Elohim Bijbel

Ezechiël 43

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

De heerlijkheid van Yahweh keert terug in het huis; het altaar wordt gemeten en ingewijd

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De heerlijkheid van Yahweh keert terug

1Hij bracht mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.
וַיּוֹלִכֵ֖נִי
(vayolikheni)
en hij leidde mij
אֶל
(el)
naar
הַשָּׁ֑עַר
(hashaar)
de poort
שַׁ֕עַר
(shaar)
poort
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
פֹּנֶ֖ה
(pone)
gekeerd was
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
in de richting van
הַקָּדִֽים
(haqadim)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De poort die naar het oosten gekeerd was: de oostpoort, de poort waardoor de heerlijkheid van Yahweh het huis had verlaten (zie 10:18–19 en 11:22–23).

2En zie, de heerlijkheid van de Elohim van Israël kwam vanuit het oosten. Zijn stem was als het geluid van vele wateren, en de aarde straalde van Zijn heerlijkheid.
וְהִנֵּ֗ה
(vehine)
en zie
כְּבוֹד֙
(kevod)
heerlijkheid van
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בָּ֖א
(ba)
komend
מִדֶּ֣רֶךְ
(miderekh)
uit de richting van
הַקָּדִ֑ים
(haqadim)
het oosten
וְקוֹל֗וֹ
(veqolo)
en zijn stem
כְּקוֹל֙
(keqol)
zoals de stem van
מַ֣יִם
(mayim)
wateren
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
וְהָאָ֖רֶץ
(vehaarets)
en de aarde
הֵאִ֥ירָה
(heira)
straalde
מִכְּבֹדֽוֹ
(mikevodo)
van zijn heerlijkheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כְּבוֹד (kavod), ‘heerlijkheid’: de zichtbare grootheid van Yahweh.

Het is dezelfde heerlijkheid als in 1:28.

קוֹל מַיִם רַבִּים (qol mayim rabbim), ‘het geluid van vele wateren’: zo klonk ook het geluid van de vleugels in 1:24.

3Wat ik zag, leek op het visioen dat ik gezien had toen ik kwam om de stad te vernietigen. Die visioenen leken op wat ik gezien had bij de rivier de Kebar. Ik viel op mijn gezicht.
וּכְמַרְאֵ֨ה
(ukhemare)
en zoals het aanzien van
הַמַּרְאֶ֜ה
(hamare)
het visioen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
רָאִ֗יתִי
(raiti)
ik zag
כַּמַּרְאֶ֤ה
(kamare)
zoals het aanzien
אֲשֶׁר
(asher)
dat
רָאִ֨יתִי֙
(raiti)
ik zag
בְּבֹאִי֙
(bevoi)
bij mijn komen
לְשַׁחֵ֣ת
(leshachet)
om te vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וּמַרְא֕וֹת
(umarot)
en visioenen
כַּמַּרְאֶ֕ה
(kamare)
zoals het aanzien
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
רָאִ֖יתִי
(raiti)
ik zag
אֶל
(el)
bij
נְהַר
(nehar)
rivier
כְּבָ֑ר
(kevar)
Kebar
וָאֶפֹּ֖ל
(vaepol)
en ik viel
אֶל
(el)
op
פָּנָֽי
(panay)
mijn gezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kebar (kanaal bij Nippur; ligging onzeker): De Kebar was een kanaal in Babylonië, waarschijnlijk het Nar Kabari bij Nippur, ten zuidoosten van Babel.

Daar woonden de ballingen met Ezechiël.

Uitleg

בְּבֹאִי לְשַׁחֵת (bevo’i leshachet), ‘toen ik kwam om te vernietigen’: Ezechiël kondigde het oordeel over de stad aan (zie 9:1–11).

Sommige oude vertalingen lezen ‘toen Hij kwam’.

De rivier de Kebar: zie 1:1 en 1:3.

4De heerlijkheid van Yahweh kwam het huis binnen door de poort die naar het oosten gekeerd was.
וּכְב֥וֹד
(ukhevod)
en heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בָּ֣א
(ba)
kwam
אֶל
(el)
naar
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
door de weg van
שַׁ֔עַר
(shaar)
poort
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
פָּנָ֖יו
(panav)
haar gezicht
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
in de richting van
הַקָּדִֽים
(haqadim)
het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de terugkeer van de heerlijkheid van Yahweh, die in 10:18–19 en 11:22–23 het huis en de stad had verlaten.

5Toen tilde een geest mij op en bracht mij naar de binnenste voorhof. En zie, de heerlijkheid van Yahweh vervulde het huis.
וַתִּשָּׂאֵ֣נִי
(vatisaeni)
en tilde mij op
ר֔וּחַ
(ruach)
een geest
וַתְּבִיאֵ֕נִי
(vatevieni)
en bracht mij
אֶל
(el)
naar
הֶֽחָצֵ֖ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִ֑י
(hapenimi)
de binnenste
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
מָלֵ֥א
(male)
vervulde
כְבוֹד
(kevod)
heerlijkheid van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רוּחַ (ruach), ‘een geest’: met een kleine letter, zoals in 3:12 en 3:14.

De heerlijkheid vervult het huis, zoals bij de inwijding van de tabernakel en van de tempel (Exod. 40:34–35; 1 Kon. 8:10–11).

6Ik hoorde iemand vanuit het huis tot mij spreken, terwijl een man naast mij stond.
וָאֶשְׁמַ֛ע
(vaeshma)
en ik hoorde
מִדַּבֵּ֥ר
(midaber)
sprekend
אֵלַ֖י
(elay)
tot mij
מֵהַבָּ֑יִת
(mehabayit)
vanuit het huis
וְאִ֕ישׁ
(veish)
en een man
הָיָ֥ה
(haya)
hij was
עֹמֵ֖ד
(omed)
staand
אֶצְלִֽי
(etsli)
naast mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִדַּבֵּר (middabber), ‘sprekend’: wie spreekt, wordt niet genoemd.

Vers 7 laat Yahweh in de eerste persoon spreken.

De man die naast Ezechiël staat, is zijn gids (40:3).

De plaats van Mijn troon

7Hij zei tegen mij: „Mensenkind, dit is de plaats van Mijn troon en de plaats van de zolen van Mijn voeten. Hier zal Ik voor eeuwig wonen te midden van de zonen van Israël. Het huis van Israël zal Mijn heilige naam niet meer verontreinigen. Dat deden zij en hun koningen met hun hoererij en met de lijken van hun koningen op hun hoogten.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
een mens
אֶת
(et)
(obj.)
מְק֣וֹם
(meqom)
plaats van
כִּסְאִ֗י
(kisi)
Mijn troon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְקוֹם֙
(meqom)
plaats van
כַּפּ֣וֹת
(kapot)
zolen van
רַגְלַ֔י
(raglay)
Mijn voeten
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
waar
אֶשְׁכָּן
(eshkan)
Ik zal wonen
שָׁ֛ם
(sham)
daar
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְעוֹלָ֑ם
(leolam)
voor eeuwig
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יְטַמְּא֣וּ
(yetameu)
zullen verontreinigen
ע֣וֹד
(od)
meer
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֞י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
וּמַלְכֵיהֶם֙
(umalkheihem)
en hun koningen
בִּזְנוּתָ֔ם
(biznutam)
met hun hoererij
וּבְפִגְרֵ֥י
(uvefigrei)
en met de lijken van
מַלְכֵיהֶ֖ם
(malkheihem)
hun koningen
בָּמוֹתָֽם
(bamotam)
op hun hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De woorden van Yahweh staan rood, tot het einde van vers 12.

מְקוֹם כִּסְאִי (meqom kis’i), ‘de plaats van Mijn troon’, en כַּפּוֹת רַגְלַי (kappot ragelai), ‘de zolen van Mijn voeten’: Yahweh woont in het midden van Zijn volk (vergelijk Ps. 99:5; 1 Kron. 28:2).

זְנוּת (zenut), ‘hoererij’: beeld voor ontrouw aan Yahweh, dus afgoderij.

פִגְרֵי מַלְכֵיהֶם (pigrei malkhehem), ‘de lijken van hun koningen’: de betekenis is niet zeker. Het kan gaan om koningsgraven bij het huis of om afgodsbeelden van de koningen. Wij laten dit open.

בָּמוֹתָם (bamotam), ‘op hun hoogten’: het woord lijkt op בְּמוֹתָם (bemotam), ‘bij hun dood’. Wij volgen de klinkers van de brontekst.

8Zij zetten hun drempel naast Mijn drempel en hun deurpost naast Mijn deurpost, met alleen een muur tussen Mij en hen. Zo verontreinigden zij Mijn heilige naam met hun gruwelen die zij deden. Daarom heb Ik hen in Mijn toorn verteerd.
בְּתִתָּ֨ם
(betitam)
bij hun zetten
סִפָּ֜ם
(sipam)
hun drempel
אֶת
(et)
naast
סִפִּ֗י
(sipi)
drempel van Mij
וּמְזֽוּזָתָם֙
(umezuzatam)
en hun deurpost
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
מְזוּזָתִ֔י
(mezuzati)
Mijn deurpost
וְהַקִּ֖יר
(vehaqir)
en de muur
בֵּינִ֣י
(beini)
tussen Mij
וּבֵֽינֵיהֶ֑ם
(uveineihem)
en tussen hen
וְטִמְּא֣וּ
(vetimeu)
en zij verontreinigden
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
naam van
קָדְשִׁ֗י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
בְּתֽוֹעֲבוֹתָם֙
(betoavotam)
met hun gruwelen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָשׂ֔וּ
(asu)
zij deden
וָאֲכַ֥ל
(vaakhal)
en Ik verteerde
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בְּאַפִּֽי
(beapi)
in Mijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Drempel en deurpost: de koningen bouwden hun eigen gebouwen of graven vlak naast het huis, met alleen een muur ertussen.

Daardoor kwam het heilige dicht bij het onreine.

תּוֹעֵבָה (to’evah), ‘gruwel’: zoals elders in dit boek.

9Nu moeten zij hun hoererij en de lijken van hun koningen ver van Mij verwijderen. Dan zal Ik voor eeuwig te midden van hen wonen.
עַתָּ֞ה
(ata)
nu
יְרַחֲק֧וּ
(yerachaqu)
zullen zij verwijderen
אֶת
(et)
(obj.)
זְנוּתָ֛ם
(zenutam)
hun hoererij
וּפִגְרֵ֥י
(ufigrei)
en de lijken van
מַלְכֵיהֶ֖ם
(malkheihem)
hun koningen
מִמֶּ֑נִּי
(mimeni)
van Mij
וְשָׁכַנְתִּ֥י
(veshakhanti)
en Ik zal wonen
בְתוֹכָ֖ם
(betokham)
in hun midden
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het plan van het huis

10Jij, mensenkind, maak het huis bekend aan het huis van Israël, zodat zij zich schamen voor hun schuld. Laat hen het plan opmeten.
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
een mens
הַגֵּ֤ד
(haged)
maak bekend
אֶת
(et)
aan
בֵּֽית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְיִכָּלְמ֖וּ
(veyikalemu)
en laten zij zich schamen
מֵעֲוֺנֽוֹתֵיהֶ֑ם
(meavonoteihem)
voor hun schuld
וּמָדְד֖וּ
(umadedu)
en laten zij meten
אֶת
(et)
(obj.)
תָּכְנִֽית
(takhenit)
het plan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תָּכְנִית (tokhnit), ‘plan’: een zeldzaam woord (ook in 28:12).

Het gaat om de maat en de indeling van het huis.

וְיִכָּלְמוּ (veyikkalemu), ‘en zij zullen zich schamen’: de schaamte leidt tot het onderricht in vers 11.

עָוֹן (avon), ‘schuld’.

11Als zij zich schamen over alles wat zij gedaan hebben, maak hun dan de vorm van het huis bekend. Maak bekend zijn inrichting, zijn uitgangen en zijn ingangen, heel zijn vorm, al zijn voorschriften, al zijn vormen en al zijn wetten. Laat het hen weten en schrijf het voor hun ogen op. Dan zullen zij heel zijn vorm en al zijn voorschriften bewaren en ze uitvoeren.
וְאִֽם
(veim)
en als
נִכְלְמ֞וּ
(nikhlemu)
zij zich schamen
מִכֹּ֣ל
(mikol)
voor alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
עָשׂ֗וּ
(asu)
zij deden
צוּרַ֣ת
(tsurat)
vorm van
הַבַּ֡יִת
(habayit)
het huis
וּתְכוּנָת֡וֹ
(utekhunato)
en zijn inrichting
וּמוֹצָאָ֡יו
(umotsaav)
en zijn uitgangen
וּמוֹבָאָ֣יו
(umovaav)
en zijn ingangen
וְֽכָל
(vekhal)
en heel
צֽוּרֹתָ֡ו
(tsurotav)
zijn vorm
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
חֻקֹּתָיו֩
(chuqotav)
zijn voorschriften
וְכָל
(vekhal)
en heel
צ֨וּרֹתָ֤יו
(tsurotav)
zijn vormen
וְכָל
(vekhal)
en heel
תּוֹרֹתָיו֙
(torotav)
zijn wetten
הוֹדַ֣ע
(hoda)
maak bekend
אוֹתָ֔ם
(otam)
hun
וּכְתֹ֖ב
(ukhetov)
en schrijf op
לְעֵֽינֵיהֶ֑ם
(leeineihem)
voor hun ogen
וְיִשְׁמְר֞וּ
(veyishmeru)
en laten zij bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
צוּרָת֛וֹ
(tsurato)
zijn vorm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
חֻקֹּתָ֖יו
(chuqotav)
zijn voorschriften
וְעָשׂ֥וּ
(veasu)
en laten zij doen
אוֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוּרָה (tsurah), ‘vorm’, חֻקָּה (chuqqah), ‘voorschrift’ en תּוֹרָה (torah), ‘wet’: een lange opsomming van woorden voor wat Ezechiël moet bekendmaken.

Het woord ‘vorm’ komt drie keer voor; wij laten die herhaling staan.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staan bij ‘al zijn vormen’ en ‘al zijn wetten’ andere schrijfwijzen (צורתי en תורתו); de overlevering (qere) leest צוּרֹתָיו (tsurotav) en תּוֹרֹתָיו (torotav).

Wij volgen de qere.

12Dit is de wet van het huis: op de top van de berg is heel zijn gebied rondom hoogheilig. Zie, dit is de wet van het huis.”
זֹ֖את
(zot)
dit
תּוֹרַ֣ת
(torat)
wet van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
עַל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
top van
הָ֠הָר
(hahar)
de berg
כָּל
(kal)
heel
גְּבֻל֞וֹ
(gevulo)
zijn gebied
סָבִ֤יב
(saviv)
rondom
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
het heiligste van
קָדָשִׁ֔ים
(qadashim)
de heilige dingen
הִנֵּה
(hine)
zie
זֹ֖את
(zot)
dit
תּוֹרַ֥ת
(torat)
wet van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: zie de uitleg bij 42:13.

Hier heeft het hele gebied rondom het huis dit karakter.

Met ‘de wet van het huis’ eindigen de woorden van Yahweh die in vers 7 begonnen.

De maten van het altaar

13Dit zijn de maten van het altaar in ellen, waarbij de el een el en een handbreedte is. De voet is een el hoog en een el breed. Zijn rand rondom, aan zijn lip, is een span. Dit is de rug van het altaar.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dit
מִדּ֤וֹת
(midot)
maten van
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
בָּֽאַמּ֔וֹת
(baamot)
in ellen
אַמָּ֥ה
(ama)
el
אַמָּ֖ה
(ama)
el
וָטֹ֑פַח
(vatofach)
en handbreedte
וְחֵ֨יק
(vecheiq)
en de voet van
הָאַמָּ֜ה
(haama)
de el
וְאַמָּה
(veama)
en een el
רֹ֗חַב
(rochav)
breed
וּגְבוּלָ֨הּ
(ugevulah)
en haar rand
אֶל
(el)
naar
שְׂפָתָ֤הּ
(sefatah)
haar lip
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
זֶ֣רֶת
(zeret)
span
הָאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
וְזֶ֖ה
(veze)
en dit
גַּ֥ב
(gav)
rug van
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De maten van het altaar worden hier door de man (de gids) en de profeet beschreven; daarom staan ze zwart.

אַמָּה וָטֹפַח (amah vatefach), ‘een el en een handbreedte’: zoals in 40:5.

חֵיק (cheq), ‘voet’: letterlijk ‘schoot’. Het gaat om de onderste rand of een uitholling rondom het altaar. De betekenis is niet zeker.

זֶרֶת (zeret), ‘span’: de afstand tussen duim en pink, de helft van een el.

גַּב (gav), ‘rug’: dit kan de hoogte of de bovenkant van het altaar bedoelen. De betekenis is onzeker.

14Van de voet op de grond tot de onderste richel was het twee el, met een breedte van een el. Van de kleine richel tot de grote richel was het vier el, met een breedte van een el.
וּמֵחֵ֨יק
(umecheiq)
en van de voet van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
de grond
עַד
(ad)
tot
הָעֲזָרָ֤ה
(haazara)
de richel
הַתַּחְתּוֹנָה֙
(hatachtona)
de onderste
שְׁתַּ֣יִם
(shetayim)
twee
אַמּ֔וֹת
(amot)
el
וְרֹ֖חַב
(verochav)
en breedte
אַמָּ֣ה
(ama)
el
אֶחָ֑ת
(echat)
een
וּמֵהֳעֲזָרָ֨ה
(umehoazara)
en van de richel
הַקְּטַנָּ֜ה
(haqetana)
de kleine
עַד
(ad)
tot
הָעֲזָרָ֤ה
(haazara)
de richel
הַגְּדוֹלָה֙
(hagedola)
de grote
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
אַמּ֔וֹת
(amot)
el
וְרֹ֖חַב
(verochav)
en breedte
הָאַמָּֽה
(haama)
de el
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲזָרָה (azarah), ‘richel’: hetzelfde woord betekent elders ‘voorhof’.

Hier is het een uitstekende rand van het altaar, een soort trede.

15De haardberg was vier el hoog. Boven de haard staken vier hoorns omhoog.
וְהַֽהַרְאֵ֖ל
(vehaharel)
en de haardberg
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
אַמּ֑וֹת
(amot)
el
וּמֵהָאֲרִאֵ֣יל
(umehaarieil)
en vanaf de haard
וּלְמַ֔עְלָה
(ulemala)
en omhoog
הַקְּרָנ֖וֹת
(haqeranot)
de hoorns
אַרְבַּֽע
(arba)
vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַהַרְאֵל (har’el), ‘de haardberg’: letterlijk ‘berg van El’.

אֲרִיאֵל (ariel), ‘haard’: letterlijk ‘leeuw van El’ of ‘haard van El’; het is de bovenste plaat van het altaar waarop het vuur brandt (vergelijk Jes. 29:1–2).

De vorm in vers 15 en 16 is niet gelijk gespeld.

16De haard was twaalf el lang en twaalf el breed, vierkant aan zijn vier zijden.
וְהָאֲרִיאֵ֗ל
(vehaariel)
en de haard
שְׁתֵּ֤ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
אֹ֔רֶךְ
(orekh)
lengte
בִּשְׁתֵּ֥ים
(bishteim)
in twee
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
רֹ֑חַב
(rochav)
breedte
רָב֕וּעַ
(ravua)
vierkant
אֶ֖ל
(el)
naar
אַרְבַּ֥עַת
(arbaat)
vier
רְבָעָֽיו
(revaav)
haar zijden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bovenvlak is vierkant: twaalf bij twaalf el.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat והאראיל (veha’ar’il), een andere spelling van hetzelfde woord; de overlevering (qere) leest וְהָאֲרִיאֵל (veha’ariel).

Wij volgen de qere.

17De richel was veertien el lang en veertien el breed, aan haar vier zijden. De rand eromheen was een halve el, en haar voet was een el rondom. Zijn trap was naar het oosten gekeerd.
וְהָעֲזָרָ֞ה
(vehaazara)
en de richel
אַרְבַּ֧ע
(arba)
vier
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
אֹ֗רֶךְ
(orekh)
lengte
בְּאַרְבַּ֤ע
(bearba)
in vier
עֶשְׂרֵה֙
(esre)
tien
רֹ֔חַב
(rochav)
breedte
אֶ֖ל
(el)
naar
אַרְבַּ֣עַת
(arbaat)
vier
רְבָעֶ֑יהָ
(revaeiha)
haar zijden
וְהַגְּבוּל
(vehagevul)
en de rand
סָבִ֨יב
(saviv)
rondom
אוֹתָ֜הּ
(otah)
haar
חֲצִ֣י
(chatsi)
helft van
הָאַמָּ֗ה
(haama)
de el
וְהַֽחֵיק
(vehacheiq)
en de voet
לָ֤הּ
(lah)
voor haar
אַמָּה֙
(ama)
een el
סָבִ֔יב
(saviv)
rondom
וּמַעֲלֹתֵ֖הוּ
(umaalotehu)
en zijn trap
פְּנ֥וֹת
(penot)
gekeerd
קָדִֽים
(qadim)
naar het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּבוּל (gevul), ‘rand’, en חֵיק (cheq), ‘voet’: zie de uitleg bij vers 13.

חֲצִי הָאַמָּה (chatsi ha’amah), ‘een halve el’.

De inwijding van het altaar

18Hij zei tegen mij: „Mensenkind, zo zegt Heer Yahweh: Dit zijn de voorschriften voor het altaar op de dag dat het gemaakt wordt. Het is bestemd om er brandoffers op te brengen en er bloed op te sprenkelen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
een mens
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit
חֻקּ֣וֹת
(chuqot)
voorschriften van
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag
הֵעָֽשׂוֹת֑וֹ
(heasoto)
van zijn gemaakt worden
לְהַעֲל֤וֹת
(lehaalot)
om op te brengen
עָלָיו֙
(alav)
op het
עוֹלָ֔ה
(ola)
brandoffer
וְלִזְרֹ֥ק
(velizroq)
en om te sprenkelen
עָלָ֖יו
(alav)
op het
דָּֽם
(dam)
bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4.

De formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ staat zwart; wat Hij daarna zegt, is rood, zoals in de eerdere hoofdstukken van dit boek.

חֻקּוֹת (chuqqot), ‘voorschriften’: zoals in vers 11.

Vanaf hier spreekt Yahweh over de inwijding van het altaar (vers 18–27).

19Je moet een jonge stier als zondoffer geven aan de priesters, de Levieten, die van het nageslacht van Zadok zijn. Zij naderen tot Mij om Mij te dienen, godsspraak van Heer Yahweh.
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en je zult geven
אֶל
(el)
aan
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּ֡ם
(halviyim)
de Levieten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֵם֩
(hem)
zij
מִזֶּ֨רַע
(mizera)
van het zaad van
צָד֜וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַקְּרֹבִ֣ים
(haqerovim)
die naderen
אֵלַ֗י
(elay)
tot Mij
נְאֻ֛ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְשָֽׁרְתֵ֑נִי
(leshareteni)
om Mij te dienen
פַּ֥ר
(par)
stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֖ר
(baqar)
rund
לְחַטָּֽאת
(lechatat)
als zondoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11.

הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi, die hier nader omschreven worden als nakomelingen van Zadok (vergelijk 44:15 en 1 Kon. 2:35).

חַטָּאת (chatat), ‘zondoffer’.

20Je moet van zijn bloed nemen. Breng het aan op de vier hoorns van het altaar, op de vier hoeken van de richel en op de rand rondom. Zo ontzondig je het en doe je er verzoening voor.
וְלָקַחְתָּ֣
(velaqachta)
en je zult nemen
מִדָּמ֗וֹ
(midamo)
van zijn bloed
וְנָ֨תַתָּ֜ה
(venatata)
en je zult aanbrengen
עַל
(al)
op
אַרְבַּ֤ע
(arba)
vier
קַרְנֹתָיו֙
(qarnotav)
zijn hoorns
וְאֶל
(veel)
en op
אַרְבַּע֙
(arba)
vier
פִּנּ֣וֹת
(pinot)
hoeken van
הָעֲזָרָ֔ה
(haazara)
de richel
וְאֶֽל
(veel)
en op
הַגְּב֖וּל
(hagevul)
de rand
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְחִטֵּאתָ֥
(vechiteta)
en je zult ontzondigen
אוֹת֖וֹ
(oto)
het
וְכִפַּרְתָּֽהוּ
(vekhipartahu)
en je zult verzoening doen voor het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְחִטֵּאתָ (vechittetah), ‘en je zult ontzondigen’: van חֵטְא (chet), ‘zonde’; zoals in Lev. 8:15.

Het altaar wordt gereinigd van wat het onrein zou maken.

וְכִפַּרְתָּהוּ (vekhipparetahu), ‘en je zult verzoening doen voor het’: zie Lev. 16:18–19.

21Je moet de stier van het zondoffer nemen en hem verbranden op de aangewezen plaats van het huis, buiten het heiligdom.
וְלָ֣קַחְתָּ֔
(velaqachta)
en je zult nemen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הַפָּ֣ר
(hapar)
de stier
הַֽחַטָּ֑את
(hachatat)
van het zondoffer
וּשְׂרָפוֹ֙
(userafo)
en hij zal het verbranden
בְּמִפְקַ֣ד
(bemifqad)
op de aangewezen plaats van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַמִּקְדָּֽשׁ
(lamiqdash)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִפְקָד (mifqad), ‘aangewezen plaats’: een zeldzaam woord (ook in Neh. 3:31).

Het Hebreeuws heeft hier een onpersoonlijke vorm: ‘men zal hem verbranden’.

22Op de tweede dag moet je een geitenbok zonder gebrek als zondoffer brengen. Zij moeten het altaar ontzondigen, zoals zij het met de stier ontzondigd hebben.
וּבַיּוֹם֙
(uvayom)
en op de dag
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
תַּקְרִ֛יב
(taqriv)
je zult brengen
שְׂעִיר
(seir)
bok van
עִזִּ֥ים
(izim)
geiten
תָּמִ֖ים
(tamim)
zonder gebrek
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
als zondoffer
וְחִטְּאוּ֙
(vechiteu)
en zij zullen ontzondigen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
חִטְּא֖וּ
(chiteu)
zij ontzondigden
בַּפָּֽר
(bapar)
met de stier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Als je klaar bent met het ontzondigen, moet je een jonge stier zonder gebrek brengen en een ram van het kleinvee zonder gebrek.
בְּכַלּוֹתְךָ֖
(bekhalotekha)
bij je voltooien
מֵֽחַטֵּ֑א
(mechate)
van het ontzondigen
תַּקְרִיב֙
(taqriv)
je zult brengen
פַּ֣ר
(par)
stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֣ר
(baqar)
rund
תָּמִ֔ים
(tamim)
zonder gebrek
וְאַ֥יִל
(veayil)
en een ram
מִן
(min)
uit
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
תָּמִֽים
(tamim)
zonder gebrek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֹאן (tson), ‘kleinvee’: schapen en geiten.

Zie ookEx 29:1
24Je moet ze brengen voor het aangezicht van Yahweh. De priesters moeten er zout op strooien en ze als brandoffer voor Yahweh opdragen.
וְהִקְרַבְתָּ֖ם
(vehiqravtam)
en je zult ze brengen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהִשְׁלִ֨יכוּ
(vehishlikhu)
en zij zullen werpen
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
op hen
מֶ֔לַח
(melach)
zout
וְהֶעֱל֥וּ
(veheelu)
en zij zullen opdragen
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
עֹלָ֖ה
(ola)
als brandoffer
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zout bij de offers: zie Lev. 2:13.

25Zeven dagen lang moet je elke dag een bok als zondoffer bereiden. Ook moeten zij een jonge stier en een ram van het kleinvee, zonder gebrek, bereiden.
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
תַּעֲשֶׂ֥ה
(taase)
je zult bereiden
שְׂעִיר
(seir)
bok van
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
לַיּ֑וֹם
(layom)
per dag
וּפַ֧ר
(ufar)
en stier
בֶּן
(ben)
zoon van
בָּקָ֛ר
(baqar)
rund
וְאַ֥יִל
(veayil)
en een ram
מִן
(min)
uit
הַצֹּ֖אן
(hatson)
het kleinvee
תְּמִימִ֥ים
(temimim)
zonder gebrek
יַעֲשֽׂוּ
(yaasu)
zij zullen bereiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zeven dagen lang moeten zij verzoening doen voor het altaar en het reinigen. Zo wijden zij het in.
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֗ים
(yamim)
dagen
יְכַפְּרוּ֙
(yekhaperu)
zij zullen verzoening doen voor
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְטִֽהֲר֖וּ
(vetiharu)
en zij zullen reinigen
אֹת֑וֹ
(oto)
het
וּמִלְא֖וּ
(umilu)
en zij zullen vullen
יָדָֽיו
(yadav)
zijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמִלְאוּ יָדָיו (umil’u yadav), ‘en zij zullen zijn handen vullen’: een uitdrukking voor het in dienst stellen of inwijden (Exod. 29:9; Lev. 8:33).

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat ידו (yado), ‘zijn hand’; de overlevering (qere) leest יָדָיו (yadav), ‘zijn handen’.

Wij volgen de qere.

27Als die dagen voorbij zijn, moeten de priesters vanaf de achtste dag en daarna jullie brandoffers en jullie vredeoffers op het altaar brengen. Dan zal Ik jullie aannemen, godsspraak van Heer Yahweh.”
וִֽיכַלּ֖וּ
(vikhalu)
en zij voltooiden
אֶת
(et)
(obj.)
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
וְהָיָה֩
(vehaya)
en het zal zijn
בַיּ֨וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁמִינִ֜י
(hashemini)
de achtste
וָהָ֗לְאָה
(vahalea)
en verder
יַעֲשׂ֨וּ
(yaasu)
zullen doen
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֨חַ֙
(hamizbeach)
het altaar
אֶת
(et)
(obj.)
עוֹלֽוֹתֵיכֶם֙
(oloteikhem)
jullie brandoffers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שַׁלְמֵיכֶ֔ם
(shalmeikhem)
jullie vredeoffers
וְרָצִ֣אתִי
(veratsiti)
en Ik zal aannemen
אֶתְכֶ֔ם
(etkhem)
jullie
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהֹוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’: zoals in Lev. 3.

וְרָצֵאתִי (veratseti), ‘en Ik zal aannemen’: Yahweh heeft welgevallen aan hen en aan hun offers.

Met dit vers eindigen de woorden van Yahweh die in vers 18 begonnen.