De offers van de vorst op sabbat en feesten, zijn erfdeel en de kookplaatsen in het huis
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De oostpoort van de binnenste voorhof
1Zo zegt Heer Yahweh: „De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gericht is, blijft de zes werkdagen gesloten. Op de sabbatdag wordt hij geopend. Ook op de dag van de nieuwe maan wordt hij geopend.
כֹּֽה
(ko)
Zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
שַׁ֜עַר
(shaar)
poort van
הֶחָצֵ֤ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִית֙
(hapenimit)
de binnenste
הַפֹּנֶ֣ה
(hapone)
die gericht is
קָדִ֔ים
(qadim)
naar het oosten
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
סָג֔וּר
(sagur)
gesloten
שֵׁ֖שֶׁת
(sheshet)
zes
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
הַֽמַּעֲשֶׂ֑ה
(hamaase)
het werk
וּבְי֤וֹם
(uveyom)
en op de dag van
הַשַּׁבָּת֙
(hashabat)
de sabbat
יִפָּתֵ֔חַ
(yipateach)
zal worden geopend
וּבְי֥וֹם
(uveyom)
en op de dag van
הַחֹ֖דֶשׁ
(hachodesh)
de nieuwe maan
יִפָּתֵֽחַ
(yipateach)
zal worden geopend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
כֹּה אָמַר (koh amar), ‘zo zegt’: de rede van Yahweh gaat hier door vanaf Ezech. 45:9. Elke nieuwe ‘Zo zegt Heer Yahweh’ (vers 1 en 16) opent een nieuw deel.
הַמַּעֲשֶׂה (hamma’aseh), ‘het werk’: de zes werkdagen tegenover de sabbat.
הַחֹדֶשׁ (hachodesh), ‘de nieuwe maan’: de eerste dag van de maand, zoals in Num. 28:11.
2De vorst komt van buiten binnen via de voorhal van de poort. Hij blijft staan bij de deurpost van de poort. De priesters bereiden zijn brandoffer en zijn vredeoffers. Hij buigt zich neer op de drempel van de poort en gaat dan naar buiten. De poort wordt tot de avond niet gesloten.
וּבָ֣א
(uva)
en hij zal komen
הַנָּשִׂ֡יא
(hanasi)
de vorst
דֶּרֶךְ֩
(derekh)
via
אוּלָ֨ם
(ulam)
voorhal van
הַשַּׁ֜עַר
(hashaar)
de poort
מִח֗וּץ
(michuts)
van buiten
וְעָמַד֙
(veamad)
en zal staan
עַל
(al)
bij
מְזוּזַ֣ת
(mezuzat)
deurpost van
הַשַּׁ֔עַר
(hashaar)
de poort
וְעָשׂ֣וּ
(veasu)
en zullen bereiden
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
עֽוֹלָתוֹ֙
(olato)
zijn brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלָמָ֔יו
(shelamav)
zijn vredeoffers
וְהִֽשְׁתַּחֲוָ֛ה
(vehishtachava)
en hij zal zich neerbuigen
עַל
(al)
op
מִפְתַּ֥ן
(miftan)
drempel van
הַשַּׁ֖עַר
(hashaar)
de poort
וְיָצָ֑א
(veyatsa)
en zal uitgaan
וְהַשַּׁ֥עַר
(vehashaar)
en de poort
לֹֽא
(lo)
niet
יִסָּגֵ֖ר
(yisager)
zal worden gesloten
עַד
(ad)
tot
הָעָֽרֶב
(haarev)
de avond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנָּשִׂיא (hannasi), ‘de vorst’: zie de uitleg bij Ezech. 7:27.
Hij heeft hier een eigen plaats in de eredienst, maar hij brengt de offers niet zelf: de priesters bereiden ze.
אוּלָם (ulam), ‘voorhal’: de overdekte ruimte voor de ingang van de poort.
3Ook het volk van het land buigt zich neer voor het aangezicht van Yahweh. Dat gebeurt bij de ingang van die poort, op de sabbatten en op de dagen van de nieuwe maan.
וְהִשְׁתַּחֲו֣וּ
(vehishtachavu)
en zullen zich neerbuigen
עַם
(am)
volk van
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
פֶּ֚תַח
(petach)
ingang van
הַשַּׁ֣עַר
(hashaar)
de poort
הַה֔וּא
(hahu)
die
בַּשַּׁבָּת֖וֹת
(bashabatot)
op de sabbatten
וּבֶחֳדָשִׁ֑ים
(uvechodashim)
en op de nieuwe manen
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Als graanoffer bereidt hij een efa bij de stier en een efa bij de ram. Bij de lammeren bereidt hij zoveel als zijn hand kan bereiken. En bij elke efa hoort een hin olie.
וְאֵיפָ֨ה
(veeifa)
en efa
לַפָּ֜ר
(lapar)
bij de stier
וְאֵיפָ֤ה
(veeifa)
en efa
לָאַ֨יִל֙
(laayil)
bij de ram
יַעֲשֶׂ֣ה
(yaase)
hij zal bereiden
מִנְחָ֔ה
(mincha)
graanoffer
וְלַ֨כְּבָשִׂ֔ים
(velakevasim)
en bij de lammeren
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
תַּשִּׂ֖יג
(tasig)
zal bereiken
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
הִ֥ין
(hin)
hin
לָאֵיפָֽה
(laeifa)
bij de efa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּשִּׂיג יָדוֹ (tasig yado), ‘zijn hand bereikt’: zoveel als hij kan opbrengen.
9Op de feesttijden komt het volk van het land voor het aangezicht van Yahweh. Wie door de noordpoort binnenkomt om zich neer te buigen, gaat uit door de zuidpoort. Wie door de zuidpoort binnenkomt, gaat uit door de noordpoort. Niemand keert terug door de poort waardoor hij binnenkwam. Hij gaat uit recht tegenover die poort.
וּבְב֨וֹא
(uvevo)
en bij het komen van
עַם
(am)
volk van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
בַּמּֽוֹעֲדִים֒
(bamoadim)
op de feesttijden
הַבָּ֡א
(haba)
wie binnenkomt
דֶּרֶךְ
(derekh)
via
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort van
צָפ֜וֹן
(tsafon)
noorden
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֗ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
יֵצֵא֙
(yetse)
hij zal uitgaan
דֶּרֶךְ
(derekh)
via
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
נֶ֔גֶב
(negev)
zuiden
וְהַבָּא֙
(vehaba)
en wie binnenkomt
דֶּרֶךְ
(derekh)
via
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
נֶ֔גֶב
(negev)
zuiden
יֵצֵ֖א
(yetse)
hij zal uitgaan
דֶּרֶךְ
(derekh)
via
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
צָפ֑וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
לֹ֣א
(lo)
niet
יָשׁ֗וּב
(yashuv)
hij zal terugkeren
דֶּ֤רֶךְ
(derekh)
via
הַשַּׁ֨עַר֙
(hashaar)
de poort
אֲשֶׁר
(asher)
waardoor
בָּ֣א
(ba)
hij binnenkwam
ב֔וֹ
(bo)
erdoor
כִּ֥י
(ki)
want
נִכְח֖וֹ
(nikhcho)
tegenover haar
יֵצֵֽא
(yetse)
hij gaat uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּמּוֹעֲדִים (bammo’adim), ‘op de feesttijden’: de vastgestelde tijden van het jaar.
Het verschil met ‘feesten’ (chaggim) in vers 11 is niet scherp.
Het volk loopt dwars door de voorhof: wie van het noorden komt, vertrekt naar het zuiden. Zo komt niemand tegen de stroom in.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat aan het eind van het vers het meervoud יצאו (yetse’u), ‘zij gaan uit’.
De voorgelezen tekst (qere) is het enkelvoud יֵצֵא (yetse), ‘hij gaat uit’.
11Op de feesten en op de feesttijden is het graanoffer een efa bij een stier en een efa bij een ram. Bij de lammeren is het wat zijn hand geeft. En bij elke efa hoort een hin olie.
וּבַחַגִּ֣ים
(uvachagim)
en op de feesten
וּבַמּוֹעֲדִ֗ים
(uvamoadim)
en op de feesttijden
תִּהְיֶ֤ה
(tihye)
zal zijn
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
אֵיפָ֤ה
(eifa)
efa
לַפָּר֙
(lapar)
bij de stier
וְאֵיפָ֣ה
(veeifa)
en efa
לָאַ֔יִל
(laayil)
bij de ram
וְלַכְּבָשִׂ֖ים
(velakevasim)
en bij de lammeren
מַתַּ֣ת
(matat)
gave van
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
הִ֥ין
(hin)
hin
לָאֵיפָֽה
(laeifa)
bij de efa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Wanneer de vorst een vrijwillige gave bereidt voor Yahweh, een brandoffer of vredeoffers als vrijwillige gave, dan opent men voor hem de poort die naar het oosten gericht is. Hij bereidt zijn brandoffer en zijn vredeoffers, zoals hij op de sabbatdag doet. Dan gaat hij naar buiten. Na zijn vertrek sluit men de poort.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יַעֲשֶׂה֩
(yaase)
hij bereidt
הַנָּשִׂ֨יא
(hanasi)
de vorst
נְדָבָ֜ה
(nedava)
vrijwillige gave
עוֹלָ֣ה
(ola)
brandoffer
אֽוֹ
(o)
of
שְׁלָמִים֮
(shelamim)
vredeoffers
נְדָבָ֣ה
(nedava)
vrijwillige gave
לַֽיהוָה֒
(laYahweh)
aan Yahweh
וּפָ֣תַֽח
(ufatach)
en men zal openen
ל֗וֹ
(lo)
voor hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׁ֨עַר֙
(hashaar)
de poort
הַפֹּנֶ֣ה
(hapone)
die gericht is
קָדִ֔ים
(qadim)
naar het oosten
וְעָשָׂ֤ה
(veasa)
en hij zal bereiden
אֶת
(et)
(obj.)
עֹֽלָתוֹ֙
(olato)
zijn brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁלָמָ֔יו
(shelamav)
zijn vredeoffers
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
hij bereidt
בְּי֣וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּ֑ת
(hashabat)
de sabbat
וְיָצָ֛א
(veyatsa)
en hij zal uitgaan
וְסָגַ֥ר
(vesagar)
en men zal sluiten
אֶת
(et)
(obj.)
הַשַּׁ֖עַר
(hashaar)
de poort
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
na
צֵאתֽוֹ
(tseto)
zijn uitgaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְדָבָה (nedavah), ‘vrijwillige gave’: een offer dat niet verplicht is.
14Elke morgen bereid je er een graanoffer bij: een zesde efa, met een derde hin olie om het fijne meel te bevochtigen. Het is een graanoffer voor Yahweh, volgens voorschriften voor eeuwig, voortdurend.
וּמִנְחָה֩
(umincha)
en graanoffer
תַעֲשֶׂ֨ה
(taase)
je zult bereiden
עָלָ֜יו
(alav)
erbij
בַּבֹּ֤קֶר
(baboqer)
elke morgen
בַּבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
elke morgen
שִׁשִּׁ֣ית
(shishit)
zesde deel van
הָֽאֵיפָ֔ה
(haeifa)
de efa
וְשֶׁ֛מֶן
(veshemen)
en olie
שְׁלִישִׁ֥ית
(shelishit)
derde deel van
הַהִ֖ין
(hahin)
de hin
לָרֹ֣ס
(laros)
om te bevochtigen
אֶת
(et)
(obj.)
הַסֹּ֑לֶת
(hasolet)
het fijne meel
מִנְחָה֙
(mincha)
graanoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
aan Yahweh
חֻקּ֥וֹת
(chuqot)
voorschriften van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
תָּמִֽיד
(tamid)
voortdurend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָרֹס (laros), ‘om te bevochtigen’: het werkwoord ruts komt alleen hier voor; het gaat om het mengen van het meel met olie.
חֻקּוֹת עוֹלָם תָּמִיד (chuqqot olam tamid), ‘voorschriften voor eeuwig, voortdurend’: zie ook Exod. 29:42.
16Zo zegt Heer Yahweh: „Als de vorst een gave geeft aan een van zijn zonen, dan is dat zijn erfdeel. Het behoort aan zijn zonen toe. Het is hun bezit als erfdeel.
כֹּה
(ko)
Zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִתֵּ֨ן
(yiten)
geeft
הַנָּשִׂ֤יא
(hanasi)
de vorst
מַתָּנָה֙
(matana)
gave
לְאִ֣ישׁ
(leish)
aan een man
מִבָּנָ֔יו
(mibanav)
van zijn zonen
נַחֲלָת֥וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
הִ֖יא
(hi)
het
לְבָנָ֣יו
(levanav)
aan zijn zonen
תִּֽהְיֶ֑ה
(tihye)
zal zijn
אֲחֻזָּתָ֥ם
(achuzatam)
hun bezit
הִ֖יא
(hi)
het
בְּנַחֲלָֽה
(benachala)
als erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי יְהֹוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie de uitleg bij Ezech. 2:4.
Een nieuw deel van de rede begint.
De gebruikte woorden voor ‘erfdeel’ (nachalah) en ‘bezit’ (achuzzah) horen bij het land. Zie ook Ezech. 45:1–8.
17Maar als hij een gave uit zijn erfdeel geeft aan een van zijn knechten, dan blijft die van hem tot het jaar van de vrijheid. Dan keert zij terug naar de vorst. Alleen zijn erfdeel is voor zijn zonen; het blijft van hen.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יִתֵּ֨ן
(yiten)
hij geeft
מַתָּנָ֜ה
(matana)
gave
מִנַּחֲלָת֗וֹ
(minachalato)
uit zijn erfdeel
לְאַחַד֙
(leachad)
aan één
מֵֽעֲבָדָ֔יו
(meavadav)
van zijn dienaren
וְהָ֤יְתָה
(vehayeta)
en het zal zijn
לּוֹ֙
(lo)
voor hem
עַד
(ad)
tot
שְׁנַ֣ת
(shenat)
jaar van
הַדְּר֔וֹר
(haderor)
de vrijheid
וְשָׁבַ֖ת
(veshavat)
en het zal terugkeren
לַנָּשִׂ֑יא
(lanasi)
aan de vorst
אַ֚ךְ
(akh)
alleen
נַחֲלָת֔וֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
לָהֶ֥ם
(lahem)
aan hen
תִּהְיֶֽה
(tihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַדְּרוֹר (hadror), ‘de vrijheid’: het jaar van de vrijlating, zoals in Lev. 25:10.
Een gave aan een knecht valt dan terug aan de vorst, zodat het land in de familie blijft.
18De vorst mag niets nemen van het erfdeel van het volk om hen uit hun bezit te verdrijven. Uit zijn eigen bezit moet hij zijn zonen laten erven, zodat niemand van Mijn volk van zijn bezit wordt verstrooid.”
וְלֹא
(velo)
en niet
יִקַּ֨ח
(yiqach)
zal nemen
הַנָּשִׂ֜יא
(hanasi)
de vorst
מִנַּחֲלַ֣ת
(minachalat)
van het erfdeel van
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
לְהֽוֹנֹתָם֙
(lehonotam)
om hen te verdrijven
מֵאֲחֻזָּתָ֔ם
(meachuzatam)
uit hun bezit
מֵאֲחֻזָּת֖וֹ
(meachuzato)
uit zijn bezit
יַנְחִ֣ל
(yanchil)
hij zal laten erven
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
יָפֻ֣צוּ
(yafutsu)
zullen worden verstrooid
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
מֵאֲחֻזָּתֽוֹ
(meachuzato)
uit zijn bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהוֹנֹתָם (lehonotam), ‘om hen te verdrijven’: het werkwoord (yanah) betekent ‘onderdrukken’ of ‘wegdrijven’.
Zie ook Ezech. 45:8.
יָפֻצוּ (yafotsu), ‘zij worden verstrooid’: hetzelfde werkwoord (puts) als bij de verstrooiing van het volk, zoals in Ezech. 11:17.
19Hij bracht mij door de ingang aan de zijkant van de poort naar de heilige kamers van de priesters. Die zijn naar het noorden gericht. En zie, daar was een plaats aan de achterkant, naar het westen.
וַיְבִיאֵ֣נִי
(vayvieni)
en hij bracht mij
בַמָּבוֹא֮
(bamavo)
door de ingang
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
כֶּ֣תֶף
(ketef)
zijde van
הַשַּׁעַר֒
(hashaar)
de poort
אֶל
(el)
naar
הַלִּשְׁכ֤וֹת
(halishkhot)
de kamers van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heiligdom
אֶל
(el)
naar
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
הַפֹּנ֖וֹת
(haponot)
die gericht zijn
צָפ֑וֹנָה
(tsafona)
noordwaarts
וְהִנֵּה
(vehine)
en zie
שָׁ֣ם
(sham)
daar
מָק֔וֹם
(maqom)
plaats
בַּיַּרְכָתַ֖יִם
(bayarkhatayim)
aan de achterkant
יָֽמָּה
(yama)
westwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַמָּבוֹא (bammavo), ‘ingang’: een doorgang naast de poort.
בַּיַּרְכָתַיִם (bayyarketayim), ‘achterkant’: het uiterste uiteinde van de ruimte.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat בירכתם, in de voorgelezen tekst (qere) בירכתים.
20Hij zei tegen mij: „Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer koken. Hier bakken zij ook het graanoffer. Zo brengen zij niets naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַמָּק֗וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
יְבַשְּׁלוּ
(yevashelu)
zullen koken
שָׁם֙
(sham)
daar
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָשָׁ֖ם
(haasham)
het schuldoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחַטָּ֑את
(hachatat)
het zondoffer
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
יֹאפוּ֙
(yofu)
zullen bakken
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
om niet
הוֹצִ֛יא
(hotsi)
uit te brengen
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֥ר
(hechatser)
de voorhof
הַחִֽיצוֹנָ֖ה
(hachitsona)
de buitenste
לְקַדֵּ֥שׁ
(leqadesh)
om te heiligen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְקַדֵּשׁ אֶת הָעָם (lekaddesh et ha’am), ‘om het volk te heiligen’: wat heilig is, maakt wie het aanraakt ook heilig.
De priesters bakken en koken het heilige binnen de binnenste voorhof, zodat het volk er niet mee in aanraking komt.
21Hij bracht mij naar de buitenste voorhof en liet mij langs de vier hoeken van de voorhof gaan. En zie, in de hoek van de voorhof was een voorhof; in de hoek van de voorhof was een voorhof.
וַיּוֹצִיאֵ֗נִי
(vayotsieni)
en hij liet mij uitgaan
אֶל
(el)
naar
הֶֽחָצֵר֙
(hechatser)
de voorhof
הַחִ֣יצֹנָ֔ה
(hachitsona)
de buitenste
וַיַּ֣עֲבִירֵ֔נִי
(vayaavireni)
en hij liet mij voorbijgaan
אֶל
(el)
naar
אַרְבַּ֖עַת
(arbaat)
vier
מִקְצוֹעֵ֣י
(miqtsoei)
hoeken van
הֶחָצֵ֑ר
(hechatser)
de voorhof
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
חָצֵר֙
(chatser)
voorhof
בְּמִקְצֹ֣עַ
(bemiqtsoa)
in de hoek van
הֶחָצֵ֔ר
(hechatser)
de voorhof
חָצֵ֖ר
(chatser)
voorhof
בְּמִקְצֹ֥עַ
(bemiqtsoa)
in de hoek van
הֶחָצֵֽר
(hechatser)
de voorhof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22In de vier hoeken van de voorhof waren omsloten voorhoven, veertig lang en dertig breed. Alle vier hadden dezelfde maat. Zij lagen in de hoeken.
בְּאַרְבַּ֜עַת
(bearbaat)
in vier
מִקְצֹע֤וֹת
(miqtsoot)
hoeken van
הֶֽחָצֵר֙
(hechatser)
de voorhof
חֲצֵר֣וֹת
(chatserot)
voorhoven
קְטֻר֔וֹת
(qeturot)
omsloten
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
אֹ֔רֶךְ
(orekh)
lengte
וּשְׁלֹשִׁ֖ים
(usheloshim)
en dertig
רֹ֑חַב
(rochav)
breedte
מִדָּ֣ה
(mida)
maat
אַחַ֔ת
(achat)
één
לְאַרְבַּעְתָּ֖ם
(learbatam)
voor alle vier
מְׄהֻׄקְׄצָׄעֽׄוֹׄתׄ
(mehuqtsaot)
van de hoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קְטֻרוֹת (qetorot), ‘omsloten’: het woord komt alleen hier voor en de betekenis is onzeker.
Het gaat om kleine voorhoven in de hoeken.
Het Hebreeuws noemt geen maateenheid; vermoedelijk gaat het om ellen (zie de uitleg bij Ezech. 40:5).