנוּתָֽהּ
(almenutah)
haar weduwschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Juda stuurde het geitenbokje door zijn vriend uit Adullam om het onderpand uit de hand van de vrouw terug te halen, maar hij vond haar niet.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij stuurde
יְהוּדָ֜ה
(yehuda)
Juda
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
גְּדִ֣י
(gedi)
bokje van
הָֽעִזִּ֗ים
(haizim)
de geiten
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
רֵעֵ֣הוּ
(reehu)
zijn vriend
הָֽעֲדֻלָּמִ֔י
(haadulami)
de Adullamiet
לָקַ֥חַת
(laqachat)
om te nemen
הָעֵרָב֖וֹן
(haeravon)
het onderpand
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
הָאִשָּׁ֑ה
(haisha)
de vrouw
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
מְצָאָֽהּ
(metsaah)
hij vond haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

21Hij vroeg de mannen van haar plaats: „Waar is de tempelprostituee die bij Enajim langs de weg zat?” Ze zeiden: „Hier is geen tempelprostituee geweest.”
וַיִּשְׁאַ֞ל
(vayishal)
en hij vroeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
מְקֹמָהּ֙
(meqomah)
haar plaats
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אַיֵּ֧ה
(aye)
waar
הַקְּדֵשָׁ֛ה
(haqedesha)
de gewijde
הִ֥וא
(hi)
zij
בָעֵינַ֖יִם
(baeinayim)
bij Enajim
עַל
(al)
aan
הַדָּ֑רֶךְ
(hadarekh)
de weg
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
לֹא
(lo)
niet
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
ze was
בָזֶ֖ה
(baze)
hier
קְדֵשָֽׁה
(qedesha)
gewijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הקדשׁה (haqqedeshah), ‘de tempelprostituee’: letterlijk ‘de gewijde (vrouw)’, een vrouw verbonden aan een heiligdom; zie Deut. 23:18; Hos. 4:14.

In vers 15 staat zonah, ‘hoer’.

Aanvullend

Jubileeën 41:14 noemt haar een hoer.

22Hij keerde terug naar Juda en zei: „Ik heb haar niet gevonden. En ook de mannen van die plaats zeiden: ‘Hier is geen tempelprostituee geweest.’”
וַיָּ֨שָׁב֙
(vayashav)
en hij keerde terug
אֶל
(el)
naar
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹ֣א
(lo)
niet
מְצָאתִ֑יהָ
(metsatiha)
ik heb haar gevonden
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
אָֽמְר֔וּ
(ameru)
ze zeiden
לֹא
(lo)
niet
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
ze was
בָזֶ֖ה
(baze)
hier
קְדֵשָֽׁה
(qedesha)
gewijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Juda zei: „Laat haar het houden, anders worden we belachelijk. Zie, ik heb dit bokje gestuurd, en jij hebt haar niet gevonden.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
תִּֽקַּֽח
(tiqach)
laat haar nemen
לָ֔הּ
(lah)
voor zichzelf
פֶּ֖ן
(pen)
opdat niet
נִהְיֶ֣ה
(nihye)
we worden
לָב֑וּז
(lavuz)
tot spot
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
שָׁלַ֨חְתִּי֙
(shalachti)
ik heb gestuurd
הַגְּדִ֣י
(hagedi)
het bokje
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְאַתָּ֖ה
(veata)
en jij
לֹ֥א
(lo)
niet
מְצָאתָֽהּ
(metsatah)
je hebt haar gevonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פן נהיה לבוז (pen nihyeh lavuz), ‘anders worden we belachelijk’: letterlijk ‘anders worden wij tot spot’.

Tamar en het onderpand

24Ongeveer drie maanden later werd aan Juda gemeld: „Je schoondochter Tamar heeft gehoereerd, en zie, ze is zelfs zwanger door hoererij.” Juda zei: „Breng haar naar buiten, en laat haar verbrand worden.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּמִשְׁלֹ֣שׁ
(kemishlosh)
ongeveer drie
חֳדָשִׁ֗ים
(chodashim)
maanden
וַיֻּגַּ֨ד
(vayugad)
en er werd gemeld
לִֽיהוּדָ֤ה
(lihuda)
aan Juda
לֵֽאמֹר֙
(lemor)
zeggend
זָֽנְתָה֙
(zaneta)
ze heeft gehoereerd
תָּמָ֣ר
(tamar)
Tamar
כַּלָּתֶ֔ךָ
(kalatekha)
je schoondochter
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הָרָ֖ה
(hara)
zwanger
לִזְנוּנִ֑ים
(liznunim)
door hoererij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הוֹצִיא֖וּהָ
(hotsiuha)
breng haar naar buiten
וְתִשָּׂרֵֽף
(vetisaref)
en laat haar verbrand worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כמשׁלשׁ חדשׁים (kemishlosh chodashim), ‘ongeveer drie maanden’: Jubileeën 41:16 zegt dat ze drie maanden volbracht had toen het zichtbaar werd dat ze zwanger was.

הוציאוה ותשׂרף (hotsi’uha vetissaref), ‘breng haar naar buiten en laat haar verbrand worden’: Juda spreekt als hoofd van het gezin recht over haar; zie Lev. 21:9.

Aanvullend

Jubileeën 41:17 zegt dat Juda naar het huis van haar vader ging en zei dat ze onreinheid in Israël had gedaan.

25Toen ze naar buiten werd gebracht, stuurde zij bericht naar haar schoonvader: „Van de man aan wie dit toebehoort, ben ik zwanger.” En ze zei: „Herken toch van wie dit zegel, deze snoeren en deze staf zijn.”
הִ֣וא
(hi)
zij
מוּצֵ֗את
(mutset)
wordt naar buiten gebracht
וְהִ֨יא
(vehi)
en zij
שָׁלְחָ֤ה
(shalecha)
ze stuurde
אֶל
(el)
naar
חָמִ֨יהָ֙
(chamiha)
haar schoonvader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לְאִישׁ֙
(leish)
van de man
אֲשֶׁר
(asher)
aan wie
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze
לּ֔וֹ
(lo)
toebehoren
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
הָרָ֑ה
(hara)
zwanger
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
הַכֶּר
(haker)
herken
נָ֔א
(na)
toch
לְמִ֞י
(lemi)
van wie
הַחֹתֶ֧מֶת
(hachotemet)
het zegel
וְהַפְּתִילִ֛ים
(vehapetilim)
en de snoeren
וְהַמַּטֶּ֖ה
(vehamate)
en de staf
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: dezelfde woorden als in 37:32.

Aanvullend

Jubileeën 41:18 zegt dat ze de ring, de halsketting en de staf naar haar schoonvader stuurde.

26Juda herkende ze en zei: „Zij is rechtvaardiger dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.” Hij had daarna geen gemeenschap meer met haar.
וַיַּכֵּ֣ר
(vayaker)
en hij herkende
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
צָֽדְקָ֣ה
(tsadeqa)
ze is rechtvaardiger
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
dan ik
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
om
כֵּ֥ן
(ken)
zo
לֹא
(lo)
niet
נְתַתִּ֖יהָ
(netatiha)
ik gaf haar
לְשֵׁלָ֣ה
(leshela)
aan Sela
בְנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָסַ֥ף
(yasaf)
hij ging voort
ע֖וֹד
(od)
nog
לְדַעְתָּֽה
(ledata)
haar te kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צדקה ממני (tsadeqah mimmenni), ‘zij is rechtvaardiger dan ik’: ook ‘zij heeft gelijk, niet ik’.

ולא יסף עוד לדעתה (velo yasaf od ledat’ah), ‘hij ging haar niet meer kennen’.

Aanvullend

Jubileeën 41:19 zegt dat Juda Tamar rechtvaardiger noemde en haar niet liet verbranden.

Jubileeën 41:23–25 zegt dat Juda zijn daad als kwaad erkende, tot Yahweh smeekte en vergeving kreeg.

De geboorte van Peres en Zerach

27Toen de tijd van haar bevalling kwam, zie, er waren tweelingen in haar schoot.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
בְּעֵ֣ת
(beet)
ten tijde van
לִדְתָּ֑הּ
(lidtah)
haar baren
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
תְאוֹמִ֖ים
(teomim)
tweelingen
בְּבִטְנָֽהּ
(bevitnah)
in haar schoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תאומים (te’omim), ‘tweelingen’: zie 25:24.

Aanvullend

Jubileeën 41:21 zegt dat ze Peres en Zerach baarde in het zevende jaar van de tweede jubeljaarweek.

28Bij de bevalling stak een van hen een hand uit. De vroedvrouw nam een scharlaken draad, bond die om zijn hand en zei: „Deze is het eerst gekomen.”
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
בְלִדְתָּ֖הּ
(belidtah)
bij haar baren
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
יָ֑ד
(yad)
een hand
וַתִּקַּ֣ח
(vatiqach)
en nam
הַמְיַלֶּ֗דֶת
(hamyaledet)
de vroedvrouw
וַתִּקְשֹׁ֨ר
(vatiqshor)
en ze bond
עַל
(al)
om
יָד֤וֹ
(yado)
zijn hand
שָׁנִי֙
(shani)
scharlaken
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
זֶ֖ה
(ze)
deze
יָצָ֥א
(yatsa)
kwam uit
רִאשֹׁנָֽה
(rishona)
eerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שׁני (shani), ‘scharlaken’: een scharlaken draad.

De hand die uitgestoken wordt, doet denken aan 25:26.

29Maar toen hij zijn hand terugtrok, zie, zijn broer kwam eruit. Ze zei: „Wat heb jij een bres geslagen, een bres op jou!” Zo kreeg hij de naam Peres.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּמֵשִׁ֣יב
(kemeshiv)
toen hij terugtrok
יָד֗וֹ
(yado)
zijn hand
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam uit
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en ze zei
מַה
(ma)
wat
פָּרַ֖צְתָּ
(paratsta)
heb je een bres geslagen
עָלֶ֣יךָ
(aleikha)
over jou
פָּ֑רֶץ
(parets)
bres
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
פָּֽרֶץ
(parets)
Peres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מה פרצת עליך פרץ (mah paratsta aleikha parets), ‘wat heb jij een bres geslagen’: parats is ‘doorbreken’; Peres betekent ‘bres’, ‘doorbraak’.

Peres is een voorvader van David (zie Ruth 4:12, 18–22; 1 Kronieken 2:4–5; Matt. 1:3).

Aanvullend

Jasher 45:32 noemt Peres en Zerach.

30Daarna kwam zijn broer eruit, die de scharlaken draad om zijn hand had. Zo kreeg hij de naam Zerach.
וְאַחַר֙
(veachar)
en daarna
יָצָ֣א
(yatsa)
kwam uit
אָחִ֔יו
(achiv)
zijn broer
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עַל
(al)
om
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
הַשָּׁנִ֑י
(hashani)
de scharlaken
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en hij noemde
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
זָֽרַח
(zarach)
Zerach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זרח (Zarach), ‘Zerach’: ‘opgang, glans’; zie 1 Kronieken 2:4, 6; Matt. 1:3.