Elohim Bijbel

2 Kronieken 28

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Achaz, koning van Juda, en de gevangenen van Samaria

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Achaz doet wat kwaad is

1Achaz was 20 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 16 jaar in Jeruzalem. Hij deed niet wat juist was in de ogen van Yahweh, zoals David, zijn vader, had gedaan.
בֶּן
(ben)
zoon van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
twintig
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
אָחָ֣ז
(achaz)
Achaz
בְּמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
וְשֵׁשׁ
(veshesh)
en zes
עֶשְׂרֵ֣ה
(esre)
tien
שָׁנָ֔ה
(shana)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
עָשָׂ֧ה
(asa)
deed
הַיָּשָׁ֛ר
(hayashar)
het juiste
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּדָוִ֥יד
(kedavid)
zoals David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Kon. 16 (zie ook Jes. 7).

De verzen 5–15 over Oded en de gevangenen staan alleen in Kronieken.

In 2 Kon. 16:2 staat dat hij 20 jaar oud was en 16 jaar regeerde, zoals hier.

2Hij liep in de wegen van de koningen van Israël. Ook maakte hij gegoten beelden voor de Baäls.
וַיֵּ֕לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
בְּדַרְכֵ֖י
(bedarkhei)
in de wegen van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
מַסֵּכ֛וֹת
(masekhot)
gegoten beelden
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte hij
לַבְּעָלִֽים
(labealim)
voor de Baäls
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַסֵּכוֹת (massekot), ‘gegoten beelden’: beelden van gesmolten metaal.

הַבְּעָלִים (habbe’alim), ‘de Baäls’: het meervoud wijst op de verschillende plaatselijke Baäl-goden.

Zie ook Exod. 34:17.

3Hij liet wierook opgaan in het dal van de zoon van Hinnom. Hij verbrandde zijn zonen in het vuur, volgens de gruwelen van de volken die Yahweh voor de zonen van Israël had verdreven.
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
הִקְטִ֖יר
(hiqtir)
liet wierook opgaan
בְּגֵ֣יא
(begei)
in het dal van
בֶן
(ben)
de zoon van
הִנֹּ֑ם
(hinom)
Hinnom
וַיַּבְעֵ֤ר
(vayaver)
en verbrandde
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
in het vuur
כְּתֹֽעֲבוֹת֙
(ketoavot)
volgens de gruwelen van
הַגּוֹיִ֔ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
הֹרִ֣ישׁ
(horish)
had verdreven
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
voor het aangezicht van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal van de zoon van Hinnom ligt ten zuiden en ten westen van Jeruzalem (Joz. 15:8).

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

וַיַּבְעֵר (vayav’er), ‘hij verbrandde’: in 2 Kon. 16:3 staat ‘zijn zoon’ (enkelvoud) en ‘liet door het vuur gaan’.

Hier staat ‘zijn zonen’ en ‘verbrandde’.

Het offeren van kinderen aan Molech is verboden in Lev. 18:21 en Deut. 18:10.

4Hij bracht offers en liet wierook opgaan op de hoogten, op de heuvels en onder elke groene boom.
וַיְזַבֵּ֧חַ
(vayzabeach)
en hij bracht offers
וַיְקַטֵּ֛ר
(vayqater)
en liet wierook opgaan
בַּבָּמ֖וֹת
(babamot)
op de hoogten
וְעַל
(veal)
en op
הַגְּבָע֑וֹת
(hagevaot)
de heuvels
וְתַ֖חַת
(vetachat)
en onder
כָּל
(kal)
elke
עֵ֥ץ
(ets)
boom
רַעֲנָֽן
(raanan)
groene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בָּמוֹת (bamot), ‘hoogten’: offerplaatsen op heuvels en bergen.

Wij vertalen overal ‘hoogten’.

Zie ook 2 Kon. 16:4, waar dit vers bijna woord voor woord staat.

Aram en Israël slaan Juda

5Yahweh, zijn Elohim, gaf hem in de hand van de koning van Aram. Zij sloegen hem en voerden een grote groep gevangenen van hem weg. Zij brachten hen naar Damascus. Ook in de hand van de koning van Israël werd hij gegeven. Die sloeg hem met een zware slag.
וַֽיִּתְּנֵ֜הוּ
(vayitenehu)
en gaf hem
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָיו֮
(elohav)
zijn Elohim
בְּיַ֣ד
(beyad)
in de hand van
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אֲרָם֒
(aram)
Aram
וַיַּ֨כּוּ
(vayaku)
en zij sloegen
ב֔וֹ
(bo)
hem
וַיִּשְׁבּ֤וּ
(vayishbu)
en voerden weg
מִמֶּ֨נּוּ֙
(mimenu)
van hem
שִׁבְיָ֣ה
(shivya)
gevangenen
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote groep
וַיָּבִ֖יאוּ
(vayaviu)
en brachten
דַּרְמָ֑שֶׂק
(darmaseq)
naar Damascus
וְ֠גַם
(vegam)
en ook
בְּיַד
(beyad)
in de hand van
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
נִתָּ֔ן
(nitan)
werd hij gegeven
וַיַּךְ
(vayakh)
en die sloeg
בּ֖וֹ
(bo)
hem
מַכָּ֥ה
(maka)
slag
גְדוֹלָֽה
(gedola)
zware
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus is het huidige Damascus, Syrië.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

De koning van Aram is in 2 Kon. 16:5 Rezin.

In Kronieken staat zijn naam niet.

Ook de koning van Israël (Pekach, zie vers 6) wordt hier nog niet bij naam genoemd.

שִׁבְיָה גְדוֹלָה (shivyah gedolah), ‘een grote groep gevangenen’: letterlijk ‘een grote gevangenschap’.

6Pekach, de zoon van Remalja, doodde in Juda 120.000 man op één dag, allen dappere mannen. Dat gebeurde omdat zij Yahweh, de Elohim van hun vaderen, hadden verlaten.
וַיַּהֲרֹג֩
(vayaharog)
en doodde
פֶּ֨קַח
(peqach)
Pekach
בֶּן
(ben)
zoon van
רְמַלְיָ֜הוּ
(remalyahu)
Remalja
בִּֽיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
מֵאָ֨ה
(mea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
בְּי֥וֹם
(beyom)
op een dag
אֶחָ֖ד
(echad)
één
הַכֹּ֣ל
(hakol)
allen
בְּנֵי
(benei)
zonen van
חָ֑יִל
(chayil)
kracht
בְּעָזְבָ֕ם
(beazevam)
omdat zij verlieten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתָֽם
(avotam)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het getal 120.000 staat niet in Koningen.

Wij vertalen het letterlijk.

Pekach was koning van Israël (2 Kon. 15:27).

Het Hebreeuws zegt ‘zonen van kracht’: dappere mannen.

בְּעָזְבָם (be’azvam), ‘omdat zij hadden verlaten’: Yahweh’s oordeel hangt hier samen met het verlaten van Yahweh, zoals in 2 Kron. 24:20.

7Zichri, een held uit Efraïm, doodde Maäseja, de zoon van de koning. Hij doodde ook Azrikam, de leider van het huis, en Elkana, de tweede na de koning.
וַֽיַּהֲרֹ֞ג
(vayaharog)
en doodde
זִכְרִ֣י
(zikhri)
Zichri
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
held van
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲשֵׂיָ֨הוּ֙
(maaseyahu)
Maäseja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַזְרִיקָ֖ם
(azriqam)
Azrikam
נְגִ֣יד
(negid)
leider van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶלְקָנָ֖ה
(elqana)
Elkana
מִשְׁנֵ֥ה
(mishne)
tweede van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְגִיד הַבַּיִת (nagid habayit), ‘leider van het huis’: de hoogste ambtenaar van het hof.

מִשְׁנֶה הַמֶּלֶךְ (mishneh hamelekh), ‘de tweede na de koning’: de tweede man in het rijk.

Maäseja is een zoon van de koning, dus waarschijnlijk van Achaz.

8De zonen van Israël voerden 200.000 van hun broeders gevangen weg: vrouwen, zonen en dochters. Ook plunderden zij veel buit van hen. Zij brachten de buit naar Samaria.
וַיִּשְׁבּוּ֩
(vayishbu)
en zij voerden gevangen weg
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
מֵֽאֲחֵיהֶ֜ם
(meacheihem)
van hun broeders
מָאתַ֣יִם
(matayim)
tweehonderd
אֶ֗לֶף
(elef)
duizend
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
בָּנִ֣ים
(banim)
zonen
וּבָנ֔וֹת
(uvanot)
en dochters
וְגַם
(vegam)
en ook
שָׁלָ֥ל
(shalal)
buit
רָ֖ב
(rav)
veel
בָּזְז֣וּ
(bazezu)
plunderden zij
מֵהֶ֑ם
(mehem)
van hen
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁלָ֖ל
(hashalal)
de buit
לְשֹׁמְרֽוֹן
(leshomeron)
naar Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Samaria was de hoofdstad van het rijk Israël, bij het huidige Sebastia, Westelijke Jordaanoever.

Uitleg

Het getal 200.000 staat alleen in Kronieken.

Wij vertalen het letterlijk.

Oded en de gevangenen uit Juda

9Daar was een profeet van Yahweh. Zijn naam was Oded. Hij ging het leger tegemoet dat naar Samaria kwam. Hij zei tegen hen: „Zie, Yahweh, de Elohim van jullie vaderen, was woedend op Juda. Daarom heeft Hij hen in jullie hand gegeven. Maar jullie hebben hen gedood met een woede die tot de hemel reikt.
וְ֠שָׁם
(vesham)
en daar
הָיָ֨ה
(haya)
was
נָבִ֥יא
(navi)
een profeet
לַֽיהוָה֮
(laYahweh)
van Yahweh
עֹדֵ֣ד
(oded)
Oded
שְׁמוֹ֒
(shemo)
zijn naam
וַיֵּצֵ֗א
(vayetse)
en hij ging uit
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַצָּבָא֙
(hatsava)
het leger
הַבָּ֣א
(haba)
dat kwam
לְשֹׁמְר֔וֹן
(leshomeron)
naar Samaria
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
הִ֠נֵּה
(hine)
zie
בַּחֲמַ֨ת
(bachamat)
vanwege de woede van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיכֶ֛ם
(avoteikhem)
jullie vaderen
עַל
(al)
tegen
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
נְתָנָ֣ם
(netanam)
heeft hen gegeven
בְּיֶדְכֶ֑ם
(beyedkhem)
in jullie hand
וַתַּֽהַרְגוּ
(vatahargu)
en jullie hebben gedood
בָ֣ם
(bam)
onder hen
בְזַ֔עַף
(bezaaf)
in een woede
עַ֥ד
(ad)
tot
לַשָּׁמַ֖יִם
(lashamayim)
de hemel
הִגִּֽיעַ
(higia)
die reikt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

עֹדֵד (Oded) is een profeet die verder niet bekend is.

Een andere Oded is de vader van Azarja in 2 Kron. 15:1.

בְּחֲמַת (bachamat), ‘vanwege de woede van’: Yahweh’s grimmige toorn over Juda. De profeet spreekt in zijn eigen woorden; hij zegt niet ‘Zo zegt Yahweh’.

הַצָּבָא (hatsava), ‘het leger’: dat is het leger van Israël, dat met de buit uit Juda terugkomt.

10En nu zeggen jullie dat je de zonen van Juda en van Jeruzalem zult onderwerpen als dienaren en dienaressen voor jezelf. Maar is er bij jullie zelf niet ook schuld tegenover Yahweh, jullie Elohim?
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(virushaliam)
en Jeruzalem
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
לִכְבֹּ֛שׁ
(likhbosh)
om te onderwerpen
לַעֲבָדִ֥ים
(laavadim)
tot dienaren
וְלִשְׁפָח֖וֹת
(velishfachot)
en tot dienaressen
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
הֲלֹ֤א
(halo)
is er niet
רַק
(raq)
alleen
אַתֶּם֙
(atem)
jullie
עִמָּכֶ֣ם
(imakhem)
bij jullie
אֲשָׁמ֔וֹת
(ashamot)
schuld
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
tegenover Yahweh
אֱלֹהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רַק (raq), ‘alleen’: de zin kan ook betekenen ‘zijn er bij jullie niet ook zelf schulden?’

Het gaat erom dat Israël zelf ook schuldig is.

Wij vertalen met ‘ook’.

עֶבֶד (eved), ‘dienaar’, en שִׁפְחָה (shifchah), ‘dienares’: hier gaat het om mensen die gedwongen moeten dienen, zoals slaven.

11Luister nu naar mij. Breng de gevangenen terug die jullie van jullie broeders hebben weggevoerd. Want de gloed van Yahweh’s toorn is over jullie.”
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
שְׁמָע֔וּנִי
(shemauni)
luister naar mij
וְהָשִׁ֨יבוּ֙
(vehashivu)
en breng terug
הַשִּׁבְיָ֔ה
(hashivya)
de gevangenen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שְׁבִיתֶ֖ם
(shevitem)
jullie hebben weggevoerd
מֵאֲחֵיכֶ֑ם
(meacheikhem)
van jullie broeders
כִּ֛י
(ki)
want
חֲר֥וֹן
(charon)
de gloed van
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
over jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲרוֹן אַף יְהוָה (charon af Yahweh), ‘de gloed van Yahweh’s toorn’: letterlijk ‘de gloed van de neus van Yahweh’.

Zie ook vers 13.

12Enkele mannen uit de hoofden van de zonen van Efraïm stonden op tegen hen die van het leger kwamen. Dat waren Azarja, de zoon van Jochanan, Berechja, de zoon van Mesjillemot, Hizkia, de zoon van Sjallum, en Amasa, de zoon van Chadlai.
וַיָּקֻ֨מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
מֵרָאשֵׁ֣י
(merashei)
uit de hoofden van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
אֶפְרַ֗יִם
(efrayim)
Efraïm
עֲזַרְיָ֤הוּ
(azaryahu)
Azarja
בֶן
(ben)
zoon van
יְהֽוֹחָנָן֙
(yehochanan)
Jochanan
בֶּרֶכְיָ֣הוּ
(berekhyahu)
Berechja
בֶן
(ben)
zoon van
מְשִׁלֵּמ֔וֹת
(meshilemot)
Mesjillemot
וִֽיחִזְקִיָּ֨הוּ֙
(vichizqiyahu)
en Hizkia
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁלֻּ֔ם
(shalum)
Sjallum
וַעֲמָשָׂ֖א
(vaamasa)
en Amasa
בֶּן
(ben)
zoon van
חַדְלָ֑י
(chadlay)
Chadlai
עַל
(al)
tegen
הַבָּאִ֖ים
(habaim)
hen die kwamen
מִן
(min)
van
הַצָּבָֽא
(hatsava)
het leger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hizkia (יְחִזְקִיָּהוּ, Yechizkiyahu) is hier een man uit Efraïm.

Het is dezelfde naam als die van de koning Hizkia in vers 27, maar het is een andere man.

Ook Azarja is hier een andere man dan de priester Azarja uit 2 Kron. 26:17.

13Zij zeiden tegen hen: „Jullie mogen de gevangenen niet hierheen brengen. Want dan komt er schuld tegenover Yahweh op ons. Jullie zeggen dat jullie onze zonden en onze schuld willen vermeerderen. Maar onze schuld is al groot, en er is een brandende toorn over Israël.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לָהֶ֗ם
(lahem)
tot hen
לֹא
(lo)
niet
תָבִ֤יאוּ
(taviu)
jullie mogen brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׁבְיָה֙
(hashivya)
de gevangenen
הֵ֔נָּה
(hena)
hierheen
כִּי֩
(ki)
want
לְאַשְׁמַ֨ת
(leashmat)
tot schuld tegenover
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
op ons
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
אֹמְרִ֔ים
(omerim)
zeggen
לְהֹסִ֥יף
(lehosif)
om toe te voegen
עַל
(al)
aan
חַטֹּאתֵ֖ינוּ
(chatoteinu)
onze zonden
וְעַל
(veal)
en aan
אַשְׁמָתֵ֑ינוּ
(ashmateinu)
onze schuld
כִּֽי
(ki)
want
רַבָּ֤ה
(raba)
groot
אַשְׁמָה֙
(ashma)
schuld
לָ֔נוּ
(lanu)
voor ons
וַחֲר֥וֹן
(vacharon)
en gloed van
אָ֖ף
(af)
toorn
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְחָרוֹן אָף עַל יִשְׂרָאֵל (vecharon af al yisra’el), ‘en er is een brandende toorn over Israël’: dezelfde uitdrukking als in vers 11, nu met ‘Israël’.

14De gewapende mannen lieten de gevangenen en de buit achter voor de ogen van de leiders en heel de vergadering.
וַיַּעֲזֹ֣ב
(vayaazov)
en liet achter
הֶֽחָל֗וּץ
(hechaluts)
de gewapende
אֶת
(et)
(obj.)
הַשִּׁבְיָה֙
(hashivya)
de gevangenen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבִּזָּ֔ה
(habiza)
de buit
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַשָּׂרִ֖ים
(hasarim)
de leiders
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַקָּהָֽל
(haqahal)
de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de gewapende’: een man die gereed is voor de strijd.

Hier zijn de krijgers van Israël bedoeld die de gevangenen bewaakten.

15De mannen die bij naam waren aangewezen, stonden op. Zij namen de gevangenen onder hun hoede. Alle naakten onder hen kleedden zij met kleren uit de buit. Zij kleedden hen, gaven hun sandalen, gaven hun te eten en te drinken en zalfden hen. Alle zwakken zetten zij op ezels. Zij brachten hen naar Jericho, de stad van de palmen, bij hun broeders. Daarna keerden zij terug naar Samaria.
וַיָּקֻ֣מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
הָאֲנָשִׁים֩
(haanashim)
de mannen
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִקְּב֨וּ
(niqevu)
waren aangewezen
בְשֵׁמ֜וֹת
(beshemot)
bij namen
וַיַּחֲזִ֣יקוּ
(vayachaziqu)
en namen
בַשִּׁבְיָ֗ה
(bashivya)
de gevangenen
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
מַעֲרֻמֵּיהֶם֮
(maarumeihem)
hun naakten
הִלְבִּ֣ישׁוּ
(hilbishu)
kleedden zij
מִן
(min)
uit
הַשָּׁלָל֒
(hashalal)
de buit
וַיַּלְבִּשׁ֣וּם
(vayalbishum)
en kleedden hen
וַ֠יַּנְעִלוּם
(vayanilum)
en gaven hun sandalen
וַיַּאֲכִל֨וּם
(vayaakhilum)
en gaven hun te eten
וַיַּשְׁק֜וּם
(vayashqum)
en gaven hun te drinken
וַיְסֻכ֗וּם
(vaysukhum)
en zalfden hen
וַיְנַהֲל֤וּם
(vaynahalum)
en voerden hen
בַּחֲמֹרִים֙
(bachamorim)
op ezels
לְכָל
(lekhal)
alle
כּוֹשֵׁ֔ל
(koshel)
struikelende
וַיְבִיא֛וּם
(vayvium)
en brachten hen
יְרֵח֥וֹ
(yerecho)
naar Jericho
עִיר
(ir)
stad van
הַתְּמָרִ֖ים
(hatemarim)
de palmen
אֵ֣צֶל
(etsel)
bij
אֲחֵיהֶ֑ם
(acheihem)
hun broeders
וַיָּשׁ֖וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
שֹׁמְרֽוֹן
(shomeron)
naar Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jericho (יְרֵחוֹ) lag bij het huidige Tell es-Sultan, Westelijke Jordaanoever.

De stad heet hier ‘de stad van de palmen’, zoals in Deut. 34:3.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

מַעֲרֻמֵּיהֶם (ma’arummeihem), ‘hun naakten’: gevangenen die geen kleren hadden.

De mannen die ‘bij naam waren aangewezen’ zijn de vier mannen uit vers 12.

וַיְנַהֲלוּם (vaynahalum), ‘zij voerden hen’: het werkwoord betekent ook ‘leiden’ of ‘zachtjes begeleiden’. Zij lieten de zwakken op ezels rijden.

Achaz zoekt hulp bij Assyrië

16In die tijd stuurde koning Achaz een boodschap naar de koningen van Assyrië om hem te helpen.
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
שָׁלַ֞ח
(shalach)
stuurde
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָ֛ז
(achaz)
Achaz
עַל
(al)
naar
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
אַשּׁ֖וּר
(ashur)
Assyrië
לַעְזֹ֥ר
(lazor)
om te helpen
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Lezing

מַלְכֵי אַשּׁוּר (malkhei ashur), ‘de koningen van Assyrië’: meervoud.

In 2 Kon. 16:7 staat Tiglat-Pileser, ‘de koning van Assyrië’ (enkelvoud).

Sommige oude vertalingen hebben ook hier het enkelvoud.

Wij volgen de Masoretische tekst.

17Ook kwamen de Edomieten opnieuw. Zij sloegen Juda en voerden gevangenen weg.
וְע֥וֹד
(veod)
en nog
אֲדוֹמִ֖ים
(adomim)
Edomieten
בָּ֑אוּ
(bau)
kwamen
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
בִיהוּדָ֖ה
(bihuda)
in Juda
וַיִּשְׁבּוּ
(vayishbu)
en voerden weg
שֶֽׁבִי
(shevi)
gevangenen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De inval van de Edomieten staat niet in 2 Kon. 16.

Daar staat dat Rezin de Judeeërs uit Elat verdreef en dat Edomieten in Elat gingen wonen (2 Kon. 16:6).

18De Filistijnen vielen de steden aan in het laagland en in de Negev van Juda. Zij namen Bet-Semes, Ajalon, Gederot en Socho met hun dorpen in. Ook namen zij Timna met zijn dorpen in en Gimzo met zijn dorpen. Zij gingen daar wonen.
וּפְלִשְׁתִּ֣ים
(ufelishtim)
en Filistijnen
פָּשְׁט֗וּ
(pashetu)
vielen aan
בְּעָרֵ֨י
(bearei)
de steden van
הַשְּׁפֵלָ֣ה
(hashefela)
het laagland
וְהַנֶּגֶב֮
(vehanegev)
en de Negev
לִֽיהוּדָה֒
(lihuda)
van Juda
וַֽ֠יִּלְכְּדוּ
(vayilkedu)
en namen in
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּֽית
(beit)
Bet
שֶׁ֨מֶשׁ
(shemesh)
Semes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַיָּל֜וֹן
(ayalon)
Ajalon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגְּדֵר֗וֹת
(hagederot)
Gederot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שׂוֹכ֤וֹ
(sokho)
Socho
וּבְנוֹתֶ֨יהָ֙
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
תִּמְנָ֣ה
(timna)
Timna
וּבְנוֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גִּמְז֖וֹ
(gimzo)
Gimzo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dorpen
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bet-Semes: Tel Bet Shemesh, Israël.

Ajalon: bij het huidige Yalo, in het dal van Ajalon, Israël.

Socho: Khirbet Shuweikeh, Israël.

Timna: Tel Batash, Israël.

Gimzo: het huidige Jimzu, Israël.

Gederot: de ligging is onzeker.

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Negev: De Negev is het droge zuidelijke deel van het land, rond Beër-Sjeba.

Zie Soko (Khirbet Shuweikeh): Soko (Khirbet Shuweikeh) lag in de Sefela, aan de zuidkant van het Elahdal.

Uitleg

בְּנוֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dorpen’: letterlijk ‘haar dochters’, de dorpen rond een stad.

הַנֶּגֶב (hanegev), ‘de Negev’: het droge zuiden van Juda.

19Want Yahweh vernederde Juda vanwege Achaz, de koning van Israël. Hij had in Juda de teugels laten vieren en had zeer trouweloos gehandeld tegen Yahweh.
כִּֽי
(ki)
want
הִכְנִ֤יעַ
(hikhnia)
vernederde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
בַּעֲב֖וּר
(baavur)
vanwege
אָחָ֣ז
(achaz)
Achaz
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֤י
(ki)
want
הִפְרִ֨יעַ֙
(hifria)
had laten verwilderen
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
in Juda
וּמָע֥וֹל
(umaol)
en zeer
מַ֖עַל
(maal)
trouweloos handelen
בַּיהוָֽה
(baYahweh)
tegen Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִפְרִיעַ (hifria), ‘de teugels laten vieren’: letterlijk ‘ongebonden laten worden’.

Zie Exod. 32:25.

Lezing

מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh yisra’el), ‘koning van Israël’.

Achaz was koning van Juda.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘koning van Juda’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

‘Israël’ kan hier voor heel het volk van Yahweh staan.

Zie ook vers 27.

20Tiglat-Pilneser, de koning van Assyrië, kwam tegen hem op. Hij bracht hem in nood en versterkte hem niet.
וַיָּבֹ֣א
(vayavo)
en kwam
עָלָ֔יו
(alav)
tegen hem
תִּלְּגַ֥ת
(tilegat)
Tiglat
פִּלְנְאֶ֖סֶר
(pilneeser)
Pilneser
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַשּׁ֑וּר
(ashur)
Assyrië
וַיָּ֥צַר
(vayatsar)
en benauwde
ל֖וֹ
(lo)
hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
חֲזָקֽוֹ
(chazaqo)
versterkte hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

תִּלְּגַת פִּלְנֶאסֶר (Tilgat-Pilne’ser), ‘Tiglat-Pilneser’: in 1 Kron. 5:6 staat dezelfde spelling.

In 2 Kon. 16:7 staat Tiglat-Pileser.

Het is dezelfde koning.

וַיָּצַר לוֹ וְלֹא חֲזָקוֹ (vayatsar lo velo chazaqo), ‘hij bracht hem in nood en versterkte hem niet’. In 2 Kon. 16:9 trekt de koning van Assyrië op tegen Damascus en neemt de stad in.

21Want Achaz plunderde het huis van Yahweh, het huis van de koning en de leiders. Hij gaf het aan de koning van Assyrië, maar het was hem niet tot hulp.
כִּֽי
(ki)
want
חָלַ֤ק
(chalaq)
plunderde
אָחָז֙
(achaz)
Achaz
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשָּׂרִ֑ים
(vehasarim)
en de leiders
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en gaf
לְמֶ֣לֶךְ
(lemelekh)
aan de koning van
אַשּׁ֔וּר
(ashur)
Assyrië
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
לְעֶזְרָ֖ה
(leezra)
tot hulp
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

חָלַק (chalaq), ‘plunderde’: letterlijk ‘verdeelde’.

In 2 Kon. 16:8 neemt Achaz zilver en goud uit het huis van Yahweh en de schatkamers van het huis van de koning en stuurt het als geschenk naar de koning van Assyrië.

Achaz wordt steeds trouwelozer

22Ook in de tijd van zijn benauwdheid bleef hij trouweloos handelen tegen Yahweh. Dat deed hij, koning Achaz.
וּבְעֵת֙
(uveet)
en in de tijd van
הָצֵ֣ר
(hatser)
de benauwdheid
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וַיּ֖וֹסֶף
(vayosef)
en hij voegde toe
לִמְע֣וֹל
(limol)
om trouweloos te handelen
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
ה֖וּא
(hu)
hij
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אָחָֽז
(achaz)
Achaz
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij bracht offers aan de goden van Damascus, die hem hadden geslagen. Hij zei: „De goden van de koningen van Aram helpen hen. Daarom zal ik aan hen offeren, dan helpen zij mij.” Maar zij werden voor hem en voor heel Israël een struikelblok.
וַיִּזְבַּ֗ח
(vayizbach)
en hij offerde
לֵֽאלֹהֵ֣י
(lelohei)
aan de goden van
דַרְמֶשֶׂק֮
(darmeseq)
Damascus
הַמַּכִּ֣ים
(hamakim)
die sloegen
בּוֹ֒
(bo)
hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
כִּ֠י
(ki)
want
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
de goden van
מַלְכֵֽי
(malkhei)
de koningen van
אֲרָם֙
(aram)
Aram
הֵ֚ם
(hem)
zij
מַעְזְרִ֣ים
(mazerim)
helpen
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
לָהֶ֥ם
(lahem)
aan hen
אֲזַבֵּ֖חַ
(azabeach)
zal ik offeren
וְיַעְזְר֑וּנִי
(veyazeruni)
zodat zij mij helpen
וְהֵ֛ם
(vehem)
maar zij
הָֽיוּ
(hayu)
werden
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לְהַכְשִׁיל֖וֹ
(lehakhshilo)
tot struikeling
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

אֱלֹהֵי דַרְמֶשֶׂק (elohei darmesek), ‘de goden van Damascus’: hier is Elohim een meervoud voor goden.

In 2 Kon. 16:10–16 bouwt Achaz een altaar naar het voorbeeld van een altaar in Damascus.

24Achaz verzamelde de voorwerpen van het huis van Elohim en hakte de voorwerpen van het huis van Elohim in stukken. Hij sloot de deuren van het huis van Yahweh. Hij maakte altaren voor zichzelf op elke hoek in Jeruzalem.
וַיֶּאֱסֹ֨ף
(vayeesof)
en verzamelde
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
de voorwerpen van
בֵית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
de Elohim
וַיְקַצֵּץ֙
(vayqatsets)
en hakte in stukken
אֶת
(et)
(obj.)
כְּלֵ֣י
(kelei)
de voorwerpen van
בֵית
(beit)
het huis van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
וַיִּסְגֹּ֖ר
(vayisgor)
en sloot
אֶת
(et)
(obj.)
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
de deuren van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en maakte
ל֧וֹ
(lo)
voor zich
מִזְבְּח֛וֹת
(mizbechot)
altaren
בְּכָל
(bekhal)
op elke
פִּנָּ֖ה
(pina)
hoek
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בֵּית הָאֱלֹהִים (beit ha’Elohim), ‘huis van Elohim’, en בֵּית יְהוָה (beit Yahweh), ‘huis van Yahweh’: beide woorden gaan over de tempel in Jeruzalem.

Zie ook 2 Kron. 29:3, waar Hizkia de deuren van het huis van Yahweh weer opent.

In 2 Kon. 16:17–18 staan andere ingrepen van Achaz in de tempel.

25In elke stad van Juda maakte hij hoogten om wierook te laten opgaan voor andere goden. Zo tartte hij Yahweh, de Elohim van zijn vaderen.
וּבְכָל
(uvekhal)
en in elke
עִ֨יר
(ir)
stad
וָעִ֤יר
(vair)
en stad
לִֽיהוּדָה֙
(lihuda)
van Juda
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte hij
בָמ֔וֹת
(bamot)
hoogten
לְקַטֵּ֖ר
(leqater)
om wierook te laten opgaan
לֵֽאלֹהִ֣ים
(lElohim)
voor goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וַיַּכְעֵ֕ס
(vayakhes)
en tartte
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Slot: de dood van Achaz

26De rest van zijn geschiedenis en al zijn wegen, van het begin tot het einde: zie, dat staat opgeschreven in het dagboek van de koningen van Juda en Israël.
וְיֶ֤תֶר
(veyeter)
en de rest van
דְּבָרָיו֙
(devarav)
zijn zaken
וְכָל
(vekhal)
en al
דְּרָכָ֔יו
(derakhav)
zijn wegen
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאַחֲרוֹנִ֑ים
(vehaacharonim)
en de laatste
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֔ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֥פֶר
(sefer)
het dagboek van
מַלְכֵֽי
(malkhei)
de koningen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וְיִשְׂרָאֵֽל
(veyisrael)
en Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het ‘dagboek van de koningen van Juda en Israël’ is dezelfde kroniek als in 2 Kron. 27:7, daar met de titel ‘Israël en Juda’.

Zie daar.

27Achaz ging liggen bij zijn vaderen. Zij begroeven hem in de stad, in Jeruzalem, want zij brachten hem niet naar de graven van de koningen van Israël. Zijn zoon Hizkia werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֨ב
(vayishkav)
en ging liggen
אָחָ֜ז
(achaz)
Achaz
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֗יו
(avotav)
zijn vaderen
וַֽיִּקְבְּרֻ֤הוּ
(vayiqberuhu)
en zij begroeven hem
בָעִיר֙
(bair)
in de stad
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֚י
(ki)
want
לֹ֣א
(lo)
niet
הֱבִיאֻ֔הוּ
(heviuhu)
zij brachten hem
לְקִבְרֵ֖י
(leqivrei)
naar de graven van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
de koningen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְחִזְקִיָּ֥הֽוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

In 2 Kon. 16:20 staat dat hij ‘in de stad van David’ werd begraven.

Hier staat dat hij ‘in de stad, in Jeruzalem’ werd begraven, maar niet in de graven van de koningen.

Ook hier staat ‘koningen van Israël’, zoals in vers 19 ‘koning van Israël’.