Van Niet-Mijn-volk tot Mijn volk: oordeel en verloving
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het volk wordt weer talrijk
1Het getal van de zonen van Israël zal zijn als het zand van de zee, dat niet gemeten en niet geteld kan worden. En op de plaats waar tot hen gezegd werd: ‘Jullie zijn niet Mijn volk’, zal tot hen gezegd worden: ‘Zonen van de levende El.’
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
מִסְפַּ֤ר
(mispar)
het getal van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כְּח֣וֹל
(kechol)
als het zand van
הַיָּ֔ם
(hayam)
de zee
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יִמַּ֖ד
(yimad)
gemeten wordt
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִסָּפֵ֑ר
(yisafer)
geteld wordt
וְֽ֠הָיָה
(vehaya)
en het zal zijn
בִּמְק֞וֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
יֵאָמֵ֤ר
(yeamer)
gezegd werd
לָהֶם֙
(lahem)
tegen hen
לֹֽא
(lo)
niet
עַמִּ֣י
(ami)
mijn volk
אַתֶּ֔ם
(atem)
jullie
יֵאָמֵ֥ר
(yeamer)
gezegd zal worden
לָהֶ֖ם
(lahem)
tegen hen
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
אֵֽל
(el)
El
חָֽי
(chay)
levend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf hier telt de Nederlandse bijbel anders.
Hebr. 2:1–2 is NL 1:10–11, en Hebr. 2:3–25 is NL 2:1–23.
De app zet de kruisverwijzingen zelf om.
Dit vers keert de naam Lo-Ammi (1:9) om. Het zand van de zee: zie Gen. 22:17 en 32:13.
בְּנֵי אֵל חָי (bene El chai), ‘zonen van de levende El’. Dit vers wordt in het Nieuwe Testament aangehaald: Rom. 9:26.
2De zonen van Juda en de zonen van Israël zullen zich samen verzamelen. Zij stellen één hoofd over zich aan en trekken op uit het land. Want groot is de dag van Jizreël.
וְ֠נִקְבְּצוּ
(veniqbetsu)
en zullen zich verzamelen
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וּבְנֵֽי
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
וְשָׂמ֥וּ
(vesamu)
en zullen stellen
לָהֶ֛ם
(lahem)
over zich
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd
אֶחָ֖ד
(echad)
één
וְעָל֣וּ
(vealu)
en zullen optrekken
מִן
(min)
uit
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּ֥י
(ki)
want
גָד֖וֹל
(gadol)
groot
י֥וֹם
(yom)
de dag van
יִזְרְעֶֽאל
(yizreel)
Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאשׁ אֶחָד (rosh echad), ‘één hoofd’: één leider voor Juda en Israël samen.
וְעָלוּ מִן הָאָרֶץ (ve’alu min ha’arets), ‘zij trekken op uit het land’: dit kan het wegtrekken uit het land van ballingschap betekenen. Het werkwoord kan ook ‘opkomen’ betekenen, zoals zaad uit de grond komt. Dat past bij de naam Jizreël, ‘El zaait’ (vers 25). Het Hebreeuws kiest niet.
3Zeg tegen jullie broers: ‘Ammi’, en tegen jullie zusters: ‘Ruchama’.
אִמְר֥וּ
(imru)
zegt
לַאֲחֵיכֶ֖ם
(laacheikhem)
tegen jullie broers
עַמִּ֑י
(ami)
mijn volk
וְלַאֲחֽוֹתֵיכֶ֖ם
(velaachoteikhem)
en tegen jullie zusters
רֻחָֽמָה
(ruchama)
ontfermd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hebr. 2:3 is NL 2:1.
Vanaf hier loopt de Nederlandse telling twee verzen achter op de Hebreeuwse.
עַמִּי (ammi), ‘mijn volk’, en רֻחָמָה (ruchamah), ‘ontfermd’: dit zijn de tegenovergestelden van Lo-Ammi (1:9) en Lo-Ruchama (1:6). De aangesprokene ‘jullie’ is dezelfde als in vers 4: zij die ‘jullie moeder’ hebben.
Het Hebreeuws zegt niet wie hier spreekt. Wij laten dit vers zwart. Vanaf vers 4 spreekt Yahweh duidelijk in de eerste persoon.
4„Voer een rechtszaak tegen jullie moeder, voer een rechtszaak! Want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet. Laat zij haar hoererij van haar gezicht wegdoen en haar overspel van tussen haar borsten.
רִ֤יבוּ
(rivu)
voert een rechtszaak
בְאִמְּכֶם֙
(beimekhem)
tegen jullie moeder
רִ֔יבוּ
(rivu)
voert een rechtszaak
כִּֽי
(ki)
want
הִיא֙
(hi)
zij
לֹ֣א
(lo)
niet
אִשְׁתִּ֔י
(ishti)
Mijn vrouw
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik
לֹ֣א
(lo)
niet
אִישָׁ֑הּ
(ishah)
haar man
וְתָסֵ֤ר
(vetaser)
en laat wegdoen
זְנוּנֶ֨יהָ֙
(zenuneiha)
haar hoererij
מִפָּנֶ֔יה
(mipanei)
van haar gezicht
וְנַאֲפוּפֶ֖יהָ
(venaafufeiha)
en haar overspel
מִבֵּ֥ין
(mibein)
van tussen
שָׁדֶֽיהָ
(shadeiha)
haar borsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רִיבוּ (rivu), ‘voer een rechtszaak’: de taal van de rechtbank.
Het gaat om een aanklacht.
De woorden ‘zij is Mijn vrouw niet en Ik ben haar man niet’ zijn de taal van een verbroken huwelijk. Vergelijk Deut. 24:1–4.
זְנוּנֶיהָ (zenuneha), ‘haar hoererij’, en נַאֲפוּפֶיהָ (na’afufeha), ‘haar overspel’: het laatste woord is zeldzaam.
5Anders kleed Ik haar naakt uit en zet haar neer zoals op de dag dat zij geboren werd. Ik maak haar tot een woestijn, zet haar als een dor land en laat haar sterven van de dorst.
פֶּן
(pen)
anders
אַפְשִׁיטֶ֣נָּה
(afshitena)
Ik zal haar uitkleden
עֲרֻמָּ֔ה
(aruma)
naakt
וְהִ֨צַּגְתִּ֔יהָ
(vehitsagtiha)
en Ik zal haar neerzetten
כְּי֖וֹם
(keyom)
zoals de dag van
הִוָּֽלְדָ֑הּ
(hivaledah)
haar geboorte
וְשַׂמְתִּ֣יהָ
(vesamtiha)
en Ik zal haar maken
כַמִּדְבָּ֗ר
(kamidbar)
als de woestijn
וְשַׁתִּ֨הָ֙
(veshatiha)
en Ik zal haar zetten
כְּאֶ֣רֶץ
(keerets)
als een land van
צִיָּ֔ה
(tsiya)
dorheid
וַהֲמִתִּ֖יהָ
(vahamitiha)
en Ik zal haar doden
בַּצָּמָֽא
(batsama)
met dorst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּן (pen), ‘anders’: een dreiging die kan worden afgewend, als zij de hoererij wegdoet (vers 4).
צִיָּה (tsiyah), ‘dor land’: grond zonder water. De beelden van woestijn en dorst keren terug in vers 11–12 en 14.
7Want hun moeder heeft gehoereerd. Zij die hen ontving, heeft zich schandelijk gedragen. Want zij zei: ‘Ik wil mijn minnaars achternagaan. Zij geven mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank.’
כִּ֤י
(ki)
want
זָֽנְתָה֙
(zaneta)
zij heeft gehoereerd
אִמָּ֔ם
(imam)
hun moeder
הֹבִ֖ישָׁה
(hovisha)
zij heeft zich schandelijk gedragen
הֽוֹרָתָ֑ם
(horatam)
zij die hen ontving
כִּ֣י
(ki)
want
אָמְרָ֗ה
(amera)
zij zei
אֵלְכָ֞ה
(elekha)
ik wil gaan
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
מְאַהֲבַי֙
(meahavay)
mijn minnaars
נֹתְנֵ֤י
(notenei)
gevers van
לַחְמִי֙
(lachmi)
mijn brood
וּמֵימַ֔י
(umeimay)
en mijn water
צַמְרִ֣י
(tsamri)
mijn wol
וּפִשְׁתִּ֔י
(ufishti)
en mijn vlas
שַׁמְנִ֖י
(shamni)
mijn olie
וְשִׁקּוּיָֽי
(veshiquyay)
en mijn drank
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij zal haar minnaars najagen, maar ze niet inhalen. Zij zal hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ‘Ik ga terug naar mijn eerste man, want toen ging het mij beter dan nu.’
וְרִדְּפָ֤ה
(veridefa)
en zij zal najagen
אֶת
(et)
(obj.)
מְאַהֲבֶ֨יהָ֙
(meahaveiha)
haar minnaars
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תַשִּׂ֣יג
(tasig)
zal zij inhalen
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
וּבִקְשָׁ֖תַם
(uviqshatam)
en zij zal zoeken hen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִמְצָ֑א
(timtsa)
zal zij vinden
וְאָמְרָ֗ה
(veamera)
en zij zal zeggen
אֵלְכָ֤ה
(elekha)
ik wil gaan
וְאָשׁ֨וּבָה֙
(veashuva)
en ik wil terugkeren
אֶל
(el)
naar
אִישִׁ֣י
(ishi)
mijn man
הָֽרִאשׁ֔וֹן
(harishon)
de eerste
כִּ֣י
(ki)
want
ט֥וֹב
(tov)
goed
לִ֛י
(li)
voor mij
אָ֖ז
(az)
toen
מֵעָֽתָּה
(meata)
dan nu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zij heeft niet geweten dat Ik haar het graan, de most en de olie gaf. Zilver heb Ik haar in overvloed gegeven, en goud: zij hebben het voor de Baäl gemaakt.
וְהִיא֙
(vehi)
en zij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָֽדְעָ֔ה
(yadea)
heeft geweten
כִּ֤י
(ki)
dat
אָֽנֹכִי֙
(anokhi)
Ik
נָתַ֣תִּי
(natati)
gaf
לָ֔הּ
(lah)
haar
הַדָּגָ֖ן
(hadagan)
het graan
וְהַתִּיר֣וֹשׁ
(vehatirosh)
en de most
וְהַיִּצְהָ֑ר
(vehayitshar)
en de olie
וְכֶ֨סֶף
(vekhesef)
en zilver
הִרְבֵּ֥יתִי
(hirbeiti)
Ik heb vermeerderd
לָ֛הּ
(lah)
haar
וְזָהָ֖ב
(vezahav)
en goud
עָשׂ֥וּ
(asu)
zij maakten
לַבָּֽעַל
(labaal)
voor de Baäl
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דָּגָן (dagan), ‘graan’, תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘most’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’: de drie vruchten van het land; zie ook Deut. 7:13.
הַבַּעַל (ha-ba’al), ‘de Baäl’: de god die in Kanaän werd vereerd. Het woord betekent ook ‘heer’, ‘eigenaar’ en ‘echtgenoot’; zie vers 18.
עָשׂוּ (asu), ‘zij maakten’: dit staat in het meervoud, terwijl het daarvoor om ‘zij’ in het enkelvoud ging (de vrouw). Het Hebreeuws zegt niet wat zij van het goud maakten.
11Daarom keer Ik terug en neem Mijn graan weg op zijn tijd en Mijn most op de vastgestelde tijd. Ik ontruk Mijn wol en Mijn vlas aan haar, die haar naaktheid moesten bedekken.
לָכֵ֣ן
(lakhen)
daarom
אָשׁ֔וּב
(ashuv)
Ik zal terugkeren
וְלָקַחְתִּ֤י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
דְגָנִי֙
(degani)
Mijn graan
בְּעִתּ֔וֹ
(beito)
op zijn tijd
וְתִירוֹשִׁ֖י
(vetiroshi)
en Mijn most
בְּמֽוֹעֲד֑וֹ
(bemoado)
op zijn vastgestelde tijd
וְהִצַּלְתִּי֙
(vehitsalti)
en Ik zal ontrukken
צַמְרִ֣י
(tsamri)
Mijn wol
וּפִשְׁתִּ֔י
(ufishti)
en Mijn vlas
לְכַסּ֖וֹת
(lekhasot)
om te bedekken
אֶת
(et)
(obj.)
עֶרְוָתָֽהּ
(ervatah)
haar naaktheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהִצַּלְתִּי (vehitsalti), ‘Ik ontruk’: hetzelfde werkwoord (נָצַל, natsal) als ‘bevrijden’ in vers 12.
Hier gaat het om het wegnemen van wat van Yahweh is.
מוֹעֲדוֹ (mo’ado), ‘de vastgestelde tijd’: het tijdstip dat voor de oogst of de vrucht bepaald is.
14Ik verwoest haar wijnstok en haar vijgenboom, waarvan zij zei: ‘Zij zijn mijn loon, dat mijn minnaars mij gegeven hebben.’ Ik maak ze tot een woud, en de wilde dieren van het veld zullen ze opeten.
וַהֲשִׁמֹּתִ֗י
(vahashimoti)
en Ik zal verwoesten
גַּפְנָהּ֙
(gafnah)
haar wijnstok
וּתְאֵ֣נָתָ֔הּ
(uteenatah)
en haar vijgenboom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarvan
אָמְרָ֗ה
(amera)
zij zei
אֶתְנָ֥ה
(etna)
loon
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
לִ֔י
(li)
voor mij
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָֽתְנוּ
(natenu)
gaven
לִ֖י
(li)
mij
מְאַֽהֲבָ֑י
(meahavay)
mijn minnaars
וְשַׂמְתִּ֣ים
(vesamtim)
en Ik zal ze maken
לְיַ֔עַר
(leyaar)
tot een woud
וַאֲכָלָ֖תַם
(vaakhalatam)
en zullen ze eten
חַיַּ֥ת
(chayat)
de wilde dieren van
הַשָּׂדֶֽה
(hasade)
het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶתְנָה (etnah), ‘loon’: het gaat om een hoerenloon; vergelijk Deut. 23:19.
Het woord klinkt als תְּאֵנָה (te’enah), ‘vijgenboom’.
חַיַּת הַשָּׂדֶה (chayyat hasadeh), ‘de wilde dieren van het veld’.
15Ik straf haar voor de dagen van de Baäls, waarop zij voor hen offerrook liet opgaan. Zij deed haar neusring en haar sieraad om, ging haar minnaars achterna, en Mij vergat zij, godsspraak van Yahweh.
וּפָקַדְתִּ֣י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
עָלֶ֗יהָ
(aleiha)
over haar
אֶת
(et)
(obj.)
יְמֵ֤י
(yemei)
de dagen van
הַבְּעָלִים֙
(habealim)
de Baäls
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarop
תַּקְטִ֣יר
(taqtir)
zij liet opgaan als offerrook
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
וַתַּ֤עַד
(vataad)
en zij deed zich om
נִזְמָהּ֙
(nizmah)
haar neusring
וְחֶלְיָתָ֔הּ
(vechelyatah)
en haar sieraad
וַתֵּ֖לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
מְאַהֲבֶ֑יהָ
(meahaveiha)
haar minnaars
וְאֹתִ֥י
(veoti)
en Mij
שָׁכְחָ֖ה
(shakhecha)
vergat zij
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule in de profeten.
Ze zegt dat Yahweh zelf spreekt.
Wij zetten de formule in rood als ze midden in Zijn woorden staat.
פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: zie 1:4.
הַבְּעָלִים (hab-be’alim), ‘de Baäls’: het meervoud van Baäl; vergelijk het enkelvoud in vers 10.
17Van daaruit geef Ik haar haar wijngaarden, en het dal van Achor als een poort van hoop. Daar zal zij antwoorden zoals in de dagen van haar jeugd, zoals op de dag dat zij uit het land Egypte optrok.
וְנָתַ֨תִּי
(venatati)
en Ik zal geven
לָ֤הּ
(lah)
haar
אֶת
(et)
(obj.)
כְּרָמֶ֨יהָ֙
(kerameiha)
haar wijngaarden
מִשָּׁ֔ם
(misham)
vandaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֵ֥מֶק
(emeq)
het dal van
עָכ֖וֹר
(akhor)
Achor
לְפֶ֣תַח
(lefetach)
als een poort van
תִּקְוָ֑ה
(tiqva)
hoop
וְעָ֤נְתָה
(veaneta)
en zij zal antwoorden
שָּׁ֨מָּה֙
(shama)
daar
כִּימֵ֣י
(kimei)
als de dagen van
נְעוּרֶ֔יהָ
(neureiha)
haar jeugd
וִּכְי֖וֹם
(vikhyom)
en als de dag van
עֲלֹתָ֥הּ
(alotah)
haar optrekken
מֵאֶֽרֶץ
(meerets)
uit het land
מִצְרָֽיִם
(mitsrayim)
Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Joz. 15:7 noemt de vallei van Achor bij de noordgrens van Juda.
De ligging is onzeker.
Zie Dal van Achor (ligging onzeker): Het dal van Achor lag bij Jericho, aan de noordgrens van Juda.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
עֵמֶק עָכוֹר (emeq Achor), ‘het dal van Achor’: daar werd Achan gestenigd (Joz. 7:24–26).
De naam Achor hoort bij het werkwoord ‘in ongeluk brengen’ (Joz. 7:25).
Nu wordt de plaats ‘een poort van hoop’ (פֶּתַח תִּקְוָה, petach tiqvah).
וְעָנְתָה (ve’antah), ‘zij zal antwoorden’: het werkwoord ענה (anah) betekent ‘antwoorden’, zoals Mirjam ‘antwoordde’ met een lied (Exod. 15:21).
20Op die dag sluit Ik voor hen een verbond met de wilde dieren van het veld, met de vogels van de hemel en met de kruipende dieren van de grond. Boog, zwaard en oorlog breek Ik af uit het land. Ik laat hen veilig liggen.
וְכָרַתִּ֨י
(vekharati)
en Ik zal sluiten
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
בְּרִית֙
(berit)
een verbond
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
עִם
(im)
met
חַיַּ֤ת
(chayat)
de wilde dieren van
הַשָּׂדֶה֙
(hasade)
het veld
וְעִם
(veim)
en met
ע֣וֹף
(of)
de vogels van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וְרֶ֖מֶשׂ
(veremes)
en de kruipende dieren van
הָֽאֲדָמָ֑ה
(haadama)
de grond
וְקֶ֨שֶׁת
(veqeshet)
en boog
וְחֶ֤רֶב
(vecherev)
en zwaard
וּמִלְחָמָה֙
(umilchama)
en oorlog
אֶשְׁבּ֣וֹר
(eshbor)
Ik zal breken
מִן
(min)
uit
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהִשְׁכַּבְתִּ֖ים
(vehishkavtim)
en Ik zal hen laten liggen
לָבֶֽטַח
(lavetach)
in veiligheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Een verbond met de dieren: vergelijk Gen. 9:9–10.
Boog, zwaard en oorlog komen ook voor in 1:5 en 1:7.
לָבֶטַח (lavetach), ‘veilig’: zonder gevaar of angst.
21Ik verloof je aan Mij voor eeuwig. Ik verloof je aan Mij in gerechtigheid en recht, in trouw en ontferming.
וְאֵרַשְׂתִּ֥יךְ
(veerastikh)
en Ik zal je verloven
לִ֖י
(li)
aan Mij
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
וְאֵרַשְׂתִּ֥יךְ
(veerastikh)
en Ik zal je verloven
לִי֙
(li)
aan Mij
בְּצֶ֣דֶק
(betsedeq)
in gerechtigheid
וּבְמִשְׁפָּ֔ט
(uvemishpat)
en in recht
וּבְחֶ֖סֶד
(uvechesed)
en in trouw
וּֽבְרַחֲמִֽים
(uverachamim)
en in ontferming
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְאֵרַשְׂתִּיךְ (ve’erastikh), ‘Ik verloof je’: verloving gaat aan het huwelijk vooraf.
Het woord komt drie keer voor (vers 21 en 22).
Vijf woorden beschrijven hoe Yahweh dit doet: צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’; מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’; חֶסֶד (chesed), ‘trouw’; רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’; en in vers 22 אֱמוּנָה (emunah), ‘betrouwbaarheid’. ‘Ontferming’ sluit aan bij Lo-Ruchama.
25Ik zal haar voor Mij in het land zaaien. Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama. Ik zal tegen Lo-Ammi zeggen: ‘Mijn volk ben jij’, en hij zal zeggen: ‘Mijn Elohim!’”
וּזְרַעְתִּ֤יהָ
(uzeratiha)
en Ik zal haar zaaien
לִּי֙
(li)
voor Mij
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וְרִֽחַמְתִּ֖י
(verichamti)
en Ik zal Mij ontfermen
אֶת
(et)
(obj.)
לֹ֣א
(lo)
Lo
רֻחָ֑מָה
(ruchama)
Ruchama
וְאָמַרְתִּ֤י
(veamarti)
en Ik zal zeggen
לְלֹֽא
(lelo)
tegen Lo
עַמִּי֙
(ami)
Ammi
עַמִּי
(ami)
mijn volk
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יֹאמַ֥ר
(yomar)
zal zeggen
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De drie namen van hoofdstuk 1 worden omgekeerd.
Jizreël: ‘Ik zal haar zaaien’.
Lo-Ruchama: ‘Ik zal Mij ontfermen’.
Lo-Ammi: ‘Mijn volk ben jij’.
אֱלֹהָי (Elohai), ‘Mijn Elohim’: het antwoord van het volk.
Dit vers wordt in het Nieuwe Testament aangehaald: Rom. 9:25–26 en 1 Petr. 2:10.