Vier oordeelswoorden over Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Tegen Ammon
1Het woord van Yahweh kwam tot mij:
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
דְבַר
(devar)
woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֵלַ֥י
(elay)
tot mij
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Mensenkind, richt je gezicht op de Ammonieten en profeteer tegen hen.
בֶּן
(ben)
zoon van
אָדָ֕ם
(adam)
mens
שִׂ֥ים
(sim)
zet
פָּנֶ֖יךָ
(paneikha)
je gezicht
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וְהִנָּבֵ֖א
(vehinave)
en profeteer
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
tegen hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בן אדם (ben adam), ‘mensenkind’: letterlijk ‘zoon van een mens’.
Zo spreekt Yahweh Ezechiël vaak aan; zie Ezech. 2:1.
Dit is het eerste van vier oordeelswoorden over buurvolken van Juda: Ammon (vers 2–7), Moab (8–11), Edom (12–14) en de Filistijnen (15–17). Het is één woord van Yahweh; wij houden het in één aanhaling.
3Zeg tegen de Ammonieten: Hoort het woord van Heer Yahweh. Zo zegt Heer Yahweh: Omdat je ‘Aha!’ hebt gezegd over Mijn heiligdom toen het ontwijd werd, over het land van Israël toen het verwoest werd, en over het huis van Juda toen zij in ballingschap gingen,
וְאָֽמַרְתָּ֙
(veamarta)
en je zult zeggen
לִבְנֵ֣י
(livnei)
tegen zonen van
עַמּ֔וֹן
(amon)
Ammon
שִׁמְע֖וּ
(shimu)
hoort
דְּבַר
(devar)
woord van
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כֹּה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
יַעַן֩
(yaan)
omdat
אָמְרֵ֨ךְ
(amerekh)
je zeggen
הֶאָ֜ח
(heach)
aha
אֶל
(el)
over
מִקְדָּשִׁ֣י
(miqdashi)
Mijn heiligdom
כִֽי
(ki)
omdat
נִחָ֗ל
(nichal)
het is ontwijd
וְאֶל
(veel)
en over
אַדְמַ֤ת
(admat)
land van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּ֣י
(ki)
omdat
נָשַׁ֔מָּה
(nashama)
het is verwoest
וְאֶל
(veel)
en over
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
כִּ֥י
(ki)
omdat
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
zij zijn gegaan
בַּגּוֹלָֽה
(bagola)
in ballingschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4daarom, zie, geef Ik je als bezit aan de zonen van het Oosten. Zij zullen hun kampen in je opslaan en hun woningen in je plaatsen. Zij zullen je vruchten eten en je melk drinken.
לָכֵ֡ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Ik
נֹתְנָ֨ךְ
(notenakh)
ga je geven
לִבְנֵי
(livnei)
aan zonen van
קֶ֜דֶם
(qedem)
Oosten
לְמֽוֹרָשָׁ֗ה
(lemorasha)
als bezit
וְיִשְּׁב֤וּ
(veyishevu)
en zij zullen wonen
טִירֽוֹתֵיהֶם֙
(tiroteihem)
hun kampen
בָּ֔ךְ
(bakh)
in je
וְנָ֥תְנוּ
(venatenu)
en zij zullen plaatsen
בָ֖ךְ
(bakh)
in je
מִשְׁכְּנֵיהֶ֑ם
(mishkeneihem)
hun woningen
הֵ֚מָּה
(hema)
zij
יֹאכְל֣וּ
(yokhlu)
zullen eten
פִרְיֵ֔ךְ
(piryekh)
je vruchten
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
יִשְׁתּ֥וּ
(yishtu)
zullen drinken
חֲלָבֵֽךְ
(chalavekh)
je melk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לבני קדם (bene qedem), ‘zonen van het Oosten’: stammen uit de woestijn ten oosten van het land; zie ook Job 1:3.
טירותיהם (tirotam), ‘hun kampen’: omheinde kampen van herders, zoals in Gen. 25:16.
5Ik maak Rabba tot een weide voor kamelen en de Ammonieten tot een rustplaats voor kleinvee. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.
וְנָתַתִּ֤י
(venatati)
en Ik zal maken
אֶת
(et)
(obj.)
רַבָּה֙
(raba)
Rabba
לִנְוֵ֣ה
(linve)
tot weide van
גְמַלִּ֔ים
(gemalim)
kamelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
לְמִרְבַּץ
(lemirbats)
tot rustplaats van
צֹ֑אן
(tson)
kleinvee
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Rabba: Rabba van de Ammonieten is het huidige Amman, de hoofdstad van Jordanië.
Uitleg
רבה (Rabbah), ‘Rabba’: de hoofdstad van de Ammonieten; zie Amos 1:14.
לנוה גמלים (naveh gemallim), ‘weide voor kamelen’, en למרבץ צאן (marbats tson), ‘rustplaats voor kleinvee’: de stad wordt leeg en dieren grazen er. ‘De Ammonieten’ staat hier voor hun land.
וידעתם כי אני יהוה (vida’tem ki ani Yahweh), ‘jullie zullen weten dat Ik Yahweh ben’: de erkenningsformule van Ezechiël, die steeds terugkeert; zie ook Ezech. 6:10 en 16:62. Het oordeel moet laten zien wie Yahweh is.
6Want zo zegt Heer Yahweh: Omdat je met de hand hebt geklapt, met de voet hebt gestampt en je met al je minachting in je ziel hebt verheugd over het land van Israël,
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
מַחְאֲךָ֣
(machakha)
je klappen
יָ֔ד
(yad)
hand
וְרַקְעֲךָ֖
(veraqakha)
en je stampen
בְּרָ֑גֶל
(beragel)
met de voet
וַתִּשְׂמַ֤ח
(vatismach)
en je verheugde je
בְּכָל
(bekhal)
met alle
שָֽׁאטְךָ֙
(shatkha)
je minachting
בְּנֶ֔פֶשׁ
(benefesh)
in de ziel
אֶל
(el)
over
אַדְמַ֖ת
(admat)
land van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Klappen met de hand en stampen met de voet zijn gebaren van leedvermaak.
שׁאטך (sha’tekh), ‘je minachting’, wijst op de gezindheid van de ziel.
7daarom, zie, strek Ik Mijn hand tegen je uit. Ik geef je als buit aan de volken. Ik snijd je af van de volken en laat je omkomen uit de landen. Ik vernietig je. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.
לָכֵ֡ן
(lakhen)
daarom
הִנְנִי֩
(hinni)
zie Ik
נָטִ֨יתִי
(natiti)
heb uitgestrekt
אֶת
(et)
(obj.)
יָדִ֜י
(yadi)
Mijn hand
עָלֶ֗יךָ
(aleikha)
over jou
וּנְתַתִּ֤יךָֽ
(unetatikha)
en Ik zal je geven
לְבַז֙
(levaz)
tot buit
לַגּוֹיִ֔ם
(lagoyim)
aan de volken
וְהִכְרַתִּ֨יךָ֙
(vehikhratikha)
en Ik zal je afsnijden
מִן
(min)
van
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
וְהַאֲבַדְתִּ֖יךָ
(vehaavadtikha)
en Ik zal je laten omkomen
מִן
(min)
uit
הָאֲרָצ֑וֹת
(haaratsot)
de landen
אַשְׁמִ֣ידְךָ֔
(ashmidekha)
Ik zal je vernietigen
וְיָדַעְתָּ֖
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat לבג (levag), een woord dat verder niet voorkomt.
De voorgelezen tekst (qere) is לבז (levaz), ‘tot buit’.
9Daarom, zie, Ik open de flank van Moab, vanaf de steden, vanaf zijn steden aan de uiterste grens, het sieraad van het land: Bet-Jesimot, Baäl-Meon en Kirjatajim.
לָכֵן֩
(lakhen)
daarom
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
פֹתֵ֜חַ
(poteach)
open
אֶת
(et)
(obj.)
כֶּ֤תֶף
(ketef)
flank van
מוֹאָב֙
(moav)
Moab
מֵהֶ֣עָרִ֔ים
(mehearim)
van de steden
מֵֽעָרָ֖יו
(mearav)
van zijn steden
מִקָּצֵ֑הוּ
(miqatsehu)
van zijn uiterste grens
צְבִ֗י
(tsevi)
sieraad van
אֶ֚רֶץ
(erets)
land
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
הַיְשִׁימֹ֔ת
(hayshimot)
Jesimot
בַּ֥עַל
(baal)
Baäl
מְע֖וֹן
(meon)
Meon
וְקִרְיָתָֽיְמָה
(veqiryatayema)
en Kirjatajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Bet-Jesimot: Bet-Jesimot wordt gezocht bij Tell el-Azeme, ten noordoosten van de Dode Zee.
Zie Baäl-Meon: Baäl-Meon (Beon) wordt gezocht bij het huidige Main, ten zuidwesten van Madaba.
Zie Kirjatajim (ligging onzeker): Kirjatajim wordt gezocht bij Khirbet el-Qureiyat, in Moab.
Dit is niet zeker.
Uitleg
כתף (ketef), ‘flank’: letterlijk ‘schouder’.
De steden aan de grens zijn de poort van het land; als zij vallen, ligt Moab open.
הישׁימת (haYeshimot) met בית (Bet): ‘Bet-Jesimot’, zie Num. 33:49. Baäl-Meon: Num. 32:38. Kirjatajim: Num. 32:37.
Lezing
In de geschreven tekst (ketiv) staat קריתמה (qiryatmah).
De voorgelezen tekst (qere) is וקריתימה (qiryatayemah), Kirjatajim.
13Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Ik strek Mijn hand uit tegen Edom. Ik snijd mens en dier van het land af en maak het tot een ruïne. Van Teman tot Dedan zullen zij door het zwaard vallen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָטִ֤תִי
(venatiti)
en Ik zal uitstrekken
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
tegen
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
וְהִכְרַתִּ֥י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
מִמֶּ֖נָּה
(mimena)
daaruit
אָדָ֣ם
(adam)
mens
וּבְהֵמָ֑ה
(uvehema)
en dier
וּנְתַתִּ֤יהָ
(unetatiha)
en Ik zal het maken
חָרְבָּה֙
(charba)
ruïne
מִתֵּימָ֔ן
(miteiman)
van Teman
וּדְדָ֖נֶה
(udedane)
en tot Dedan
בַּחֶ֥רֶב
(bacherev)
door het zwaard
יִפֹּֽלוּ
(yipolu)
zullen vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Teman: Teman lag in Edom, ten zuidoosten van de Dode Zee; de plaats wordt gezocht bij Tawilan, nabij Petra (Jordanië).
Zie Dedan (Al-Ula?): Dedan wordt waarschijnlijk gezocht bij Al-Ula, een oase in het noordwesten van Saoedi-Arabië, aan de karavaanroute.
Uitleg
מתימן (Teman) en ודדנה (Dedan): Teman ligt in Edom (Amos 1:12), Dedan is een volk en een handelsplaats in het zuidoosten (Jes. 21:13).
14Ik leg Mijn wraak op Edom in de hand van Mijn volk Israël. Zij zullen met Edom doen naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid. Dan zullen zij Mijn wraak leren kennen, godsspraak van Heer Yahweh.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
נִקְמָתִ֜י
(niqmati)
Mijn wraak
בֶּאֱד֗וֹם
(beedom)
op Edom
בְּיַד֙
(beyad)
in de hand van
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְעָשׂ֣וּ
(veasu)
en zij zullen doen
בֶאֱד֔וֹם
(beedom)
met Edom
כְּאַפִּ֖י
(keapi)
naar Mijn toorn
וְכַחֲמָתִ֑י
(vekhachamati)
en naar Mijn grimmigheid
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zij zullen kennen
אֶת
(et)
(obj.)
נִקְמָתִ֔י
(niqmati)
Mijn wraak
נְאֻ֖ם
(neum)
godsspraak van
אֲדֹנָ֥י
(adonay)
Heer
יְהוִֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
נאם אדני יהוה (ne’um Adonai Yahweh), ‘godsspraak van Heer Yahweh’: zie Ezech. 5:11 voor de uitleg van ne’um.
De formule staat hier midden in Zijn woorden en is daarom rood.
Yahweh gebruikt Israël als Zijn werktuig tegen Edom.
15Zo zegt Heer Yahweh: Omdat de Filistijnen wraak hebben genomen en zich met minachting in hun ziel hebben gewroken, om te verderven in eeuwige vijandschap,
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
עֲשׂ֥וֹת
(asot)
het doen van
פְּלִשְׁתִּ֖ים
(pelishtim)
Filistijnen
בִּנְקָמָ֑ה
(binqama)
in wraak
וַיִּנָּקְמ֤וּ
(vayinaqemu)
en zij namen wraak
נָקָם֙
(naqam)
wraak
בִּשְׁאָ֣ט
(bishat)
met minachting
בְּנֶ֔פֶשׁ
(benefesh)
in de ziel
לְמַשְׁחִ֖ית
(lemashchit)
om te verderven
אֵיבַ֥ת
(eivat)
vijandschap van
עוֹלָֽם
(olam)
eeuwigheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פלשׁתים (Pelishtim), ‘Filistijnen’: de bewoners van de kuststrook in het zuidwesten.
בשׁאט בנפשׁ (besha’t benefesh), ‘met minachting in de ziel’: dezelfde woorden als in vers 6.
16Daarom, zo zegt Heer Yahweh: Zie, Ik strek Mijn hand uit tegen de Filistijnen. Ik snijd de Kerethieten af en laat de overgeblevenen aan de zeekust omkomen.
לָכֵ֗ן
(lakhen)
daarom
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
אֲדֹנָ֣י
(adonay)
Heer
יְהוִ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
נוֹטֶ֤ה
(note)
uitstrekkend
יָדִי֙
(yadi)
Mijn hand
עַל
(al)
tegen
פְּלִשְׁתִּ֔ים
(pelishtim)
Filistijnen
וְהִכְרַתִּ֖י
(vehikhrati)
en Ik zal afsnijden
אֶת
(et)
(obj.)
כְּרֵתִ֑ים
(keretim)
Kerethieten
וְהַ֣אֲבַדְתִּ֔י
(vehaavadti)
en Ik zal laten omkomen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁאֵרִ֖ית
(sheerit)
overgeblevenen van
ח֥וֹף
(chof)
kust van
הַיָּֽם
(hayam)
de zee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כרתים (Kerethim), ‘Kerethieten’: een volk bij de Filistijnen aan de kust; zie 1 Sam. 30:14.
שׁארית חוף הים (she’erit chof hayam), ‘de overgeblevenen aan de zeekust’: wie na de eerdere slagen is overgebleven.
17Ik voer grote wraakacties tegen hen uit, met grimmige terechtwijzingen. Dan zullen zij weten dat Ik Yahweh ben, wanneer Ik Mijn wraak over hen breng.”
וְעָשִׂ֤יתִי
(veasiti)
en Ik zal doen
בָם֙
(bam)
in hen
נְקָמ֣וֹת
(neqamot)
wraakacties
גְּדֹל֔וֹת
(gedolot)
grote
בְּתוֹכְח֖וֹת
(betokhechot)
met terechtwijzingen van
חֵמָ֑ה
(chema)
grimmigheid
וְיָֽדְעוּ֙
(veyadeu)
en zij zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּתִתִּ֥י
(betiti)
als Ik geef
אֶת
(et)
(obj.)
נִקְמָתִ֖י
(niqmati)
Mijn wraak
בָּֽם
(bam)
op hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)