Ezechiël trekt in ballingschap als voorteken; het gezegde dat de dagen lang worden is voorbij
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een weerspannig huis
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, jij woont te midden van een weerspannig huis. Zij hebben ogen om te zien, maar zij zien niet. Zij hebben oren om te horen, maar zij horen niet. Want zij zijn een weerspannig huis.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
בֵּית
(beit)
huis van
הַמֶּ֖רִי
(hameri)
het weerspannige
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יֹשֵׁ֑ב
(yoshev)
woont
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֵינַיִם֩
(einayim)
ogen
לָהֶ֨ם
(lahem)
voor hen
לִרְא֜וֹת
(lirot)
om te zien
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
רָא֗וּ
(rau)
zij zien
אָזְנַ֨יִם
(azenayim)
oren
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
לִשְׁמֹ֨עַ֙
(lishmoa)
om te horen
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמֵ֔עוּ
(shameu)
zij horen
כִּ֛י
(ki)
want
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
מְרִ֖י
(meri)
weerspannigheid
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בית המרי (bet hammeri), ‘weerspannig huis’: zo noemt Yahweh het volk in dit boek vaak (Ezech. 2:5–8).
Het woord ‘weerspannig’ komt van een werkwoord dat ‘in opstand komen’ betekent.
Ogen die niet zien en oren die niet horen: vergelijk Jes. 6:9–10.
Ezechiël pakt zijn uitrusting voor de ballingschap
3Jij, mensenkind: maak voor jezelf een uitrusting voor de ballingschap. Ga overdag in ballingschap, voor hun ogen. Je moet van jouw plaats naar een andere plaats in ballingschap gaan, voor hun ogen. Misschien zien zij het, want zij zijn een weerspannig huis.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
עֲשֵׂ֤ה
(ase)
maak
לְךָ֙
(lekha)
voor jezelf
כְּלֵ֣י
(kelei)
uitrusting van
גוֹלָ֔ה
(gola)
ballingschap
וּגְלֵ֥ה
(ugele)
en ga in ballingschap
יוֹמָ֖ם
(yomam)
overdag
לְעֵֽינֵיהֶ֑ם
(leeineihem)
voor hun ogen
וְגָלִ֨יתָ
(vegalita)
en je zult in ballingschap gaan
מִמְּקוֹמְךָ֜
(mimeqomekha)
van jouw plaats
אֶל
(el)
naar
מָק֤וֹם
(maqom)
plaats
אַחֵר֙
(acher)
een andere
לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(leeineihem)
voor hun ogen
אוּלַ֣י
(ulay)
misschien
יִרְא֔וּ
(yiru)
zij zullen zien
כִּ֛י
(ki)
want
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
מְרִ֖י
(meri)
weerspannigheid
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כלי גולה (kelei golah), ‘uitrusting voor de ballingschap’: de spullen die een balling op reis meeneemt.
De tekst zegt niet precies wat erin zit.
Dit is de tweede tekenhandeling van Ezechiël voor de ballingen: hij verhuist als balling voor de ogen van het volk (vergelijk de tekenhandelingen in Ezech. 4–5).
אולי (ulai), ‘misschien’: Yahweh laat open of het volk het zal begrijpen.
4Breng je uitrusting overdag naar buiten, voor hun ogen, als de uitrusting voor de ballingschap. Jij moet ’s avonds naar buiten gaan, voor hun ogen, zoals mensen die in ballingschap uittrekken.
וְהוֹצֵאתָ֨
(vehotseta)
en je zult naar buiten brengen
כֵלֶ֜יךָ
(keleikha)
je uitrusting
כִּכְלֵ֥י
(kikhlei)
als uitrusting van
גוֹלָ֛ה
(gola)
ballingschap
יוֹמָ֖ם
(yomam)
overdag
לְעֵֽינֵיהֶ֑ם
(leeineihem)
voor hun ogen
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תֵּצֵ֤א
(tetse)
je zult uitgaan
בָעֶ֨רֶב֙
(baerev)
’s avonds
לְעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(leeineihem)
voor hun ogen
כְּמוֹצָאֵ֖י
(kemotsaei)
als het uittrekken van
גּוֹלָֽה
(gola)
ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Voor hun ogen moet je het op je schouder dragen en in het donker naar buiten brengen. Dek je gezicht af, zodat je het land niet ziet. Want Ik heb je tot een voorteken gemaakt voor het huis van Israël.”
לְעֵ֨ינֵיהֶ֜ם
(leeineihem)
voor hun ogen
עַל
(al)
op
כָּתֵ֤ף
(katef)
schouder
תִּשָּׂא֙
(tisa)
je zult dragen
בָּעֲלָטָ֣ה
(baalata)
in het donker
תוֹצִ֔יא
(totsi)
je zult naar buiten brengen
פָּנֶ֣יךָ
(paneikha)
je gezicht
תְכַסֶּ֔ה
(tekhase)
je zult bedekken
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
תִרְאֶ֖ה
(tire)
je zult zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
כִּֽי
(ki)
want
מוֹפֵ֥ת
(mofet)
voorteken
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
Ik heb je gemaakt
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בעלטה (ba’alatah), ‘in het donker’: een zeldzaam woord voor schemer of duisternis.
Het staat ook in vers 7 en 12.
מופת (mofet), ‘voorteken’: een teken dat wijst op wat komen gaat. In dit hoofdstuk wijst het naar het lot van de vorst en het volk. Vergelijk vers 11.
7Ik deed zoals mij was bevolen. Ik bracht mijn uitrusting overdag naar buiten, als de uitrusting voor de ballingschap. ’s Avonds brak ik met mijn hand een gat in de muur. In het donker bracht ik het naar buiten. Ik droeg het op mijn schouder, voor hun ogen.
וָאַ֣עַשׂ
(vaaas)
en ik deed
כֵּן֮
(ken)
zo
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צֻוֵּיתִי֒
(tsuveiti)
ik was bevolen
כֵּ֠לַי
(kelay)
uitrusting
הוֹצֵ֜אתִי
(hotseti)
ik bracht naar buiten
כִּכְלֵ֤י
(kikhlei)
als uitrusting van
גוֹלָה֙
(gola)
ballingschap
יוֹמָ֔ם
(yomam)
overdag
וּבָעֶ֛רֶב
(uvaerev)
en ’s avonds
חָתַֽרְתִּי
(chatarti)
ik brak door
לִ֥י
(li)
voor mij
בַקִּ֖יר
(baqir)
in de muur
בְּיָ֑ד
(beyad)
met de hand
בָּעֲלָטָ֥ה
(baalata)
in het donker
הוֹצֵ֛אתִי
(hotseti)
ik bracht naar buiten
עַל
(al)
op
כָּתֵ֥ף
(katef)
schouder
נָשָׂ֖אתִי
(nasati)
ik droeg
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: Deze last gaat over de vorst in Jeruzalem en over heel het huis van Israël dat in hun midden is.
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הַנָּשִׂ֞יא
(hanasi)
de vorst
הַמַּשָּׂ֤א
(hamasa)
de last
הַזֶּה֙
(haze)
deze
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
בְתוֹכָֽם
(betokham)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
המשׂא (hammassa), ‘de last’: een woord dat de profeet moet ‘dragen’ en uitspreken, meestal een oordeelswoord.
Het komt van נָשָׂא (nasa), ‘dragen’ of ‘opheffen’.
Hier past het bij het dragen op de schouder in het teken.
Dit is de eerste keer dat het woord in Ezechiël voorkomt; elders in het boek verwijzen wij hiernaar.
Zie ook Jes. 13:1.
הנשׂיא (hannasi), ‘de vorst’: een leider met een lagere titel dan koning (zie 7:27). Het gaat om de leider die in Jeruzalem regeert. De beschrijving in vers 12 en 13 past bij Zedekia, de laatste koning van Juda (2 Kon. 25:4–7). Het Hebreeuws zegt ‘de vorst – deze last’; wij vertalen ‘deze last gaat over de vorst’.
12De vorst die in hun midden is, zal op zijn schouder dragen en in het donker naar buiten gaan. Men zal een gat in de muur breken om hem daardoor naar buiten te brengen. Hij zal zijn gezicht bedekken, omdat hij het land met zijn oog niet zal zien.
וְהַנָּשִׂ֨יא
(vehanasi)
en de vorst
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּתוֹכָ֜ם
(betokham)
in hun midden
אֶל
(el)
op
כָּתֵ֤ף
(katef)
schouder
יִשָּׂא֙
(yisa)
hij zal dragen
בָּעֲלָטָ֣ה
(baalata)
in het donker
וְיֵצֵ֔א
(veyetse)
en hij zal naar buiten gaan
בַּקִּ֥יר
(baqir)
door de muur
יַחְתְּר֖וּ
(yachteru)
men zal doorbreken
לְה֣וֹצִיא
(lehotsi)
om naar buiten te brengen
ב֑וֹ
(bo)
daardoor
פָּנָ֣יו
(panav)
zijn gezicht
יְכַסֶּ֔ה
(yekhase)
hij zal bedekken
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹא
(lo)
niet
יִרְאֶ֥ה
(yire)
hij zal zien
לַעַ֛יִן
(laayin)
met het oog
ה֖וּא
(hu)
hij
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zie het beeld van vers 6: de vorst draagt zijn bagage, gaat in het donker door een gat in de muur en bedekt zijn gezicht.
Vergelijk de vlucht uit Jeruzalem bij de val van de stad (2 Kon. 25:4).
יען אשׁר (ya’an asher), ‘omdat’: het kan ook ‘zodat’ betekenen. Het bedekte gezicht en het niet zien van het land horen bij elkaar; vers 13 zegt ook dat hij het land niet zal zien.
13Ik zal Mijn net over hem uitspreiden en hij zal gevangen worden in Mijn valstrik. Ik zal hem naar Babel brengen, het land van de Chaldeeën. Maar hij zal het niet zien, en daar zal hij sterven.
וּפָרַשְׂתִּ֤י
(ufarasti)
en Ik zal uitspreiden
אֶת
(et)
(obj.)
רִשְׁתִּי֙
(rishti)
Mijn net
עָלָ֔יו
(alav)
over hem
וְנִתְפַּ֖שׂ
(venitpas)
en hij zal gevangen worden
בִּמְצֽוּדָתִ֑י
(bimtsudati)
in Mijn valstrik
וְהֵבֵאתִ֨י
(veheveti)
en Ik zal brengen
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
בָבֶ֨לָה֙
(bavela)
naar Babel
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כַּשְׂדִּ֔ים
(kasdim)
de Chaldeeën
וְאוֹתָ֥הּ
(veotah)
en haar
לֹֽא
(lo)
niet
יִרְאֶ֖ה
(yire)
hij zal zien
וְשָׁ֥ם
(vesham)
en daar
יָמֽוּת
(yamut)
hij zal sterven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Chaldea (land van de Chaldeeën): De Chaldeeën woonden in het zuiden van Babylonië, in het zuiden van het huidige Irak.
Uitleg
Het net en de valstrik: zie ook Ezech. 17:20.
בבלה (Bavelah), ‘naar Babel’: de uitgang -ah geeft de richting aan.
‘Maar hij zal het niet zien, en daar zal hij sterven’: dit wordt vaak verbonden met 2 Kon. 25:7, waar Zedekia blind wordt gemaakt en naar Babel wordt gebracht.
16Ik zal enkele mannen van hen laten overblijven, gespaard van het zwaard, de honger en de pest. Zij moeten onder de volken waar zij zijn gekomen al hun gruwelen vertellen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
וְהוֹתַרְתִּ֤י
(vehotarti)
en Ik zal laten overblijven
מֵהֶם֙
(mehem)
van hen
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
mannen van
מִסְפָּ֔ר
(mispar)
getal
מֵחֶ֖רֶב
(mecherev)
van het zwaard
מֵרָעָ֣ב
(meraav)
van de honger
וּמִדָּ֑בֶר
(umidaver)
en van de pest
לְמַ֨עַן
(lemaan)
zodat
יְסַפְּר֜וּ
(yesaperu)
zij zullen vertellen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
תּוֹעֲבֽוֹתֵיהֶ֗ם
(toavoteihem)
hun gruwelen
בַּגּוֹיִם֙
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁר
(asher)
waar
בָּ֣אוּ
(bau)
zij zijn gekomen
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אנשׁי מספר (anshei mispar), ‘mannen van getal’: een klein aantal, zodat men ze kan tellen.
ומדבר (dever), ‘pest’: zoals in Lev. 26:25.
De overlevenden hebben een taak: zij vertellen de volken wat Israël heeft gedaan. Zo leren ook de volken Yahweh kennen.
19Zeg tegen het volk van het land: Zo zegt Heer Yahweh over de inwoners van Jeruzalem, over de grond van Israël: Hun brood zullen zij eten met zorg en hun water drinken met ontzetting. Zo wordt hun land woest, ontdaan van alles wat het vervult, door het geweld van allen die daarin wonen.
וְאָמַרְתָּ֣
(veamarta)
en je zult zeggen
אֶל
(el)
tot
עַ֣ם
(am)
volk van
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
het land
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֩
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֨י
(adonay)
Heer
יְהוִ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לְיוֹשְׁבֵ֤י
(leyoshevei)
over de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֶל
(el)
over
אַדְמַ֣ת
(admat)
de grond van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לַחְמָם֙
(lachmam)
hun brood
בִּדְאָגָ֣ה
(bidaga)
met zorg
יֹאכֵ֔לוּ
(yokhelu)
zij zullen eten
וּמֵֽימֵיהֶ֖ם
(umeimeihem)
en hun water
בְּשִׁמָּמ֣וֹן
(beshimamon)
met ontzetting
יִשְׁתּ֑וּ
(yishtu)
zij zullen drinken
לְמַ֜עַן
(lemaan)
zodat
תֵּשַׁ֤ם
(tesham)
zal woest worden
אַרְצָהּ֙
(artsah)
haar land
מִמְּלֹאָ֔הּ
(mimeloah)
uit haar volheid
מֵחֲמַ֖ס
(mechamas)
door geweld van
כָּֽל
(kal)
alle
הַיֹּשְׁבִ֥ים
(hayoshevim)
de bewoners
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
עם הארץ (am ha’arets), ‘het volk van het land’: hier de bevolking die in Juda is achtergebleven, tegenover de ballingen in Babel.
אדמת ישׂראל (admat Yisrael), ‘de grond van Israël’: zie de uitleg bij 11:17.
בשׁממון (bishmamon), ‘met ontzetting’: dit woord hoort bij ‘woestenij’ (shemamah) in vers 20.
מחמס (chamas), ‘geweld’: onrecht en bloedvergieten.
23Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: Ik maak een eind aan dit gezegde. Zij zullen het in Israël niet meer als gezegde gebruiken. Maar zeg tegen hen: De dagen zijn nabij, en het woord van elk visioen.
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
הִשְׁבַּ֨תִּי֙
(hishbati)
Ik heb doen ophouden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמָּשָׁ֣ל
(hamashal)
het gezegde
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִמְשְׁל֥וּ
(yimshelu)
zij zullen gebruiken als gezegde
אֹת֛וֹ
(oto)
het
ע֖וֹד
(od)
meer
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
כִּ֚י
(ki)
maar
אִם
(im)
integendeel
דַּבֵּ֣ר
(daber)
spreek
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
קָֽרְבוּ֙
(qarevu)
zij zijn nabij gekomen
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וּדְבַ֖ר
(udevar)
en het woord van
כָּל
(kal)
elk
חָזֽוֹן
(chazon)
visioen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ודבר כל חזון (udevar kol chazon), ‘en het woord van elk visioen’: het Hebreeuwse davar betekent ‘woord’ of ‘zaak’.
25Want Ik, Yahweh, spreek. Het woord dat Ik spreek, wordt gedaan. Het wordt niet meer uitgesteld. Want in jullie dagen, weerspannig huis, spreek Ik een woord en Ik doe het, godsspraak van Heer Yahweh.”
כִּ֣י
(ki)
want
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲדַבֵּר֙
(adaber)
Ik zal spreken
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
אֲדַבֵּ֤ר
(adaber)
Ik zal spreken
דָּבָר֙
(davar)
woord
וְיֵ֣עָשֶׂ֔ה
(veyease)
en het zal gedaan worden
לֹ֥א
(lo)
niet
תִמָּשֵׁ֖ךְ
(timashekh)
het zal worden uitgesteld
ע֑וֹד
(od)
meer
כִּ֣י
(ki)
want
בִֽימֵיכֶ֞ם
(bimeikhem)
in jullie dagen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
הַמֶּ֗רִי
(hameri)
het weerspannige
אֲדַבֵּ֤ר
(adaber)
Ik zal spreken
דָּבָר֙
(davar)
woord
וַעֲשִׂיתִ֔יו
(vaasitiv)
en Ik zal het doen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij Ezech. 5:11.
תמשׁך (timmashekh), ‘wordt uitgesteld’: het werkwoord betekent letterlijk ‘getrokken worden’. Uitstel is er niet meer.
28Daarom, zeg tegen hen: Zo zegt Heer Yahweh: Geen van Mijn woorden wordt nog uitgesteld. Het woord dat Ik spreek, wordt gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.”
לָכֵ֞ן
(lakhen)
daarom
אֱמֹ֣ר
(emor)
zeg
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹא
(lo)
niet
תִמָּשֵׁ֥ךְ
(timashekh)
zal worden uitgesteld
ע֖וֹד
(od)
meer
כָּל
(kal)
al
דְּבָרָ֑י
(devaray)
Mijn woorden
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
אֲדַבֵּ֤ר
(adaber)
Ik zal spreken
דָּבָר֙
(davar)
woord
וְיֵ֣עָשֶׂ֔ה
(veyease)
en het zal gedaan worden
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)