Elohim Bijbel

Hosea 1

1234567891011121314

Hosea, Gomer en de drie kinderen met een naam

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

1Het woord van Yahweh dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, de koning van Israël.
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָיָ֗ה
(haya)
kwam
אֶל
(el)
tot
הוֹשֵׁ֨עַ֙
(hoshea)
Hosea
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּאֵרִ֔י
(beeri)
Beëri
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
עֻזִּיָּ֥ה
(uziya)
Uzzia
יוֹתָ֛ם
(yotam)
Jotam
אָחָ֥ז
(achaz)
Achaz
יְחִזְקִיָּ֖ה
(yechizqiya)
Hizkia
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וּבִימֵ֛י
(uvimei)
en in de dagen van
יָרָבְעָ֥ם
(yaraveam)
Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹאָ֖שׁ
(yoash)
Joas
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: de naam betekent ‘redding’.

Het is dezelfde naam als die van de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1).

Uzzia is dezelfde koning als Azaria in 2 Kon. 15:1; zie ook 2 Kron. 26:1. Voor Jotam zie 2 Kon. 15:32, voor Achaz 2 Kon. 16:1 en voor Hizkia 2 Kon. 18:1. Jerobeam, de zoon van Joas, regeerde in Israël (2 Kon. 14:23).

Het boek noemt vier koningen van Juda en één van Israël.

Neem een vrouw van hoererij

2Het begin van wat Yahweh sprak door Hosea. Yahweh zei tegen Hosea: „Ga, neem voor jezelf een vrouw van hoererij en kinderen van hoererij. Want het land hoert zonder ophouden, weg van Yahweh.”
תְּחִלַּ֥ת
(techilat)
het begin van
דִּבֶּר
(diber)
sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּהוֹשֵׁ֑עַ
(behoshea)
door Hosea
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
הוֹשֵׁ֗עַ
(hoshea)
Hosea
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
קַח
(qach)
neem
לְךָ֞
(lekha)
voor jezelf
אֵ֤שֶׁת
(eshet)
een vrouw van
זְנוּנִים֙
(zenunim)
hoererij
וְיַלְדֵ֣י
(veyaldei)
en kinderen van
זְנוּנִ֔ים
(zenunim)
hoererij
כִּֽי
(ki)
want
זָנֹ֤ה
(zano)
hoerend
תִזְנֶה֙
(tizne)
hoert
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
מֵֽאַחֲרֵ֖י
(meacharei)
weg van achter
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּהוֹשֵׁעַ (behoshea), ‘door Hosea’: letterlijk ‘in Hosea’ of ‘bij Hosea’.

Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood.

אֵשֶׁת זְנוּנִים (eshet zenunim), ‘een vrouw van hoererij’: letterlijk ‘een vrouw van hoererijen’. Het Hebreeuws zegt niet of Gomer al hoerde toen Hosea haar nam, of later ontrouw werd. Wij laten dat open. Ook de kinderen heten ‘kinderen van hoererij’; zie 2:6.

זָנֹה תִזְנֶה (zanoh tizneh), ‘het land hoert zonder ophouden’: letterlijk ‘hoerend hoert het land’. Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk, zoals bij ‘sterven zul je sterven’. Hoererij is hier het beeld van ontrouw aan Yahweh. In Exod. 34:15–16 staat hetzelfde werkwoord; daar vertalen wij ‘zich overgeven aan’.

3Hij ging en nam Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij werd zwanger en beviel hem van een zoon.
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en hij ging
וַיִּקַּ֔ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
גֹּ֖מֶר
(gomer)
Gomer
בַּת
(bat)
dochter van
דִּבְלָ֑יִם
(divlayim)
Diblaïm
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en zij werd zwanger
וַתֵּֽלֶד
(vateled)
en beviel
ל֖וֹ
(lo)
hem
בֵּֽן
(ben)
van een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֹּמֶר (Gomer) en דִּבְלָיִם (Diblayim, ‘Diblaïm’): de betekenis van beide namen is onzeker.

Verder worden zij niet genoemd.

Jizreël

4Yahweh zei tegen hem: „Noem hem Jizreël, want nog even, en Ik zal het huis van Jehu straffen voor het bloed van Jizreël. Ik maak een einde aan het koningschap van het huis van Israël.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
קְרָ֥א
(qera)
noem
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
יִזְרְעֶ֑אל
(yizreel)
Jizreël
כִּי
(ki)
want
ע֣וֹד
(od)
nog
מְעַ֗ט
(meat)
even
וּפָ֨קַדְתִּ֜י
(ufaqadti)
en Ik zal straffen
אֶת
(et)
(obj.)
דְּמֵ֤י
(demei)
het bloed van
יִזְרְעֶאל֙
(yizreel)
Jizreël
עַל
(al)
over
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יֵה֔וּא
(yehu)
Jehu
וְהִ֨שְׁבַּתִּ֔י
(vehishbati)
en Ik zal laten ophouden
מַמְלְכ֖וּת
(mamlekhut)
het koningschap van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind.

Uitleg

יִזְרְעֶאל (Yizre’el), ‘Jizreël’: letterlijk ‘El zaait’.

Jizreël is ook een stad en een dal in het noorden van het land (zie vers 5).

Het ‘bloed van Jizreël’ verwijst naar het bloed dat Jehu daar vergoot: zie 2 Kon. 9:25–26, 9:30–37 en 10:1–11. Yahweh had Jehu beloofd dat zonen van de vierde generatie op de troon zouden zitten (2 Kon. 10:30). Zacharia was de vierde en laatste van zijn huis (2 Kon. 15:8–12).

פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’. Het betekent hier: ter verantwoording roepen. Hetzelfde werkwoord staat in 2:15.

מַמְלְכוּת בֵּית יִשְׂרָאֵל (mamlekhut bet Yisra’el), ‘het koningschap van het huis van Israël’: het noordelijke koninkrijk.

5Het zal gebeuren op die dag: Ik zal de boog van Israël breken in het dal van Jizreël.”
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het zal zijn
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וְשָֽׁבַרְתִּי֙
(veshavarti)
en Ik zal breken
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֣שֶׁת
(qeshet)
de boog van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּעֵ֖מֶק
(beemeq)
in het dal van
יִזְרְעֶֽאל
(yizreel)
Jizreël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.

Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind.

Uitleg

קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: het wapen als beeld van kracht in de oorlog.

In het dal van Jizreël werd eerder gestreden; zie Richt. 6:33.

Lo-Ruchama

6Zij werd opnieuw zwanger en beviel van een dochter. Hij zei tegen hem: „Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal Mij niet meer ontfermen over het huis van Israël. Maar Ik zal hen zeker wegnemen.
וַתַּ֤הַר
(vatahar)
en zij werd zwanger
עוֹד֙
(od)
opnieuw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en beviel
בַּ֔ת
(bat)
van een dochter
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
ל֔וֹ
(lo)
tegen hem
קְרָ֥א
(qera)
noem
שְׁמָ֖הּ
(shemah)
haar naam
לֹ֣א
(lo)
Lo
רֻחָ֑מָה
(ruchama)
Ruchama
כִּי֩
(ki)
want
לֹ֨א
(lo)
niet
אוֹסִ֜יף
(osif)
Ik zal toevoegen
ע֗וֹד
(od)
nog
אֲרַחֵם֙
(arachem)
Ik zal Mij ontfermen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
maar
נָשֹׂ֥א
(naso)
wegnemen
אֶשָּׂ֖א
(esa)
Ik zal wegnemen
לָהֶֽם
(lahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא רֻחָמָה (lo ruchamah), ‘Lo-Ruchama’: letterlijk ‘niet ontferming ontvangen’, dus ‘Niet-ontferming’.

Het woord is verwant met רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’.

נָשֹׂא אֶשָּׂא (naso essa), ‘Ik zal hen zeker wegnemen’: letterlijk ‘wegnemen zal Ik wegnemen’. Het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’, ‘wegnemen’ en ook ‘vergeven’ (zoals in Exod. 34:7).

Lezing

Het tweede ‘want’ (כִּי, ki) kan ook ‘maar’ zijn.

Het Hebreeuws is hier moeilijk.

Mogelijk betekent de zin: ‘Ik zal hen zeker wegnemen’ of: ‘dat Ik hun ooit zou vergeven’.

Wij kiezen ‘maar Ik zal hen zeker wegnemen’.

7En over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen. Ik zal hen redden door Yahweh, hun Elohim. Ik zal hen niet redden door boog, zwaard of oorlog, door paarden of ruiters.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֤ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
אֲרַחֵ֔ם
(arachem)
Ik zal Mij ontfermen
וְהֽוֹשַׁעְתִּ֖ים
(vehoshatim)
en Ik zal hen redden
בַּיהוָ֣ה
(baYahweh)
door Yahweh
אֱלֹֽהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun Elohim
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
אֽוֹשִׁיעֵ֗ם
(oshiem)
Ik zal hen redden
בְּקֶ֤שֶׁת
(beqeshet)
door boog
וּבְחֶ֨רֶב֙
(uvecherev)
en door zwaard
וּבְמִלְחָמָ֔ה
(uvemilchama)
en door oorlog
בְּסוּסִ֖ים
(besusim)
door paarden
וּבְפָרָשִֽׁים
(uvefarashim)
en door ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier in de derde persoon over Zichzelf: ‘door Yahweh, hun Elohim’.

Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijven ze rood.

Vergelijk Ps. 20:8: ‘Dezen met wagens en dezen met paarden. Maar wij vermelden de naam van Yahweh, onze Elohim.’

Lo-Ammi

8Zij speende Lo-Ruchama, werd zwanger en beviel van een zoon.
וַתִּגְמֹ֖ל
(vatigmol)
en zij speende
אֶת
(et)
(obj.)
לֹ֣א
(lo)
Lo
רֻחָ֑מָה
(ruchama)
Ruchama
וַתַּ֖הַר
(vatahar)
en zij werd zwanger
וַתֵּ֥לֶד
(vateled)
en beviel
בֵּֽן
(ben)
van een zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּמַל (gamal), ‘spenen’: het kind krijgt geen moedermelk meer.

Vergelijk Gen. 21:8.

Zie ookGen 21:8
9Hij zei: „Noem hem Lo-Ammi, want jullie zijn niet Mijn volk, en Ik ben er niet voor jullie.”
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
קְרָ֥א
(qera)
noem
שְׁמ֖וֹ
(shemo)
zijn naam
לֹ֣א
(lo)
Lo
עַמִּ֑י
(ami)
Ammi
כִּ֤י
(ki)
want
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
לֹ֣א
(lo)
niet
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en Ik
לֹֽא
(lo)
niet
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
Ik zal zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא עַמִּי (lo ammi), ‘Lo-Ammi’: letterlijk ‘niet mijn volk’, dus ‘Niet-Mijn-volk’.

Dit is het omgekeerde van de belofte in Exod. 6:7: ‘Ik zal jullie tot Mijn volk nemen en jullie Elohim zijn.’

אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 3:14, ‘Ik ben die Ik ben’. Hier staat: ‘Ik ben er niet voor jullie’.