Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Mensenkind, ga staan
1Hij zei tot mij: „Mensenkind, ga op je voeten staan, dan zal Ik met je spreken.”
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלָ֑י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
עֲמֹ֣ד
(amod)
sta
עַל
(al)
op
רַגְלֶ֔יךָ
(ragleikha)
je voeten
וַאֲדַבֵּ֖ר
(vaadaber)
en Ik zal spreken
אֹתָֽךְ
(otakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּן־אָדָם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’.
Zo spreekt de stem Ezechiël in dit boek steeds aan.
Het onderstreept dat hij een gewoon mens is tegenover de heerlijkheid van Yahweh.
Zie ook Ps. 8:5.
Vanaf hier spreekt de stem uit het visioen. In vers 4 blijkt dat het Yahweh zelf is. Wij zetten Zijn woorden rood.
3Hij zei tot mij: „Mensenkind, Ik zend je naar de zonen van Israël, naar opstandige volken die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Zij en hun vaders hebben tegen Mij overtreding gepleegd, tot op deze zelfde dag.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
אֵלַ֗י
(elay)
tot mij
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָם֙
(adam)
mens
שׁוֹלֵ֨חַ
(sholeach)
zendend
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
אֽוֹתְךָ֙
(otekha)
je
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
גּוֹיִ֥ם
(goyim)
volken
הַמּוֹרְדִ֖ים
(hamoredim)
de opstandigen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָרְדוּ
(maredu)
zijn in opstand gekomen
בִ֑י
(bi)
tegen Mij
הֵ֤מָּה
(hema)
zij
וַאֲבוֹתָם֙
(vaavotam)
en hun vaders
פָּ֣שְׁעוּ
(pasheu)
hebben overtreding gepleegd
בִ֔י
(bi)
tegen Mij
עַד
(ad)
tot
עֶ֖צֶם
(etsem)
het bot van
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גּוֹיִם (goyim), ‘volken’: het gewone woord voor de andere volken.
Hier noemt Yahweh Israël zelf zo, omdat Israël zich gedraagt als de volken.
הַמּוֹרְדִים (hammordim), ‘de opstandigen’, en מָרְדוּ (mardu), ‘zijn in opstand gekomen’: van het werkwoord מָרַד (marad), ‘in opstand komen’, zoals in Num. 14:9.
פָּשְׁעוּ (pash’u), ‘zij hebben overtreding gepleegd’: het werkwoord פָּשַׁע (pasha) is een tweede woord voor opstand, zoals in Jes. 1:2 en Am. 4:4. Hier staan beide woorden bij elkaar.
עֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה (etsem hayyom hazzeh), ‘tot op deze zelfde dag’: het woord עֶצֶם (etsem) betekent letterlijk ‘bot’, en dan ‘kern’ of ‘zelfde’.
קְשֵׁי־פָנִים (qeshei fanim), ‘hard van gezicht’, en חִזְקֵי־לֵב (chizqei lev), ‘stug van hart’: twee uitdrukkingen voor koppigheid. Wij vertalen קָשֶׁה (qasheh) steeds met ‘hard’ en חָזָק (chazaq) bij het volk met ‘stug’ (en bij Ezechiël in 3:8–9 met ‘sterk’).
Yahweh draagt Ezechiël hier de formule ‘Zo zegt Heer Yahweh’ op. Zoals elders in het boek staat de formule zelf zwart; wat Yahweh zelf zegt, is rood.
6Maar jij, mensenkind, wees niet bang voor hen en wees niet bang voor hun woorden, ook al zijn er distels en doornen bij je. Je woont tussen schorpioenen. Wees niet bang voor hun woorden en schrik niet van hun gezichten, want zij zijn een weerspannig huis.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
בֶן
(ben)
zoon van
אָ֠דָם
(adam)
mens
אַל
(al)
niet
תִּירָ֨א
(tira)
wees bang
מֵהֶ֜ם
(mehem)
voor hen
וּמִדִּבְרֵיהֶ֣ם
(umidivreihem)
en voor hun woorden
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗א
(tira)
wees bang
כִּ֣י
(ki)
want
סָרָבִ֤ים
(saravim)
distels
וְסַלּוֹנִים֙
(vesalonim)
en doornen
אוֹתָ֔ךְ
(otakh)
bij je
וְאֶל
(veel)
en bij
עַקְרַבִּ֖ים
(aqrabim)
schorpioenen
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יוֹשֵׁ֑ב
(yoshev)
wonend
מִדִּבְרֵיהֶ֤ם
(midivreihem)
voor hun woorden
אַל
(al)
niet
תִּירָא֙
(tira)
wees bang
וּמִפְּנֵיהֶ֣ם
(umipeneihem)
en voor hun gezichten
אַל
(al)
niet
תֵּחָ֔ת
(techat)
schrik
כִּ֛י
(ki)
want
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
מְרִ֖י
(meri)
weerspannigheid
הֵֽמָּה
(hema)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָרָבִים (sarabim), ‘distels’, en סַלּוֹנִים (sallonim), ‘doornen’: twee woorden voor stekelige planten.
Het eerste komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.
סַלּוֹן (sallon) staat ook in 28:24.
כִּי (ki) kan ‘want’ of ‘ook al’ betekenen. Wij kiezen ‘ook al’.
10Hij rolde haar voor mij open. Zij was beschreven aan de voorkant en aan de achterkant. Daarop stonden geschreven: klaagzangen, gekreun en wee.
וַיִּפְרֹ֤שׂ
(vayifros)
en Hij rolde open
אוֹתָהּ֙
(otah)
haar
לְפָנַ֔י
(lefanay)
voor mij
וְהִ֥יא
(vehi)
en zij
כְתוּבָ֖ה
(ketuva)
beschreven
פָּנִ֣ים
(panim)
voorzijde
וְאָח֑וֹר
(veachor)
en achterzijde
וְכָת֣וּב
(vekhatuv)
en geschreven
אֵלֶ֔יהָ
(eleiha)
erop
קִנִ֥ים
(qinim)
klaagzangen
וָהֶ֖גֶה
(vahege)
en gekreun
וָהִֽי
(vahi)
en wee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קִנִּים (qinnim), ‘klaagzangen’, הֶגֶה (hegeh), ‘gekreun’, en הִי (hi), ‘wee’: drie zeldzame woorden.
Wat zij betekenen volgt uit de samenhang: de boodschap op de rol is een boodschap van rouw en oordeel.
כְּתוּבָה פָּנִים וְאָחוֹר (ketuvah panim ve’achor), ‘beschreven aan de voorkant en aan de achterkant’: een rol is meestal maar aan één kant beschreven. Deze is aan beide kanten vol.