Elohim Bijbel

Ezechiël 6

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Profetie tegen de bergen van Israël: de mestgoden en de hoogten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Profeteer tegen de bergen van Israël

2„Mensenkind, richt je gezicht naar de bergen van Israël en profeteer tegen hen.”
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שִׂ֥ים
(sim)
zet
פָּנֶ֖יךָ
(paneikha)
je gezicht
אֶל
(el)
naar
הָרֵ֣י
(harei)
de bergen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
אֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָרֵי יִשְׂרָאֵל (harei Yisra’el), ‘de bergen van Israël’: het bergland van het land.

Yahweh laat Ezechiël het land zelf toespreken, zoals in Ezech. 36:1–15.

שִׂים פָּנֶיךָ אֶל (sim paneikha el), ‘richt je gezicht naar’: de profeet draait zich naar degene tegen wie hij spreekt: vergelijk Ezech. 4:7.

3„En zeg: ‘Bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh.’” Zo zegt Heer Yahweh tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: „Zie, Ik breng het zwaard over jullie, en Ik zal jullie hoogten vernietigen.
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en zeg
הָרֵי֙
(harei)
bergen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoor
דְּבַר
(devar)
woord van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְ֠הוִה
(Yahweh)
Yahweh
לֶהָרִ֨ים
(leharim)
tot de bergen
וְלַגְּבָע֜וֹת
(velagevaot)
en tot de heuvels
לָאֲפִיקִ֣ים
(laafiqim)
tot de beekbeddingen
וְלַגֵּאָי֗וֹת
(velageayot)
en tot de dalen
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Mij
אֲנִ֜י
(ani)
Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
breng
עֲלֵיכֶם֙
(aleikhem)
over jullie
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְאִבַּדְתִּ֖י
(veibadti)
en Ik zal vernietigen
בָּמֽוֹתֵיכֶֽם
(bamoteikhem)
jullie hoogten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: de heiligdommen op bergen en heuvels, waar men offerde, vaak voor andere goden.

אֲפִיקִים (afiqim), ‘beekbeddingen’, en גֵּאָיוֹת (ge’ayot), ‘dalen’: de profeet spreekt heel het landschap toe.

De woorden ‘En zeg: Bergen van Israël, hoor het woord van Heer Yahweh’ zijn de opdracht van Yahweh. Wat Ezechiël daarna moet zeggen, begint met ‘Zo zegt Heer Yahweh’ en staat zwart; het eigenlijke oordeel is weer rood.

4Jullie altaren zullen verwoest worden en jullie wierookaltaren zullen gebroken worden. Ik zal jullie gesneuvelden neerwerpen voor jullie mestgoden.
וְנָשַׁ֨מּוּ֙
(venashamu)
en zullen verwoest worden
מִזְבְּח֣וֹתֵיכֶ֔ם
(mizbechoteikhem)
jullie altaren
וְנִשְׁבְּר֖וּ
(venishberu)
en zullen gebroken worden
חַמָּֽנֵיכֶ֑ם
(chamaneikhem)
jullie wierookaltaren
וְהִפַּלְתִּי֙
(vehipalti)
en Ik zal neerwerpen
חַלְלֵיכֶ֔ם
(challeikhem)
jullie gesneuvelden
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
גִּלּוּלֵיכֶֽם
(giluleikhem)
jullie mestgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּלּוּלִים (gillulim), ‘mestgoden’: het woord wordt afgeleid van een woord voor ‘mest’ en is een scheldwoord voor afgoden.

Het komt in Ezechiël vaak voor.

In Lev. 26:30 en Deut. 29:16 staat het vertaald als ‘afgoden’; in Ezechiël houden wij de scherpte van het woord.

חַמָּנִים (chammanim), ‘wierookaltaren’: het woord komt voor in Lev. 26:30. De betekenis is niet helemaal zeker; het kan ook ‘zonnezuilen’ betekenen.

חַלְלֵיכֶם (challeikhem), ‘jullie gesneuvelden’: wie door het zwaard is omgekomen. Het lijk wordt tot schande voor de afgoden gelegd (vers 5).

5Ik zal de lijken van de zonen van Israël voor hun mestgoden leggen en jullie beenderen rondom jullie altaren verstrooien.
וְנָתַתִּ֗י
(venatati)
en Ik zal leggen
אֶת
(et)
(obj.)
פִּגְרֵי֙
(pigrei)
lijken van
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם
(giluleihem)
hun mestgoden
וְזֵרִיתִי֙
(vezeriti)
en Ik zal verstrooien
אֶת
(et)
(obj.)
עַצְמ֣וֹתֵיכֶ֔ם
(atsmoteikhem)
jullie beenderen
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
מִזְבְּחוֹתֵיכֶֽם
(mizbechoteikhem)
jullie altaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Beenderen verstrooien bij de altaren maakt de plaats onrein.

Zo wordt de afgodische plaats onbruikbaar; vergelijk 2 Kon. 23:14–16.

6In al jullie woonplaatsen zullen de steden verwoest worden en de hoogten zullen woest worden. Zo zullen jullie altaren verwoest en woest worden, jullie mestgoden gebroken worden en verdwijnen, jullie wierookaltaren omgehouwen worden en jullie werken uitgewist worden.
בְּכֹל֙
(bekhol)
in al
מוֹשְׁב֣וֹתֵיכֶ֔ם
(moshevoteikhem)
jullie woonplaatsen
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
תֶּחֱרַ֔בְנָה
(techeravna)
zullen verwoest worden
וְהַבָּמ֖וֹת
(vehabamot)
en de hoogten
תִּישָׁ֑מְנָה
(tishamena)
zullen woest worden
לְמַעַן֩
(lemaan)
opdat
יֶחֶרְב֨וּ
(yechervu)
verwoest worden
וְיֶאְשְׁמ֜וּ
(veyeshemu)
en woest worden
מִזְבְּחֽוֹתֵיכֶ֗ם
(mizbechoteikhem)
jullie altaren
וְנִשְׁבְּר֤וּ
(venishberu)
en gebroken worden
וְנִשְׁבְּתוּ֙
(venishbetu)
en ophouden
גִּלּ֣וּלֵיכֶ֔ם
(giluleikhem)
jullie mestgoden
וְנִגְדְּעוּ֙
(venigdeu)
en omgehouwen worden
חַמָּ֣נֵיכֶ֔ם
(chamaneikhem)
jullie wierookaltaren
וְנִמְח֖וּ
(venimchu)
en uitgewist worden
מַעֲשֵׂיכֶֽם
(maaseikhem)
jullie werken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיֶאְשְׁמוּ (veye’shemu), ‘en woest worden’: het werkwoord אָשַׁם (asham) betekent ‘schuld dragen’ en ook ‘verwoest zijn’.

Wij kiezen het laatste, naast ‘verwoest worden’.

וְנִשְׁבְּתוּ (venishbetu), ‘en verdwijnen’: letterlijk ‘en houden op’.

מַעֲשֵׂיכֶם (ma’aseikhem), ‘jullie werken’: wat zij hebben gemaakt en gedaan, hier de afgodsbeelden en wat daarbij hoort.

7Er zal een gesneuvelde vallen in jullie midden, en jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben.
וְנָפַ֥ל
(venafal)
en zal vallen
חָלָ֖ל
(chalal)
een gesneuvelde
בְּתֽוֹכְכֶ֑ם
(betokhekhem)
in jullie midden
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Wie ontkomt, zal aan Mij denken

8Maar Ik zal laten overblijven: onder de volken zullen jullie ontkomenen aan het zwaard hebben, wanneer jullie over de landen verstrooid zijn.
וְהוֹתַרְתִּ֗י
(vehotarti)
en Ik zal laten overblijven
בִּהְי֥וֹת
(bihyot)
wanneer er zijn
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
פְּלִ֥יטֵי
(pelitei)
ontkomenen van
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
בַּגּוֹיִ֑ם
(bagoyim)
onder de volken
בְּהִזָּרֽוֹתֵיכֶ֖ם
(behizaroteikhem)
wanneer jullie verstrooid worden
בָּאֲרָצֽוֹת
(baaratsot)
in de landen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהוֹתַרְתִּי (vehotarti), ‘en Ik zal laten overblijven’: het voorwerp staat niet in de tekst.

Het gaat om enkelen van hen, die aan het zwaard ontkomen.

Zo ontstaat de ‘rest’, zoals in Ezech. 12:16.

פְּלִיטֵי חֶרֶב (pelitei cherev), ‘ontkomenen aan het zwaard’: wie aan de dood ontsnapt is.

9Dan zullen jullie ontkomenen aan Mij denken onder de volken waarheen zij als gevangenen zijn weggevoerd. Zij zullen weten hoe Ik gebroken ben door hun hoererend hart, dat van Mij is afgeweken, en door hun ogen die achter hun mestgoden hoereren. Zij zullen van zichzelf walgen om het kwaad dat zij gedaan hebben, om al hun gruwelen.
וְזָכְר֨וּ
(vezakheru)
en zullen gedenken
פְלִֽיטֵיכֶ֜ם
(peliteikhem)
jullie ontkomenen
אוֹתִ֗י
(oti)
Mij
בַּגּוֹיִם֮
(bagoyim)
onder de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
נִשְׁבּוּ
(nishbu)
zij zijn weggevoerd
שָׁם֒
(sham)
daar
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
hoe
נִשְׁבַּ֜רְתִּי
(nishbarti)
Ik ben gebroken
אֶת
(et)
(obj.)
לִבָּ֣ם
(libam)
hun hart
הַזּוֹנֶ֗ה
(hazone)
het hoerende
אֲשֶׁר
(asher)
dat
סָר֙
(sar)
is afgeweken
מֵֽעָלַ֔י
(mealay)
van op Mij
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
עֵֽינֵיהֶ֔ם
(eineihem)
hun ogen
הַזֹּנ֕וֹת
(hazonot)
de hoerende
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם
(giluleihem)
hun mestgoden
וְנָקֹ֨טּוּ֙
(venaqotu)
en zij zullen walgen
בִּפְנֵיהֶ֔ם
(bifneihem)
in hun gezichten
אֶל
(el)
om
הָֽרָעוֹת֙
(haraot)
het kwaad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשׂ֔וּ
(asu)
zij hebben gedaan
לְכֹ֖ל
(lekhol)
om al
תּוֹעֲבֹתֵיהֶֽם
(toavoteihem)
hun gruwelen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁבַּרְתִּי (nishbarti), ‘Ik ben gebroken’: de vorm is lijdend.

Er staat: ‘hoe Ik gebroken ben, hun hart, het hoererende’; wij lezen dat als ‘door hun hoererend hart’.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

הַזּוֹנֶה (hazzoneh), ‘het hoerende’: het hart dat zich van Yahweh afkeert, wordt als een hoer voorgesteld, zoals in Num. 15:39 en Hos. 4:12.

וְנָקֹטּוּ בִּפְנֵיהֶם (venaqottu bifneihem), ‘en zij zullen walgen in hun gezichten’: zij zullen van zichzelf walgen. Het werkwoord קוּט (qut) betekent ‘walgen, afkeer hebben’.

10Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben. Niet voor niets heb Ik gezegd dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.”
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֤א
(lo)
niet
אֶל
(el)
tot
חִנָּם֙
(chinam)
voor niets
דִּבַּ֔רְתִּי
(dibarti)
heb Ik gesproken
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
הָרָעָ֥ה
(haraa)
het kwaad
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא אֶל חִנָּם (lo el chinnam), ‘niet voor niets’: Yahweh heeft het oordeel niet zonder reden of zonder waarschuwing aangekondigd.

Het eindigt met de hoofdformule van het boek: ‘en zij zullen weten dat Ik Yahweh ben’.

Sla je handen samen en zeg: Ach

11Zo zegt Heer Yahweh: „Sla met je hand en stamp met je voet. Zeg: ‘Ach!’ vanwege alle kwade gruwelen van het huis van Israël. Zij zullen vallen door het zwaard, de honger en de pest.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
הַכֵּ֨ה
(hake)
sla
בְכַפְּךָ֜
(bekhapekha)
met je hand
וּרְקַ֤ע
(ureqa)
en stamp
בְּרַגְלְךָ֙
(beraglekha)
met je voet
וֶֽאֱמָר
(veemar)
en zeg
אָ֔ח
(ach)
ach
אֶ֛ל
(el)
over
כָּל
(kal)
al
תּוֹעֲב֥וֹת
(toavot)
gruwelen van
רָע֖וֹת
(raot)
kwaad
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֗ר
(asher)
dat
בַּחֶ֛רֶב
(bacherev)
door het zwaard
בָּרָעָ֥ב
(baraav)
door de honger
וּבַדֶּ֖בֶר
(uvadever)
en door de pest
יִפֹּֽלוּ
(yipolu)
zal vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֵּה בְכַפְּךָ וּרְקַע בְּרַגְלְךָ (hakkeh vekhappekha ureqa beraglekha), ‘sla met je hand en stamp met je voet’: gebaren van verontwaardiging en rouw.

Ezechiël moet het volk tonen wat hem te wachten staat.

אָח (ach), ‘ach’: een uitroep van smart of van vreugde over het ongeluk van een ander. Hier is het een kreet bij het oordeel.

12Wie ver weg is, zal aan de pest sterven. Wie dichtbij is, zal door het zwaard vallen. Wie overblijft en wie belegerd wordt, zal door de honger sterven. Zo zal Ik Mijn grimmigheid op hen voltooien.
הָרָח֞וֹק
(harachoq)
wie ver weg is
בַּדֶּ֣בֶר
(badever)
door de pest
יָמ֗וּת
(yamut)
zal sterven
וְהַקָּרוֹב֙
(vehaqarov)
en wie dichtbij is
בַּחֶ֣רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפּ֔וֹל
(yipol)
zal vallen
וְהַנִּשְׁאָר֙
(vehanishar)
en wie overblijft
וְהַנָּצ֔וּר
(vehanatsur)
en wie belegerd wordt
בָּרָעָ֖ב
(baraav)
door de honger
יָמ֑וּת
(yamut)
zal sterven
וְכִלֵּיתִ֥י
(vekhileiti)
en Ik zal voltooien
חֲמָתִ֖י
(chamati)
Mijn grimmigheid
בָּֽם
(bam)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנִּשְׁאָר וְהַנָּצוּר (hannish’ar vehannatsur), ‘wie overblijft en wie belegerd wordt’: wie overblijft in het land, en wie in de stad is ingesloten.

Het Hebreeuwse נָצוּר (natsur) kan ook ‘bewaakt’ betekenen.

דֶּבֶר (dever), ‘pest’: zie Ezech. 5:12.

Op elke hoge heuvel

13Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben, wanneer hun gesneuvelden te midden van hun mestgoden liggen, rondom hun altaren. Dat zal zijn op elke hoge heuvel en op alle bergtoppen, onder elke groene boom en onder elke dichte terebint. Op die plaats hebben zij aan al hun mestgoden een aangename geur gebracht.
וִֽידַעְתֶּם֙
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּֽהְי֣וֹת
(bihyot)
wanneer zijn
חַלְלֵיהֶ֗ם
(challeihem)
hun gesneuvelden
בְּתוֹךְ֙
(betokh)
te midden van
גִּלּ֣וּלֵיהֶ֔ם
(giluleihem)
hun mestgoden
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
מִזְבְּחֽוֹתֵיהֶ֑ם
(mizbechoteihem)
hun altaren
אֶל֩
(el)
op
כָּל
(kal)
elke
גִּבְעָ֨ה
(giva)
heuvel
רָמָ֜ה
(rama)
hoog
בְּכֹ֣ל
(bekhol)
op alle
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
toppen van
הֶהָרִ֗ים
(heharim)
de bergen
וְתַ֨חַת
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֤ץ
(ets)
boom
רַֽעֲנָן֙
(raanan)
groen
וְתַ֨חַת֙
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
אֵלָ֣ה
(ela)
terebint
עֲבֻתָּ֔ה
(avuta)
dicht
מְק֗וֹם
(meqom)
plaats
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
waar
נָֽתְנוּ
(natenu)
zij hebben gegeven
שָׁם֙
(sham)
daar
רֵ֣יחַ
(reiach)
geur van
נִיחֹ֔חַ
(nichoach)
bevrediging
לְכֹ֖ל
(lekhol)
aan al
גִּלּוּלֵיהֶֽם
(giluleihem)
hun mestgoden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּחַת כָּל עֵץ רַעֲנָן (tachat kol ets ra’anan), ‘onder elke groene boom’: een vaste uitdrukking voor de plaatsen van afgodsdienst, zoals in Deut. 12:2 en 1 Kon. 14:23.

רֵיחַ נִיחֹחַ (reach nichoach), ‘aangename geur’: de naam voor de geur van een offer dat Yahweh behaagt, zoals in Lev. 1:9. Hier wordt hij voor de afgoden gebracht.

14Ik zal Mijn hand tegen hen uitstrekken. Ik zal het land tot een woestenij en een verlatenheid maken, van de woestijn tot Dibla, in al hun woonplaatsen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.”
וְנָטִ֤יתִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
שְׁמָמָ֤ה
(shemama)
woestenij
וּמְשַׁמָּה֙
(umeshama)
en verlatenheid
מִמִּדְבַּ֣ר
(mimidbar)
van de woestijn
דִּבְלָ֔תָה
(divlata)
Dibla
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in al
מוֹשְׁבֽוֹתֵיהֶ֑ם
(moshevoteihem)
hun woonplaatsen
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁמָמָה וּמְשַׁמָּה (shemamah umeshammah), ‘woestenij en verlatenheid’: twee verwante woorden voor een leeg, verlaten land.

מִמִּדְבַּר דִּבְלָתָה (mimmidbar divlatah), ‘van de woestijn tot Dibla’: Dibla is nergens anders bekend; de ligging is onzeker. Sommige oude vertalingen lezen een andere naam. Wij volgen de Masoretische tekst.