Tegen de vorst en de koning van Tyrus, tegen Sidon, en de belofte aan Israël
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De vorst van Tyrus wil als Elohim zijn
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, zeg tegen de vorst van Tyrus: Zo zegt Heer Yahweh: Omdat je hart hoogmoedig is geworden en je hebt gezegd: ‘Ik ben een El. Ik zit op de zetel van Elohim, in het hart van de zeeën.’ Terwijl je een mens bent en geen El, stel je je hart gelijk aan het hart van Elohim.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֡ם
(adam)
mens
אֱמֹר֩
(emor)
zeg
לִנְגִ֨יד
(lingid)
tegen vorst van
צֹ֜ר
(tsor)
Tyrus
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
גָּבַ֤הּ
(gavah)
is hoog geworden
לִבְּךָ֙
(libekha)
je hart
וַתֹּ֨אמֶר֙
(vatomer)
en je zei
אֵ֣ל
(el)
El
אָ֔נִי
(ani)
ik
מוֹשַׁ֧ב
(moshav)
zetel van
אֱלֹהִ֛ים
(Elohim)
Elohim
יָשַׁ֖בְתִּי
(yashavti)
ik zit
בְּלֵ֣ב
(belev)
in het hart van
יַמִּ֑ים
(yamim)
zeeën
וְאַתָּ֤ה
(veata)
en jij
אָדָם֙
(adam)
mens
וְֽלֹא
(velo)
en niet
אֵ֔ל
(el)
El
וַתִּתֵּ֥ן
(vatiten)
en je stelde
לִבְּךָ֖
(libekha)
je hart
כְּלֵ֥ב
(kelev)
als het hart van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
לנגיד צר (lenagid Tsor), ‘de vorst van Tyrus’: נגיד (nagid) is een leider of vorst.
In vers 12 heet hij ‘koning van Tyrus’.
אל אני מושׁב אלהים ישׁבתי (El ani moshav Elohim yashavti), ‘Ik ben een El, ik zit op de zetel van Elohim’: de vorst stelt zich gelijk aan het goddelijke. Daartegenover staat: hij is een mens (אדם, adam) en ‘geen El’ (ולא אל). Zie ook vers 9. Vergelijk Jes. 14:13–14, waar de koning van Babel zegt: ‘Boven de sterren van El zal ik mijn troon verheffen.’
בלב ימים (belev yammim), ‘in het hart van de zeeën’: Tyrus lag op een eiland in de zee.
7daarom, zie, breng Ik vreemden over je, de geweldenaars onder de volken. Zij trekken hun zwaarden tegen de pracht van je wijsheid en ontwijden je glans.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
מֵבִ֤יא
(mevi)
brengend
עָלֶ֨יךָ֙
(aleikha)
over jou
זָרִ֔ים
(zarim)
vreemden
עָרִיצֵ֖י
(aritsei)
geweldenaars van
גּוֹיִ֑ם
(goyim)
volken
וְהֵרִ֤יקוּ
(veheriqu)
en zij zullen trekken
חַרְבוֹתָם֙
(charvotam)
hun zwaarden
עַל
(al)
tegen
יְפִ֣י
(yefi)
schoonheid van
חָכְמָתֶ֔ךָ
(chakhematekha)
je wijsheid
וְחִלְּל֖וּ
(vechilelu)
en zij zullen ontwijden
יִפְעָתֶֽךָ
(yifatekha)
je glans
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זרים (zarim) en עריצי גוים (aritsei goyim), ‘vreemden, de geweldenaars onder de volken’: het vers noemt de aanvallers niet bij naam.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12„Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tegen hem: Zo zegt Heer Yahweh: Jij was het zegel van volmaaktheid, vol van wijsheid en volkomen in schoonheid.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שָׂ֥א
(sa)
hef op
קִינָ֖ה
(qina)
klaaglied
עַל
(al)
over
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
צ֑וֹר
(tsor)
Tyrus
וְאָמַ֣רְתָּ
(veamarta)
en je zult zeggen
לּ֗וֹ
(lo)
tegen hem
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אַתָּה֙
(ata)
jij
חוֹתֵ֣ם
(chotem)
zegel van
תָּכְנִ֔ית
(takhenit)
volmaaktheid
מָלֵ֥א
(male)
vol van
חָכְמָ֖ה
(chakhema)
wijsheid
וּכְלִ֥יל
(ukhelil)
en volkomen van
יֹֽפִי
(yofi)
schoonheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
קינה (qinah), ‘klaaglied’: zie 27:2.
Dit gedeelte wordt vaak vergeleken met Jes. 14:4–21, het spotlied over de koning van Babel.
Beide beschrijven de val van een hoogmoedige koning van een hoge plaats naar beneden.
חותם תכנית (chotem tokhnit), ‘zegel van volmaaktheid’: het tweede woord is moeilijk; het betekent iets als ‘maat’ of ‘bouwplan’. Sommige oude vertalingen lezen hier anders. Een zegel is een teken van gezag.
13In Eden, de tuin van Elohim, was je. Elke kostbare steen was je bedekking: karneool, topaas en diamant, chrysoliet, onyx en jaspis, saffier, turkoois en smaragd, en goud. Het werk van je tamboerijnen en je fluiten was in je. Op de dag dat je geschapen werd, werden zij gereedgemaakt.
בְּעֵ֨דֶן
(beeden)
in Eden
גַּן
(gan)
tuin van
אֱלֹהִ֜ים
(Elohim)
Elohim
הָיִ֗יתָ
(hayita)
je was
כָּל
(kal)
alle
אֶ֨בֶן
(even)
steen
יְקָרָ֤ה
(yeqara)
kostbare
מְסֻכָתֶ֨ךָ֙
(mesukhatekha)
je bedekking
אֹ֣דֶם
(odem)
karneool
פִּטְדָ֞ה
(pitda)
topaas
וְיָהֲלֹ֗ם
(veyahalom)
en diamant
תַּרְשִׁ֥ישׁ
(tarshish)
chrysoliet
שֹׁ֨הַם֙
(shoham)
onyx
וְיָ֣שְׁפֵ֔ה
(veyashefe)
en jaspis
סַפִּ֣יר
(sapir)
saffier
נֹ֔פֶךְ
(nofekh)
turkoois
וּבָרְקַ֖ת
(uvareqat)
en smaragd
וְזָהָ֑ב
(vezahav)
en goud
מְלֶ֨אכֶת
(melekhet)
werk van
תֻּפֶּ֤יךָ
(tupeikha)
je tamboerijnen
וּנְקָבֶ֨יךָ֙
(uneqaveikha)
en je fluiten
בָּ֔ךְ
(bakh)
in jou
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag
הִבָּרַאֲךָ֖
(hibaraakha)
je geschapen werd
כּוֹנָֽנוּ
(konanu)
zij werden gereedgemaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בעדן (be’eden), ‘in Eden’, גן אלהים (gan Elohim), ‘de tuin van Elohim’: de tuin uit Gen. 2–3 heet ook Eden.
Hier is een koning de bewoner.
Hoe dit zich verhoudt tot Gen. 2–3 zegt het Hebreeuws niet.
De negen stenen zijn אדם (odem), karneool, פטדה (pitdah), topaas, ויהלם (yahalom), diamant, תרשׁישׁ (tarshish), chrysoliet, שׁהם (shoham), onyx, וישׁפה (yashfeh), jaspis, ספיר (sappir), saffier, נפך (nofekh), turkoois en וברקת (bareqet), smaragd. Het zijn stenen van de borstplaat van de hogepriester (Exod. 28:17–20), hier in een andere volgorde en niet alle twaalf. Veel steennamen zijn onzeker.
תפיך (tufekha) en ונקביך (unqavekha): het eerste woord betekent meestal ‘tamboerijn’, het tweede komt alleen hier voor en betekent iets als ‘fluit’ of ‘gleuf’. De betekenis is onzeker; sommigen denken aan de kassen waarin de stenen waren gezet.
הבראך (hibbare’ekha), ‘je geschapen werd’: het werkwoord ברא (bara) is het werkwoord ‘scheppen’ van Gen. 1:1.
14Jij was een gezalfde cherub die overschaduwt. Ik plaatste je op de heilige berg van Elohim. Daar was je, en je wandelde midden tussen stenen van vuur.
אַ֨תְּ
(at)
jij
כְּר֔וּב
(keruv)
cherub
מִמְשַׁ֖ח
(mimshach)
gezalfde
הַסּוֹכֵ֑ךְ
(hasokhekh)
die overschaduwt
וּנְתַתִּ֗יךָ
(unetatikha)
en Ik plaatste je
בְּהַ֨ר
(behar)
op de berg van
קֹ֤דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
הָיִ֔יתָ
(hayita)
je was
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
אֵ֖שׁ
(esh)
vuur
הִתְהַלָּֽכְתָּ
(hithalakhta)
je wandelde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
את (at), ‘jij’: de tekst is hier moeilijk; het woord kan ook ‘met’ betekenen.
Wij lezen: ‘Jij was een gezalfde cherub’.
כרוב (keruv), ‘cherub’: een hemelwezen, zoals bij de tuin in Gen. 3:24 en op het deksel van de ark (Exod. 25:20).
ממשׁח הסוכך (mimshach hassokhekh), ‘een gezalfde die overschaduwt’: de cherubs boven de ark spreiden hun vleugels uit. De betekenis is onzeker.
בהר קדשׁ אלהים (behar qodesh Elohim), ‘op de heilige berg van Elohim’: het Hebreeuws zegt niet welke berg het is.
16Door je vele handel raakte je binnenste vol geweld, en je zondigde. Daarom verbande Ik je van de berg van Elohim en liet Ik je verdwijnen, jij beschermende cherub, uit het midden van de stenen van vuur.
בְּרֹ֣ב
(berov)
door overvloed van
רְכֻלָּתְךָ֗
(rekhulatekha)
je handel
מָל֧וּ
(malu)
zij vulden
תוֹכְךָ֛
(tokhekha)
je binnenste
חָמָ֖ס
(chamas)
geweld
וַֽתֶּחֱטָ֑א
(vatecheta)
en je zondigde
וָאֶחַלֶּלְךָ֩
(vaechalelkha)
en Ik ontwijdde je
מֵהַ֨ר
(mehar)
van de berg van
אֱלֹהִ֤ים
(Elohim)
Elohim
וָֽאַבֶּדְךָ֙
(vaabedkha)
en Ik liet je verdwijnen
כְּר֣וּב
(keruv)
cherub
הַסֹּכֵ֔ךְ
(hasokhekh)
de beschermende
מִתּ֖וֹךְ
(mitokh)
uit het midden van
אַבְנֵי
(avnei)
stenen van
אֵֽשׁ
(esh)
vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
ואחללך (va’achalelkha), ‘Ik verbande je’: letterlijk ‘Ik ontwijdde je’, zoals in vers 7 en 18.
Hij verliest zijn heilige plaats.
ואבדך (va’abbedkha), ‘en Ik liet je verdwijnen’: of ‘Ik vernietigde je’.
17Je hart werd hoogmoedig door je schoonheid. Je hebt je wijsheid verdorven vanwege je glans. Ik wierp je op de aarde. Ik gaf je ten toon voor koningen, zodat zij naar je kijken.
גָּבַ֤הּ
(gavah)
is hoog geworden
לִבְּךָ֙
(libekha)
je hart
בְּיָפְיֶ֔ךָ
(beyafeyekha)
door je schoonheid
שִׁחַ֥תָּ
(shichata)
je verdierf
חָכְמָתְךָ֖
(chakhematekha)
je wijsheid
עַל
(al)
vanwege
יִפְעָתֶ֑ךָ
(yifatekha)
je glans
עַל
(al)
naar
אֶ֣רֶץ
(erets)
aarde
הִשְׁלַכְתִּ֗יךָ
(hishlakhtikha)
Ik wierp je
לִפְנֵ֧י
(lifnei)
voor het gezicht van
מְלָכִ֛ים
(melakhim)
koningen
נְתַתִּ֖יךָ
(netatikha)
Ik gaf je
לְרַ֥אֲוָה
(leraava)
om te zien
בָֽךְ
(bakh)
naar jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לראוה (lir’avah), ‘ten toon’: als een schouwspel, zodat koningen het zien en er een les uit trekken.
18Door de menigte van je schuld, door het onrecht van je handel, heb je je heiligdommen ontwijd. Ik liet vuur uit je midden uitgaan. Dat heeft je verteerd. Ik maakte je tot as op de aarde, voor de ogen van allen die je zien.
מֵרֹ֣ב
(merov)
door overvloed van
עֲוֺנֶ֗יךָ
(avoneikha)
je schuld
בְּעֶ֨וֶל֙
(beevel)
door onrecht van
רְכֻלָּ֣תְךָ֔
(rekhulatekha)
je handel
חִלַּ֖לְתָּ
(chilalta)
je ontwijdde
מִקְדָּשֶׁ֑יךָ
(miqdasheikha)
je heiligdommen
וָֽאוֹצִא
(vaotsi)
en Ik liet uitgaan
אֵ֤שׁ
(esh)
vuur
מִתּֽוֹכְךָ֙
(mitokhekha)
uit je midden
הִ֣יא
(hi)
het
אֲכָלַ֔תְךָ
(akhalatkha)
het verteerde je
וָאֶתֶּנְךָ֤
(vaetenkha)
en Ik maakte je
לְאֵ֨פֶר֙
(leefer)
tot as
עַל
(al)
op
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
de aarde
לְעֵינֵ֖י
(leeinei)
voor de ogen van
כָּל
(kal)
alle
רֹאֶֽיךָ
(roeikha)
die je zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מקדשׁיך (miqdashekha), ‘je heiligdommen’: het woord staat in het meervoud.
Het vuur komt uit zijn eigen midden: zijn eigen daden worden zijn ondergang.
22Zeg: Zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik ben tegen je, Sidon. Ik word verheerlijkt in je midden. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik in haar gerichten voltrek en in haar als heilig erkend word.
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֤י
(hinni)
zie Ik
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
tegen jou
צִיד֔וֹן
(tsidon)
Sidon
וְנִכְבַּדְתִּ֖י
(venikhbadti)
en Ik zal verheerlijkt worden
בְּתוֹכֵ֑ךְ
(betokhekh)
in je midden
וְֽיָדְע֞וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲשׂ֥וֹתִי
(baasoti)
als Ik doe
בָ֛הּ
(bah)
in haar
שְׁפָטִ֖ים
(shefatim)
gerichten
וְנִקְדַּ֥שְׁתִּי
(veniqdashti)
en Ik zal geheiligd worden
בָֽהּ
(bah)
in haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
ונכבדתי (venikhbadeti), ‘Ik word verheerlijkt’, en ונקדשׁתי (venikdashti), ‘Ik word als heilig erkend’: beide werkwoorden hebben een vorm die ‘zich laten zien als’ kan betekenen.
23Ik stuur pest in haar en bloed in haar straten. Gewonden vallen in haar midden, door het zwaard dat van alle kanten tegen haar komt. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben.
וְשִׁלַּחְתִּי
(veshilachti)
en Ik zal zenden
בָ֞הּ
(bah)
in haar
דֶּ֤בֶר
(dever)
pest
וָדָם֙
(vadam)
en bloed
בְּח֣וּצוֹתֶ֔יהָ
(bechutsoteiha)
in haar straten
וְנִפְלַ֤ל
(veniflal)
en zal vallen
חָלָל֙
(chalal)
gewonde
בְּתוֹכָ֔הּ
(betokhah)
in haar midden
בְּחֶ֥רֶב
(becherev)
door het zwaard
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
tegen haar
מִסָּבִ֑יב
(misaviv)
rondom
וְיָדְע֖וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דבר (dever), ‘pest’: een plaag of epidemie die mensen en vee treft.
24Er zal voor het huis van Israël geen stekende doornstruik of pijnlijke doorn meer zijn onder al hun buren die hen minachten. Dan zullen zij weten dat Ik Heer Yahweh ben.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
ע֜וֹד
(od)
meer
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
סִלּ֤וֹן
(silon)
doornstruik
מַמְאִיר֙
(mamir)
stekende
וְק֣וֹץ
(veqots)
en doorn
מַכְאִ֔ב
(makhiv)
pijnlijke
מִכֹּל֙
(mikol)
van alle
סְבִ֣יבֹתָ֔ם
(sevivotam)
hun omgeving
הַשָּׁאטִ֖ים
(hashatim)
die minachten
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְיָ֣דְע֔וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֥י
(ki)
dat
אֲנִ֖י
(ani)
Ik
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סלון (sillon), ‘doornstruik’, en וקוץ (qots), ‘doorn’: stekende planten, een beeld voor volken die Israël pijn doen; vergelijk Ezech. 2:6 en Num. 33:55 (daar staan andere woorden voor doornen).
25Zo zegt Heer Yahweh: Wanneer Ik het huis van Israël verzamel uit de volken waarheen zij verspreid zijn, word Ik in hen als heilig erkend voor de ogen van de volken. Dan wonen zij op hun eigen grond, die Ik aan Mijn knecht Jakob gegeven heb.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
בְּקַבְּצִ֣י
(beqabetsi)
bij Mijn verzamelen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מִן
(min)
uit
הָֽעַמִּים֙
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarheen
נָפֹ֣צוּ
(nafotsu)
zij verspreid werden
בָ֔ם
(bam)
onder hen
וְנִקְדַּ֥שְׁתִּי
(veniqdashti)
en Ik zal geheiligd worden
בָ֖ם
(bam)
in hen
לְעֵינֵ֣י
(leeinei)
voor de ogen van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וְיָֽשְׁבוּ֙
(veyashevu)
en zij zullen wonen
עַל
(al)
op
אַדְמָתָ֔ם
(admatam)
hun grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik gaf
לְעַבְדִּ֥י
(leavdi)
aan Mijn knecht
לְיַעֲקֹֽב
(leyaaqov)
aan Jakob
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לעבדי ליעקב (la’avdi leYa’aqov), ‘aan Mijn knecht Jakob’: Jakob staat hier voor het volk Israël.
26Zij wonen daarop in veiligheid. Zij bouwen huizen en planten wijngaarden. Zij wonen in veiligheid wanneer Ik gerichten voltrek over allen die hen minachten, rondom hen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, hun Elohim.”
וְיָשְׁב֣וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
עָלֶיהָ֮
(aleiha)
daarop
לָבֶטַח֒
(lavetach)
in veiligheid
וּבָנ֤וּ
(uvanu)
en zij zullen bouwen
בָתִּים֙
(batim)
huizen
וְנָטְע֣וּ
(venateu)
en zij zullen planten
כְרָמִ֔ים
(keramim)
wijngaarden
וְיָשְׁב֖וּ
(veyashevu)
en zij zullen wonen
לָבֶ֑טַח
(lavetach)
in veiligheid
בַּעֲשׂוֹתִ֣י
(baasoti)
als Ik doe
שְׁפָטִ֗ים
(shefatim)
gerichten
בְּכֹ֨ל
(bekhol)
over alle
הַשָּׁאטִ֤ים
(hashatim)
die minachten
אֹתָם֙
(otam)
hen
מִסְּבִ֣יבוֹתָ֔ם
(misevivotam)
van rondom hen
וְיָ֣דְע֔וּ
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיהֶֽם
(eloheihem)
hun Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)