Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Opschrift
1Het lied van de liederen, dat van Salomo is.
שִׁ֥יר
(shir)
het lied
הַשִּׁירִ֖ים
(hashirim)
van de liederen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
לִשְׁלֹמֹֽה
(lishlomo)
van Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שִׁיר הַשִּׁירִים (shir hashirim), ‘lied van de liederen’: het hoogste of mooiste lied, zoals ‘heilige der heiligen’ het heiligste is.
לִשְׁלֹמֹה (lishlomo), ‘van Salomo’: het voorzetsel kan ook ‘voor’ of ‘over’ Salomo betekenen. Wij vertalen ‘van’. Zie ook 1 Kon. 5:12.
2Moge hij mij kussen met de kussen van zijn mond! Want je liefde is beter dan wijn.
יִשָּׁקֵ֨נִי֙
(yishaqeni)
hij moge mij kussen
מִנְּשִׁיק֣וֹת
(mineshiqot)
met kussen van
פִּ֔יהוּ
(pihu)
zijn mond
כִּֽי
(ki)
want
טוֹבִ֥ים
(tovim)
beter
דֹּדֶ֖יךָ
(dodeikha)
je liefde
מִיָּֽיִן
(miyayin)
dan wijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreker is niet in de tekst aangegeven; de koppen volgen het grammaticale geslacht en zijn een leeshulp.
דֹּדֶיךָ (dodeka), ‘je liefde’: een meervoud, letterlijk ‘je liefdes’, dat liefkozingen en liefdesbetuigingen omvat. Wij vertalen dod en dodim steeds met ‘liefde’ en dodi met ‘mijn geliefde’.
Het Hebreeuws gaat in dit vers van ‘hij’ over op ‘je’. Dat gebeurt vaker in dit lied.
4Trek mij mee, achter je aan; laten wij rennen. De koning heeft mij in zijn kamers gebracht. Laten wij juichen en ons verheugen in jou. Laten wij je liefde gedenken, meer dan wijn. Met recht hebben zij je lief.
מָשְׁכֵ֖נִי
(mashekheni)
trek mij
אַחֲרֶ֣יךָ
(achareikha)
achter je aan
נָּר֑וּצָה
(narutsa)
laten wij rennen
הֱבִיאַ֨נִי
(heviani)
heeft mij gebracht
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
חֲדָרָ֗יו
(chadarav)
naar zijn kamers
נָגִ֤ילָה
(nagila)
laten wij juichen
וְנִשְׂמְחָה֙
(venismecha)
en ons verheugen
בָּ֔ךְ
(bakh)
in jou
נַזְכִּ֤ירָה
(nazkira)
laten wij gedenken
דֹדֶ֨יךָ֙
(dodeikha)
je liefde
מִיַּ֔יִן
(miyayin)
meer dan wijn
מֵישָׁרִ֖ים
(meisharim)
met recht
אֲהֵבֽוּךָ
(ahevukha)
zij hebben je lief
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Kijk niet naar mij omdat ik zwartig ben, omdat de zon mij verschroeid heeft. De zonen van mijn moeder werden boos op mij. Zij maakten mij tot bewaakster van de wijngaarden. Mijn eigen wijngaard heb ik niet bewaakt.
אַל
(al)
niet
תִּרְא֨וּנִי֙
(tiruni)
kijk naar mij
שֶׁאֲנִ֣י
(sheani)
omdat ik
שְׁחַרְחֹ֔רֶת
(shecharchoret)
zwartig
שֶׁשֱּׁזָפַ֖תְנִי
(sheshezafatni)
omdat heeft verschroeid mij
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
בְּנֵ֧י
(benei)
zonen van
אִמִּ֣י
(imi)
mijn moeder
נִֽחֲרוּ
(nicharu)
waren boos
בִ֗י
(bi)
op mij
שָׂמֻ֨נִי֙
(samuni)
zij hebben mij gesteld
נֹטֵרָ֣ה
(notera)
als bewaakster
אֶת
(et)
(obj.)
הַכְּרָמִ֔ים
(hakeramim)
van de wijngaarden
כַּרְמִ֥י
(karmi)
mijn wijngaard
שֶׁלִּ֖י
(sheli)
mijn eigen
לֹ֥א
(lo)
niet
נָטָֽרְתִּי
(natarti)
heb ik bewaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׁחַרְחֹרֶת (shecharchoret), ‘zwartig’: een verkleinvorm, ‘enigszins zwart’.
7Vertel mij, jij die mijn ziel liefheeft: waar weid je? Waar laat je neerliggen op het middaguur? Waarom zou ik zijn als een omhulde bij de kudden van je metgezellen?
הַגִּ֣ידָה
(hagida)
vertel
לִּ֗י
(li)
mij
שֶׁ֤אָהֲבָה֙
(sheahava)
jij die liefhebt
נַפְשִׁ֔י
(nafshi)
mijn ziel
אֵיכָ֣ה
(eikha)
waar
תִרְעֶ֔ה
(tire)
weid je
אֵיכָ֖ה
(eikha)
waar
תַּרְבִּ֣יץ
(tarbits)
laat je neerliggen
בַּֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
op het middaguur
שַׁלָּמָ֤ה
(shalama)
waarom
אֶֽהְיֶה֙
(ehye)
zou ik zijn
כְּעֹ֣טְיָ֔ה
(keoteya)
als een omhulde
עַ֖ל
(al)
bij
עֶדְרֵ֥י
(edrei)
de kudden van
חֲבֵרֶֽיךָ
(chavereikha)
je metgezellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: nefesh is de hele persoon met zijn leven en zijn verlangen.
‘Hij die mijn ziel liefheeft’ is dus hij van wie ik met heel mijn wezen houd.
Het voorwerp van ‘waar weid je?’ en ‘waar laat je neerliggen?’ ontbreekt in het Hebreeuws. Het gaat om zijn kudde (vergelijk vers 8).
חֲבֵרֶיךָ (chaverecha), ‘je metgezellen’: chaver is ‘metgezel’; een ‘vriend’ is re’a (zie 5:16).
עֹטְיָה (otyah), ‘omhulde’: de betekenis is onzeker. Ook mogelijk: ‘een rondzwervende’.
12Terwijl de koning aan zijn tafel was, gaf mijn nardus zijn geur.
עַד
(ad)
tot
שֶׁ֤הַמֶּ֨לֶךְ֙
(shehamelekh)
dat de koning
בִּמְסִבּ֔וֹ
(bimsibo)
aan zijn tafel
נִרְדִּ֖י
(nirdi)
mijn nardus
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
רֵיחֽוֹ
(reicho)
zijn geur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַד שֶׁ (ad she), ‘terwijl’: letterlijk ‘tot dat’.
Hier bedoeld als ‘zolang’.
מִסַּבּוֹ (missabbo), ‘aan zijn tafel’: het woord betekent letterlijk ‘in zijn kring’, het gezelschap rond de koning aan tafel. De betekenis is onzeker.
נֵרְדִּי (nerdi), ‘mijn nardus’: een kostbare geurolie, gemaakt van een plant uit het Himalayagebied.
17De balken van onze huizen zijn ceders, onze planken zijn cipressen.
קֹר֤וֹת
(qorot)
balken van
בָּתֵּ֨ינוּ֙
(bateinu)
onze huizen
אֲרָזִ֔ים
(arazim)
ceders
רַהִיטֵ֖נוּ
(rahitenu)
onze planken
בְּרוֹתִֽים
(berotim)
cipressen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קֹרוֹת (qorot), ‘balken’, רָהִיט (rahit), ‘planken’, en בְּרוֹתִים (berotim), ‘cipressen’: het woord rahit komt maar één keer voor, de betekenis is onzeker (ook ‘lambrisering’ of ‘dakbalken’).