Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Over Babel
1Het woord dat Yahweh sprak over Babel, over het land van de Chaldeeën, door de hand van Jeremia, de profeet.
הַדָּבָ֗ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
אֶל
(el)
over
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
de Chaldeeën
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
יִרְמְיָ֥הוּ
(yirmeyahu)
Jeremia
הַנָּבִֽיא
(hanavi)
de profeet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
Hoofdstuk 50 en 51 vormen samen één groot oordeel over Babel, het langste van alle volkenoordelen in dit boek.
כַּשְׂדִּים (Kasdim), ‘Chaldeeën’: het volk van Babel, hier ook als landnaam gebruikt.
2Maak het bekend onder de volken en laat het horen. Hef een banier op, laat het horen en verberg het niet. Zeg: „Babel is ingenomen. Bel is beschaamd, Marduk is ontzet. Haar afgodsbeelden zijn beschaamd, haar afgoden zijn ontzet.”
הַגִּ֨ידוּ
(hagidu)
maakt bekend
בַגּוֹיִ֤ם
(bagoyim)
onder de volken
וְהַשְׁמִ֨יעוּ֙
(vehashmiu)
en laat horen
וּֽשְׂאוּ
(useu)
en heft op
נֵ֔ס
(nes)
een banier
הַשְׁמִ֖יעוּ
(hashmiu)
laat horen
אַל
(al)
niet
תְּכַחֵ֑דוּ
(tekhachedu)
verbergt
אִמְרוּ֩
(imru)
zegt
נִלְכְּדָ֨ה
(nilkeda)
is ingenomen
בָבֶ֜ל
(bavel)
Babel
הֹבִ֥ישׁ
(hovish)
is beschaamd
בֵּל֙
(bel)
Bel
חַ֣ת
(chat)
is ontzet
מְרֹדָ֔ךְ
(merodakh)
Marduk
הֹבִ֣ישׁוּ
(hovishu)
zijn beschaamd
עֲצַבֶּ֔יהָ
(atsabeiha)
haar afgodsbeelden
חַ֖תּוּ
(chatu)
zijn ontzet
גִּלּוּלֶֽיהָ
(giluleiha)
haar afgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
נֵס (nes), ‘banier’: een signaalvlag of paal op een berg, om volken of troepen te verzamelen (Jes. 13:2; 18:3).
בֵּל (Bel), ‘Bel’: ‘heer’, een titel van מְרֹדָךְ (Merodach, Marduk), de hoofdgod van Babel. Beide namen staan hier naast elkaar; zie ook Jes. 46:1.
עֲצַבֶּיהָ (atsabbeha), ‘haar afgodsbeelden’, en גִּלּוּלֶיהָ (gilluleha), ‘haar afgoden’: het tweede woord is afgeleid van een woord voor ‘mest’ en is een scheldwoord (Lev. 26:30).
3Want een volk komt tegen haar op uit het noorden. Dat volk maakt haar land tot een verwoesting, en er zal niemand in wonen, van mens tot dier. Zij zijn gevlucht en weggegaan.
כִּ֣י
(ki)
want
עָלָה֩
(ala)
is opgekomen
עָלֶ֨יהָ
(aleiha)
tegen haar
גּ֜וֹי
(goy)
een volk
מִצָּפ֗וֹן
(mitsafon)
uit het noorden
הֽוּא
(hu)
dat
יָשִׁ֤ית
(yashit)
zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
אַרְצָהּ֙
(artsah)
haar land
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot een verwoesting
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
יוֹשֵׁ֖ב
(yoshev)
bewoner
בָּ֑הּ
(bah)
daarin
מֵאָדָ֥ם
(meadam)
van mens
וְעַד
(vead)
tot
בְּהֵמָ֖ה
(behema)
dier
נָ֥דוּ
(nadu)
zijn gevlucht
הָלָֽכוּ
(halakhu)
zijn gegaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹי מִצָּפוֹן (goy mitsafon), ‘een volk uit het noorden’: het Hebreeuws noemt het volk niet bij naam.
Het noorden is voor Israël de richting waaruit de vijand komt, zie Jer. 1:14 en 6:22.
נָדוּ הָלָכוּ (nadu halaku), ‘zij zijn gevlucht en weggegaan’: de bewoners en het vee vluchten uit het land.
4„In die dagen en in die tijd, godsspraak van Yahweh, zullen de zonen van Israël komen, zij en de zonen van Juda samen. Al wenend gaan zij voort, en zij zoeken Yahweh, hun Elohim.
בַּיָּמִ֨ים
(bayamim)
in dagen
הָהֵ֜מָּה
(hahema)
die
וּבָעֵ֤ת
(uvaet)
en in tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יָבֹ֧אוּ
(yavou)
zullen komen
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
וּבְנֵֽי
(uvenei)
en zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
הָל֤וֹךְ
(halokh)
gaande
וּבָכוֹ֙
(uvakho)
en wenend
יֵלֵ֔כוּ
(yelekhu)
zullen gaan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶ֖ם
(eloheihem)
hun Elohim
יְבַקֵּֽשׁוּ
(yevaqeshu)
zullen zoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: zie Jer. 1:8.
Vanaf hier spreekt Yahweh zelf; Zijn toespraak loopt door tot en met vers 12. Daarom staan deze verzen rood.
בְנֵי יִשְׂרָאֵל הֵמָּה וּבְנֵי יְהוּדָה יַחְדָּו (bnei Yisra’el hemmah uvnei Yehudah yachdav), ‘de zonen van Israël, zij en de zonen van Juda samen’: het noordelijke en het zuidelijke rijk komen samen terug. Zie ook het nieuwe verbond in Jer. 31:31–34.
5Naar Sion vragen zij de weg, daarheen zijn hun gezichten gericht: ‘Kom, voeg jullie bij Yahweh in een verbond voor eeuwig dat niet vergeten wordt.’
צִיּ֣וֹן
(tsiyon)
Sion
יִשְׁאָ֔לוּ
(yishalu)
zullen vragen
דֶּ֖רֶךְ
(derekh)
naar de weg
הֵ֣נָּה
(hena)
daarheen
פְנֵיהֶ֑ם
(peneihem)
hun gezichten
בֹּ֚אוּ
(bou)
komt
וְנִלְו֣וּ
(venilvu)
en voegt jullie
אֶל
(el)
bij
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּרִ֥ית
(berit)
een verbond van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
לֹ֥א
(lo)
niet
תִשָּׁכֵֽחַ
(tishakheach)
zal vergeten worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בְּרִית עוֹלָם (berit olam), ‘een verbond voor eeuwig’: zoals in Gen. 9:16 en Jes. 55:3.
הֵנָּה (hennah), ‘daarheen’: naar Sion toe.
בֹּאוּ וְנִלְווּ (bo’u venilvu), ‘Kom, voeg jullie bij’: het werkwoord lavah betekent ‘zich aansluiten’. Dit is het woord van het volk onder elkaar (aanhaling tussen enkele aanhalingstekens).
6Mijn volk was een kudde verloren schapen. Hun herders hebben hen laten dwalen en op de bergen afgewend. Van berg naar heuvel zijn zij gegaan, zij hebben hun rustplaats vergeten.
צֹ֤אן
(tson)
een kudde van
אֹֽבְדוֹת֙
(ovedot)
verloren schapen
הָי֣וּ
(hayu)
zijn geweest
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
רֹעֵיהֶ֣ם
(roeihem)
hun herders
הִתְע֔וּם
(hitum)
hebben laten dwalen
הָרִ֖ים
(harim)
bergen
שֽׁוֹבְב֑וּם
(shovevum)
hebben hen afgewend
מֵהַ֤ר
(mehar)
van berg
אֶל
(el)
naar
גִּבְעָה֙
(giva)
heuvel
הָלָ֔כוּ
(halakhu)
zijn gegaan
שָׁכְח֖וּ
(shakhechu)
zijn vergeten
רִבְצָֽם
(rivtsam)
hun rustplaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹאן אֹבְדוֹת (tson ovedot), ‘kudde verloren schapen’: schapen die dwalen en niet meer terugvinden.
De herders zijn de leiders van het volk.
רִבְצָם (rivtsam), ‘hun rustplaats’: de plek waar de kudde neerligt.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere) הָיוּ (hayu), ‘zij waren’, en שׁוֹבְבוּם (shovevum), ‘zij hebben hen afgewend’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft het werkwoord in het enkelvoud (hayah) en שובבים (shovevim), ‘afkerigen’.
7Allen die hen vonden, hebben hen opgegeten. Hun tegenstanders zeiden: ‘Wij maken ons niet schuldig, omdat zij gezondigd hebben tegen Yahweh, de woonplaats van gerechtigheid, de hoop van hun vaderen, Yahweh.’
כָּל
(kal)
allen
מוֹצְאֵיהֶ֣ם
(motseeihem)
die hen vonden
אֲכָל֔וּם
(akhalum)
hebben hen gegeten
וְצָרֵיהֶ֥ם
(vetsareihem)
en hun tegenstanders
אָמְר֖וּ
(ameru)
zeiden
לֹ֣א
(lo)
niet
נֶאְשָׁ֑ם
(nesham)
zullen wij schuldig zijn
תַּ֗חַת
(tachat)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
חָטְא֤וּ
(chateu)
zij hebben gezondigd
לַֽיהוָה֙
(laYahweh)
tegen Yahweh
נְוֵה
(neve)
woonplaats van
צֶ֔דֶק
(tsedeq)
gerechtigheid
וּמִקְוֵ֥ה
(umiqve)
en de hoop van
אֲבֽוֹתֵיהֶ֖ם
(avoteihem)
hun vaderen
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְוֵה צֶדֶק (neveh tsedeq), ‘woonplaats van gerechtigheid’: in Jer. 31:23 is dit een eernaam voor Jeruzalem en de tempelberg.
Hier wordt Yahweh zelf zo genoemd.
Het woord naveh betekent ook ‘weide’, zoals in vers 19.
וּמִקְוֵה אֲבוֹתֵיהֶם (umiqveh avoteihem), ‘en de hoop van hun vaderen’: Yahweh wordt ook elders ‘de hoop van Israël’ genoemd (Jer. 14:8; 17:13).
De tegenstanders beroepen zich erop dat het volk zelf gezondigd heeft; zo rechtvaardigen zij hun geweld (vergelijk vers 11).
9Want zie, Ik wek op en laat optrekken tegen Babel een verzameling van grote volken uit het land van het noorden. Zij stellen zich tegen haar op. Vandaar zal zij ingenomen worden. Zijn pijlen zijn als een bekwame held, die niet met lege handen terugkeert.
כִּ֣י
(ki)
want
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֡י
(anokhi)
Ik
מֵעִיר֩
(meir)
die opwekt
וּמַעֲלֶ֨ה
(umaale)
en die doet optrekken
עַל
(al)
tegen
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
קְהַל
(qehal)
een verzameling van
גּוֹיִ֤ם
(goyim)
volken
גְּדֹלִים֙
(gedolim)
grote
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
צָפ֔וֹן
(tsafon)
het noorden
וְעָ֣רְכוּ
(vearekhu)
en zij zullen zich opstellen
לָ֔הּ
(lah)
tegen haar
מִשָּׁ֖ם
(misham)
vandaar
תִּלָּכֵ֑ד
(tilakhed)
zal zij ingenomen worden
חִצָּיו֙
(chitsav)
zijn pijlen
כְּגִבּ֣וֹר
(kegibor)
als een held
מַשְׁכִּ֔יל
(mashkil)
bekwaam
לֹ֥א
(lo)
niet
יָשׁ֖וּב
(yashuv)
keert hij terug
רֵיקָֽם
(reiqam)
met lege handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
קְהַל גּוֹיִם (qehal goyim gedolim), ‘een verzameling van grote volken’: het is een bondgenootschap.
Zij komen ‘uit het land van het noorden’ (zie vers 3 en 41).
חִצָּיו (chitsav), ‘zijn pijlen’: het Hebreeuws vergelijkt de pijlen met een held. ‘Hij keert niet terug’ kan over de held of de pijl gaan.
Lezing
מַשְׁכִּיל (maskil), ‘bekwaam’: sommige oude vertalingen lezen hier anders, namelijk als iets wat ‘kinderloos maakt’ of ‘verwoest’.
11Want jullie zijn blij, want jullie jubelen, plunderaars van Mijn erfdeel. Want jullie springen rond als een dorsende vaars en brieden als hengsten.
כִּ֤י
(ki)
want
תִשְׂמְחוּ֙
(tismechu)
jullie zijn blij
כִּ֣י
(ki)
want
תַֽעֲלְז֔וּ
(taalzu)
jullie jubelen
שֹׁסֵ֖י
(shosei)
plunderaars van
נַחֲלָתִ֑י
(nachalati)
Mijn erfdeel
כִּ֤י
(ki)
want
תָפ֨וּשׁוּ֙
(tafushu)
jullie springen rond
כְּעֶגְלָ֣ה
(keegla)
als een vaars
דָשָׁ֔ה
(dasha)
dorsende
וְתִצְהֲל֖וּ
(vetitshalu)
en jullie brieden
כָּאֲבִּרִֽים
(kaabirim)
als hengsten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֹׁסֵי נַחֲלָתִי (shosei nachalati), ‘plunderaars van Mijn erfdeel’: Israël is het erfdeel van Yahweh (Deut. 32:9; Jes. 19:25).
כְּעֶגְלָה דָשָׁה (eglah dashah), ‘dorsende vaars’: een jong rund dat over het graan stampt en vrij uit het koren mag eten; het beeld van uitgelaten, onbezorgde vreugde (Hos. 10:11).
כָּאֲבִּרִים (ke’abbirim), ‘als hengsten’: het woord betekent ‘sterke (dieren)’. Hier gaat het om paarden, want het werkwoord tsahal is ‘hinniken’.
Lezing
Wij volgen de voorgelezen tekst (qere), met de vormen in het meervoud: תִשְׂמְחוּ (tismechu), תַעֲלְזוּ (ta’alzu), תָפוּשׁוּ (tafushu) en וְתִצְהֲלוּ (vetitshalu), ‘jullie zijn blij’, ‘jullie jubelen’, ‘jullie springen rond’ en ‘jullie brieden’.
De geschreven tekst (ketiv) heeft het vrouwelijk enkelvoud (‘jij’).
12Jullie moeder is zeer beschaamd, wie jullie baarde is te schande gemaakt. Zie, de laatste van de volken: een woestijn, een dorre streek en een steppe.”
בּ֤וֹשָׁה
(bosha)
beschaamd is
אִמְּכֶם֙
(imekhem)
jullie moeder
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
חָפְרָ֖ה
(chafera)
te schande gemaakt is
יֽוֹלַדְתְּכֶ֑ם
(yoladtekhem)
die jullie baarde
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אַחֲרִ֣ית
(acharit)
de laatste van
גּוֹיִ֔ם
(goyim)
de volken
מִדְבָּ֖ר
(midbar)
een woestijn
צִיָּ֥ה
(tsiya)
dorre streek
וַעֲרָבָֽה
(vaarava)
en steppe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַחֲרִית גּוֹיִם (acharit goyim), ‘de laatste van de volken’: Babel, dat eens de eerste was, wordt de laatste.
Het kan ook ‘het einde van de volken’ betekenen.
צִיָּה וַעֲרָבָה (tsiyyah va’aravah), ‘een dorre streek en een steppe’: de woestijnvlakte waar niets groeit.
13Vanwege de toorn van Yahweh wordt zij niet bewoond, maar is zij helemaal een verwoesting. Ieder die langs Babel gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen.
מִקֶּ֤צֶף
(miqetsef)
vanwege de toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵשֵׁ֔ב
(teshev)
zal zij bewoond worden
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en zal worden
שְׁמָמָ֖ה
(shemama)
verwoesting
כֻּלָּ֑הּ
(kulah)
geheel
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
עֹבֵ֣ר
(over)
die voorbijkomt
עַל
(al)
over
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
יִשֹּׁ֥ם
(yishom)
staat verbijsterd
וְיִשְׁרֹ֖ק
(veyishroq)
en sist
עַל
(al)
om
כָּל
(kal)
al
מַכּוֹתֶֽיהָ
(makoteiha)
haar plagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
כֹּל עֹבֵר עַל בָּבֶל יִשֹּׁם וְיִשְׁרֹק עַל כָּל מַכּוֹתֶיהָ (kol over al Bavel yishom veyishrok al kol makkoteha), ‘ieder die langs Babel gaat, staat verbijsterd en sist om al haar plagen’: bijna dezelfde zin staat in Jer. 49:17 over Edom en in 19:8.
15Heft rondom een strijdkreet tegen haar aan. Zij heeft zich overgegeven. Haar steunpilaren zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken. Want dit is de wraak van Yahweh. Neem wraak op haar. Zoals zij gedaan heeft, doe haar.
הָרִ֨יעוּ
(hariu)
heft strijdkreet aan
עָלֶ֤יהָ
(aleiha)
tegen haar
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
נָתְנָ֣ה
(natena)
heeft gegeven
יָדָ֔הּ
(yadah)
haar hand
נָֽפְלוּ֙
(nafelu)
zijn gevallen
אָשְׁיוֹתֶ֔יהָ
(asheyoteiha)
haar steunpilaren
נֶהֶרְס֖וּ
(nehersu)
zijn afgebroken
חֽוֹמוֹתֶ֑יהָ
(chomoteiha)
haar muren
כִּי֩
(ki)
want
נִקְמַ֨ת
(niqmat)
wraak van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
הִיא֙
(hi)
zij
הִנָּ֣קְמוּ
(hinaqemu)
neemt wraak
בָ֔הּ
(bah)
op haar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשְׂתָ֖ה
(aseta)
zij heeft gedaan
עֲשׂוּ
(asu)
doet
לָֽהּ
(lah)
haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָתְנָה יָדָהּ (natenah yadah), ‘zij heeft haar hand gegeven’: een teken van overgave.
אָשְׁיוֹתֶיהָ (ashyoteha), ‘haar steunpilaren’: een zeldzaam woord; het zijn de pijlers of bolwerken van de stad. De betekenis is niet zeker.
נִקְמַת יְהוָה (niqmat Yahweh), ‘de wraak van Yahweh’: ook in vers 28 en 51:6, 11. Het woord niqmah heeft hier de zin van rechtsherstel.
16Roei de zaaier uit Babel uit, en wie de sikkel hanteert in de tijd van de oogst. Voor het zwaard van de verdrukker keert ieder zich naar zijn volk, en ieder vlucht naar zijn land.
כִּרְת֤וּ
(kirtu)
roeit uit
זוֹרֵ֨עַ֙
(zorea)
zaaier
מִבָּבֶ֔ל
(mibavel)
uit Babel
וְתֹפֵ֥שׂ
(vetofes)
en wie vasthoudt
מַגָּ֖ל
(magal)
sikkel
בְּעֵ֣ת
(beet)
in de tijd van
קָצִ֑יר
(qatsir)
oogst
מִפְּנֵי֙
(mipenei)
vanwege
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard van
הַיּוֹנָ֔ה
(hayona)
de onderdrukker
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
עַמּוֹ֙
(amo)
zijn volk
יִפְנ֔וּ
(yifnu)
zal zich keren
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en ieder
לְאַרְצ֖וֹ
(leartso)
naar zijn land
יָנֻֽסוּ
(yanusu)
zal vluchten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
חֶרֶב הַיּוֹנָה (cherev hayyonah), ‘het zwaard van de verdrukker’: yonah is hier het deelwoord van het werkwoord yanah, ‘verdrukken’.
Hetzelfde woord yonah betekent ook ‘duif’.
Zie ook 46:16 en 25:38.
Vreemdelingen in Babel keren terug naar hun eigen land, zoals de buitenlanders in Jes. 13:14.
17Israël is een verspreid schaap, leeuwen hebben het verjaagd. Eerst heeft de koning van Assyrië het opgegeten, en nu, als laatste, heeft Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn botten afgeknaagd.
שֶׂ֧ה
(se)
een schaap
פְזוּרָ֛ה
(pezura)
verspreid
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲרָי֣וֹת
(arayot)
leeuwen
הִדִּ֑יחוּ
(hidichu)
hebben verjaagd
הָרִאשׁ֤וֹן
(harishon)
de eerste
אֲכָלוֹ֙
(akhalo)
heeft het gegeten
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְזֶ֤ה
(veze)
en deze
הָאַחֲרוֹן֙
(haacharon)
laatste
עִצְּמ֔וֹ
(itsemo)
heeft zijn botten afgeknaagd
נְבוּכַדְרֶאצַּ֖ר
(nevukhadretsar)
Nebukadnezar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
עִצְּמוֹ (itsmo), ‘heeft zijn botten afgeknaagd’: het werkwoord is afgeleid van etsem, ‘bot’, en komt zelden voor.
De betekenis is ‘de botten stukbreken’ of ‘afknagen’.
Assyrië verwoestte het noordelijke rijk (2 Kon. 17:6) en Babel Jeruzalem (2 Kon. 25:1–21). Daarom volgt vers 18.
18Daarom, zo zegt Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël: „Zie, Ik straf de koning van Babel en zijn land. Ik straf hen zoals Ik de koning van Assyrië gestraft heb.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֥י
(hinni)
zie Mij
פֹקֵ֛ד
(poqed)
straffend
אֶל
(el)
over
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
וְאֶל
(veel)
en over
אַרְצ֑וֹ
(artso)
zijn land
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
פָּקַ֖דְתִּי
(paqadti)
Ik heb gestraft
אֶל
(el)
over
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Assur (Assyrië): Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.
Uitleg
יְהוָה צְבָאוֹת (Yahweh Tsevaot): zie Jer. 2:19.
פֹקֵד (poked), ‘straffend’: hetzelfde werkwoord pakad als in Jer. 49:8. Dat Yahweh de koning van Assyrië al gestraft heeft, wordt vaak verbonden met de val van Nineve (Nah. 3).
19Ik breng Israël terug naar zijn weide. Hij zal grazen op de Karmel en in Basan, en op het gebergte van Efraïm en in Gilead zal zijn ziel verzadigd worden.
וְשֹׁבַבְתִּ֤י
(veshovavti)
en Ik zal terugbrengen
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
נָוֵ֔הוּ
(navehu)
zijn weide
וְרָעָ֥ה
(veraa)
en hij zal grazen
הַכַּרְמֶ֖ל
(hakarmel)
de Karmel
וְהַבָּשָׁ֑ן
(vehabashan)
en Basan
וּבְהַ֥ר
(uvehar)
en op het gebergte van
אֶפְרַ֛יִם
(efrayim)
Efraïm
וְהַגִּלְעָ֖ד
(vehagilad)
en Gilead
תִּשְׂבַּ֥ע
(tisba)
zal verzadigd worden
נַפְשֽׁוֹ
(nafsho)
zijn ziel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
הַכַּרְמֶל וְהַבָּשָׁן וּבְהַר אֶפְרַיִם וְהַגִּלְעָד (haKarmel vehaBashan uvhar Efrayim vehaGil’ad), ‘de Karmel, Basan, het gebergte van Efraïm en Gilead’: de vruchtbare weidestreken van het oude noordelijke rijk en het gebied ten oosten van de Jordaan; zie Micha 7:14.
20In die dagen en in die tijd, godsspraak van Yahweh, zal men de schuld van Israël zoeken, maar zij is er niet. Men zal de zonden van Juda zoeken, maar zij zullen niet gevonden worden. Want Ik zal vergeven aan wie Ik laat overblijven.
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in dagen
הָהֵם֩
(hahem)
die
וּבָעֵ֨ת
(uvaet)
en in tijd
הַהִ֜יא
(hahi)
die
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יְבֻקַּ֞שׁ
(yevuqash)
zal gezocht worden
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֤ן
(avon)
de schuld van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְאֵינֶ֔נּוּ
(veeinenu)
en hij is er niet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חַטֹּ֥את
(chatot)
zonden van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תִמָּצֶ֑אינָה
(timatseyna)
zullen worden gevonden
כִּ֥י
(ki)
want
אֶסְלַ֖ח
(eslach)
Ik zal vergeven
לַאֲשֶׁ֥ר
(laasher)
aan wie
אַשְׁאִֽיר
(ashir)
Ik laat overblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶסְלַח (eslach), ‘Ik zal vergeven’: dit werkwoord heeft in het Hebreeuws alleen Yahweh of Elohim als onderwerp.
אַשְׁאִיר (ash’ir), ‘Ik laat overblijven’: dezelfde woordstam als she’erit en she’ar, ‘de overgeblevenen’.
21Trek op tegen het land Merataim, trek op tegen haar, en tegen de inwoners van Pekod. Verwoest en wijd aan de ban, hen achterna, godsspraak van Yahweh. Doe alles wat Ik je bevolen heb.”
עַל
(al)
tegen
הָאָ֤רֶץ
(haarets)
het land
מְרָתַ֨יִם֙
(meratayim)
Merataim
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
עָלֶ֔יהָ
(aleiha)
tegen haar
וְאֶל
(veel)
en tegen
יוֹשְׁבֵ֖י
(yoshevei)
inwoners van
פְּק֑וֹד
(peqod)
Pekod
חֲרֹ֨ב
(charov)
verwoest
וְהַחֲרֵ֤ם
(vehacharem)
en wijd aan de ban
אַֽחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
hen achterna
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַעֲשֵׂ֕ה
(vaase)
en doe
כְּכֹ֖ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
צִוִּיתִֽיךָ
(tsivitikha)
Ik je heb bevolen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Merataim (zuidelijk Babylonië; ligging onzeker): Merataim (‘dubbele opstand’) is een spottende naam voor het land Marratu, het zuiden van Babylonië aan de Perzische Golf (Jeremia 50:21).
Uitleg
מְרָתַיִם (Merataim), ‘Merataim’: een woordspeling.
Het klinkt als ‘dubbele opstand’ (marah, ‘opstandig zijn’).
Het kan verwijzen naar een streek in het zuiden van Babel, aan de Perzische Golf (Akkadisch Marratu); dat is onzeker.
פְּקוֹד (Pekod), ‘Pekod’: klinkt als pakad, ‘straffen’ (zie vers 18). Het was vermoedelijk een Aramese stam oostelijk van de Tigris; ook dat is onzeker.
חֲרֹב וְהַחֲרֵם (charov vehacharem), ‘verwoest en wijd aan de ban’: charov is een gebiedende wijs; vergelijk het woord ‘zwaard’ (cherev) in de verzen hierna. Cherem betekent ‘aan de ban wijden’: aan Yahweh toewijzen door te vernietigen (Deut. 20:17).
23Hoe is de hamer van heel de aarde afgehouwen en verbrijzeld! Hoe is Babel een verwoesting geworden onder de volken!
אֵ֤יךְ
(eikh)
hoe
נִגְדַּע֙
(nigda)
is afgehouwen
וַיִּשָּׁבֵ֔ר
(vayishaver)
en is verbrijzeld
פַּטִּ֖ישׁ
(patish)
hamer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
אֵ֣יךְ
(eikh)
hoe
הָיְתָ֧ה
(hayeta)
is geworden
לְשַׁמָּ֛ה
(leshama)
tot een verwoesting
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
בַּגּוֹיִֽם
(bagoyim)
onder de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
פַּטִּישׁ כָּל הָאָרֶץ (pattish kol ha’arets), ‘de hamer van heel de aarde’: Babel was Yahweh’s hamer tegen de volken (vergelijk de ‘moker’ in Jer. 51:20–23).
24Ik heb een strik voor je gespannen, en ook ben je gevangen, Babel, en jij wist het niet. Je bent gevonden en ook gegrepen, want je hebt Yahweh uitgedaagd.
יָקֹ֨שְׁתִּי
(yaqoshti)
ik heb een strik gespannen
לָ֤ךְ
(lakh)
voor je
וְגַם
(vegam)
en ook
נִלְכַּדְתְּ֙
(nilkadt)
ben je gevangen
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וְאַ֖תְּ
(veat)
en jij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֑עַתְּ
(yadaat)
wist het
נִמְצֵאת֙
(nimtset)
je bent gevonden
וְגַם
(vegam)
en ook
נִתְפַּ֔שְׂתְּ
(nitpast)
je bent gegrepen
כִּ֥י
(ki)
want
בַֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
הִתְגָּרִֽית
(hitgarit)
heb je je gekeerd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
יָקֹשְׁתִּי (yaqashti), ‘Ik heb een strik gespannen’: het Hebreeuws zegt niet wie spreekt.
De rest van het vers spreekt over Yahweh in de derde persoon (‘tegen Yahweh’).
Daarom staat het vers zwart, als woord van de profeet.
25Yahweh heeft Zijn schatkamer geopend en de wapens van Zijn gramschap tevoorschijn gebracht. Want dit is een werk van Heer Yahweh van de legermachten in het land van de Chaldeeën.
פָּתַ֤ח
(patach)
heeft geopend
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
א֣וֹצָר֔וֹ
(otsaro)
Zijn schatkamer
וַיּוֹצֵ֖א
(vayotse)
en heeft tevoorschijn gebracht
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
de wapens van
זַעְמ֑וֹ
(zamo)
Zijn gramschap
כִּי
(ki)
want
מְלָאכָ֣ה
(melakha)
een werk
הִ֗יא
(hi)
het is
לַֽאדֹנָ֧י
(ladonay)
van de Heer
יְהוִ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֖וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
כַּשְׂדִּֽים
(kasdim)
de Chaldeeën
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
לַאדֹנָי יְהוִה צְבָאוֹת (la’Adonai Yahweh Tsevaot), ‘van Heer Yahweh van de legermachten’: zie Jer. 2:19.
אוֹצָרוֹ (otsaro), ‘Zijn schatkamer’: hier de voorraadkamer voor wapens.
כְּלֵי זַעְמוֹ (kelei za’mo), ‘de wapens van Zijn gramschap’: zoals in Jes. 13:5.
26Kom tegen haar op van het uiterste einde. Open haar voorraadschuren. Stapel haar op als hopen en wijd haar aan de ban. Laat haar geen overgeblevenen hebben.
בֹּֽאוּ
(bou)
komt
לָ֤הּ
(lah)
tegen haar
מִקֵּץ֙
(miqets)
van het uiterste einde
פִּתְח֣וּ
(pitchu)
opent
מַאֲבֻסֶ֔יהָ
(maavuseiha)
haar voorraadschuren
סָלּ֥וּהָ
(saluha)
stapelt haar op
כְמוֹ
(kemo)
als
עֲרֵמִ֖ים
(aremim)
hopen
וְהַחֲרִימ֑וּהָ
(vehacharimuha)
en wijdt haar aan de ban
אַל
(al)
niet
תְּהִי
(tehi)
laat zijn
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
שְׁאֵרִֽית
(sheerit)
overgeblevenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִקֵּץ (miqqets), ‘van het uiterste einde’: letterlijk ‘vanaf het einde’.
Het kan ook ‘van alle kanten’ betekenen; dat is onzeker.
מַאֲבֻסֶיהָ (ma’abusseha), ‘haar voorraadschuren’, en עֲרֵמִים (aremim), ‘hopen’: Babel wordt geplunderd als een schuur en opgehoopt als graan.
וְהַחֲרִימוּהָ (vehacharimuha), ‘en wijd haar aan de ban’: zie vers 21.
28Het geluid van vluchtelingen en ontkomenen uit het land Babel! Zij komen om in Sion de wraak van Yahweh, onze Elohim, te verkondigen, de wraak voor Zijn tempel.
ק֥וֹל
(qol)
geluid van
נָסִ֛ים
(nasim)
vluchtelingen
וּפְלֵטִ֖ים
(ufeletim)
en ontkomenen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
לְהַגִּ֣יד
(lehagid)
om te verkondigen
בְּצִיּ֗וֹן
(betsiyon)
in Sion
אֶת
(et)
(obj.)
נִקְמַת֙
(niqmat)
de wraak van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נִקְמַ֖ת
(niqmat)
wraak voor
הֵיכָלֽוֹ
(heikhalo)
Zijn tempel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord: ‘het geluid van vluchtelingen en ontkomenen uit het land Babel, om te verkondigen in Sion…’.
Wij vullen ‘zij komen’ aan.
נִקְמַת הֵיכָלוֹ (niqmat heikhalo), ‘de wraak voor Zijn tempel’: Babel verwoestte de tempel (2 Kon. 25:9). Zie ook 51:11.
29Roep velen op tegen Babel, allen die de boog spannen. Sla rondom een kamp tegen haar op. Laat niemand ontkomen. Betaal haar naar haar daad terug. Doe haar overeenkomstig alles wat zij gedaan heeft. Want zij heeft verwaand gehandeld tegen Yahweh, tegen de Heilige van Israël.
הַשְׁמִ֣יעוּ
(hashmiu)
laat horen
אֶל
(el)
tegen
בָּבֶ֣ל
(bavel)
Babel
רַ֠בִּים
(rabim)
velen
כָּל
(kal)
allen
דֹּ֨רְכֵי
(dorekhei)
die spannen
קֶ֜שֶׁת
(qeshet)
de boog
חֲנ֧וּ
(chanu)
slaat een kamp op
עָלֶ֣יהָ
(aleiha)
tegen haar
סָבִ֗יב
(saviv)
rondom
אַל
(al)
niet
יְהִי
(yehi)
laat zijn
פְּלֵטָ֔ה
(peleta)
ontkomene
שַׁלְּמוּ
(shalemu)
betaalt terug
לָ֣הּ
(lah)
haar
כְּפָעֳלָ֔הּ
(kefaolah)
naar haar daad
כְּכֹ֛ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשְׂתָ֖ה
(aseta)
zij heeft gedaan
עֲשׂוּ
(asu)
doet
לָ֑הּ
(lah)
haar
כִּ֧י
(ki)
want
אֶל
(el)
tegen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
זָ֖דָה
(zada)
heeft zij verwaand gehandeld
אֶל
(el)
tegen
קְד֥וֹשׁ
(qedosh)
de Heilige van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
כְּפָעֳלָהּ (kefa’olah), ‘naar haar daad’: wat Babel deed, wordt haar aangedaan, zoals in vers 15.
זָדָה (zadah), ‘verwaand gehandeld’: de wortel van zadon, ‘Overmoed’ (vers 31).
קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל (qedosh Yisra’el), ‘de Heilige van Israël’: een titel die Jesaja vaak gebruikt. In Jeremia staat hij alleen hier en in 51:5.
32Overmoed zal struikelen en vallen, en niemand richt hem op. Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat al zijn omgeving verteert.”
וְכָשַׁ֤ל
(vekhashal)
en zal struikelen
זָדוֹן֙
(zadon)
Overmoed
וְנָפַ֔ל
(venafal)
en zal vallen
וְאֵ֥ין
(veein)
en niet
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
מֵקִ֑ים
(meqim)
iemand die opricht
וְהִצַּ֤תִּי
(vehitsati)
en Ik zal aansteken
אֵשׁ֙
(esh)
vuur
בְּעָרָ֔יו
(bearav)
in zijn steden
וְאָכְלָ֖ה
(veakhela)
en het zal verteren
כָּל
(kal)
alles
סְבִיבֹתָֽיו
(sevivotav)
rondom hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְהִצַּתִּי אֵשׁ בְּעָרָיו וְאָכְלָה כָּל סְבִיבֹתָיו (vehatsetti esh be’areiv va’achelah kol sevivav), ‘Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat al zijn omgeving verteert’: vergelijk Jer. 21:14.
33Zo zegt Yahweh van de legermachten: „Onderdrukt zijn de zonen van Israël en de zonen van Juda samen. Allen die hen gevangen namen, houden hen vast. Zij weigeren hen te laten gaan.”
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
עֲשׁוּקִ֛ים
(ashuqim)
onderdrukt
בְּנֵי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֥ל
(yisrael)
Israël
וּבְנֵי
(uvenei)
en zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
יַחְדָּ֑ו
(yachdav)
samen
וְכָל
(vekhal)
en allen
שֹֽׁבֵיהֶם֙
(shoveihem)
die hen gevangen namen
הֶחֱזִ֣יקוּ
(hecheziqu)
houden vast
בָ֔ם
(bam)
hen
מֵאֲנ֖וּ
(meanu)
weigeren
שַׁלְּחָֽם
(shalecham)
hen te laten gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲשׁוּקִים (ashuqim), ‘onderdrukt’: het volk wordt geweld aangedaan en vastgehouden, zoals Israël in Egypte.
34Hun Verlosser is sterk, Yahweh van de legermachten is Zijn naam. Hij zal hun rechtszaak zeker voeren, zodat Hij het land rust geeft en de inwoners van Babel doet beven.
גֹּאֲלָ֣ם
(goalam)
hun Verlosser
חָזָ֗ק
(chazaq)
sterk
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
שְׁמ֔וֹ
(shemo)
Zijn naam
רִ֥יב
(riv)
rechtszaak
יָרִ֖יב
(yariv)
zal Hij zeker voeren
אֶת
(et)
(obj.)
רִיבָ֑ם
(rivam)
hun rechtszaak
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
opdat
הִרְגִּ֣יעַ
(hirgia)
Hij rust geeft
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וְהִרְגִּ֖יז
(vehirgiz)
en doet beven
לְיֹשְׁבֵ֥י
(leyoshevei)
de inwoners van
בָבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
גֹּאֲלָם (go’alam), ‘hun Verlosser’: de go’el is de naaste verwant die iemand loskoopt en zijn recht herstelt (Lev. 25:25; Jes. 41:14).
רִיב יָרִיב אֶת רִיבָם (riv yariv et rivam), ‘Hij zal hun rechtszaak zeker voeren’: Yahweh treedt op als advocaat van Zijn volk (Jes. 49:25).
הִרְגִּיעַ (hirgia), ‘rust geven’, en וְהִרְגִּיז (vehirgiz), ‘doen beven’: een woordspeling met twee klankverwante werkwoorden.
37Een zwaard over zijn paarden en zijn wagens en over heel de gemengde schare in haar midden, zodat zij tot vrouwen worden. Een zwaard over haar schatten, zodat zij geplunderd worden.
חֶ֜רֶב
(cherev)
zwaard
אֶל
(el)
over
סוּסָ֣יו
(susav)
zijn paarden
וְאֶל
(veel)
en over
רִכְבּ֗וֹ
(rikhbo)
zijn wagens
וְאֶל
(veel)
en over
כָּל
(kal)
heel
הָעֶ֛רֶב
(haerev)
de gemengde schare
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּתוֹכָ֖הּ
(betokhah)
in haar midden is
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zij zullen worden
לְנָשִׁ֑ים
(lenashim)
tot vrouwen
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard
אֶל
(el)
over
אוֹצְרֹתֶ֖יהָ
(otseroteiha)
haar schatten
וּבֻזָּֽזוּ
(uvuzazu)
en zij zullen geplunderd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כָּל הָעֶרֶב (kol ha’erev), ‘heel de gemengde schare’: de vreemden die bij een volk wonen en meetrekken (Exod. 12:38; Jer. 25:20).
וְהָיוּ לְנָשִׁים (vehayu lenashim), ‘zodat zij tot vrouwen worden’: de krijgers worden even zwak en weerloos als vrouwen. Zie ook Nah. 3:13.
39Daarom zullen woestijndieren met hyena's daar wonen, en struisvogels zullen er wonen. Zij wordt voor altijd niet meer bewoond en van generatie op generatie niet bevolkt.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
יֵשְׁב֤וּ
(yeshevu)
zullen wonen
צִיִּים֙
(tsiyim)
woestijndieren
אֶת
(et)
met
אִיִּ֔ים
(iyim)
hyena's
וְיָ֥שְׁבוּ
(veyashevu)
en zullen wonen
בָ֖הּ
(bah)
daarin
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
יַֽעֲנָ֑ה
(yaana)
struisvogel
וְלֹֽא
(velo)
en niet
תֵשֵׁ֥ב
(teshev)
zal bewoond worden
עוֹד֙
(od)
meer
לָנֶ֔צַח
(lanetsach)
voor altijd
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִשְׁכּ֖וֹן
(tishkon)
zal bevolkt worden
עַד
(ad)
tot
דּ֥וֹר
(dor)
generatie
וָדֽוֹר
(vador)
en generatie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צִיִּים (tsiyyim), ‘woestijndieren’, אִיִּים (iyyim), ‘hyena’s’, en בְּנוֹת יַעֲנָה (bnot ya’anah), ‘struisvogels’: dieren die in verlaten ruïnes wonen, zoals in Jes. 13:21–22.
40„Zoals toen Elohim Sodom en Gomorra en hun buursteden omkeerde, godsspraak van Yahweh, zal daar niemand wonen en geen mensenkind in haar verblijven.”
כְּמַהְפֵּכַ֨ת
(kemahpekhat)
zoals de omkering door
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
סְדֹ֧ם
(sedom)
Sodom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲמֹרָ֛ה
(amora)
Gomorra
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁכֵנֶ֖יהָ
(shekheneiha)
haar buren
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹֽא
(lo)
niet
יֵשֵׁ֥ב
(yeshev)
zal wonen
שָׁם֙
(sham)
daar
אִ֔ישׁ
(ish)
man
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָג֥וּר
(yagur)
zal verblijven
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָֽם
(adam)
mens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sodom en Gomorra: De ligging van Sodom en Gomorra is niet met zekerheid bekend; ze worden bij de Dode Zee gezocht.
Uitleg
Dit vers staat bijna woordelijk in Jer. 49:18 over Edom.
Hier staat erbij: ‘Elohim’ als onderwerp van het omkeren en ‘godsspraak’ (49:18 ‘zegt’).
42Boog en werpspies grijpen zij vast. Wreed zijn zij en zij ontfermen zich niet. Hun stem bruist als de zee en zij rijden op paarden, opgesteld als één man voor de strijd, tegen jou, Dochter van Babel.
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
boog
וְכִידֹ֞ן
(vekhidon)
en werpspies
יַחֲזִ֗יקוּ
(yachaziqu)
zij grijpen
אַכְזָרִ֥י
(akhzari)
wreed
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij zijn
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְרַחֵ֔מוּ
(yerachemu)
zullen zij zich ontfermen
קוֹלָם֙
(qolam)
hun stem
כַּיָּ֣ם
(kayam)
als de zee
יֶהֱמֶ֔ה
(yeheme)
bruist
וְעַל
(veal)
en op
סוּסִ֖ים
(susim)
paarden
יִרְכָּ֑בוּ
(yirkavu)
rijden zij
עָר֗וּךְ
(arukh)
opgesteld
כְּאִישׁ֙
(keish)
als een man
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
voor de strijd
עָלַ֖יִךְ
(alayikh)
tegen jou
בַּת
(bat)
dochter van
בָּבֶֽל
(bavel)
Babel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Dit vers komt vrijwel overeen met Jer. 6:23, daar over Sion; het slot luidt hier ‘Dochter van Babel’.
וְכִידֹן (vekhidon), ‘werpspies’: een korte spies die men naar de vijand werpt (Joz. 8:18).
עָרוּךְ כְּאִישׁ לַמִּלְחָמָה (arukh ke’ish lamilchamah), ‘opgesteld als één man voor de strijd’: dicht gesloten rijen.
43De koning van Babel heeft het bericht over hen gehoord. Zijn handen zijn slap geworden. Benauwdheid heeft hem gegrepen, weeën als van een barende vrouw.
שָׁמַ֧ע
(shama)
heeft gehoord
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
בָּבֶ֛ל
(bavel)
Babel
אֶת
(et)
(obj.)
שִׁמְעָ֖ם
(shimam)
het bericht over hen
וְרָפ֣וּ
(verafu)
en zijn slap geworden
יָדָ֑יו
(yadav)
zijn handen
צָרָה֙
(tsara)
nood
הֶחֱזִיקַ֔תְהוּ
(hecheziqathu)
heeft hem gegrepen
חִ֖יל
(chil)
weeën
כַּיּוֹלֵדָֽה
(kayoleda)
als een barende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Uitleg
Vergelijk Jer. 6:24.
De woorden צָרָה הֶחֱזִיקַתְהוּ חִיל כַּיּוֹלֵדָה (tsarah hechezikathu chil keyyoledah), ‘nood heeft hem gegrepen, weeën als van een barende’, staan ook in Jer. 6:24, daar met ‘ons’ in plaats van ‘hem’.
44„Zie, als een leeuw komt hij op uit het struikgewas van de Jordaan naar een duurzame weide. Want in een oogwenk jaag Ik hen van haar weg. En wie is de uitverkorene die Ik daarover aanstel? Want wie is als Ik, en wie daagt Mij? En wie is die herder die voor Mijn aangezicht standhoudt?”
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
כְּאַרְיֵ֞ה
(kearye)
als een leeuw
יַעֲלֶ֨ה
(yaale)
komt hij op
מִגְּא֣וֹן
(migeon)
uit het struikgewas van
הַיַּרְדֵּן֮
(hayarden)
de Jordaan
אֶל
(el)
naar
נְוֵ֣ה
(neve)
weide van
אֵיתָן֒
(eitan)
duurzame
כִּֽי
(ki)
want
אַרְגִּ֤עָה
(argia)
in een oogwenk
אֲרִיצֵם֙
(aritsem)
zal Ik hen wegjagen
מֵֽעָלֶ֔יהָ
(mealeiha)
van haar
וּמִ֥י
(umi)
en wie
בָח֖וּר
(bachur)
uitverkorene
אֵלֶ֣יהָ
(eleiha)
daarover
אֶפְקֹ֑ד
(efqod)
zal Ik aanstellen
כִּ֣י
(ki)
want
מִ֤י
(mi)
wie
כָמ֨וֹנִי֙
(kamoni)
is als Ik
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יוֹעִדֶ֔נִּי
(yoideni)
zal Mij dagen
וּמִֽי
(umi)
en wie
זֶ֣ה
(ze)
is deze
רֹעֶ֔ה
(roe)
herder
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יַעֲמֹ֖ד
(yaamod)
zal standhouden
לְפָנָֽי
(lefanay)
voor Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
De verzen 44–46 zijn bijna woordelijk gelijk aan Jer. 49:19–21, daar over Edom.
Verschillen: daar ‘Ik zal hem wegjagen’ (אריצנו, aritsennu) en hier ‘hen’; daar ‘Ik jaag in een oogwenk’ (ארגיעה) en hier een iets andere vorm (אַרְגִּעָה); en daar ‘Mij dagen’ (יעידני) tegenover hier יוֹעִדֶנִּי (yo’edeni).
45Daarom, hoor het besluit van Yahweh dat Hij tegen Babel heeft genomen, en Zijn plannen die Hij heeft bedacht tegen het land van de Chaldeeën. Voorwaar, de kleinsten van de kudde zullen hen wegslepen. Voorwaar, Hij zal de weide met hen verwoesten.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
שִׁמְע֣וּ
(shimu)
hoort
עֲצַת
(atsat)
het besluit van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יָעַץ֙
(yaats)
Hij heeft genomen
אֶל
(el)
tegen
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
וּמַ֨חְשְׁבוֹתָ֔יו
(umachshevotav)
en Zijn plannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
חָשַׁ֖ב
(chashav)
Hij heeft bedacht
אֶל
(el)
tegen
אֶ֣רֶץ
(erets)
het land van
כַּשְׂדִּ֑ים
(kasdim)
de Chaldeeën
אִם
(im)
voorwaar
לֹ֤א
(lo)
(als niet)
יִסְחָבוּם֙
(yischavum)
zullen hen wegslepen
צְעִירֵ֣י
(tseirei)
de kleinsten van
הַצֹּ֔אן
(hatson)
de kudde
אִם
(im)
voorwaar
לֹ֥א
(lo)
(als niet)
יַשִּׁ֛ים
(yashim)
zal Hij verwoesten
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over hen
נָוֶֽה
(nave)
de weide
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
Dit vers staat bijna woordelijk in 49:20, daar over Edom en Teman.
Het verschil is ‘de weide’ (נָוֶה, naveh) tegenover daar ‘hun weide’ (navehem).