De heffing van het land voor het heiligdom, de priesters, de stad en de vorst; recht, maten en feesten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het heilige deel van het land
1Wanneer jullie het land als erfdeel verloten, moeten jullie een heffing voor Yahweh afzonderen, een heilig deel van het land: 25.000 lang en 10.000 breed. Heilig is het in heel zijn gebied rondom.
וּבְהַפִּֽילְכֶ֨ם
(uvehapilekhem)
en bij jullie verloten
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
בְּנַחֲלָ֗ה
(benachala)
als erfdeel
תָּרִימוּ֩
(tarimu)
jullie zullen afzonderen
תְרוּמָ֨ה
(teruma)
heffing
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
קֹדֶשׁ֮
(qodesh)
heilig deel
מִן
(min)
van
הָאָרֶץ֒
(haarets)
het land
אֹ֗רֶךְ
(orekh)
lengte
חֲמִשָּׁ֨ה
(chamisha)
vijf
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
אֹ֔רֶךְ
(orekh)
in lengte
וְרֹ֖חַב
(verochav)
en breedte
עֲשָׂ֣רָה
(asara)
tien
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
קֹדֶשׁ
(qodesh)
heilig
ה֥וּא
(hu)
het is
בְכָל
(bekhal)
in heel
גְּבוּלָ֖הּ
(gevulah)
zijn gebied
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit is het begin van de verdeling van het land.
De woorden zijn van de man die Ezechiël rondleidt of van Yahweh zelf; de tekst noemt geen spreker.
Wij laten ze zwart tot vers 8 (zie het begin van vers 8).
תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’: het deel dat voor Yahweh wordt afgezonderd.
Het Hebreeuws noemt geen maateenheid bij ‘25.000’ en ‘10.000’. Wij laten dat zo.
4Het is een heilig deel van het land. Het is voor de priesters, de dienaren van het heiligdom, die naderen om Yahweh te dienen. Het wordt voor hen een plaats voor huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
heilig deel
מִן
(min)
van
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
ה֗וּא
(hu)
het is
לַכֹּ֨הֲנִ֜ים
(lakohanim)
voor de priesters
מְשָׁרְתֵ֤י
(mesharetei)
dienaren van
הַמִּקְדָּשׁ֙
(hamiqdash)
het heiligdom
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
הַקְּרֵבִ֖ים
(haqerevim)
die naderen
לְשָׁרֵ֣ת
(lesharet)
om te dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
לָהֶ֤ם
(lahem)
voor hen
מָקוֹם֙
(maqom)
plaats
לְבָ֣תִּ֔ים
(levatim)
voor huizen
וּמִקְדָּ֖שׁ
(umiqdash)
en heiligdom
לַמִּקְדָּֽשׁ
(lamiqdash)
voor het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Als bezit voor de stad moeten jullie een deel geven van 5.000 breed en 25.000 lang, naast de heffing van het heilige deel. Het is voor heel het huis van Israël.
וַאֲחֻזַּ֨ת
(vaachuzat)
en bezit van
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
תִּתְּנ֗וּ
(titenu)
jullie zullen geven
חֲמֵ֤שֶׁת
(chameshet)
vijf
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizenden
רֹ֔חַב
(rochav)
breedte
וְאֹ֗רֶךְ
(veorekh)
en lengte
חֲמִשָּׁ֤ה
(chamisha)
vijf
וְעֶשְׂרִים֙
(veesrim)
en twintig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
לְעֻמַּ֖ת
(leumat)
langs
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
heffing van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige deel
לְכָל
(lekhal)
voor heel
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
יִהְיֶֽה
(yihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Voor de vorst is er land aan beide kanten van de heffing van het heilige deel en het bezit van de stad. Het ligt langs de heffing van het heilige deel en langs het bezit van de stad. Het ligt aan de westkant naar het westen en aan de oostkant naar het oosten. De lengte is gelijk aan een van de delen, van de westgrens tot de oostgrens.
וְלַנָּשִׂ֡יא
(velanasi)
en voor de vorst
מִזֶּ֣ה
(mize)
van deze kant
וּמִזֶּה֩
(umize)
en van die kant
לִתְרוּמַ֨ת
(litrumat)
van de heffing van
הַקֹּ֜דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige deel
וְלַאֲחֻזַּ֣ת
(velaachuzat)
en van het bezit van
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
אֶל
(el)
naar
פְּנֵ֤י
(penei)
het gezicht van
תְרֽוּמַת
(terumat)
heffing van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heilige deel
וְאֶל
(veel)
en naar
פְּנֵי֙
(penei)
het gezicht van
אֲחֻזַּ֣ת
(achuzat)
bezit van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
מִפְּאַת
(mipeat)
van de zijde van
יָ֣ם
(yam)
zee
יָ֔מָּה
(yama)
westwaarts
וּמִפְּאַת
(umipeat)
en van de zijde van
קֵ֖דְמָה
(qedema)
oostwaarts
קָדִ֑ימָה
(qadima)
naar het oosten
וְאֹ֗רֶךְ
(veorekh)
en lengte
לְעֻמּוֹת֙
(leumot)
tegenover
אַחַ֣ד
(achad)
een van
הַחֲלָקִ֔ים
(hachalaqim)
de delen
מִגְּב֥וּל
(migevul)
van de grens van
יָ֖ם
(yam)
zee
אֶל
(el)
tot
גְּב֥וּל
(gevul)
grens van
קָדִֽימָה
(qadima)
naar het oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָשִׂיא (nasi), ‘vorst’: zoals in 44:3.
Het land van de vorst ligt aan weerszijden van het heilige deel en van het stadsdeel, naar het westen en naar het oosten.
8„Het land zal voor hem zijn tot bezit in Israël. Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer onderdrukken. Zij zullen het land aan het huis van Israël geven, naar hun stammen.”
לָאָ֛רֶץ
(laarets)
voor het land
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לּ֥וֹ
(lo)
voor hem
לַֽאֲחֻזָּ֖ה
(laachuza)
als bezit
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
in Israël
וְלֹא
(velo)
en niet
יוֹנ֨וּ
(yonu)
zullen onderdrukken
ע֤וֹד
(od)
meer
נְשִׂיאַי֙
(nesiay)
Mijn vorsten
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
וְהָאָ֛רֶץ
(vehaarets)
en het land
יִתְּנ֥וּ
(yitenu)
zullen zij geven
לְבֵֽית
(leveit)
aan het huis van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לְשִׁבְטֵיהֶֽם
(leshivteihem)
naar hun stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vanaf dit vers staan de woorden rood: ‘Mijn vorsten’ en ‘Mijn volk’ zijn in de eerste persoon van Yahweh gesproken.
Het is mogelijk dat de toespraak al in vers 1 begon.
יוֹנוּ (yonu), ‘zij zullen onderdrukken’: zoals in 46:18. Vergelijk Lev. 25:14.
9Zo zegt Heer Yahweh: „Het is genoeg voor jullie, vorsten van Israël! Doe geweld en verwoesting weg, en doe recht en gerechtigheid. Neem jullie uitzettingen weg van Mijn volk, godsspraak van Heer Yahweh.
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֞ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
רַב
(rav)
genoeg
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
vorsten van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
חָמָ֤ס
(chamas)
geweld
וָשֹׁד֙
(vashod)
en verwoesting
הָסִ֔ירוּ
(hasiru)
verwijder
וּמִשְׁפָּ֥ט
(umishpat)
en recht
וּצְדָקָ֖ה
(utsedaqa)
en gerechtigheid
עֲשׂ֑וּ
(asu)
doe
הָרִ֤ימוּ
(harimu)
neem weg
גְרֻשֹֽׁתֵיכֶם֙
(gerushoteikhem)
jullie uitzettingen
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
עַמִּ֔י
(ami)
Mijn volk
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Voor ‘Heer Yahweh’ zie de uitleg bij 2:4; voor ‘godsspraak’ zie 5:11.
רַב לָכֶם (rav lakhem), ‘het is genoeg voor jullie’: zoals in 44:6.
גֵּרוּשֹׁתֵיכֶם (gerushotekhem), ‘jullie uitzettingen’: het onteigenen en wegjagen van mensen van hun land (vergelijk 46:18).
11De efa en de bat moeten dezelfde maat hebben: de bat bevat een tiende van een homer, en de efa een tiende van een homer. Hun maat wordt bepaald naar de homer.
הָאֵיפָ֣ה
(haeifa)
de efa
וְהַבַּ֗ת
(vehabat)
en de bat
תֹּ֤כֶן
(tokhen)
maat
אֶחָד֙
(echad)
een
יִֽהְיֶ֔ה
(yihye)
zal zijn
לָשֵׂ֕את
(laset)
om te bevatten
מַעְשַׂ֥ר
(masar)
een tiende van
הַחֹ֖מֶר
(hachomer)
de homer
הַבָּ֑ת
(habat)
de bat
וַעֲשִׂירִ֤ת
(vaasirit)
en een tiende van
הַחֹ֨מֶר֙
(hachomer)
de homer
הָֽאֵיפָ֔ה
(haeifa)
de efa
אֶל
(el)
bij
הַחֹ֖מֶר
(hachomer)
de homer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מַתְכֻּנְתּֽוֹ
(matkunto)
zijn maat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֹמֶר (chomer), ‘homer’: tien efa, ongeveer 220 liter.
12De sikkel is twintig gera. Twintig sikkels, vijfentwintig sikkels en vijftien sikkels samen zijn jullie mina.
וְהַשֶּׁ֖קֶל
(vehasheqel)
en de sikkel
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
גֵּרָ֑ה
(gera)
gera
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
שְׁקָלִ֜ים
(sheqalim)
sikkels
חֲמִשָּׁ֧ה
(chamisha)
vijf
וְעֶשְׂרִ֣ים
(veesrim)
en twintig
שְׁקָלִ֗ים
(sheqalim)
sikkels
עֲשָׂרָ֤ה
(asara)
tien
וַחֲמִשָּׁה֙
(vachamisha)
en vijf
שֶׁ֔קֶל
(sheqel)
sikkel
הַמָּנֶ֖ה
(hamane)
de mina
יִֽהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶֽם
(lakhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’, ongeveer 11,4 gram; גֵּרָה (gerah), ‘gera’, een twintigste van een sikkel.
מָנֶה (maneh), ‘mina’: 20 + 25 + 15 sikkels maken samen 60 sikkels. Elders wordt de mina vaak op vijftig sikkels gesteld. Sommige oude vertalingen lezen anders.
13Dit is de heffing die jullie moeten afzonderen: een zesde efa van elke homer tarwe en een zesde efa van elke homer gerst.
זֹ֥את
(zot)
dit
הַתְּרוּמָ֖ה
(hateruma)
de heffing
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תָּרִ֑ימוּ
(tarimu)
jullie zullen afzonderen
שִׁשִּׁ֤ית
(shishit)
een zesde van
הָֽאֵיפָה֙
(haeifa)
de efa
מֵחֹ֣מֶר
(mechomer)
van een homer
הַֽחִטִּ֔ים
(hachitim)
de tarwe
וְשִׁשִּׁיתֶם֙
(veshishitem)
en een zesde jullie zullen afzonderen
הָֽאֵיפָ֔ה
(haeifa)
de efa
מֵחֹ֖מֶר
(mechomer)
van een homer
הַשְּׂעֹרִֽים
(haseorim)
de gerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De heffing is een zestigste van de oogst: een zesde efa per homer is een zestigste deel.
14Het voorschrift voor de olie: per bat olie een tiende van een bat van elke kor. Een kor is tien bat, een homer, want tien bat zijn een homer.
וְחֹ֨ק
(vechoq)
en het voorschrift van
הַשֶּׁ֜מֶן
(hashemen)
de olie
הַבַּ֣ת
(habat)
de bat
הַשֶּׁ֗מֶן
(hashemen)
de olie
מַעְשַׂ֤ר
(masar)
een tiende van
הַבַּת֙
(habat)
de bat
מִן
(min)
van
הַכֹּ֔ר
(hakor)
de kor
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
הַבַּתִּ֖ים
(habatim)
de baten
חֹ֑מֶר
(chomer)
een homer
כִּֽי
(ki)
want
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
הַבַּתִּ֖ים
(habatim)
de baten
חֹֽמֶר
(chomer)
een homer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּר (kor): een inhoudsmaat gelijk aan een homer, tien bat.
De tekst van dit vers is moeilijk; wij volgen het Hebreeuws zo letterlijk mogelijk.
15Ook één stuk kleinvee van elke tweehonderd uit de weiden van Israël is bestemd voor het graanoffer, het brandoffer en de vredeoffers. Zo wordt voor hen verzoening gedaan, godsspraak van Heer Yahweh.
וְשֶׂה
(vese)
en een stuk kleinvee
אַחַ֨ת
(achat)
een
מִן
(min)
uit
הַצֹּ֤אן
(hatson)
het kleinvee
מִן
(min)
van
הַמָּאתַ֨יִם֙
(hamatayim)
de tweehonderd
מִמַּשְׁקֵ֣ה
(mimashqe)
uit de weiden van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְמִנְחָ֖ה
(lemincha)
voor het graanoffer
וּלְעוֹלָ֣ה
(uleola)
en voor het brandoffer
וְלִשְׁלָמִ֑ים
(velishlamim)
en voor de vredeoffers
לְכַפֵּ֣ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
voor hen
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie de uitleg bij 5:11.
מִמַּשְׁקֵה (mimmashqeh), ‘uit de weiden’: letterlijk ‘uit het drenkland’, goed bewaterd weideland.
17Het is de taak van de vorst om de brandoffers, het graanoffer en het plengoffer te leveren. Dat geldt voor de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, bij alle vaste tijden van het huis van Israël. Hij zal het zondoffer, het graanoffer, het brandoffer en de vredeoffers bereiden om verzoening te doen voor het huis van Israël.
וְעַֽל
(veal)
en op
הַנָּשִׂ֣יא
(hanasi)
de vorst
יִהְיֶ֗ה
(yihye)
zal zijn
הָעוֹל֣וֹת
(haolot)
de brandoffers
וְהַמִּנְחָה֮
(vehamincha)
en het graanoffer
וְהַנֵּסֶךְ֒
(vehanesekh)
en het plengoffer
בַּחַגִּ֤ים
(bachagim)
op de feesten
וּבֶחֳדָשִׁים֙
(uvechodashim)
en op de nieuwe manen
וּבַשַּׁבָּת֔וֹת
(uvashabatot)
en op de sabbatten
בְּכָֽל
(bekhal)
bij alle
מוֹעֲדֵ֖י
(moadei)
vaste tijden van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
הֽוּא
(hu)
hij
יַעֲשֶׂ֞ה
(yaase)
zal bereiden
אֶת
(et)
(obj.)
הַחַטָּ֣את
(hachatat)
het zondoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽעוֹלָה֙
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁלָמִ֔ים
(hashelamim)
de vredeoffers
לְכַפֵּ֖ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
בְּעַ֥ד
(bead)
voor
בֵּֽית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֵסֶךְ (nesekh), ‘plengoffer’: een drankoffer van wijn dat bij de offers werd uitgegoten (Num. 28:7).
חָדָשִׁים (chadashim), ‘nieuwe manen’: de dagen van nieuwe maan, het begin van elke maand.
19De priester moet van het bloed van het zondoffer nemen. Hij moet het aanbrengen op de deurposten van het huis. Ook moet hij het aanbrengen op de vier hoeken van de richel van het altaar en op de deurposten van de poort van de binnenste voorhof.
וְלָקַ֨ח
(velaqach)
en zal nemen
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
מִדַּ֣ם
(midam)
van het bloed van
הַחַטָּ֗את
(hachatat)
het zondoffer
וְנָתַן֙
(venatan)
en zal aanbrengen
אֶל
(el)
op
מְזוּזַ֣ת
(mezuzat)
deurposten van
הַבַּ֔יִת
(habayit)
het huis
וְאֶל
(veel)
en op
אַרְבַּ֛ע
(arba)
vier
פִּנּ֥וֹת
(pinot)
hoeken van
הָעֲזָרָ֖ה
(haazara)
de richel
לַמִּזְבֵּ֑חַ
(lamizbeach)
voor het altaar
וְעַ֨ל
(veal)
en op
מְזוּזַ֔ת
(mezuzat)
deurposten van
שַׁ֖עַר
(shaar)
poort van
הֶחָצֵ֥ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִֽית
(hapenimit)
de binnenste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲזָרָה (azarah), ‘richel’: zie de uitleg bij 43:14.
20Zo moet je ook doen op de zevende van de maand, voor wie dwaalt en voor de eenvoudige. Zo doen jullie verzoening voor het huis.
וְכֵ֤ן
(vekhen)
en zo
תַּֽעֲשֶׂה֙
(taase)
je zult doen
בְּשִׁבְעָ֣ה
(beshiva)
op de zevende
בַחֹ֔דֶשׁ
(bachodesh)
van de maand
מֵאִ֥ישׁ
(meish)
vanwege iemand die
שֹׁגֶ֖ה
(shoge)
dwaalt
וּמִפֶּ֑תִי
(umipeti)
en vanwege de eenvoudige
וְכִפַּרְתֶּ֖ם
(vekhipartem)
en jullie zullen verzoening doen voor
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּשִּׁבְעָה בַּחֹדֶשׁ (bashiv’ah bachodesh), ‘op de zevende van de maand’: sommige oude vertalingen lezen anders.
מֵאִישׁ שֹׁגֶה (me’ish shogeh), ‘vanwege iemand die dwaalt’: wie per ongeluk zondigt, zoals in Lev. 4 en Num. 15:22–29. פֶּתִי (peti), ‘eenvoudige’: wie niet weet wat hij doet.
21In de eerste maand, op de veertiende dag van de maand, zullen jullie het Pesach vieren, een feest van zeven dagen. Ongezuurde broden moeten gegeten worden.
בָּ֠רִאשׁוֹן
(barishon)
in de eerste
בְּאַרְבָּעָ֨ה
(bearbaa)
op de vier
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
יוֹם֙
(yom)
dag
לַחֹ֔דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
הַפָּ֑סַח
(hapasach)
het Pesach
חָ֕ג
(chag)
feest van
שְׁבֻע֣וֹת
(shevuot)
weken van
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurde broden
יֵאָכֵֽל
(yeakhel)
zal gegeten worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פֶּסַח (pesach), ‘Pesach’: zie Exod. 12.
חַג שָׁבֻעוֹת יָמִים (chag shavu’ot yamim), ‘een feest van zeven dagen’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘een feest van weken van dagen’, een ongebruikelijke uitdrukking.
Wij volgen de gewone zin: zeven dagen (vergelijk vers 23).
23Gedurende de zeven dagen van het feest moet hij een brandoffer voor Yahweh bereiden. Zeven dagen lang bereidt hij elke dag zeven stieren en zeven rammen zonder gebrek, en elke dag een geitenbok als zondoffer.
וְשִׁבְעַ֨ת
(veshivat)
en zeven
יְמֵֽי
(yemei)
dagen van
הֶחָ֜ג
(hechag)
het feest
יַעֲשֶׂ֧ה
(yaase)
zal hij bereiden
עוֹלָ֣ה
(ola)
brandoffer
לַֽיהוָ֗ה
(laYahweh)
voor Yahweh
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
פָּ֠רִים
(parim)
stieren
וְשִׁבְעַ֨ת
(veshivat)
en zeven
אֵילִ֤ים
(eilim)
rammen
תְּמִימִם֙
(temimim)
zonder gebrek
לַיּ֔וֹם
(layom)
per dag
שִׁבְעַ֖ת
(shivat)
zeven
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
וְחַטָּ֕את
(vechatat)
en een zondoffer
שְׂעִ֥יר
(seir)
bok van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
לַיּֽוֹם
(layom)
per dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zeven stieren en zeven rammen per dag: veel meer dan in Num. 28:19, waar het twee jonge stieren en een ram zijn.
25In de zevende maand, op de vijftiende dag van de maand, moet hij op het feest zeven dagen lang hetzelfde doen: dezelfde zondoffers, brandoffers, graanoffers en olie.”
בַּשְּׁבִיעִ֡י
(bashevii)
in de zevende
בַּחֲמִשָּׁה֩
(bachamisha)
op de vijf
עָשָׂ֨ר
(asar)
tien
י֤וֹם
(yom)
dag
לַחֹ֨דֶשׁ֙
(lachodesh)
van de maand
בֶּחָ֔ג
(bechag)
op het feest
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
zal hij bereiden
כָאֵ֖לֶּה
(kaele)
hetzelfde
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
כַּֽחַטָּאת֙
(kachatat)
zoals het zondoffer
כָּעֹלָ֔ה
(kaola)
zoals het brandoffer
וְכַמִּנְחָ֖ה
(vekhamincha)
en zoals het graanoffer
וְכַשָּֽׁמֶן
(vekhashamen)
en zoals de olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het feest op de vijftiende van de zevende maand is het Loofhuttenfeest (Lev. 23:34).
Het Hebreeuws noemt het alleen ‘het feest’.
Met dit vers eindigt de toespraak van Yahweh; 46:1 begint een nieuwe.