Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tegen Gog op de bergen van Israël
1„En jij, mensenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik ben tegen je, Gog, vorst van Rosj, Mesech en Tubal.
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
הִנָּבֵ֣א
(hinave)
profeteer
עַל
(al)
tegen
גּ֔וֹג
(gog)
Gog
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
tegen jou
גּ֔וֹג
(gog)
Gog
נְשִׂ֕יא
(nesi)
vorst van
רֹ֖אשׁ
(rosh)
Rosj
מֶ֥שֶׁךְ
(meshekh)
Mesech
וְתֻבָֽל
(vetuval)
en Tubal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het tweede woord over Gog.
Het herhaalt de aanklacht van 38:3 en vertelt wat er na zijn val gebeurt: de opruiming, de maaltijd voor de vogels en het herstel van Israël.
4Op de bergen van Israël zul je vallen, jij en al je legerscharen en de volken die bij je zijn. Aan roofvogels, vogels van elke soort en aan de dieren van het veld geef Ik je te eten.
עַל
(al)
op
הָרֵ֨י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
תִּפּ֗וֹל
(tipol)
zul je vallen
אַתָּה֙
(ata)
jij
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲגַפֶּ֔יךָ
(agapeikha)
je legerscharen
וְעַמִּ֖ים
(veamim)
en volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met je
לְעֵ֨יט
(leeit)
aan roofvogel
צִפּ֧וֹר
(tsipor)
vogel
כָּל
(kal)
elke
כָּנָ֛ף
(kanaf)
vleugel
וְחַיַּ֥ת
(vechayat)
en dier van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
נְתַתִּ֥יךָ
(netatikha)
Ik geef je
לְאָכְלָֽה
(leakhela)
tot voedsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַיִט צִפּוֹר כָּל כָּנָף (ayit tsippor kol kanaf), ‘roofvogels, vogels van elke soort’: letterlijk ‘roofvogel, vogel van elke vleugel’.
7Mijn heilige naam maak Ik bekend te midden van Mijn volk Israël. Ik laat Mijn heilige naam niet meer ontwijden. Dan zullen de volken weten dat Ik Yahweh ben, de Heilige in Israël.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֨ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֜י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
אוֹדִ֗יעַ
(odia)
Ik maak bekend
בְּתוֹךְ֙
(betokh)
te midden van
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אַחֵ֥ל
(achel)
Ik laat ontwijden
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֖י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
ע֑וֹד
(od)
meer
וְיָדְע֤וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
כִּי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
קָד֖וֹשׁ
(qadosh)
heilige
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָדוֹשׁ בְּיִשְׂרָאֵל (qadosh beYisra’el), ‘de Heilige in Israël’: vergelijk de uitdrukking ‘de Heilige van Israël’ in Jesaja en Psalmen.
אַחֵל (achel), ‘Ik laat ontwijden’: het werkwoord חָלַל (chalal) betekent ‘ontwijden, profaan maken’. Mijn naam wordt niet meer als gewoon behandeld.
9Dan gaan de bewoners van de steden van Israël naar buiten. Zij steken wapens in brand en stoken ermee: grote en kleine schilden, bogen en pijlen, knotsen en speren. Zeven jaar lang maken zij er vuur mee.
וְֽיָצְא֞וּ
(veyatseu)
en zullen uitgaan
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
bewoners van
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּבִעֲר֡וּ
(uviaru)
en zullen aansteken
וְ֠הִשִּׂיקוּ
(vehisiqu)
en zullen stoken
בְּנֶ֨שֶׁק
(benesheq)
met wapen
וּמָגֵ֤ן
(umagen)
en kleine schilden
וְצִנָּה֙
(vetsina)
en grote schilden
בְּקֶ֣שֶׁת
(beqeshet)
met boog
וּבְחִצִּ֔ים
(uvechitsim)
en met pijlen
וּבְמַקֵּ֥ל
(uvemaqel)
en met knots van
יָ֖ד
(yad)
hand
וּבְרֹ֑מַח
(uveromach)
en met speer
וּבִעֲר֥וּ
(uviaru)
en zullen aansteken
בָהֶ֛ם
(bahem)
daarmee
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִֽים
(shanim)
jaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶשֶׁק (neshek), ‘wapen’, en וּמָגֵן וְצִנָּה (umagen vetsinnah), ‘kleine en grote schilden’; מַקֵּל יָד (maqqel yad), ‘knots’, letterlijk ‘stok van de hand’; רֹמַח (romach), ‘speer’.
Het zijn de wapens van het leger van Gog.
שֶׁבַע שָׁנִים (sheva shanim), ‘zeven jaar’: zeven is het getal van volheid. Er zijn zo veel wapens dat men ze zeven jaar als brandstof gebruikt.
10Zij halen geen hout van het veld en hakken niets in de bossen, want zij maken vuur met de wapens. Zij beroven hen die hen beroofden en plunderen hen die hen plunderden, godsspraak van Heer Yahweh.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִשְׂא֨וּ
(yisu)
zullen dragen
עֵצִ֜ים
(etsim)
hout
מִן
(min)
van
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
יַחְטְבוּ֙
(yachtevu)
zullen hakken
מִן
(min)
uit
הַיְּעָרִ֔ים
(hayearim)
de bossen
כִּ֥י
(ki)
want
בַנֶּ֖שֶׁק
(banesheq)
met wapen
יְבַֽעֲרוּ
(yevaaru)
zullen zij aansteken
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
וְשָׁלְל֣וּ
(veshalelu)
en zij zullen beroven
אֶת
(et)
(obj.)
שֹׁלְלֵיהֶ֗ם
(sholeleihem)
hun rovers
וּבָֽזְזוּ֙
(uvazezu)
en zij zullen plunderen
אֶת
(et)
(obj.)
בֹּ֣זְזֵיהֶ֔ם
(bozezeihem)
hun plunderaars
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְשָׁלְלוּ (veshalelu) en וּבָזְזוּ (uvazezu), ‘beroven’ en ‘plunderen’: Israël keert om wat Gog had willen doen (38:12–13).
11Op die dag geef Ik aan Gog daar een plaats voor een graf in Israël: het dal van de Reizigers, ten oosten van de zee. Het sluit de weg af voor de reizigers. Daar begraaft men Gog en heel zijn menigte. Men noemt het het dal van Hamon-Gog.
וְהָיָ֣ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֡וּא
(hahu)
die
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
לְגוֹג֩
(legog)
aan Gog
מְקֽוֹם
(meqom)
een plaats
שָׁ֨ם
(sham)
daar
קֶ֜בֶר
(qever)
graf
בְּיִשְׂרָאֵ֗ל
(beyisrael)
in Israël
גֵּ֤י
(gei)
dal van
הָעֹֽבְרִים֙
(haoverim)
de reizigers
קִדְמַ֣ת
(qidmat)
oostzijde van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
וְחֹסֶ֥מֶת
(vechosemet)
en het sluit af
הִ֖יא
(hi)
het
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹֽבְרִ֑ים
(haoverim)
de reizigers
וְקָ֣בְרוּ
(veqaveru)
en zij zullen begraven
שָׁ֗ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
גּוֹג֙
(gog)
Gog
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הֲמוֹנֹ֔ה
(hamono)
zijn menigte
וְקָ֣רְא֔וּ
(veqareu)
en zij zullen noemen
גֵּ֖יא
(gei)
dal van
הֲמ֥וֹן
(hamon)
menigte van
גּֽוֹג
(gog)
Gog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
גֵּי הָעֹבְרִים (gei ha’overim), ‘dal van de Reizigers’: het woord עֹבְרִים (overim) betekent ‘mensen die voorbijtrekken’.
Het lijkt ook op de naam Abarim, het gebergte ten oosten van de Zoutzee (Num. 27:12).
Zo’n verband is mogelijk, maar niet zeker.
קִדְמַת הַיָּם (qidmat hayam), ‘ten oosten van de zee’: welke zee bedoeld is, zegt de tekst niet. Waarschijnlijk is het de Zoutzee (Dode Zee).
וְחֹסֶמֶת (vechosemet), ‘het sluit af’: het werkwoord חָסַם (chasam) betekent ‘dichtbinden, de mond sluiten’. Men denkt aan een weg die door de graven gesloten wordt. De betekenis is niet helemaal zeker.
הֲמוֹן גּוֹג (Hamon Gog), ‘menigte van Gog’: een woordspeling met הָמוֹן (hamon), ‘menigte’.
13Heel het volk van het land begraaft hen. Dat wordt voor hen een roem op de dag dat Ik Mij verheerlijk, godsspraak van Heer Yahweh.
וְקָֽבְרוּ֙
(veqaveru)
en zullen begraven
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
volk van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
לְשֵׁ֑ם
(leshem)
tot naam
י֚וֹם
(yom)
dag
הִכָּ֣בְדִ֔י
(hikavedi)
Mij verheerlijken
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְשֵׁם (leshem), ‘tot een naam’: ‘roem, eer’.
הִכָּבְדִי (hikkavdi), ‘dat Ik Mij verheerlijk’: het werkwoord כָּבֵד (kaved) is verwant aan כָּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’. Hier laat Yahweh Zijn heerlijkheid zien.
14Zij zonderen voortdurend mannen af die door het land trekken. Samen met de doortrekkenden begraven zij hen die op het aardoppervlak zijn overgebleven, om het land te reinigen. Na zeven maanden gaan zij op zoek.
וְאַנְשֵׁ֨י
(veanshei)
en mannen van
תָמִ֤יד
(tamid)
voortdurend
יַבְדִּ֨ילוּ֙
(yavdilu)
zullen afzonderen
עֹבְרִ֣ים
(overim)
doortrekkenden
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
door het land
מְקַבְּרִ֣ים
(meqaberim)
begravend
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹבְרִ֗ים
(haoverim)
de doortrekkenden
אֶת
(et)
(obj.)
הַנּוֹתָרִ֛ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het oppervlak van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לְטַֽהֲרָ֑הּ
(letaharah)
om het te reinigen
מִקְצֵ֥ה
(miqtse)
aan het einde van
שִׁבְעָֽה
(shiva)
zeven
חֳדָשִׁ֖ים
(chodashim)
maanden
יַחְקֹֽרוּ
(yachqoru)
zullen zij zoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Het gaat om twee groepen: mensen die voortdurend door het land trekken en mensen die begraven.
Wij volgen het Hebreeuws zo dicht mogelijk.
Na de eerste zeven maanden blijven mensen zoeken naar wat nog niet begraven is.
15De doortrekkenden trekken door het land. Ziet iemand het gebeente van een mens, dan zet hij er een merkteken bij, totdat de begravers het hebben begraven in het dal van Hamon-Gog.
וְעָבְר֤וּ
(veaveru)
en zullen doortrekken
הָעֹֽבְרִים֙
(haoverim)
de doortrekkenden
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
door het land
וְרָאָה֙
(veraa)
en ziet hij
עֶ֣צֶם
(etsem)
bot van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
וּבָנָ֥ה
(uvana)
en hij zal oprichten
אֶצְל֖וֹ
(etslo)
naast het
צִיּ֑וּן
(tsiyun)
merkteken
עַ֣ד
(ad)
totdat
קָבְר֤וּ
(qaveru)
zullen begraven
אֹתוֹ֙
(oto)
het
הַֽמְקַבְּרִ֔ים
(hamqaberim)
de begravers
אֶל
(el)
naar
גֵּ֖יא
(gei)
dal van
הֲמ֥וֹן
(hamon)
menigte van
גּֽוֹג
(gog)
Gog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
צִיּוּן (tsiyyun), ‘merkteken’: een steenhoop of paal als teken.
Hetzelfde woord staat in 2 Kon. 23:17 en Jer. 31:21.
16Ook de naam van de stad is Hamona. Zo reinigen zij het land.
וְגַ֥ם
(vegam)
en ook
שֶׁם
(shem)
naam van
עִ֛יר
(ir)
stad
הֲמוֹנָ֖ה
(hamona)
Hamona
וְטִהֲר֥וּ
(vetiharu)
en zij zullen reinigen
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van Hamon-Gog (ten oosten van de zee; ligging onzeker): Het dal van Hamon-Gog (‘menigte van Gog’), ook ‘dal van de Reizigers’, ligt ten oosten van de zee, waarschijnlijk de Zoutzee, in het Abarim-gebergte.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
הֲמוֹנָה (Hamonah), ‘Hamona’: ‘menigte’ of ‘rumoer’.
De naam herinnert aan de menigte van Gog.
Het is een naam voor de stad; de ligging zegt de tekst niet.
Het grote slachtoffer
17En jij, mensenkind, zo zegt Heer Yahweh: zeg tegen de vogels van elke soort en tegen alle dieren van het veld: Verzamel jullie en kom. Kom bijeen van overal rondom naar Mijn slachtoffer dat Ik voor jullie slacht, een groot slachtoffer op de bergen van Israël. Jullie eten vlees en drinken bloed.
וְאַתָּ֨ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֜ם
(adam)
mens
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱמֹר֩
(emor)
zeg
לְצִפּ֨וֹר
(letsipor)
aan vogel
כָּל
(kal)
elke
כָּנָ֜ף
(kanaf)
vleugel
וּלְכֹ֣ל
(ulekhol)
en aan alle
חַיַּ֣ת
(chayat)
dier van
הַשָּׂדֶ֗ה
(hasade)
het veld
הִקָּבְצ֤וּ
(hiqavetsu)
verzamelt jullie
וָבֹ֨אוּ֙
(vavou)
en komt
הֵאָסְפ֣וּ
(heasefu)
komt bijeen
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
van rondom
עַל
(al)
naar
זִבְחִ֗י
(zivchi)
Mijn slachtoffer
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אֲנִ֜י
(ani)
Ik
זֹבֵ֤חַ
(zoveach)
slachtend
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
זֶ֣בַח
(zevach)
slachtoffer
גָּד֔וֹל
(gadol)
groot
עַ֖ל
(al)
op
הָרֵ֣י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַאֲכַלְתֶּ֥ם
(vaakhaltem)
en jullie zullen eten
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
וּשְׁתִ֥יתֶם
(ushetitem)
en jullie zullen drinken
דָּֽם
(dam)
bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זֹבֵחַ גָּדוֹל (zevach gadol), ‘een groot slachtoffer’: Yahweh nodigt de dieren uit tot een maaltijd: het ‘slachtoffer’ is het leger van Gog.
18Het vlees van helden eten jullie. Het bloed van de vorsten van de aarde drinken jullie: rammen, lammeren, bokken en stieren, allen vetgemest vee uit Basan.
בְּשַׂ֤ר
(besar)
vlees van
גִּבּוֹרִים֙
(giborim)
helden
תֹּאכֵ֔לוּ
(tokhelu)
jullie zullen eten
וְדַם
(vedam)
en bloed van
נְשִׂיאֵ֥י
(nesiei)
vorsten van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de aarde
תִּשְׁתּ֑וּ
(tishtu)
jullie zullen drinken
אֵילִ֨ים
(eilim)
rammen
כָּרִ֤ים
(karim)
lammeren
וְעַתּוּדִים֙
(veatudim)
en bokken
פָּרִ֔ים
(parim)
stieren
מְרִיאֵ֥י
(meriei)
vetgemest vee van
בָשָׁ֖ן
(bashan)
Basan
כֻּלָּֽם
(kulam)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְרִיאֵי בָשָׁן (meri’ei Bashan), ‘vetgemest vee uit Basan’: Basan was een rijk weideland.
23De volken weten dat het huis van Israël om zijn schuld in ballingschap is gegaan. Zij waren trouweloos tegen Mij. Daarom verborg Ik Mijn gezicht voor hen en gaf Ik hen in de hand van hun tegenstanders. Zij vielen allen door het zwaard.
וְיָדְע֣וּ
(veyadeu)
en zullen weten
הַ֠גּוֹיִם
(hagoyim)
de volken
כִּ֣י
(ki)
dat
בַעֲוֺנָ֞ם
(baavonam)
om hun schuld
גָּל֣וּ
(galu)
zijn in ballingschap gegaan
בֵֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עַ֚ל
(al)
op
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
מָֽעֲלוּ
(maalu)
zij waren trouweloos
בִ֔י
(bi)
tegen Mij
וָאַסְתִּ֥ר
(vaastir)
en Ik verborg
פָּנַ֖י
(panay)
Mijn gezicht
מֵהֶ֑ם
(mehem)
voor hen
וָֽאֶתְּנֵם֙
(vaetenem)
en Ik gaf hen
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
צָרֵיהֶ֔ם
(tsareihem)
hun tegenstanders
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
בַחֶ֖רֶב
(bacherev)
door het zwaard
כֻּלָּֽם
(kulam)
allen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַעֲוֺנָם גָּלוּ (ba’avonam galu), ‘om hun schuld zijn zij in ballingschap gegaan’: de volken begrijpen de ballingschap als oordeel van Yahweh en niet als zwakte van Hem.
מָעֲלוּ (ma’alu), ‘zij waren trouweloos’: het werkwoord מָעַל (ma’al) betekent trouweloos handelen tegen Yahweh.
וָאַסְתִּר פְּנֵי (va’astir panai), ‘en Ik verborg Mijn gezicht’: Yahweh trok Zich terug uit Zijn aanwezigheid. Vergelijk Deut. 31:17–18 en Jes. 54:8.
שׁוּב שְׁבוּת (shuv shevut), ‘het lot laten keren’: een vaste uitdrukking voor herstel. Het kan ook ‘de gevangenen terugbrengen’ betekenen. Vergelijk Joël 4:1 (NL 3:1) en Hos. 6:11.
קִנֵּאתִי (qinneti), ‘Ik ben ijverig’: vergelijk Ezech. 38:19 (‘Mijn ijver’).
28Dan weten zij dat Ik Yahweh ben, hun Elohim. Ik heb hen onder de volken in ballingschap laten gaan en verzamel hen weer op hun grond. Ik laat niemand van hen meer daar achter.
וְיָדְע֗וּ
(veyadeu)
en zullen weten
כִּ֣י
(ki)
dat
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun Elohim
בְּהַגְלוֹתִ֤י
(behagloti)
bij Mijn doen gaan in ballingschap
אֹתָם֙
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
וְכִנַּסְתִּ֖ים
(vekhinastim)
en Ik zal hen verzamelen
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֑ם
(admatam)
hun grond
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אוֹתִ֥יר
(otir)
Ik zal laten overblijven
ע֛וֹד
(od)
meer
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְלֹא אוֹתִיר עוֹד מֵהֶם שָׁם (velo otir od mehem sham), ‘Ik laat niemand van hen meer daar achter’: geen enkele Israëliet blijft in de volken achter.
De tekst zegt niet hoe dit zich verhoudt tot Israëlieten die in de verstrooiing bleven.