Elohim Bijbel

Ezechiël 13

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Yahweh keert Zich tegen de valse profeten en profetessen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Profeteer tegen de profeten van Israël

2„Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël, die profeteren. Zeg tegen de profeten die uit hun eigen hart profeteren: Hoor het woord van Yahweh.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הִנָּבֵ֛א
(hinave)
profeteer
אֶל
(el)
tegen
נְבִיאֵ֥י
(neviei)
profeten van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הַנִּבָּאִ֑ים
(hanibaim)
die profeteren
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
לִנְבִיאֵ֣י
(linviei)
tegen de profeten van
מִלִּבָּ֔ם
(milibam)
uit hun hart
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoort
דְּבַר
(devar)
woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּן־אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: zo spreekt Yahweh Ezechiël steeds aan.

Het woord betekent letterlijk ‘zoon van een mens’.

Zie ook Ezech. 2:1.

מִלִּבָּם (millibbam), ‘uit hun eigen hart’: zij profeteren wat zij zelf bedenken, niet wat Yahweh heeft gezegd. Zie ook vers 17.

Hier begint Yahweh te spreken. Zijn toespraak loopt tot en met vers 23 en staat rood. De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat telkens zwart, zoals in Jes. 7:7. De woorden die erop volgen zijn weer rood.

3Zo zegt Heer Yahweh: Wee over de dwaze profeten, die hun eigen geest volgen en niets hebben gezien.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
ה֖וֹי
(hoy)
wee
עַל
(al)
over
הַנְּבִיאִ֣ים
(haneviim)
de profeten
הַנְּבָלִ֑ים
(hanevalim)
de dwaze
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֹלְכִ֛ים
(holekhim)
lopen
אַחַ֥ר
(achar)
achter
רוּחָ֖ם
(rucham)
hun geest
וּלְבִלְתִּ֥י
(ulevilti)
en zonder
רָאֽוּ
(rau)
zij hebben gezien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: Adonai betekent ‘mijn Heer’.

Zie Ezech. 2:4, waar de uitleg bij deze naam staat.

הוֹי (hoy), ‘wee’: een uitroep van aanklacht, zoals in Jes. 1:4.

הַנְּבָלִים (hannevalim), ‘de dwaze’: een נָבָל (naval) is de dwaas die geen rekening houdt met Elohim; zie Ps. 14:1.

רוּחָם (rucham), ‘hun geest’: het woord רוּחַ (ruach) betekent ‘geest’ en ‘wind’. Hier is het wat zij zelf bedenken, niet de Geest van Yahweh.

וּלְבִלְתִּי רָאוּ (ulevilti ra’u), ‘en niets hebben gezien’: letterlijk ‘en zonder te zien’. Zij hebben geen visioen van Yahweh gehad.

4Je profeten, Israël, zijn geweest als jakhalzen tussen puinhopen.
כְּשֻׁעָלִ֖ים
(keshualim)
als jakhalzen
בָּחֳרָב֑וֹת
(bachoravot)
in puinhopen
נְבִיאֶ֥יךָ
(nevieikha)
je profeten
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הָיֽוּ
(hayu)
zijn geweest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּשֻׁעָלִים (keshu’alim), ‘jakhalzen’: het woord kan ook ‘vossen’ betekenen.

Zulke dieren leven in puinhopen.

Zij beschermen niets, maar benutten de verwoesting.

5Jullie zijn niet in de bressen opgeklommen. Jullie hebben geen muur gebouwd voor het huis van Israël om stand te houden in de strijd op de dag van Yahweh.
לֹ֤א
(lo)
niet
עֲלִיתֶם֙
(alitem)
jullie zijn opgeklommen
בַּפְּרָצ֔וֹת
(baperatsot)
in de bressen
וַתִּגְדְּר֥וּ
(vatigderu)
en jullie hebben gebouwd
גָדֵ֖ר
(gader)
muur
עַל
(al)
rondom
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לַעֲמֹ֥ד
(laamod)
om stand te houden
בַּמִּלְחָמָ֖ה
(bamilchama)
in de strijd
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּרָצוֹת (peratsot), ‘bressen’: gaten in de stadsmuur.

De profeten hadden zich, zoals muurwachters, in die bressen moeten stellen en de muur moeten herstellen.

Vergelijk Ps. 106:23.

יוֹם יְהוָה (yom Yahweh), ‘de dag van Yahweh’: de dag waarop Yahweh oordeelt; zie Amos 5:18–20 en Joël 2:1.

6Zij hebben leegte gezien en leugenachtige waarzeggerij. Zij zeggen: ‘Godsspraak van Yahweh’, maar Yahweh heeft hen niet gezonden. Toch hopen zij dat het woord zal uitkomen.
חָ֤זוּ
(chazu)
zij hebben gezien
שָׁוְא֙
(shave)
leegte
וְקֶ֣סֶם
(veqesem)
en waarzegging van
כָּזָ֔ב
(kazav)
leugen
הָאֹֽמְרִים֙
(haomerim)
die zeggen
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַֽיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
לֹ֣א
(lo)
niet
שְׁלָחָ֑ם
(shelacham)
heeft hen gezonden
וְיִֽחֲל֖וּ
(veyichalu)
en zij hopen
לְקַיֵּ֥ם
(leqayem)
te laten uitkomen
דָּבָֽר
(davar)
woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֶסֶם (qesem), ‘waarzeggerij’: het zoeken van tekens voor de toekomst.

Het is verboden in Deut. 18:10.

נְאֻם־יְהוָה (ne’um Yahweh), ‘godsspraak van Yahweh’: een vaste formule die zegt dat Yahweh spreekt. Zie Ezech. 5:11, waar de uitleg bij deze formule staat. Hier gebruiken de valse profeten haar ten onrechte.

וְיִחֲלוּ (veyichalu), ‘en zij hopen’: zij verwachten dat Yahweh hun woord waar zal maken.

7Hebben jullie niet een leeg visioen gezien en leugenachtige waarzeggerij uitgesproken? Jullie zeggen: ‘Godsspraak van Yahweh’, terwijl Ik niet gesproken heb.
הֲל֤וֹא
(halo)
toch niet
מַֽחֲזֵה
(machaze)
visioen van
שָׁוְא֙
(shave)
leegte
חֲזִיתֶ֔ם
(chazitem)
jullie hebben gezien
וּמִקְסַ֥ם
(umiqsam)
en waarzegging van
כָּזָ֖ב
(kazav)
leugen
אֲמַרְתֶּ֑ם
(amartem)
jullie hebben gesproken
וְאֹֽמְרִים֙
(veomerim)
en zeggend
נְאֻם
(neum)
godsspraak van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en Ik
לֹ֥א
(lo)
niet
דִבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַחֲזֵה־שָׁוְא (machazeh shav), ‘een leeg visioen’: letterlijk ‘een visioen van leegte’.

Het is een visioen zonder inhoud, dat niet van Yahweh komt.

8Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Omdat jullie leegte spreken en leugen zien, daarom: zie, Ik ben tegen jullie, godsspraak van Heer Yahweh.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
דַּבֶּרְכֶ֣ם
(daberkhem)
jullie spreken
שָׁ֔וְא
(shave)
leegte
וַחֲזִיתֶ֖ם
(vachazitem)
en jullie zien
כָּזָ֑ב
(kazav)
leugen
לָכֵן֙
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie Ik ben
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tegen jullie
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִנְנִי אֲלֵיכֶם (hineni alekhem), ‘zie, Ik ben tegen jullie’: een oordeelsformule, ook in Nah. 2:14 en 3:5.

Yahweh stelt Zich tegenover degene die Hij aanspreekt.

9Mijn hand zal tegen de profeten zijn die leegte zien en leugen voorspellen. In de kring van Mijn volk zullen zij niet zijn. In het register van het huis van Israël zullen zij niet ingeschreven worden. In het land van Israël zullen zij niet komen. Dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben.
וְהָיְתָ֣ה
(vehayeta)
en zal zijn
יָדִ֗י
(yadi)
Mijn hand
אֶֽל
(el)
tegen
הַנְּבִיאִ֞ים
(haneviim)
de profeten
הַחֹזִ֣ים
(hachozim)
die zien
שָׁוְא֮
(shave)
leegte
וְהַקֹּסְמִ֣ים
(vehaqosemim)
en die waarzeggen
כָּזָב֒
(kazav)
leugen
בְּס֧וֹד
(besod)
in de kring van
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
לֹֽא
(lo)
niet
יִהְי֗וּ
(yihyu)
zullen zij zijn
וּבִכְתָ֤ב
(uvikhtav)
en in het register van
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לֹ֣א
(lo)
niet
יִכָּתֵ֔בוּ
(yikatevu)
zullen zij ingeschreven worden
וְאֶל
(veel)
en naar
אַדְמַ֥ת
(admat)
land van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֹ֣א
(lo)
niet
יָבֹ֑אוּ
(yavou)
zullen zij komen
וִידַעְתֶּ֕ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סוֹד עַמִּי (sod ammi), ‘de kring van Mijn volk’: de kring waarin men vertrouwelijk overlegt.

Wie hier niet bij hoort, valt buiten de gemeenschap.

כְּתָב בֵּית־יִשְׂרָאֵל (ketav beit Yisra’el), ‘het register van het huis van Israël’: de lijst van wie tot Israël behoort. De profeten zullen daar niet in staan en niet naar het land terugkeren.

וִידַעְתֶּם כִּי־אֲנִי אֲדֹנָי יְהוִה (vida’tem ki ani Adonai Yahweh), ‘dan zullen jullie weten dat Ik Heer Yahweh ben’: een vaste formule in Ezechiël. Wie het oordeel ondergaat, erkent dan wie Yahweh is.

Een muur met waardeloze kalk

10Omdat, ja omdat zij Mijn volk hebben misleid door te zeggen: ‘Vrede’, terwijl er geen vrede is. Men bouwt een muurtje, en zij besmeren het met waardeloze kalk.
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
וּבְיַ֜עַן
(uveyaan)
en omdat
הִטְע֧וּ
(hitu)
zij hebben misleid
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֛י
(ami)
Mijn volk
לֵאמֹ֥ר
(lemor)
om te zeggen
שָׁל֖וֹם
(shalom)
vrede
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
שָׁל֑וֹם
(shalom)
vrede
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
בֹּ֣נֶה
(bone)
bouwt
חַ֔יִץ
(chayits)
muurtje
וְהִנָּ֛ם
(vehinam)
en zie zij
טָחִ֥ים
(tachim)
besmeren
אֹת֖וֹ
(oto)
het
תָּפֵֽל
(tafel)
waardeloze kalk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַיִץ (chayits), ‘muurtje’: een los opgestapelde muur.

Het is geen echte stadsmuur.

Het woord komt maar hier voor.

תָּפֵל (tafel), ‘waardeloze kalk’: het woord betekent ‘smakeloos’ (Job 6:6). Hier gaat het om pleister die niet bindt en de muur niet sterker maakt. De betekenis is niet helemaal zeker. De profeten verbloemen zo de zwakte van het volk met een leugen: ‘Vrede’.

שָׁלוֹם (shalom), ‘vrede’: zie ook vers 16.

11Zeg tegen hen die het met waardeloze kalk besmeren: Het zal vallen. Er komt een wegspoelende regen. Jullie, hagelstenen, zullen neerstorten, en een stormwind zal het splijten.
אֱמֹ֛ר
(emor)
zeg
אֶל
(el)
tegen
טָחֵ֥י
(tachei)
bepleisteraars van
תָפֵ֖ל
(tafel)
waardeloze kalk
וְיִפֹּ֑ל
(veyipol)
en het zal vallen
הָיָ֣ה
(haya)
er komt
גֶּ֣שֶׁם
(geshem)
regen
שׁוֹטֵ֗ף
(shotef)
wegspoelende
וְאַתֵּ֜נָה
(veatena)
en jullie
אַבְנֵ֤י
(avnei)
stenen van
אֶלְגָּבִישׁ֙
(elgavish)
hagel
תִּפֹּ֔לְנָה
(tipolena)
zullen vallen
וְר֥וּחַ
(veruach)
en wind van
סְעָר֖וֹת
(searot)
stormen
תְּבַקֵּֽעַ
(tevaqea)
zal splijten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶלְגָּבִישׁ (elgavish), ‘hagelstenen’: een zeldzaam woord, letterlijk ‘stenen van hagel’.

Het komt alleen voor in 13:11, 13:13 en 38:22.

וְאַתֵּנָה (ve’attenah), ‘en jullie’: het is een vrouwelijke vorm. De hagelstenen worden zelf aangesproken.

Sommige oude vertalingen lezen aan het begin van het vers anders.

12Zie, de muur is gevallen. Zal er dan niet tegen jullie gezegd worden: ‘Waar is de pleisterlaag waarmee jullie hem hebben bestreken?’
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
נָפַ֣ל
(nafal)
is gevallen
הַקִּ֑יר
(haqir)
de muur
הֲלוֹא֙
(halo)
toch niet
יֵאָמֵ֣ר
(yeamer)
zal gezegd worden
אֲלֵיכֶ֔ם
(aleikhem)
tegen jullie
אַיֵּ֥ה
(aye)
waar
הַטִּ֖יחַ
(hatiach)
de pleisterlaag
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
טַחְתֶּֽם
(tachtem)
jullie hebben bestreken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַטִּיחַ (hatiach), ‘de pleisterlaag’: het woord komt alleen hier voor.

Het hoort bij het werkwoord טוּחַ (tuach), ‘bepleisteren’.

13Daarom, zo zegt Heer Yahweh: In Mijn woede laat Ik een stormwind losbreken. In Mijn toorn komt een wegspoelende regen, en hagelstenen in grimmige woede, tot vernietiging.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבִקַּעְתִּ֥י
(uviqati)
en Ik zal laten losbreken
רֽוּחַ
(ruach)
wind van
סְעָר֖וֹת
(searot)
stormen
בַּֽחֲמָתִ֑י
(bachamati)
in Mijn woede
וְגֶ֤שֶׁם
(vegeshem)
en regen
שֹׁטֵף֙
(shotef)
wegspoelende
בְּאַפִּ֣י
(beapi)
in Mijn toorn
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
וְאַבְנֵ֥י
(veavnei)
en stenen van
אֶלְגָּבִ֖ישׁ
(elgavish)
hagel
בְּחֵמָ֥ה
(bechema)
in grimmige woede
לְכָלָֽה
(lekhala)
tot vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ סְעָרוֹת (ruach se’arot), ‘stormwind’: letterlijk ‘wind van stormen’.

חֵמָה (chemah), ‘woede’ en אַף (af), ‘toorn’: twee woorden voor Yahweh’s verontwaardiging.

14Ik zal de muur afbreken die jullie met waardeloze kalk hebben bestreken. Ik breng hem neer op de grond, en zijn fundament wordt blootgelegd. Hij zal vallen, en jullie zullen in zijn midden omkomen. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וְהָ֨רַסְתִּ֜י
(veharasti)
en Ik zal afbreken
אֶת
(et)
(obj.)
הַקִּ֨יר
(haqir)
de muur
אֲשֶׁר
(asher)
die
טַחְתֶּ֥ם
(tachtem)
jullie hebben bestreken
תָּפֵ֛ל
(tafel)
waardeloze kalk
וְהִגַּעְתִּ֥יהוּ
(vehigatihu)
en Ik zal brengen hem
אֶל
(el)
naar
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
de grond
וְנִגְלָ֣ה
(venigla)
en wordt blootgelegd
יְסֹד֑וֹ
(yesodo)
zijn fundament
וְנָֽפְלָה֙
(venafela)
en hij zal vallen
וּכְלִיתֶ֣ם
(ukhelitem)
en jullie zullen omkomen
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in zijn midden
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקִּיר (haqqir), ‘de muur’: de muur is het beeld van het valse vertrouwen.

Wie erachter schuilt, wordt onder de puinhopen begraven.

15Zo maak Ik Mijn woede ten einde aan de muur en aan wie hem met waardeloze kalk bestrijken. Dan zal Ik tegen jullie zeggen: ‘De muur is er niet meer, en zij die hem bestreken zijn er niet meer.’
וְכִלֵּיתִ֤י
(vekhileiti)
en Ik zal ten einde brengen
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמָתִי֙
(chamati)
Mijn woede
בַּקִּ֔יר
(baqir)
aan de muur
וּבַטָּחִ֥ים
(uvatachim)
en aan hen die bestrijken
אֹת֖וֹ
(oto)
het
תָּפֵ֑ל
(tafel)
waardeloze kalk
וְאֹמַ֤ר
(veomar)
en Ik zal zeggen
לָכֶם֙
(lakhem)
tegen jullie
אֵ֣ין
(ein)
niet is
הַקִּ֔יר
(haqir)
de muur
וְאֵ֖ין
(veein)
en niet zijn
הַטָּחִ֥ים
(hatachim)
zij die bestrijken
אֹתֽוֹ
(oto)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Dat zijn de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren. Zij zien voor haar een visioen van vrede, terwijl er geen vrede is, godsspraak van Heer Yahweh.
נְבִיאֵ֣י
(neviei)
profeten van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הַֽנִבְּאִים֙
(hanibeim)
die profeteren
אֶל
(el)
over
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהַחֹזִ֥ים
(vehachozim)
en die zien
לָ֖הּ
(lah)
voor haar
חֲז֣וֹן
(chazon)
visioen van
שָׁלֹ֑ם
(shalom)
vrede
וְאֵ֣ין
(veein)
en niet is
שָׁלֹ֔ם
(shalom)
vrede
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲזוֹן שָׁלֹם (chazon shalom), ‘een visioen van vrede’: de profeten beloofden Jeruzalem vrede, terwijl het oordeel al kwam.

Zie ook Jer. 6:14 en 8:11.

Profetessen die zielen vangen

17En jij, mensenkind, richt je gezicht op de dochters van je volk die uit eigen hart profeteren, en profeteer tegen hen.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
שִׂ֤ים
(sim)
zet
פָּנֶ֨יךָ֙
(paneikha)
je gezicht
אֶל
(el)
op
בְּנ֣וֹת
(benot)
dochters van
עַמְּךָ֔
(amekha)
je volk
הַמִּֽתְנַבְּא֖וֹת
(hamitnabeot)
die profeteren
מִֽלִּבְּהֶ֑ן
(milibehen)
uit hun hart
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
עֲלֵיהֶֽן
(aleihen)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנוֹת עַמְּךָ הַמִּתְנַבְּאוֹת (benot ammekha hammitnabbe’ot), ‘de dochters van je volk die profeteren’: vrouwen die als profetes optreden.

Er zijn ook profetessen die Yahweh dienden, zoals Mirjam (Exod. 15:20) en Debora (Richt. 4:4).

Deze vrouwen spreken uit hun eigen hart.

18En zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Wee hen die bandjes naaien om alle gewrichten van de handen. Zij maken sluiers voor het hoofd van mensen van elke lengte om zielen te vangen. Jagen jullie op de zielen van Mijn volk, en houden jullie zielen voor jezelf in leven?
וְאָמַרְתָּ֞
(veamarta)
en zeg
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹי֩
(hoy)
wee
לִֽמְתַפְּר֨וֹת
(limtaperot)
aan hen die naaien
כְּסָת֜וֹת
(kesatot)
bandjes
עַ֣ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
אַצִּילֵ֣י
(atsilei)
gewrichten van
יָדַ֗י
(yaday)
de handen
וְעֹשׂ֧וֹת
(veosot)
en die maken
הַמִּסְפָּח֛וֹת
(hamispachot)
sluiers
עַל
(al)
over
רֹ֥אשׁ
(rosh)
hoofd van
כָּל
(kal)
elke
קוֹמָ֖ה
(qoma)
lengte
לְצוֹדֵ֣ד
(letsoded)
om te vangen
נְפָשׁ֑וֹת
(nefashot)
zielen
הַנְּפָשׁוֹת֙
(hanefashot)
de zielen
תְּצוֹדֵ֣דְנָה
(tetsodedena)
zullen jullie vangen
לְעַמִּ֔י
(leami)
voor Mijn volk
וּנְפָשׁ֖וֹת
(unefashot)
en zielen
לָכֶ֥נָה
(lakhena)
voor jullie
תְחַיֶּֽינָה
(techayeina)
zullen jullie in leven laten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּסָתוֹת (kesatot), ‘bandjes’: het woord komt alleen hier voor.

De betekenis is onzeker.

Het kunnen bandjes of kussentjes zijn.

Zij worden hier gebruikt om zielen ‘te vangen’.

אַצִּילֵי יָדָי (atsilei yadai), ‘gewrichten van de handen’: letterlijk ‘van mijn handen’. Sommige oude vertalingen lezen ‘van de handen’. Wij volgen dat. Het woord אָצִיל (atsil) betekent ‘gewricht’ of ‘uiteinde’, zoals in Jes. 41:9.

מִסְפָּחוֹת (mispachot), ‘sluiers’: ook dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is onzeker.

קוֹמָה (qomah), ‘lengte’: letterlijk ‘gestalte’. Het gaat dus om mensen van elke lengte, groot en klein.

נְפָשׁוֹת (nefashot), ‘zielen’: נֶפֶשׁ (nefesh) betekent ‘ziel’, ‘leven’ en ‘persoon’. Het werkwoord צוּד (tsud), ‘jagen’, hoort bij de jacht op vogels en wild.

Het Hebreeuws van de laatste zin is kort: ‘Zielen jagen jullie voor Mijn volk, en zielen houden jullie voor jezelf in leven?’

19Jullie ontheiligen Mij bij Mijn volk voor handenvol gerst en voor stukken brood. Jullie doden zielen die niet moeten sterven, en houden zielen in leven die niet moeten leven. Zo liegen jullie tegen Mijn volk, dat naar leugens luistert.
וַתְּחַלֶּלְ֨נָה
(vatechalelna)
en jullie ontheiligen
אֹתִ֜י
(oti)
Mij
אֶל
(el)
bij
עַמִּ֗י
(ami)
Mijn volk
בְּשַׁעֲלֵ֣י
(beshaalei)
voor handenvol van
שְׂעֹרִים֮
(seorim)
gerst
וּבִפְת֣וֹתֵי
(uviftotei)
en voor stukken van
לֶחֶם֒
(lechem)
brood
לְהָמִ֤ית
(lehamit)
om te doden
נְפָשׁוֹת֙
(nefashot)
zielen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
תְמוּתֶ֔נָה
(temutena)
zullen sterven
וּלְחַיּ֥וֹת
(ulechayot)
en om in leven te houden
נְפָשׁ֖וֹת
(nefashot)
zielen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
תִֽחְיֶ֑ינָה
(tichyeina)
zullen leven
בְּכַ֨זֶּבְכֶ֔ם
(bekhazevkhem)
door jullie liegen
לְעַמִּ֖י
(leami)
tegen Mijn volk
שֹׁמְעֵ֥י
(shomeei)
luisteraars naar
כָזָֽב
(kazav)
leugen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּשַׁעֲלֵי שְׂעֹרִים (besha’alei se’orim), ‘handenvol gerst’: een klein loon.

Zij profeteren voor een handvol gerst en een stuk brood.

Vergelijk Micha 3:5.

לְהָמִית נְפָשׁוֹת אֲשֶׁר לֹא־תְמוּתֶנָה (lehamit nefashot asher lo temutenah), ‘om zielen te doden die niet moeten sterven’: zij spreken oordeel over onschuldigen en vrijspraak over schuldigen. Het Hebreeuws zegt het zonder toelichting.

20Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik ben tegen jullie bandjes, waarmee jullie daar zielen vangen als vogels. Ik scheur ze van jullie armen af en laat de zielen gaan, de zielen die jullie vangen als vogels.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik ben
אֶל
(el)
tegen
כִּסְּתוֹתֵיכֶ֨נָה֙
(kisetoteikhena)
jullie bandjes
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
אַ֠תֵּנָה
(atena)
jullie
מְצֹדְד֨וֹת
(metsodedot)
vangsters
שָׁ֤ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּפָשׁוֹת֙
(hanefashot)
de zielen
לְפֹ֣רְח֔וֹת
(leforechot)
als vogels
וְקָרַעְתִּ֣י
(veqarati)
en Ik zal afscheuren
אֹתָ֔ם
(otam)
ze
מֵעַ֖ל
(meal)
van
זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם
(zerooteikhem)
jullie armen
וְשִׁלַּחְתִּי֙
(veshilachti)
en Ik zal laten gaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַנְּפָשׁ֔וֹת
(hanefashot)
de zielen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
מְצֹדְד֥וֹת
(metsodedot)
vangers
אֶת
(et)
(obj.)
נְפָשִׁ֖ים
(nefashim)
zielen
לְפֹרְחֹֽת
(leforechot)
als vogels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְפֹרְחוֹת (lefor’chot), ‘als vogels’: het woord is onzeker.

Het hangt samen met een werkwoord dat ‘vliegen’ of ‘bloeien’ kan betekenen.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

De zielen worden gevangen als vogels in een net.

21Ook scheur Ik jullie sluiers af en bevrijd Ik Mijn volk uit jullie hand. Zij zullen niet meer als prooi in jullie hand zijn. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וְקָרַעְתִּ֞י
(veqarati)
en Ik zal afscheuren
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפְּחֹֽתֵיכֶ֗ם
(mispechoteikhem)
jullie sluiers
וְהִצַּלְתִּ֤י
(vehitsalti)
en Ik zal bevrijden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
מִיֶּדְכֶ֔ן
(miyedkhen)
uit jullie hand
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְי֥וּ
(yihyu)
zullen zij zijn
ע֛וֹד
(od)
nog
בְּיֶדְכֶ֖ן
(beyedkhen)
in jullie hand
לִמְצוּדָ֑ה
(limtsuda)
als prooi
וִֽידַעְתֶּ֖ן
(vidaten)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְצוּדָה (metsudah), ‘prooi’: letterlijk ‘wat gevangen wordt’, of ook ‘net’.

הִצַּלְתִּי (hitsalti), ‘Ik bevrijd’: het werkwoord הִצִּיל (hitsil) betekent ‘bevrijden’.

Zie ookPs 91:3
22Omdat jullie het hart van de rechtvaardige met leugen bedroeven, terwijl Ik hem niet heb bedroefd. Omdat jullie de handen van de goddeloze sterken, zodat hij zich niet afkeert van zijn kwade weg om in leven te blijven.
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
הַכְא֤וֹת
(hakhot)
het bedroeven van
לֵב
(lev)
hart van
צַדִּיק֙
(tsadiq)
rechtvaardige
שֶׁ֔קֶר
(sheqer)
met leugen
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en Ik
לֹ֣א
(lo)
niet
הִכְאַבְתִּ֑יו
(hikhavtiv)
heb hem bedroefd
וּלְחַזֵּק֙
(ulechazeq)
en het sterken van
יְדֵ֣י
(yedei)
handen van
רָשָׁ֔ע
(rasha)
goddeloze
לְבִלְתִּי
(levilti)
opdat niet
שׁ֛וּב
(shuv)
hij zich afkeert
מִדַּרְכּ֥וֹ
(midarko)
van zijn weg
הָרָ֖ע
(hara)
de kwade
לְהַחֲיֹתֽוֹ
(lehachayoto)
om hem in leven te houden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכְאוֹת (hakh’ot), ‘bedroeven’: het werkwoord betekent ‘terneerslaan, verdriet doen’.

De valse profeten ontmoedigen wie recht leeft.

לְהַחֲיֹתוֹ (lehachayoto), ‘om hem in leven te houden’: zij beloven de goddeloze dat hij gespaard blijft, zodat hij zich niet bekeert. Vergelijk Ezech. 18:21–23 en 33:11.

23Daarom zullen jullie geen leegte meer zien en geen waarzeggerij meer bedrijven. Ik bevrijd Mijn volk uit jullie hand. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.”
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
שָׁ֚וְא
(shave)
leegte
לֹ֣א
(lo)
niet
תֶחֱזֶ֔ינָה
(techezeina)
zullen jullie zien
וְקֶ֖סֶם
(veqesem)
en waarzegging
לֹא
(lo)
niet
תִקְסַ֣מְנָה
(tiqsamna)
zullen jullie waarzeggen
ע֑וֹד
(od)
meer
וְהִצַּלְתִּ֤י
(vehitsalti)
en Ik zal bevrijden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּי֙
(ami)
Mijn volk
מִיֶּדְכֶ֔ן
(miyedkhen)
uit jullie hand
וִֽידַעְתֶּ֖ן
(vidaten)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is het slot van de toespraak.

Het Hebreeuws zegt dat zij geen ‘leegte’ meer zullen zien, en dat zij niet meer zullen ‘waarzeggen’.