Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Juda en zijn zonen
1In die tijd daalde Juda af van zijn broers en trok naar een man uit Adullam, die Hira heette.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔וא
(hahi)
die
וַיֵּ֥רֶד
(vayered)
en hij daalde af
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
אֶחָ֑יו
(echav)
zijn broers
וַיֵּ֛ט
(vayet)
en hij boog af
עַד
(ad)
tot
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
עֲדֻלָּמִ֖י
(adulami)
uit Adullam
וּשְׁמ֥וֹ
(ushemo)
en zijn naam
חִירָֽה
(chira)
Hira
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
וירד יהודה (vayered Yehudah), ‘Juda daalde af’: hoofdstuk 38 onderbreekt het verhaal van Jozef.
אישׁ עדלמי (ish Adullami), ‘een man uit Adullam’: Adullam ligt in de Sefela, ongeveer 20 km ten noordwesten van Hebron (zie Joz. 15:35).
De man, Hira, komt terug in vers 12 en 20.
Aanvullend
Jubileeën 41:1 plaatst dit in het tweede jaar van de tweede jubeljaarweek van het vijfenveertigste jubeljaar.
8Juda zei tegen Onan: „Ga tot de vrouw van je broer, vervul tegenover haar de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְאוֹנָ֔ן
(leonan)
tot Onan
בֹּ֛א
(bo)
ga in
אֶל
(el)
tot
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אָחִ֖יךָ
(achikha)
je broer
וְיַבֵּ֣ם
(veyabem)
en doe de zwagerplicht
אֹתָ֑הּ
(otah)
haar
וְהָקֵ֥ם
(vehaqem)
en wek op
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht
לְאָחִֽיךָ
(leachikha)
voor je broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ויבם אתה והקם זרע לאחיך (veyabbem otah vehaqem zera le’achikha), ‘vervul de plicht van een zwager en wek nageslacht op voor je broer’: het zwagerhuwelijk, zie Deut. 25:5–10; Ruth 4:5.
Aanvullend
Jasher 45:25 en Jubileeën 41:4 geven Judas opdracht aan Onan weer.
9Onan wist dat het nageslacht niet het zijne zou zijn. Telkens als hij tot de vrouw van zijn broer inging, liet hij het op de grond verderven, om zijn broer geen nageslacht te geven.
וַיֵּ֣דַע
(vayeda)
en hij wist
אוֹנָ֔ן
(onan)
Onan
כִּ֛י
(ki)
dat
לֹּ֥א
(lo)
niet
ל֖וֹ
(lo)
van hem
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zou zijn
הַזָּ֑רַע
(hazara)
het nageslacht
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het gebeurde
אִם
(im)
als
בָּ֨א
(ba)
hij inging
אֶל
(el)
tot
אֵ֤שֶׁת
(eshet)
vrouw van
אָחִיו֙
(achiv)
zijn broer
וְשִׁחֵ֣ת
(veshichet)
en hij liet verderven
אַ֔רְצָה
(artsa)
ter aarde
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
נְתָן
(netan)
geven
זֶ֖רַע
(zera)
nageslacht
לְאָחִֽיו
(leachiv)
aan zijn broer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ושׁחת ארצה (veshichet artsah), ‘en liet het op de grond verderven’: zie vers 10.
Aanvullend
Jasher 45:26 zegt dat Onan deed zoals zijn broer.
Jubileeën 41:5 zegt dat Onan wist dat het zaad niet van hem zou zijn.
11Juda zei tegen zijn schoondochter Tamar: „Blijf als weduwe in het huis van je vader tot mijn zoon Sela groot is.” Want hij zei: „Straks sterft ook hij nog, zoals zijn broers.” Tamar ging en woonde in het huis van haar vader.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָה֩
(yehuda)
Juda
לְתָמָ֨ר
(letamar)
tot Tamar
כַּלָּת֜וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
שְׁבִ֧י
(shevi)
blijf
אַלְמָנָ֣ה
(almana)
weduwe
בֵית
(beit)
huis van
אָבִ֗יךְ
(avikh)
je vader
עַד
(ad)
tot
יִגְדַּל֙
(yigdal)
hij groot wordt
שֵׁלָ֣ה
(shela)
Sela
בְנִ֔י
(beni)
mijn zoon
כִּ֣י
(ki)
want
אָמַ֔ר
(amar)
hij zei
פֶּן
(pen)
opdat niet
יָמ֥וּת
(yamut)
hij sterft
גַּם
(gam)
ook
ה֖וּא
(hu)
hij
כְּאֶחָ֑יו
(keechav)
zoals zijn broers
וַתֵּ֣לֶךְ
(vatelekh)
en ze ging
תָּמָ֔ר
(tamar)
Tamar
וַתֵּ֖שֶׁב
(vateshev)
en ze woonde
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
אָבִֽיהָ
(aviha)
haar vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שׁבי אלמנה (shevi almanah), ‘blijf als weduwe’: zie Lev. 22:13.
Juda houdt Sela terug uit vrees dat ook hij sterft.
Aanvullend
Jasher 45:27 en Jubileeën 41:6–7 vertellen hetzelfde.
Jubileeën 41:7 zegt dat Bedsuel, de vrouw van Juda, haar zoon Sela niet liet trouwen.
12Er verstreken veel dagen, en de dochter van Sua, de vrouw van Juda, stierf. Toen Juda getroost was, ging hij omhoog naar zijn schapenscheerders in Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.
וַיִּרְבּוּ֙
(vayirbu)
en ze werden veel
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וַתָּ֖מָת
(vatamat)
en ze stierf
בַּת
(bat)
dochter van
שׁ֣וּעַ
(shua)
Sua
אֵֽשֶׁת
(eshet)
vrouw van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיִּנָּ֣חֶם
(vayinachem)
en hij werd getroost
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en hij ging op
עַל
(al)
naar
גֹּֽזֲזֵ֤י
(gozazei)
scheerders van
צֹאנוֹ֙
(tsono)
zijn kleinvee
ה֗וּא
(hu)
hij
וְחִירָ֛ה
(vechira)
en Hira
רֵעֵ֥הוּ
(reehu)
zijn vriend
הָעֲדֻלָּמִ֖י
(haadulami)
de Adullamiet
תִּמְנָֽתָה
(timnata)
naar Timna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
גזזי צאנו (gozzei tsono), ‘de scheerders van zijn kleinvee’: schapenscheren was een tijd van feest; zie 31:19; 1 Sam. 25:2–8, 36; 2 Sam. 13:23–24.
תמנתה (Timnatah), ‘naar Timna’: Timna in het bergland van Juda (zie Joz. 15:57); de ligging is niet zeker.
Aanvullend
Jasher 45:29 zegt dat Alit aan het einde van het jaar stierf en dat Juda, getroost, met Hira naar Timna ging.
13Er werd aan Tamar gemeld: „Zie, je schoonvader gaat omhoog naar Timna om zijn kleinvee te scheren.”
וַיֻּגַּ֥ד
(vayugad)
en er werd gemeld
לְתָמָ֖ר
(letamar)
aan Tamar
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggend
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
חָמִ֛יךְ
(chamikh)
je schoonvader
עֹלֶ֥ה
(ole)
gaat op
תִמְנָ֖תָה
(timnata)
naar Timna
לָגֹ֥ז
(lagoz)
om te scheren
צֹאנֽוֹ
(tsono)
zijn kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Ze deed de kleren van haar weduwschap uit, bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin. Ze ging zitten bij de ingang van Enajim, dat aan de weg naar Timna ligt, want ze zag dat Sela groot geworden was en dat zij hem niet tot vrouw was gegeven.
וַתָּסַר֩
(vatasar)
en ze deed weg
בִּגְדֵ֨י
(bigdei)
kleren van
אַלְמְנוּתָ֜הּ
(almenutah)
haar weduwschap
מֵֽעָלֶ֗יהָ
(mealeiha)
van zich
וַתְּכַ֤ס
(vatekhas)
en ze bedekte zich
בַּצָּעִיף֙
(batsaif)
met de sluier
וַתִּתְעַלָּ֔ף
(vatitalaf)
en ze wikkelde zich
וַתֵּ֨שֶׁב֙
(vateshev)
en ze zat
בְּפֶ֣תַח
(befetach)
bij de ingang van
עֵינַ֔יִם
(einayim)
Enajim
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg
תִּמְנָ֑תָה
(timnata)
naar Timna
כִּ֤י
(ki)
want
רָאֲתָה֙
(raata)
ze zag
כִּֽי
(ki)
dat
גָדַ֣ל
(gadal)
hij was groot geworden
שֵׁלָ֔ה
(shela)
Sela
וְהִ֕וא
(vehi)
en zij
לֹֽא
(lo)
niet
נִתְּנָ֥ה
(nitena)
ze was gegeven
ל֖וֹ
(lo)
aan hem
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ותכס בצעיף ותתעלף (vattekhas batsa’if vattit’allaf), ‘bedekte zich met een sluier en wikkelde zich erin’: zie 24:65.
בפתח עינים (befetach Einayim), ‘bij de ingang van Enajim’: Enajim is een plaatsnaam (‘twee bronnen’), misschien Enam in de Sefela (zie Joz. 15:34); anderen lezen ‘bij de ingang van de bronnen’ of ‘op de open weg’.
Aanvullend
Jasher 45:31 zegt dat ze zich helemaal bedekte en bij de ingang van Enajim ging zitten.
Jubileeën 41:9 zegt dat ze zich versierde en in de poort langs de weg naar Timna zat.
16Hij boog naar haar af, naar de kant van de weg, en zei: „Kom toch, laat mij tot je ingaan.” Hij wist immers niet dat ze zijn schoondochter was. Ze zei: „Wat geef je mij als je tot mij ingaat?”
וַיֵּ֨ט
(vayet)
en hij boog af
אֵלֶ֜יהָ
(eleiha)
naar haar
אֶל
(el)
naar
הַדֶּ֗רֶךְ
(haderekh)
de weg
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הָֽבָה
(hava)
kom
נָּא֙
(na)
toch
אָב֣וֹא
(avo)
laat mij ingaan
אֵלַ֔יִךְ
(elayikh)
tot jou
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔ע
(yada)
hij wist
כִּ֥י
(ki)
dat
כַלָּת֖וֹ
(kalato)
zijn schoondochter
הִ֑וא
(hi)
zij
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
מַה
(ma)
wat
תִּתֶּן
(titen)
geef je
לִּ֔י
(li)
mij
כִּ֥י
(ki)
als
תָב֖וֹא
(tavo)
je ingaat
אֵלָֽי
(elay)
tot mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לא ידע כי כלתו הוא (lo yada ki khallato hi), ‘hij wist niet dat ze zijn schoondochter was’: de tekst benadrukt dat hij haar niet herkende; zie vers 25.
18Hij zei: „Wat voor onderpand moet ik je geven?” Ze zei: „Je zegel, je snoer en je staf die in je hand is.” Hij gaf ze haar, ging tot haar in, en ze werd zwanger van hem.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מָ֣ה
(ma)
wat
הָֽעֵרָבוֹן֮
(haeravon)
het onderpand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אֶתֶּן
(eten)
ik zal geven
לָּךְ֒
(lakh)
jou
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en ze zei
חֹתָֽמְךָ֙
(chotamekha)
je zegel
וּפְתִילֶ֔ךָ
(ufetilekha)
en je snoer
וּמַטְּךָ֖
(umatekha)
en je staf
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בְּיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in je hand
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
לָּ֛הּ
(lah)
aan haar
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en hij ging in
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en ze werd zwanger
לֽוֹ
(lo)
van hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חתמך ופתילך ומטך (chotamekha ufetilekha umattekha), ‘je zegel, je snoer en je staf’: een rolzegel aan een snoer om de hals en een staf met een eigen kenmerk: samen zijn ze Judas legitimatie.
Aanvullend
Jubileeën 41:11 noemt een ring, een halsketting en een staf.
21Hij vroeg de mannen van haar plaats: „Waar is de tempelprostituee die bij Enajim langs de weg zat?” Ze zeiden: „Hier is geen tempelprostituee geweest.”
וַיִּשְׁאַ֞ל
(vayishal)
en hij vroeg
אֶת
(et)
(lijdend voorwerp)
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
מְקֹמָהּ֙
(meqomah)
haar plaats
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
אַיֵּ֧ה
(aye)
waar
הַקְּדֵשָׁ֛ה
(haqedesha)
de gewijde
הִ֥וא
(hi)
zij
בָעֵינַ֖יִם
(baeinayim)
bij Enajim
עַל
(al)
aan
הַדָּ֑רֶךְ
(hadarekh)
de weg
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en ze zeiden
לֹא
(lo)
niet
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
ze was
בָזֶ֖ה
(baze)
hier
קְדֵשָֽׁה
(qedesha)
gewijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הקדשׁה (haqqedeshah), ‘de tempelprostituee’: letterlijk ‘de gewijde (vrouw)’, een vrouw verbonden aan een heiligdom; zie Deut. 23:18; Hos. 4:14.
24Ongeveer drie maanden later werd aan Juda gemeld: „Je schoondochter Tamar heeft gehoereerd, en zie, ze is zelfs zwanger door hoererij.” Juda zei: „Breng haar naar buiten, en laat haar verbrand worden.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְּמִשְׁלֹ֣שׁ
(kemishlosh)
ongeveer drie
חֳדָשִׁ֗ים
(chodashim)
maanden
וַיֻּגַּ֨ד
(vayugad)
en er werd gemeld
לִֽיהוּדָ֤ה
(lihuda)
aan Juda
לֵֽאמֹר֙
(lemor)
zeggend
זָֽנְתָה֙
(zaneta)
ze heeft gehoereerd
תָּמָ֣ר
(tamar)
Tamar
כַּלָּתֶ֔ךָ
(kalatekha)
je schoondochter
וְגַ֛ם
(vegam)
en ook
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
הָרָ֖ה
(hara)
zwanger
לִזְנוּנִ֑ים
(liznunim)
door hoererij
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
הוֹצִיא֖וּהָ
(hotsiuha)
breng haar naar buiten
וְתִשָּׂרֵֽף
(vetisaref)
en laat haar verbrand worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כמשׁלשׁ חדשׁים (kemishlosh chodashim), ‘ongeveer drie maanden’: Jubileeën 41:16 zegt dat ze drie maanden volbracht had toen het zichtbaar werd dat ze zwanger was.
הוציאוה ותשׂרף (hotsi’uha vetissaref), ‘breng haar naar buiten en laat haar verbrand worden’: Juda spreekt als hoofd van het gezin recht over haar; zie Lev. 21:9.
Aanvullend
Jubileeën 41:17 zegt dat Juda naar het huis van haar vader ging en zei dat ze onreinheid in Israël had gedaan.
25Toen ze naar buiten werd gebracht, stuurde zij bericht naar haar schoonvader: „Van de man aan wie dit toebehoort, ben ik zwanger.” En ze zei: „Herken toch van wie dit zegel, deze snoeren en deze staf zijn.”
הִ֣וא
(hi)
zij
מוּצֵ֗את
(mutset)
wordt naar buiten gebracht
וְהִ֨יא
(vehi)
en zij
שָׁלְחָ֤ה
(shalecha)
ze stuurde
אֶל
(el)
naar
חָמִ֨יהָ֙
(chamiha)
haar schoonvader
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
לְאִישׁ֙
(leish)
van de man
אֲשֶׁר
(asher)
aan wie
אֵ֣לֶּה
(ele)
deze
לּ֔וֹ
(lo)
toebehoren
אָנֹכִ֖י
(anokhi)
ik
הָרָ֑ה
(hara)
zwanger
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en ze zei
הַכֶּר
(haker)
herken
נָ֔א
(na)
toch
לְמִ֞י
(lemi)
van wie
הַחֹתֶ֧מֶת
(hachotemet)
het zegel
וְהַפְּתִילִ֛ים
(vehapetilim)
en de snoeren
וְהַמַּטֶּ֖ה
(vehamate)
en de staf
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הכר נא (hakker na), ‘herken toch’: dezelfde woorden als in 37:32.
Aanvullend
Jubileeën 41:18 zegt dat ze de ring, de halsketting en de staf naar haar schoonvader stuurde.
26Juda herkende ze en zei: „Zij is rechtvaardiger dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sela gegeven.” Hij had daarna geen gemeenschap meer met haar.
וַיַּכֵּ֣ר
(vayaker)
en hij herkende
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
צָֽדְקָ֣ה
(tsadeqa)
ze is rechtvaardiger
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
dan ik
כִּֽי
(ki)
want
עַל
(al)
om
כֵּ֥ן
(ken)
zo
לֹא
(lo)
niet
נְתַתִּ֖יהָ
(netatiha)
ik gaf haar
לְשֵׁלָ֣ה
(leshela)
aan Sela
בְנִ֑י
(beni)
mijn zoon
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָסַ֥ף
(yasaf)
hij ging voort
ע֖וֹד
(od)
nog
לְדַעְתָּֽה
(ledata)
haar te kennen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צדקה ממני (tsadeqah mimmenni), ‘zij is rechtvaardiger dan ik’: ook ‘zij heeft gelijk, niet ik’.
ולא יסף עוד לדעתה (velo yasaf od ledat’ah), ‘hij ging haar niet meer kennen’.
Aanvullend
Jubileeën 41:19 zegt dat Juda Tamar rechtvaardiger noemde en haar niet liet verbranden.
Jubileeën 41:23–25 zegt dat Juda zijn daad als kwaad erkende, tot Yahweh smeekte en vergeving kreeg.