Romeinen 5
Vrede met Elohim, de liefde van de Messias, en Adam en de Messias
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Vrede met Elohim
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: een woord uit de rechtszaal, ‘vrijspreken, in het gelijk stellen’; wij vertalen zo in heel de brief en in Gal. 2:16. δικαιοσύνη (dikaiosyne) is ‘gerechtigheid’. εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: ook ‘heelheid, welzijn’, zoals het Hebreeuwse שָׁלוֹם (shalom).
Zie ook Gal. 2:16.
De SBLGNT markeert bij ἔχομεν (echomen) een variant.
Wij volgen de SBLGNT: ‘wij hebben’.
προσαγωγή (prosagoge), ‘toegang’: de toegang tot een koning of tot een heiligdom. ἑστήκαμεν (hestekamen), ‘wij staan’: de Griekse vorm zegt dat wij gaan staan en nu staan. καυχάομαι (kauchaomai), ‘roemen’: zich beroemen, zich laten voorstaan op, trots zijn op; zo ook in Gal. 6:14.
De ‘heerlijkheid van Elohim’ is hier iets waarop wij hopen.
Zie ook Gal. 6:14.
θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’: druk, benauwdheid. ὑπομονή (hypomone), ‘volharding’: standhouden onder druk. κατεργάζομαι (katergazomai), ‘voortbrengen, tot stand brengen’.
Het Grieks heeft ‘wetend dat’ (εἰδότες); wij maken er een eigen zin van.
Zie ook Jak. 1:2–4.
De SBLGNT markeert bij καυχώμεθα (kauchometha) een variant.
Wij volgen de SBLGNT: ‘wij roemen’.
ἀγάπη τοῦ θεοῦ (agape tou theou), ‘de liefde van Elohim’: het Grieks kan de liefde van Elohim voor ons bedoelen of onze liefde voor Elohim; vers 8 wijst op het eerste. ἐκχέω (ekcheo), ‘uitgieten’: zo spreken de profeten over de Geest (Joël 3:1, in de Nederlandse telling 2:28). καταισχύνω (kataischyno), ‘beschamen’: te schande maken, teleurstellen.
Zie ook Joël 3:1; Rom. 8:15–16.
De Messias stierf voor ons
ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’: machteloos. ἀσεβής (asebes), ‘goddeloos’: wie Elohim niet eert. κατὰ καιρόν (kata kairon), ‘op de bestemde tijd’: op het door Elohim gekozen moment.
De SBLGNT markeert in het begin van het vers een variant.
Het Grieks heeft tweemaal ἔτι (eti), ‘nog’; wij laten dat in de vertaling samenvallen in ‘toen wij nog zwak waren’.
δίκαιος (dikaios), ‘rechtvaardige’: iemand die doet wat recht is. ἀγαθός (agathos), ‘goede’: met het lidwoord, ‘de goede’; wie goed is voor anderen.
Paulus zet hier het zeldzame tegenover het ongehoorde van het volgende vers. τολμάω (tolmao), ‘durven’.
συνίστημι (synistemi), ‘bewijzen, aantonen’: laten zien dat iets waar is.
‘Zondaars’ (ἁμαρτωλοί, hamartoloi): mensen die in de macht van de zonde leven.
Gered en verzoend
ὀργή (orge), ‘toorn’: de toorn van Elohim, Zijn oordeel over het onrecht.
‘Door Zijn bloed’: Zijn bloed staat voor Zijn gegeven leven in de dood. σῴζω (sozo), ‘redden’.
Zie ook Rom. 1:18.
ἐχθρός (echthros), ‘vijand’. καταλλάσσω (katallasso), ‘verzoenen’, en καταλλαγή (katallage), ‘verzoening’: van vijand tot vriend maken; zo ook in 2 Kor. 5:18–20.
Het Grieks zegt niet dat Elohim de vijand was: de verzoening gaat van Elohim uit.
‘Door Zijn leven’: door het leven van de opgestane Messias.
Zie ook 2 Kor. 5:18–20.
Door één mens: de zonde en de dood
Met dit vers begint een lange zin die in het Grieks niet afgemaakt wordt: ‘zoals … zo’ wordt in vers 18 opnieuw opgenomen.
Wij vertalen zo letterlijk als het Nederlands toelaat. ἁμαρτία (hamartia), ‘zonde’: Paulus spreekt hier over de zonde als een macht die de wereld binnenkomt en daarna met de dood heerst; zo ook in hoofdstuk 6 en 7.
‘Één mens’ is Adam (vers 14). ἐφ᾽ ᾧ (ef ho): wij vertalen ‘omdat’; het kan ook ‘waarop’ of ‘in wie’ betekenen.
Het Grieks zegt niet hoe de zonde door Adam bij allen komt.
Zie ook Gen. 3:1–19; 1 Kor. 15:21–22.
νόμος (nomos), ‘wet’: zonder lidwoord; het Hebreeuwse tora betekent ‘onderwijs, instructie’.
Vers 14 noemt Mozes: bedoeld is de wet die door Mozes gegeven is. ἐλλογέω (ellogeo), ‘op rekening zetten, aanrekenen’: een boekhoudterm.
Zie ook Exod. 20:1–17.
Ἀδάμ (Adam): de eerste mens (Gen. 2–3).
‘Naar de gelijkenis van de overtreding van Adam’: Adam overtrad een uitdrukkelijk gebod (Gen. 2:16–17); wie na Adam en vóór Mozes leefde, kreeg zo’n gebod niet. παράβασις (parabasis), ‘overtreding’: letterlijk ‘een grens overschrijden’; in vers 15 staat een ander woord, παράπτωμα (paraptoma), ‘misstap, val’, dat wij ook met ‘overtreding’ vertalen. τύπος (typos), ‘voorafbeelding’: een afdruk, een model; Adam wijst vooruit naar ‘de komende’, de Messias.
De verzen 15–19 zetten Adam en de Messias naast en tegenover elkaar.
Zie ook Gen. 2:16–17; 1 Kor. 15:21–22; 1 Kor. 15:45–49.
Overtreding en genadegave
χάρισμα (charisma), ‘genadegave’: een gave die voortkomt uit χάρις (charis), ‘genade’. δωρεά (dorea), ‘gave’: een vrije, onverdiende schenking. οἱ πολλοί (hoi polloi), ‘de velen’: het Grieks zet ‘de velen’ en ‘alle mensen’ (vers 18) naast elkaar en zegt niet hoe ze zich tot elkaar verhouden.
Het Grieks heeft in de tweede helft geen tweede werkwoord; ἐπερίσσευσεν (eperisseusen), ‘is overvloedig geworden’, staat in het enkelvoud.
‘Die ene mens’ is Yeshua de Messias.
δώρημα (dorema), ‘gave’. κρίμα (krima), ‘oordeel, vonnis’; κατάκριμα (katakrima), ‘veroordeling’. δικαίωμα (dikaioma), ‘rechtvaardig vonnis, vrijspraak’: de uitkomst van het rechtvaardig verklaren; in vers 18 betekent hetzelfde woord ‘rechtvaardige daad’.
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord; wij vullen ‘kwam’ aan. ἑνός (henos), ‘één’: mannelijk of onzijdig; ‘uit één’ kan ‘uit één mens’ of ‘uit één overtreding’ zijn.
βασιλεύω (basileuo), ‘als koning heersen’.
‘De dood heeft geheerst’: de dood als macht, die door Adam begon te regeren.
‘Door die ene’ is Adam; ‘door de ene, Yeshua de Messias’.
De Griekse zin is een voorwaardelijke zin met ‘veel meer’; wij houden hem als één zin.
Het Grieks heeft ‘de overvloed van de genade en van de gave van de gerechtigheid’: de gerechtigheid is een gave.
De dood heerst dus niet meer over hen: zij zelf ‘zullen heersen in het leven’.
Één overtreding, één rechtvaardige daad
Het Grieks heeft in dit vers geen werkwoord; wij vullen ‘kwam’ en ‘komt’ aan.
Hier komt de zin van vers 12 tot zijn einde: ‘zoals … zo’. δικαίωμα (dikaioma), ‘rechtvaardige daad’: ook ‘rechtvaardig vonnis’ (vers 16); de daad van de ene is de gehoorzaamheid van de Messias in Zijn dood. δικαίωσις ζωῆς (dikaiosis zoes), ‘rechtvaardigverklaring die leven geeft’: letterlijk ‘rechtvaardigverklaring van leven’.
‘Alle mensen’ volgt het Grieks; het Grieks zegt niet in dit vers wie aan de rechtvaardigverklaring deel krijgen.
παρακοή (parakoe), ‘ongehoorzaamheid’: letterlijk ‘slecht horen’; ὑπακοή (hypakoe), ‘gehoorzaamheid’: ‘luisteren onder’. καθίστημι (kathistemi), ‘stellen, aanstellen’: ‘tot zondaars gesteld’ is: in de positie van zondaars gebracht.
Het Grieks heeft ‘de velen’ (zie vers 15).
Zie ook Filip. 2:8.
De wet en de genade
παρεισέρχομαι (pareiserchomai), ‘erbij komen, ernaast binnenkomen’: de wet kwam er later bij, na de zonde (vers 13–14). ἵνα (hina), ‘opdat’: het Grieks laat open of het een doel of een gevolg is. πλεονάζω (pleonazo), ‘toenemen’; ὑπερπερισσεύω (hyperperisseuo), ‘nog veel overvloediger worden’.
In Rom. 7:7–13 spreekt Paulus verder over de wet en de zonde.
Zie ook Rom. 7:7–13; Gal. 3:19.