Hosea 1
Hosea, Gomer en de drie kinderen met een naam
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
הוֹשֵׁעַ (Hoshea), ‘Hosea’: de naam betekent ‘redding’.
Het is dezelfde naam als die van de laatste koning van Israël (2 Kon. 17:1).
Uzzia is dezelfde koning als Azaria in 2 Kon. 15:1; zie ook 2 Kron. 26:1. Voor Jotam zie 2 Kon. 15:32, voor Achaz 2 Kon. 16:1 en voor Hizkia 2 Kon. 18:1. Jerobeam, de zoon van Joas, regeerde in Israël (2 Kon. 14:23).
Het boek noemt vier koningen van Juda en één van Israël.
Neem een vrouw van hoererij
בְּהוֹשֵׁעַ (behoshea), ‘door Hosea’: letterlijk ‘in Hosea’ of ‘bij Hosea’.
Hier begint Yahweh te spreken; Zijn woorden staan rood.
אֵשֶׁת זְנוּנִים (eshet zenunim), ‘een vrouw van hoererij’: letterlijk ‘een vrouw van hoererijen’. Het Hebreeuws zegt niet of Gomer al hoerde toen Hosea haar nam, of later ontrouw werd. Wij laten dat open. Ook de kinderen heten ‘kinderen van hoererij’; zie 2:6.
זָנֹה תִזְנֶה (zanoh tizneh), ‘het land hoert zonder ophouden’: letterlijk ‘hoerend hoert het land’. Het herhaalde werkwoord maakt de zin sterk, zoals bij ‘sterven zul je sterven’. Hoererij is hier het beeld van ontrouw aan Yahweh. In Exod. 34:15–16 staat hetzelfde werkwoord; daar vertalen wij ‘zich overgeven aan’.
גֹּמֶר (Gomer) en דִּבְלָיִם (Diblayim, ‘Diblaïm’): de betekenis van beide namen is onzeker.
Verder worden zij niet genoemd.
Jizreël
Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.
Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind.
יִזְרְעֶאל (Yizre’el), ‘Jizreël’: letterlijk ‘El zaait’.
Jizreël is ook een stad en een dal in het noorden van het land (zie vers 5).
Het ‘bloed van Jizreël’ verwijst naar het bloed dat Jehu daar vergoot: zie 2 Kon. 9:25–26, 9:30–37 en 10:1–11. Yahweh had Jehu beloofd dat zonen van de vierde generatie op de troon zouden zitten (2 Kon. 10:30). Zacharia was de vierde en laatste van zijn huis (2 Kon. 15:8–12).
פָּקַד עַל (paqad al), ‘straffen’: letterlijk ‘bezoeken aan’. Het betekent hier: ter verantwoording roepen. Hetzelfde werkwoord staat in 2:15.
מַמְלְכוּת בֵּית יִשְׂרָאֵל (mamlekhut bet Yisra’el), ‘het koningschap van het huis van Israël’: het noordelijke koninkrijk.
Zie Jizreël (vallei): Jizreël en de vallei van Jizreël liggen in het noorden van het land, tussen de Karmel en de Jordaan.
Hier is de stad of de vallei bedoeld, niet de symbolische naam van het kind.
קֶשֶׁת (qeshet), ‘boog’: het wapen als beeld van kracht in de oorlog.
In het dal van Jizreël werd eerder gestreden; zie Richt. 6:33.
Lo-Ruchama
לֹא רֻחָמָה (lo ruchamah), ‘Lo-Ruchama’: letterlijk ‘niet ontferming ontvangen’, dus ‘Niet-ontferming’.
Het woord is verwant met רַחֲמִים (rachamim), ‘ontferming’.
נָשֹׂא אֶשָּׂא (naso essa), ‘Ik zal hen zeker wegnemen’: letterlijk ‘wegnemen zal Ik wegnemen’. Het werkwoord נָשָׂא (nasa) betekent ‘dragen’, ‘wegnemen’ en ook ‘vergeven’ (zoals in Exod. 34:7).
Het tweede ‘want’ (כִּי, ki) kan ook ‘maar’ zijn.
Het Hebreeuws is hier moeilijk.
Mogelijk betekent de zin: ‘Ik zal hen zeker wegnemen’ of: ‘dat Ik hun ooit zou vergeven’.
Wij kiezen ‘maar Ik zal hen zeker wegnemen’.
Yahweh spreekt hier in de derde persoon over Zichzelf: ‘door Yahweh, hun Elohim’.
Het zijn Zijn eigen woorden; daarom blijven ze rood.
Vergelijk Ps. 20:8: ‘Dezen met wagens en dezen met paarden. Maar wij vermelden de naam van Yahweh, onze Elohim.’
Lo-Ammi
גָּמַל (gamal), ‘spenen’: het kind krijgt geen moedermelk meer.
Vergelijk Gen. 21:8.
לֹא עַמִּי (lo ammi), ‘Lo-Ammi’: letterlijk ‘niet mijn volk’, dus ‘Niet-Mijn-volk’.
Dit is het omgekeerde van de belofte in Exod. 6:7: ‘Ik zal jullie tot Mijn volk nemen en jullie Elohim zijn.’
אֶהְיֶה (ehyeh), ‘Ik ben’: hetzelfde werkwoord als in Exod. 3:14, ‘Ik ben die Ik ben’. Hier staat: ‘Ik ben er niet voor jullie’.