Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het plan van Naomi
1Naomi, haar schoonmoeder, zei tegen haar: „Mijn dochter, moet ik niet rust voor je zoeken, zodat het goed met je gaat?
וַתֹּ֥אמֶר
(vatomer)
en zei
לָ֖הּ
(lah)
tot haar
נָעֳמִ֣י
(naomi)
Naomi
חֲמוֹתָ֑הּ
(chamotah)
haar schoonmoeder
בִּתִּ֞י
(biti)
mijn dochter
הֲלֹ֧א
(halo)
zal ik niet
אֲבַקֶּשׁ
(avaqesh)
zoeken
לָ֛ךְ
(lakh)
voor jou
מָנ֖וֹחַ
(manoach)
rust
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
opdat
יִֽיטַב
(yitav)
het goed gaat
לָֽךְ
(lakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָנוֹחַ (manoach), ‘rust’: een veilig thuis.
Het is hetzelfde woord als מְנוּחָה (menuchah) in 1:9.
Naomi wil voor Ruth doen wat zij haar in 1:9 toewenste.
4Wanneer hij gaat liggen, let dan op de plaats waar hij ligt. Ga erheen, ontbloot de plaats bij zijn voeten en ga liggen. Dan zal hij je zeggen wat je moet doen.”
וִיהִ֣י
(vihi)
en het zal zijn
בְשָׁכְב֗וֹ
(beshakhevo)
wanneer hij gaat liggen
וְיָדַ֨עַתְּ֙
(veyadaat)
en let op
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּקוֹם֙
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
יִשְׁכַּב
(yishkav)
hij zal liggen
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וּבָ֛את
(uvat)
en kom
וְגִלִּ֥ית
(vegilit)
en ontbloot
מַרְגְּלֹתָ֖יו
(margelotav)
de plaats bij zijn voeten
וְשָׁכָ֑בְתְּ
(veshakhavt)
en ga liggen
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
יַגִּ֣יד
(yagid)
zal zeggen
לָ֔ךְ
(lakh)
aan jou
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
תַּעַשִֽׂין
(taasin)
je moet doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַרְגְּלוֹת (margelot), ‘de plaats bij de voeten’: het deel van de slaapplaats bij zijn voeten.
Wat Naomi hiermee precies bedoelt, legt de tekst niet uit.
7Boaz at en dronk, en zijn hart was vrolijk. Hij ging liggen aan het einde van de graanhoop. Zij kwam stilletjes, ontblootte de plaats bij zijn voeten en ging liggen.
וַיֹּ֨אכַל
(vayokhal)
en at
בֹּ֤עַז
(boaz)
Boaz
וַיֵּשְׁתְּ֙
(vayesht)
en dronk
וַיִּיטַ֣ב
(vayitav)
en was goed
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
וַיָּבֹ֕א
(vayavo)
en hij kwam
לִשְׁכַּ֖ב
(lishkav)
om te gaan liggen
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
aan het einde van
הָעֲרֵמָ֑ה
(haarema)
de graanhoop
וַתָּבֹ֣א
(vatavo)
en zij kwam
בַלָּ֔ט
(balat)
stilletjes
וַתְּגַ֥ל
(vategal)
en zij ontblootte
מַרְגְּלֹתָ֖יו
(margelotav)
de plaats bij zijn voeten
וַתִּשְׁכָּֽב
(vatishkav)
en zij ging liggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Midden in de nacht schrok de man op en draaide zich om. En zie, een vrouw lag bij zijn voeten.
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בַּחֲצִ֣י
(bachatsi)
in het midden van
הַלַּ֔יְלָה
(halayla)
de nacht
וַיֶּחֱרַ֥ד
(vayecherad)
en schrok op
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
וַיִּלָּפֵ֑ת
(vayilafet)
en draaide zich om
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
שֹׁכֶ֖בֶת
(shokhevet)
liggend
מַרְגְּלֹתָֽיו
(margelotav)
bij zijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּלָּפֵת (wayyillafet), ‘hij draaide zich om’: dit werkwoord komt in de Bijbel nauwelijks voor, zodat de betekenis niet zeker is.
Het kan ook ‘hij greep zich vast’ of ‘hij boog zich voorover’ betekenen.
9Hij zei: „Wie ben jij?” Zij zei: „Ik ben Ruth, uw slavin. Spreid uw vleugel uit over uw slavin, want u bent een losser.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
מִי
(mi)
wie
אָ֑תּ
(at)
ben jij
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אָנֹכִי֙
(anokhi)
ik
ר֣וּת
(rut)
Ruth
אֲמָתֶ֔ךָ
(amatekha)
uw slavin
וּפָרַשְׂתָּ֤
(ufarasta)
en spreid uit
כְנָפֶ֨ךָ֙
(kenafekha)
uw vleugel
עַל
(al)
over
אֲמָ֣תְךָ֔
(amatekha)
uw slavin
כִּ֥י
(ki)
want
גֹאֵ֖ל
(goel)
losser
אָֽתָּה
(ata)
u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָמָה (amah), ‘slavin’: het woord is sterker dan שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’, in 2:13.
Ruth maakt zich in de bewoording kleiner.
כָּנָף (kanaf), ‘vleugel’: ook de ‘rand van een kleed’. ‘Zijn vleugel uitspreiden over een vrouw’ betekent haar tot vrouw nemen en haar beschermen (Ezech. 16:8). Het sluit aan op 2:12, waar Boaz zegt dat Ruth schuilt ‘onder de vleugels’ van Yahweh. Zie ook Deut. 27:20.
10Hij zei: „Gezegend ben jij door Yahweh, mijn dochter. Je laatste trouw is beter dan de eerste, doordat je niet achter de jonge mannen aan bent gegaan, of ze nu arm zijn of rijk.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
בְּרוּכָ֨ה
(berukha)
gezegend
אַ֤תְּ
(at)
ben jij
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
door Yahweh
בִּתִּ֔י
(biti)
mijn dochter
הֵיטַ֛בְתְּ
(heitavt)
je hebt goed gemaakt
חַסְדֵּ֥ךְ
(chasdekh)
je trouw
הָאַחֲר֖וֹן
(haacharon)
de laatste
מִן
(min)
meer dan
הָרִאשׁ֑וֹן
(harishon)
de eerste
לְבִלְתִּי
(levilti)
om niet
לֶ֗כֶת
(lekhet)
te gaan
אַחֲרֵי֙
(acharei)
achter
הַבַּ֣חוּרִ֔ים
(habachurim)
de jonge mannen
אִם
(im)
of
דַּ֖ל
(dal)
arm
וְאִם
(veim)
en of
עָשִֽׁיר
(ashir)
rijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: zie 1:8 en 2:20.
De eerste trouw was dat Ruth bij Naomi bleef.
De laatste trouw is dat zij nu de losser zoekt, om de naam van de gestorven man in leven te houden (4:5, 4:10).
11Nu dan, mijn dochter, wees niet bang. Alles wat je zegt, zal ik voor je doen. Want iedereen in de poort van mijn volk weet dat je een bekwame vrouw bent.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
בִּתִּי֙
(biti)
mijn dochter
אַל
(al)
niet
תִּ֣ירְאִ֔י
(tirei)
wees bang
כֹּ֥ל
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תֹּאמְרִ֖י
(tomri)
je zegt
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
zal ik doen
לָּ֑ךְ
(lakh)
voor jou
כִּ֤י
(ki)
want
יוֹדֵ֨עַ֙
(yodea)
weet
כָּל
(kal)
heel
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
כִּ֛י
(ki)
dat
אֵ֥שֶׁת
(eshet)
een vrouw van
חַ֖יִל
(chayil)
bekwaamheid
אָֽתְּ
(at)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׁעַר (sha’ar), ‘poort’: de stadspoort was de plaats waar de oudsten recht spraken en zaken regelden (zie 4:1–2 en Deut. 21:19).
אֵשֶׁת חַיִל (eshet chayil), ‘bekwame vrouw’: hetzelfde woord חַיִל (chayil) als bij Boaz in 2:1. Zie ook Spr. 31:10.
13Overnacht hier vannacht. Als hij je morgen wil lossen, goed, laat hij lossen. Maar als hij je niet wil lossen, dan zal ik je lossen, zo waar Yahweh leeft. Blijf liggen tot de morgen.”
לִ֣ינִי
(lini)
overnacht
הַלַּ֗יְלָה
(halayla)
vannacht
וְהָיָ֤ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַבֹּ֨קֶר֙
(baboqer)
in de morgen
אִם
(im)
als
יִגְאָלֵ֥ךְ
(yigalekh)
hij je lost
טוֹב֙
(tov)
goed
יִגְאָ֔ל
(yigal)
laat hij lossen
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
יַחְפֹּ֧ץ
(yachpots)
hij wil
לְגָֽאֳלֵ֛ךְ
(legaolekh)
je te lossen
וּגְאַלְתִּ֥יךְ
(ugealtikh)
dan zal ik je lossen
אָנֹ֖כִי
(anokhi)
ik
חַי
(chay)
levend is
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁכְבִ֖י
(shikhvi)
blijf liggen
עַד
(ad)
tot
הַבֹּֽקֶר
(haboqer)
de morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי יהוה (chai Yahweh), ‘zo waar Yahweh leeft’: een eed.
Zie ook Richt. 8:19 en 1 Sam. 14:39.
לִינִי (lini), ‘overnacht’: hetzelfde werkwoord als in 1:16.
14Zij bleef tot de morgen bij zijn voeten liggen. Zij stond op voordat de ene man de andere kon herkennen. Hij zei: „Laat niet bekend worden dat de vrouw op de dorsvloer is gekomen.”
וַתִּשְׁכַּ֤ב
(vatishkav)
en zij lag
מַרְגְּלוֹתָיוֹ֙
(margelotayo)
bij zijn voeten
עַד
(ad)
tot
הַבֹּ֔קֶר
(haboqer)
de morgen
וַתָּ֕קָם
(vataqam)
en zij stond op
בְּטֶ֛רֶם
(beterem)
voordat
יַכִּ֥יר
(yakir)
zou herkennen
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֑הוּ
(reehu)
zijn naaste
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
אַל
(al)
niet
יִוָּדַ֔ע
(yivada)
laat bekend worden
כִּי
(ki)
dat
בָ֥אָה
(baa)
gekomen is
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
הַגֹּֽרֶן
(hagoren)
de dorsvloer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Boaz zorgt dat niemand kan zeggen dat er een vrouw op de dorsvloer was.
15Hij zei: „Geef hier de mantel die je omhebt en houd hem vast.” Zij hield hem vast. Hij mat 6 maten gerst af en legde die op haar. Daarna ging hij de stad in.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הָ֠בִי
(havi)
geef hier
הַמִּטְפַּ֧חַת
(hamitpachat)
de mantel
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָלַ֛יִךְ
(alayikh)
over jou
וְאֶֽחֳזִי
(veechozi)
en houd vast
בָ֖הּ
(bah)
eraan
וַתֹּ֣אחֶז
(vatochez)
en zij hield vast
בָּ֑הּ
(bah)
eraan
וַיָּ֤מָד
(vayamad)
en hij mat af
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
שְׂעֹרִים֙
(seorim)
maten gerst
וַיָּ֣שֶׁת
(vayashet)
en legde
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
op haar
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en hij ging
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁשׁ שְׂעֹרִים (shesh se’orim), ‘6 maten gerst’: het Hebreeuws noemt de maat niet.
Misschien is het zes sea (een sea is ongeveer 7 liter), maar dat is niet zeker.
Lezing
In het Hebreeuws staat hier ‘hij ging de stad in’.
Veel handschriften, de Peshitta en de Vulgaat lezen ‘zij ging de stad in’.
Wij volgen de Masoretische tekst: Boaz gaat naar de stad, en Ruth komt in vers 16 bij Naomi.
16Zij kwam bij haar schoonmoeder. Die zei: „Wie ben jij, mijn dochter?” Zij vertelde haar alles wat de man voor haar had gedaan.
וַתָּבוֹא֙
(vatavo)
en zij kwam
אֶל
(el)
tot
חֲמוֹתָ֔הּ
(chamotah)
haar schoonmoeder
וַתֹּ֖אמֶר
(vatomer)
en zij zei
מִי
(mi)
wie
אַ֣תְּ
(at)
ben jij
בִּתִּ֑י
(biti)
mijn dochter
וַתַּ֨גֶּד
(vataged)
en zij vertelde
לָ֔הּ
(lah)
haar
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָֽשָׂה
(asa)
had gedaan
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
הָאִֽישׁ
(haish)
de man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִי אַתְּ (mi at), ‘wie ben jij?’: een vraag die ook betekent ‘hoe is het met je gegaan?’ of ‘in welke positie ben je nu?’.
Naomi wil weten hoe het met Ruth is afgelopen.
17Zij zei: „Deze 6 maten gerst heeft hij mij gegeven. Want hij zei: ‘Je mag niet met lege handen naar je schoonmoeder gaan.’”
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zij zei
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
הַשְּׂעֹרִ֥ים
(haseorim)
de maten gerst
הָאֵ֖לֶּה
(haele)
deze
נָ֣תַן
(natan)
heeft hij gegeven
לִ֑י
(li)
aan mij
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
hij zei
אַל
(al)
niet
תָּב֥וֹאִי
(tavoi)
kom
רֵיקָ֖ם
(reiqam)
leeg
אֶל
(el)
tot
חֲמוֹתֵֽךְ
(chamotekh)
je schoonmoeder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Zij zei: „Blijf zitten, mijn dochter, totdat je weet hoe de zaak afloopt. Want de man zal niet rusten, tenzij hij de zaak vandaag nog tot een einde brengt.”
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en zij zei
שְׁבִ֣י
(shevi)
blijf zitten
בִתִּ֔י
(biti)
mijn dochter
עַ֚ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תֵּֽדְעִ֔ין
(tedein)
je weet
אֵ֖יךְ
(eikh)
hoe
יִפֹּ֣ל
(yipol)
zal vallen
דָּבָ֑ר
(davar)
de zaak
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יִשְׁקֹט֙
(yishqot)
zal rusten
הָאִ֔ישׁ
(haish)
de man
כִּֽי
(ki)
want
אִם
(im)
tenzij
כִּלָּ֥ה
(kila)
hij brengt tot een einde
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
הַיּֽוֹם
(hayom)
vandaag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֵיךְ יִפֹּל דָּבָר (ech yippol davar), ‘hoe de zaak afloopt’: letterlijk ‘hoe het woord valt’.