Elohim Bijbel

Ezechiël 21

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748

Het woud in de Negev, het zwaard van Yahweh en de tweesprong van de koning van Babel

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het vuur in het woud van de Negev

1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier telt het Hebreeuws anders dan de Nederlandse bijbels.

Hebr. 21:1–5 is in de Nederlandse telling 20:45–49, en Hebr. 21:6–37 is Nederlands 21:1–32.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

De app zet de kruisverwijzingen zelf om.

Zie ookHeb 21:1–5Heb 21:6–37
2„Mensenkind, richt je gezicht naar het zuiden. Laat je woorden druppelen naar het zuiden en profeteer tegen het woud van het veld in de Negev.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
שִׂ֤ים
(sim)
zet
פָּנֶ֨יךָ֙
(paneikha)
je gezicht
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
in de richting van
תֵּימָ֔נָה
(teimana)
het zuiden (Teman)
וְהַטֵּ֖ף
(vehatef)
en laat druppelen
אֶל
(el)
naar
דָּר֑וֹם
(darom)
het zuiden
וְהִנָּבֵ֛א
(vehinave)
en profeteer
אֶל
(el)
tegen
יַ֥עַר
(yaar)
woud van
הַשָּׂדֶ֖ה
(hasade)
het veld
נֶֽגֶב
(negev)
Negev
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

תֵּימָנָה (teimanah), ‘naar het zuiden’: letterlijk ‘naar Teman’, de streek in het zuiden.

דָּרוֹם (darom), ‘het zuiden’, en נֶגֶב (negev), ‘de Negev’, het droge zuiden van Juda: drie woorden voor dezelfde richting.

הַטֵּף (hatef), ‘laat druppelen’: een beeld voor profetisch spreken. Vergelijk Amos 7:16 en Mi. 2:6.

יַעַר הַשָּׂדֶה (ya’ar hassadeh), ‘woud van het veld’: een beeld. De tekst zegt niet wie of wat ermee bedoeld wordt.

3Zeg tegen het woud van de Negev: ‘Hoor het woord van Yahweh. Zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik steek een vuur in je aan. Het zal in je elke groene boom verteren en elke droge boom. De laaiende vlam wordt niet gedoofd. Alle gezichten worden erdoor verbrand, van het zuiden tot het noorden.
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
לְיַ֣עַר
(leyaar)
tegen het woud van
הַנֶּ֔גֶב
(hanegev)
de Negev
שְׁמַ֖ע
(shema)
hoor
דְּבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie, Ik
מַֽצִּית
(matsit)
steek aan
בְּךָ֣
(bekha)
in jou
אֵ֡שׁ
(esh)
een vuur
וְאָכְלָ֣ה
(veakhela)
en het zal verteren
בְךָ֣
(bekha)
in jou
כָל
(kal)
elke
עֵֽץ
(ets)
boom
לַח֩
(lach)
groen
וְכָל
(vekhal)
en elke
עֵ֨ץ
(ets)
boom
יָבֵ֤שׁ
(yavesh)
droog
לֹֽא
(lo)
niet
תִכְבֶּה֙
(tikhbe)
zal gedoofd worden
לַהֶ֣בֶת
(lahevet)
de laaiing van
שַׁלְהֶ֔בֶת
(shalhevet)
de vlam
וְנִצְרְבוּ
(venitsrevu)
en zullen verbrand worden
בָ֥הּ
(bah)
daardoor
כָּל
(kal)
alle
פָּנִ֖ים
(panim)
gezichten
מִנֶּ֥גֶב
(minegev)
van het zuiden
צָפֽוֹנָה
(tsafona)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Uitleg

אֲדֹנָי יְהוִה (Adonai Yahweh), ‘Heer Yahweh’: zie Ezech. 2:4.

Hier staat ‘Zo zegt Heer Yahweh’ midden in Yahweh’s opdracht aan Ezechiël. Wij zetten de formule zwart en wat volgt rood, zoals elders in de profeten.

לַהֶבֶת שַׁלְהֶבֶת (lahevet shalhevet), ‘de laaiing van de vlam’: twee verwante woorden voor een brandend vuur.

4Dan zal alle vlees zien dat Ik, Yahweh, het heb aangestoken. Het zal niet gedoofd worden.’”
וְרָאוּ֙
(verau)
en zullen zien
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּ֛י
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּֽעַרְתִּ֑יהָ
(biartiha)
heb het aangestoken
לֹ֖א
(lo)
niet
תִּכְבֶּֽה
(tikhbe)
zal gedoofd worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּשָׂר (basar), ‘vlees’: alle levende mensen, gezien als zwak en sterfelijk.

Vergelijk Joël 3:1 (Hebr.).

5Toen zei ik: „Ach, Heer Yahweh! Zij zeggen van mij: ‘Is hij niet iemand die gelijkenissen vertelt?’”
וָאֹמַ֕ר
(vaomar)
en ik zei
אֲהָ֖הּ
(ahah)
ach
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
אֹמְרִ֣ים
(omerim)
zeggend
לִ֔י
(li)
over mij
הֲלֹ֛א
(halo)
niet
מְמַשֵּׁ֥ל
(memashel)
een verteller van
מְשָׁלִ֖ים
(meshalim)
gelijkenissen
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְמַשֵּׁל מְשָׁלִים (memashel meshalim), ‘iemand die gelijkenissen vertelt’: מָשָׁל (mashal) is een gelijkenis, een raadsel of een spreuk.

Het volk vindt dat Ezechiël in raadsels spreekt.

Vergelijk Ezech. 17:2.

Het zwaard van Yahweh

6Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is in de Nederlandse telling 21:1.

7„Mensenkind, richt je gezicht naar Jeruzalem. Laat je woorden druppelen naar de heiligdommen en profeteer tegen het land van Israël.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
שִׂ֤ים
(sim)
zet
פָּנֶ֨יךָ֙
(paneikha)
je gezicht
אֶל
(el)
naar
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהַטֵּ֖ף
(vehatef)
en laat druppelen
אֶל
(el)
naar
מִקְדָּשִׁ֑ים
(miqdashim)
heiligdommen
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
אֶל
(el)
tegen
אַדְמַ֥ת
(admat)
het land van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִקְדָּשִׁים (miqdashim), ‘heiligdommen’: meervoud van het woord voor ‘heiligdom’.

Het gaat om de heilige plaatsen van Jeruzalem, in de eerste plaats de tempel.

אַדְמַת יִשְׂרָאֵל (admat Yisrael), ‘het land van Israël’: letterlijk ‘de grond van Israël’.

8Zeg tegen het land van Israël: ‘Zo zegt Yahweh: Zie, Ik ben tegen je. Ik trek Mijn zwaard uit zijn schede en Ik roei bij je de rechtvaardige en de goddeloze uit.
וְאָמַרְתָּ֞
(veamarta)
en je zult zeggen
לְאַדְמַ֣ת
(leadmat)
tegen het land van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֣י
(hinni)
zie, Ik
אֵלַ֔יִךְ
(elayikh)
tegen jou
וְהוֹצֵאתִ֥י
(vehotseti)
en Ik zal uittrekken
חַרְבִּ֖י
(charbi)
Mijn zwaard
מִתַּעְרָ֑הּ
(mitarah)
uit zijn schede
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik zal uitroeien
מִמֵּ֖ךְ
(mimekh)
uit jou
צַדִּ֥יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וְרָשָֽׁע
(verasha)
en goddeloze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִנְנִי אֵלַיִךְ (hinneni elayich), ‘Zie, Ik ben tegen je’: een vaste formule van Yahweh.

Vergelijk Nah. 2:14 en 3:5.

צַדִּיק וְרָשָׁע (tsaddiq verasha), ‘de rechtvaardige en de goddeloze’: het zwaard treft beide. Vergelijk Ezech. 18, waar het over de rechtvaardige en de goddeloze gaat.

תַּעְרָהּ (ta’rah), ‘schede’: het huls van het zwaard.

9Ik heb bij je de rechtvaardige en de goddeloze uitgeroeid. Daarom gaat Mijn zwaard uit zijn schede tegen alle vlees, van het zuiden tot het noorden.
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הִכְרַ֥תִּי
(hikhrati)
Ik heb uitgeroeid
מִמֵּ֖ךְ
(mimekh)
uit jou
צַדִּ֣יק
(tsadiq)
rechtvaardige
וְרָשָׁ֑ע
(verasha)
en goddeloze
לָ֠כֵן
(lakhen)
daarom
תֵּצֵ֨א
(tetse)
zal uitgaan
חַרְבִּ֧י
(charbi)
Mijn zwaard
מִתַּעְרָ֛הּ
(mitarah)
uit zijn schede
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֖ר
(basar)
vlees
מִנֶּ֥גֶב
(minegev)
van het zuiden
צָפֽוֹן
(tsafon)
naar het noorden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De rechtvaardige wordt hier uitgeroeid met de goddeloze.

Het Hebreeuws zegt niet dat de rechtvaardige ook schuldig is; het zwaard treft ‘alle vlees’.

10Dan zal alle vlees weten dat Ik, Yahweh, Mijn zwaard uit zijn schede heb getrokken. Het zal niet meer terugkeren.’
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zullen weten
כָּל
(kal)
alle
בָּשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּ֚י
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הוֹצֵ֥אתִי
(hotseti)
heb getrokken
חַרְבִּ֖י
(charbi)
Mijn zwaard
מִתַּעְרָ֑הּ
(mitarah)
uit zijn schede
לֹ֥א
(lo)
niet
תָשׁ֖וּב
(tashuv)
zal terugkeren
עֽוֹד
(od)
meer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zucht voor hun ogen

11En jij, mensenkind, zucht! Met gebroken heupen en met bitterheid moet je zuchten voor hun ogen.
וְאַתָּ֥ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
הֵֽאָנַ֑ח
(heanach)
zucht
בְּשִׁבְר֤וֹן
(beshivron)
met breuk van
מָתְנַ֨יִם֙
(matenayim)
heupen
וּבִמְרִיר֔וּת
(uvimrirut)
en met bitterheid
תֵּֽאָנַ֖ח
(teanach)
zul je zuchten
לְעֵינֵיהֶֽם
(leeineihem)
voor hun ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שִׁבְרוֹן מָתְנַיִם (shivron motnayim), ‘met gebroken heupen’: een beeld van diepe pijn.

Het is een teken: Ezechiël zucht voor hun ogen, zodat zij vragen waarom (vers 12).

12Dan zullen zij tegen je zeggen: ‘Waarom zucht je?’ En je zult zeggen: ‘Om het bericht, want het komt. Elk hart zal smelten, alle handen zullen slap worden, elke geest zal verflauwen en alle knieën zullen water worden. Zie, het komt en het zal gebeuren’, godsspraak van Heer Yahweh.”
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֹאמְר֣וּ
(yomru)
zij zeggen
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
tegen jou
עַל
(al)
over
מָ֖ה
(ma)
wat
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
נֶאֱנָ֑ח
(neenach)
zuchtend
וְאָמַרְתָּ֡
(veamarta)
en je zult zeggen
אֶל
(el)
om
שְׁמוּעָ֣ה
(shemua)
bericht
כִֽי
(ki)
want
בָאָ֡ה
(baa)
het komt
וְנָמֵ֣ס
(venames)
en zal smelten
כָּל
(kal)
elk
לֵב֩
(lev)
hart
וְרָפ֨וּ
(verafu)
en zullen slap worden
כָל
(kal)
alle
יָדַ֜יִם
(yadayim)
handen
וְכִהֲתָ֣ה
(vekhihata)
en zal verflauwen
כָל
(kal)
elke
ר֗וּחַ
(ruach)
geest
וְכָל
(vekhal)
en alle
בִּרְכַּ֨יִם֙
(birkayim)
knieën
תֵּלַ֣כְנָה
(telakhna)
zullen gaan
מַּ֔יִם
(mayim)
water
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
בָאָה֙
(baa)
het komt
וְנִֽהְיָ֔תָה
(venihyata)
en het zal gebeuren
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11.

שְׁמוּעָה (shemu’ah), ‘bericht’: het bericht van het naderende oordeel.

וְכָל בִּרְכַּיִם תֵּלַכְנָה מַּיִם (vechol birkayim telachnah mayim), ‘alle knieën zullen water worden’: letterlijk ‘alle knieën gaan water’. Zo staat het ook in Ezech. 7:17.

Het lied van het zwaard

13Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14„Mensenkind, profeteer en zeg: ‘Zo zegt de Heer: Zeg: Een zwaard, een zwaard! Het is geslepen en ook gepolijst.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
הִנָּבֵא֙
(hinave)
profeteer
וְאָ֣מַרְתָּ֔
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֑י
(adonay)
de Heer
אֱמֹ֕ר
(emor)
zeg
חֶ֥רֶב
(cherev)
zwaard
חֶ֛רֶב
(cherev)
zwaard
הוּחַ֖דָּה
(huchada)
is geslepen
וְגַם
(vegam)
en ook
מְרוּטָֽה
(meruta)
gepolijst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: hier staat Adonai zonder Yahweh.

Wij vertalen ‘de Heer’.

Vanaf hier tot vers 22 volgt het lied van het zwaard. Het Hebreeuws is kort en abrupt; wij laten dat zo.

אֱמֹר (emor), ‘zeg’: Yahweh geeft Ezechiël de woorden van het lied. Wat Ezechiël moet zeggen, loopt door tot vers 22.

15Het is geslepen om een slachting aan te richten. Het is gepolijst om te flitsen als de bliksem. Zullen wij ons dan verheugen? De staf van Mijn zoon veracht elk hout.
לְמַ֨עַן
(lemaan)
opdat
טְבֹ֤חַ
(tevoach)
te slachten
טֶ֨בַח֙
(tevach)
slachting
הוּחַ֔דָּה
(huchada)
is geslepen
לְמַעַן
(lemaan)
opdat
הֱיֵה
(heye)
te zijn
לָ֥הּ
(lah)
voor het
בָּ֖רָק
(baraq)
bliksem
מֹרָ֑טָּה
(morata)
gepolijst
א֣וֹ
(o)
of
נָשִׂ֔ישׂ
(nasis)
zullen wij ons verheugen
שֵׁ֥בֶט
(shevet)
staf van
בְּנִ֖י
(beni)
Mijn zoon
מֹאֶ֥סֶת
(moeset)
verwerpend
כָּל
(kal)
elk
עֵֽץ
(ets)
hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

נָשִׂישׂ (nasis), ‘zullen wij ons verheugen’, kan ook uit een ander werkwoord komen.

שֵׁבֶט בְּנִי (shevet beni), ‘de staf van Mijn zoon’: de tekst zegt niet wie ‘Mijn zoon’ is.

Wij laten dat open.

Lezing

Het slot van dit vers is in het Hebreeuws onzeker.

Sommige oude vertalingen lezen anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

16Men heeft het gegeven om gepolijst te worden, om met de hand te worden vastgegrepen. Dit zwaard is geslepen en gepolijst, om het in de hand van de doder te geven.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
אֹתָ֛הּ
(otah)
het
לְמָרְטָ֖ה
(lemareta)
om gepolijst te worden
לִתְפֹּ֣שׂ
(litpos)
om vast te grijpen
בַּכָּ֑ף
(bakaf)
in de hand
הִֽיא
(hi)
zij
הוּחַ֤דָּה
(huchada)
is geslepen
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
zwaard
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
מֹרָ֔טָּה
(morata)
gepolijst
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
אוֹתָ֖הּ
(otah)
het
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
הוֹרֵֽג
(horeg)
de doder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הוּחַדָּה (huchaddah), ‘geslepen’, en מֹרָטָּה (morattah), ‘gepolijst’: twee werkwoorden voor het gereedmaken van een wapen.

וַיִּתֵּן (vayitten), ‘en hij gaf’: het onderwerp wordt niet genoemd. Wij schrijven ‘men’.

הוֹרֵג (horeg), ‘doder’: wie doodt.

17Schreeuw en jammer, mensenkind, want het is tegen Mijn volk gericht. Het is tegen alle vorsten van Israël gericht. Aan het zwaard overgeleverd zijn zij, samen met Mijn volk. Sla daarom op je dij.
זְעַ֤ק
(zeaq)
schreeuw
וְהֵילֵל֙
(veheilel)
en jammer
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
כִּי
(ki)
want
הִיא֙
(hi)
zij
הָיתָ֣ה
(hayta)
is geweest
בְעַמִּ֔י
(beami)
tegen Mijn volk
הִ֖יא
(hi)
zij
בְּכָל
(bekhal)
tegen alle
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
vorsten van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מְגוּרֵ֤י
(megurei)
overgeleverden van
אֶל
(el)
aan
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
het zwaard
הָי֣וּ
(hayu)
zijn geweest
אֶת
(et)
met
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
לָכֵ֖ן
(lakhen)
daarom
סְפֹ֥ק
(sefoq)
sla
אֶל
(el)
op
יָרֵֽךְ
(yarekh)
dij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְגוּרֵי (megurei), ‘overgeleverden’: een zeldzaam woord, waarschijnlijk van het werkwoord voor ‘overgeven’.

De betekenis is niet helemaal zeker.

סְפֹק אֶל יָרֵךְ (sefoq el yarech), ‘sla op je dij’: een gebaar van verslagenheid of rouw.

18Want er is een beproeving. En wat, als zelfs de staf die verwerpt er niet zal zijn, godsspraak van Heer Yahweh?
כִּ֣י
(ki)
want
בֹ֔חַן
(bochan)
beproeving
וּמָ֕ה
(uma)
en wat
אִם
(im)
als
גַּם
(gam)
ook
שֵׁ֥בֶט
(shevet)
staf
מֹאֶ֖סֶת
(moeset)
verwerpend
לֹ֣א
(lo)
niet
יִֽהְיֶ֑ה
(yihye)
zal zijn
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹחַן (bochan), ‘beproeving’: het woord komt alleen hier voor.

Het vers is kort en moeilijk.

De staf die ‘verwerpt’ is dezelfde als in vers 15.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

19En jij, mensenkind, profeteer en klap in je handen. Het zwaard wordt verdubbeld, tot een derde keer toe: het zwaard van de gesneuvelden. Het is het zwaard van de grote gesneuvelde, het zwaard dat hen omsluit.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֔ם
(adam)
mens
הִנָּבֵ֕א
(hinave)
profeteer
וְהַ֖ךְ
(vehakh)
en sla
כַּ֣ף
(kaf)
handpalm
אֶל
(el)
tegen
כָּ֑ף
(kaf)
handpalm
וְתִכָּפֵ֞ל
(vetikafel)
en zal verdubbeld worden
חֶ֤רֶב
(cherev)
zwaard
שְׁלִישִׁ֨תָה֙
(shelishita)
haar derde
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard
חֲלָלִ֔ים
(chalalim)
van gesneuvelden
הִ֗יא
(hi)
zij
חֶ֚רֶב
(cherev)
zwaard van
חָלָ֣ל
(chalal)
gesneuvelde
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
הַחֹדֶ֖רֶת
(hachoderet)
die omsluit
לָהֶֽם
(lahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַחֹדֶרֶת (hachoderet), ‘dat omsluit’: het woord komt alleen hier voor.

Het hoort bij het woord voor ‘kamer’ (cheder) en betekent hier waarschijnlijk dat het zwaard hen aan alle kanten insluit.

וְתִכָּפֵל חֶרֶב שְׁלִישִׁתָה (vetikkafel cherev shelishitah), ‘het zwaard wordt verdubbeld, tot een derde keer toe’: een beeld voor zeer veel slachting.

כַּף אֶל כַּף (kaf el kaf), ‘handpalm tegen handpalm’: in de handen klappen. Vergelijk vers 22.

20Opdat het hart smelt en de struikelblokken talrijk worden, heb Ik bij al hun poorten het flikkerende zwaard gezet. Ach, het is gemaakt om te flitsen, omwikkeld voor de slachting.
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
לָמ֣וּג
(lamug)
te smelten
לֵ֗ב
(lev)
hart
וְהַרְבֵּה֙
(veharbe)
en vele
הַמִּכְשֹׁלִ֔ים
(hamikhsholim)
de struikelblokken
עַ֚ל
(al)
bij
כָּל
(kal)
alle
שַׁ֣עֲרֵיהֶ֔ם
(shaareihem)
hun poorten
נָתַ֖תִּי
(natati)
Ik heb gezet
אִבְחַת
(ivchat)
flikkering van
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
אָ֛ח
(ach)
ach
עֲשׂוּיָ֥ה
(asuya)
gemaakt
לְבָרָ֖ק
(levaraq)
om te flitsen
מְעֻטָּ֥ה
(meuta)
omwikkeld
לְטָֽבַח
(letavach)
voor slachting
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִבְחַת (ivchat), ‘het flikkeren’: een zeldzaam woord.

מְעֻטָּה (me’uttah), ‘omwikkeld’: ook mogelijk ‘gescherpt’.

De betekenis is onzeker.

אָח (ach), ‘ach’: een uitroep.

21Verzamel je, ga naar rechts. Zet je schrap, ga naar links, waarheen je gezicht ook gericht is.
הִתְאַחֲדִ֥י
(hitachadi)
verzamel je
הֵימִ֖נִי
(heimini)
ga naar rechts
הָשִׂ֣ימִי
(hasimi)
zet je
הַשְׂמִ֑ילִי
(hasmili)
ga naar links
אָ֖נָה
(ana)
waarheen
פָּנַ֥יִךְ
(panayikh)
je gezicht
מֻעָדֽוֹת
(muadot)
gericht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het zwaard wordt hier rechtstreeks toegesproken.

הִתְאַחֲדִי (hit’achadi), ‘verzamel je’: een zeldzame vorm; de betekenis is niet helemaal zeker.

22Ook Ik zal in Mijn handen klappen en Mijn woede laten rusten. Ik, Yahweh, heb gesproken.’”
וְגַם
(vegam)
en ook
אֲנִ֗י
(ani)
Ik
אַכֶּ֤ה
(ake)
zal slaan
כַפִּי֙
(kapi)
Mijn handpalm
אֶל
(el)
tegen
כַּפִּ֔י
(kapi)
Mijn handpalm
וַהֲנִחֹתִ֖י
(vahanichoti)
en Ik zal laten rusten
חֲמָתִ֑י
(chamati)
Mijn woede
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh klapt in Zijn handen (vergelijk vers 19 en Ezech. 22:13).

Het kan een gebaar zijn van woede of van voldoening.

Zijn woede ‘laten rusten’ betekent dat die zich uitgeleefd heeft.

חֵמָה (chemah), ‘woede’. In vers 36 staan ook זַעַם (za’am), ‘verontwaardiging’, en עֶבְרָה (evrah), ‘grimmigheid’. Wij houden deze Hebreeuwse woorden uit elkaar.

De koning van Babel op de tweesprong

23Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en kwam
דְבַר
(devar)
het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24„En jij, mensenkind, zet voor jezelf twee wegen neer waarlangs het zwaard van de koning van Babel kan komen. Beide gaan uit van één land. Hak een wegwijzer uit. Hak hem uit aan het begin van de weg naar de stad.
וְאַתָּ֨ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֜ם
(adam)
mens
שִׂים
(sim)
zet
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
דְּרָכִ֗ים
(derakhim)
wegen
לָבוֹא֙
(lavo)
om te komen
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֔ל
(bavel)
Babel
מֵאֶ֥רֶץ
(meerets)
uit land
אֶחָ֖ד
(echad)
één
יֵצְא֣וּ
(yetseu)
zullen uitgaan
שְׁנֵיהֶ֑ם
(sheneihem)
beide
וְיָ֣ד
(veyad)
en een hand
בָּרֵ֔א
(bare)
hak uit
בְּרֹ֥אשׁ
(berosh)
aan het begin van
דֶּֽרֶךְ
(derekh)
weg
עִ֖יר
(ir)
stad
בָּרֵֽא
(bare)
hak uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

וְיָד (veyad), ‘wegwijzer’: letterlijk ‘een hand’.

Een hand wijst de weg, zoals een bord.

בָּרֵא (bara), ‘uithakken’: ook ‘uitkerven’. Vergelijk Joz. 17:15.

25Zet een weg neer waarlangs het zwaard kan komen naar Rabba van de Ammonieten, en naar Juda, naar het versterkte Jeruzalem.
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
weg
תָּשִׂ֔ים
(tasim)
zet
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
רַבַּ֣ת
(rabat)
Rabba van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוּדָ֥ה
(yehuda)
Juda
בִירוּשָׁלִַ֖ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
בְּצוּרָֽה
(betsura)
versterkt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רַבַּת בְּנֵי עַמּוֹן (rabbat benei Ammon), ‘Rabba van de Ammonieten’: de hoofdstad van Ammon, het huidige Amman.

Vergelijk Deut. 3:11.

26Want de koning van Babel staat bij de tweesprong, aan het begin van de twee wegen, om waarzegging te bedrijven. Hij schudt de pijlen, hij vraagt de huisgoden, hij bekijkt de lever.
כִּֽי
(ki)
want
עָמַ֨ד
(amad)
staat
מֶלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֜ל
(bavel)
Babel
אֶל
(el)
bij
אֵ֣ם
(em)
de tweesprong van
הַדֶּ֗רֶךְ
(haderekh)
de weg
בְּרֹ֛אשׁ
(berosh)
aan het begin van
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הַדְּרָכִ֖ים
(haderakhim)
de wegen
לִקְסָם
(liqsam)
om te waarzeggen
קָ֑סֶם
(qasem)
waarzegging
קִלְקַ֤ל
(qilqal)
hij schudt
בַּֽחִצִּים֙
(bachitsim)
de pijlen
שָׁאַ֣ל
(shaal)
hij vraagt
בַּתְּרָפִ֔ים
(baterafim)
de huisgoden
רָאָ֖ה
(raa)
hij bekijkt
בַּכָּבֵֽד
(bakaved)
de lever
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.

Uitleg

אֵם הַדֶּרֶךְ (em hadderech), ‘tweesprong’: letterlijk ‘de moeder van de weg’, waar twee wegen uit één uitkomen.

קִלְקַל בַּחִצִּים (qilqal bachitsim), ‘hij schudt de pijlen’: pijlen met tekens werden geschud om een antwoord te krijgen.

תְּרָפִים (terafim), ‘huisgoden’: beeldjes. Vergelijk Gen. 31:19.

כָּבֵד (kaved), ‘lever’: het onderzoeken van de lever was een gebruik om de toekomst te lezen.

27In zijn rechterhand is de waarzegging: Jeruzalem. Hij moet stormrammen opstellen, de mond openen voor het moorden en de stem verheffen met een krijgsgeschreeuw. Hij moet stormrammen opstellen tegen de poorten, een aarden helling opwerpen en een belegeringswal bouwen.
בִּֽימִינ֞וֹ
(bimino)
in zijn rechterhand
הָיָ֣ה
(haya)
was
הַקֶּ֣סֶם
(haqesem)
de waarzegging
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
לָשׂ֤וּם
(lasum)
om op te stellen
כָּרִים֙
(karim)
stormrammen
לִפְתֹּ֤חַ
(liftoach)
om te openen
פֶּה֙
(pe)
mond
בְּרֶ֔צַח
(beretsach)
voor moord
לְהָרִ֥ים
(leharim)
om te verheffen
ק֖וֹל
(qol)
stem
בִּתְרוּעָ֑ה
(bitrua)
met krijgsgeschreeuw
לָשׂ֤וּם
(lasum)
om op te stellen
כָּרִים֙
(karim)
stormrammen
עַל
(al)
tegen
שְׁעָרִ֔ים
(shearim)
poorten
לִשְׁפֹּ֥ךְ
(lishpokh)
om op te werpen
סֹלְלָ֖ה
(solela)
aarden helling
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
דָּיֵֽק
(dayeq)
belegeringswal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כָּרִים (karim), ‘stormrammen’: een zeldzaam woord, letterlijk ‘rammen’.

בְּרֶצַח (beretsach), ‘voor het moorden’: letterlijk ‘in moord’. Het woord kan ook bij het bevel staan dat de aanval opent.

סֹלְלָה (solelah), ‘aarden helling’: een opgeworpen helling tegen de muur. דָּיֵק (dayeq), ‘belegeringswal’: zoals in 2 Kon. 25:1.

28Maar in hun ogen zal het zijn als een leugenachtige waarzegging. Eden zijn aan hen gezworen. Maar hij brengt hun schuld in herinnering, zodat zij gegrepen worden.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
כִּקְסָם
(kiqsam)
als waarzegging
שָׁוְא֙
(shave)
leugen
בְּעֵ֣ינֵיהֶ֔ם
(beeineihem)
in hun ogen
שְׁבֻעֵ֥י
(shevuei)
eden van
שְׁבֻע֖וֹת
(shevuot)
eden
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וְהֽוּא
(vehu)
maar hij
מַזְכִּ֥יר
(mazkir)
brengt in herinnering
עָוֺ֖ן
(avon)
schuld
לְהִתָּפֵֽשׂ
(lehitafes)
om gegrepen te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁבֻעֵי שְׁבֻעוֹת (shevu’ei shevu’ot), ‘eden’: letterlijk ‘eden van eden’.

Het gaat om eden die aan Juda zijn gezworen, vergelijk Ezech. 17:13–19.

וְהוּא מַזְכִּיר (vehu mazkir), ‘maar hij brengt in herinnering’: het onderwerp wordt niet genoemd. Het kan de koning van Babel zijn.

Lezing

In dit vers heeft de geschreven tekst (ketiv) bij ‘als waarzegging’ een extra letter ten opzichte van de voorgelezen tekst (qere).

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

29Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Omdat jullie jullie schuld in herinnering hebben gebracht, doordat jullie overtredingen zijn blootgelegd en jullie zonden zichtbaar zijn geworden in al jullie daden – omdat jullie in herinnering zijn gebracht, zullen jullie met de hand gegrepen worden.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַר֮
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִה֒
(Yahweh)
Yahweh
יַ֗עַן
(yaan)
omdat
הַזְכַּרְכֶם֙
(hazkarkhem)
jullie in herinnering brengen
עֲוֺ֣נְכֶ֔ם
(avonekhem)
jullie schuld
בְּהִגָּל֣וֹת
(behigalot)
doordat zijn blootgelegd
פִּשְׁעֵיכֶ֗ם
(pisheikhem)
jullie overtredingen
לְהֵֽרָאוֹת֙
(leheraot)
zodat worden gezien
חַטֹּ֣אותֵיכֶ֔ם
(chatovteikhem)
jullie zonden
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in al
עֲלִילֽוֹתֵיכֶ֑ם
(aliloteikhem)
jullie daden
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
הִזָּ֣כֶרְכֶ֔ם
(hizakherkhem)
jullie in herinnering zijn gebracht
בַּכַּ֖ף
(bakaf)
met de hand
תִּתָּפֵֽשׂוּ
(titafesu)
zullen jullie gegrepen worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier begint een oordeelswoord tot het volk zelf: de schuld die zij verborgen wilden houden, wordt in herinnering gebracht.

Tegen de vorst van Israël

30En jij, doorboorde, goddeloze vorst van Israël, wiens dag is gekomen, in de tijd van de schuld van het einde:
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
חָלָ֣ל
(chalal)
doorboorde
רָשָׁ֔ע
(rasha)
goddeloze
נְשִׂ֖יא
(nesi)
vorst van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
wiens
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
יוֹמ֔וֹ
(yomo)
zijn dag
בְּעֵ֖ת
(beet)
in de tijd van
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
קֵֽץ
(qets)
einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָלָל (chalal), ‘doorboorde’: het woord betekent ‘doorboord, gesneuveld’ en ook ‘ontheiligd’.

Hier gaat het om de vorst van Israël, wiens dag is gekomen.

De tekst noemt geen naam.

De vorst wordt vaak verbonden met Zedekia (2 Kon. 24:17–20).

31Zo zegt Heer Yahweh: Neem de tulband af en til de kroon weg. Dit blijft niet zoals het is: verhef wat laag is, en verneder wat hoog is.
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הָסִיר֙
(hasir)
neem af
הַמִּצְנֶ֔פֶת
(hamitsnefet)
de tulband
וְהָרִ֖ים
(veharim)
en til weg
הָֽעֲטָרָ֑ה
(haatara)
de kroon
זֹ֣את
(zot)
dit
לֹא
(lo)
niet
זֹ֔את
(zot)
dit
הַשָּׁפָ֣לָה
(hashafala)
het lage
הַגְבֵּ֔הַ
(hagbeha)
verhef
וְהַגָּבֹ֖הַ
(vehagavoha)
en het hoge
הַשְׁפִּֽיל
(hashpil)
verneder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִצְנֶפֶת (mitsnefet), ‘tulband’: de tulband van de hogepriester (Exod. 28:4).

עֲטָרָה (atarah), ‘kroon’: het teken van de koning.

Beide tekens van gezag worden weggenomen.

זֹאת לֹא זֹאת (zot lo zot), ‘dit niet dit’: letterlijk ‘dit is niet dit’. Wij schrijven: ‘Dit blijft niet zoals het is.’

32Een ruïne, een ruïne, een ruïne maak Ik ervan. Ook dit zal er niet meer zijn, totdat hij komt die het recht heeft. Aan hem zal Ik het geven.
עַוָּ֥ה
(ava)
ruïne
עַוָּ֖ה
(ava)
ruïne
עַוָּ֣ה
(ava)
ruïne
אֲשִׂימֶ֑נָּה
(asimena)
Ik zal haar maken
גַּם
(gam)
ook
זֹאת֙
(zot)
dit
לֹ֣א
(lo)
niet
הָיָ֔ה
(haya)
zal zijn
עַד
(ad)
totdat
בֹּ֛א
(bo)
komt
אֲשֶׁר
(asher)
wie
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
הַמִּשְׁפָּ֖ט
(hamishpat)
het recht
וּנְתַתִּֽיו
(unetativ)
en Ik zal het geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַוָּה (avvah), ‘ruïne’: het woord komt alleen hier voor, drie keer herhaald.

אֲשֶׁר לוֹ הַמִּשְׁפָּט (asher lo hamishpat), ‘hij die het recht heeft’: de tekst noemt geen naam. Vergelijk Gen. 49:10. Wij laten open wie bedoeld wordt en schrijven ‘hij’ met kleine letter.

Het zwaard tegen Ammon

33En jij, mensenkind, profeteer en zeg: ‘Zo zegt Heer Yahweh over de Ammonieten en over hun hoon: Zeg: Een zwaard, een zwaard! Getrokken voor de slachting, gepolijst om te verteren, opdat het flitst als de bliksem.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָדָ֗ם
(adam)
mens
הִנָּבֵ֤א
(hinave)
profeteer
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהֹוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
וְאֶל
(veel)
en over
חֶרְפָּתָ֑ם
(cherpatam)
hun hoon
וְאָמַרְתָּ֗
(veamarta)
en je zult zeggen
חֶ֣רֶב
(cherev)
zwaard
חֶ֤רֶב
(cherev)
zwaard
פְּתוּחָה֙
(petucha)
getrokken
לְטֶ֣בַח
(letevach)
voor slachting
מְרוּטָ֔ה
(meruta)
gepolijst
לְהָכִ֖יל
(lehakhil)
om te verteren
לְמַ֥עַן
(lemaan)
opdat
בָּרָֽק
(baraq)
als bliksem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een tweede lied van het zwaard, nu tegen Ammon.

Ammon spotte met Juda (Ezech. 25:3 en 25:6).

לְהָכִיל (lehakhil), ‘om te verteren’: een zeldzame vorm; de betekenis is niet helemaal zeker. Dezelfde vorm kan ook ‘om te bevatten’ betekenen (zie 23:32); bij een zwaard past ‘verteren’ beter.

34Men ziet voor jou een leeg visioen en waarzegt voor jou een leugen. Zo leggen zij je op de nekken van de gesneuvelde goddelozen, wier dag is gekomen, in de tijd van de schuld van het einde.
בַּחֲז֥וֹת
(bachazot)
in het zien
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
שָׁ֔וְא
(shave)
leegte
בִּקְסָם
(biqsam)
in het waarzeggen
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jou
כָּזָ֑ב
(kazav)
leugen
לָתֵ֣ת
(latet)
om te leggen
אוֹתָ֗ךְ
(otakh)
jou
אֶֽל
(el)
op
צַוְּארֵי֙
(tsaverei)
nekken van
חַֽלְלֵ֣י
(challei)
gesneuvelden
רְשָׁעִ֔ים
(reshaim)
goddelozen
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
יוֹמָ֔ם
(yomam)
hun dag
בְּעֵ֖ת
(beet)
in de tijd van
עֲוֺ֥ן
(avon)
schuld van
קֵֽץ
(qets)
einde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is moeilijk.

Het zwaard wordt toegesproken.

‘Terwijl men voor jou een leeg visioen ziet’: ook voor Ammon zijn er valse visioenen en waarzeggerij.

35Laat het terugkeren in zijn schede. Op de plaats waar je geschapen bent, in het land van je afkomst, zal Ik je oordelen.
הָשַׁ֖ב
(hashav)
laat terugkeren
אֶל
(el)
naar
תַּעְרָ֑הּ
(tarah)
zijn schede
בִּמְק֧וֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
נִבְרֵ֛את
(nivret)
je geschapen bent
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
מְכֻרוֹתַ֖יִךְ
(mekhurotayikh)
je afkomst
אֶשְׁפֹּ֥ט
(eshpot)
Ik zal oordelen
אֹתָֽךְ
(otakh)
jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָשַׁב (hashav), ‘laat terugkeren’: letterlijk ‘terugkeren’.

Er staat geen voorwerp; wij vullen ‘het’ in, dat wil zeggen het zwaard.

Lezing

Sommige oude vertalingen lezen dit vers anders.

Wij volgen de Masoretische tekst.

36Ik giet Mijn verontwaardiging over je uit. Met het vuur van Mijn grimmigheid blaas Ik tegen je aan. Ik lever je uit aan woeste mensen, vaklieden van het verderf.
וְשָׁפַכְתִּ֤י
(veshafakhti)
en Ik zal uitgieten
עָלַ֨יִךְ֙
(alayikh)
over jou
זַעְמִ֔י
(zami)
Mijn verontwaardiging
בְּאֵ֥שׁ
(beesh)
in het vuur van
עֶבְרָתִ֖י
(evrati)
Mijn grimmigheid
אָפִ֣יחַ
(afiach)
Ik zal blazen
עָלָ֑יִךְ
(alayikh)
over jou
וּנְתַתִּ֗יךְ
(unetatikh)
en Ik zal geven jou
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mensen
בֹּֽעֲרִ֔ים
(boarim)
woest
חָרָשֵׁ֖י
(charashei)
vaklieden van
מַשְׁחִֽית
(mashchit)
verderf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַעְמִי (za’mi), ‘Mijn verontwaardiging’, עֶבְרָתִי (evrati), ‘Mijn grimmigheid’: wij houden deze woorden gelijk aan Ezech. 22:20–22 en 22:31.

בֹּעֲרִים (bo’arim), ‘woest’: van een werkwoord dat ‘branden’ of ‘redeloos zijn’ kan betekenen.

חָרָשֵׁי מַשְׁחִית (charashei mashchit), ‘vaklieden van het verderf’: mensen die goed zijn in vernietigen.

37Je wordt voedsel voor het vuur. Je bloed zal midden in het land zijn. Je zult niet meer herinnerd worden, want Ik, Yahweh, heb gesproken.’”
לָאֵ֤שׁ
(laesh)
voor het vuur
תִּֽהְיֶה֙
(tihye)
zul je zijn
לְאָכְלָ֔ה
(leakhela)
tot voedsel
דָּמֵ֥ךְ
(damekh)
je bloed
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
midden in
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
לֹ֣א
(lo)
niet
תִזָּכֵ֔רִי
(tizakheri)
zul je herinnerd worden
כִּ֛י
(ki)
want
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
דִּבַּֽרְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְאָכְלָה (le’ochlah), ‘tot voedsel’: wat het vuur verteert, zoals brandstof.