Elohim Bijbel

Jozua 3

123456789101112131415161718192021222324

De oversteek van de Jordaan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het volk bij de Jordaan

1Jozua stond 's morgens vroeg op. Hij en alle zonen van Israël braken op uit Sittim en kwamen bij de Jordaan. Daar overnachtten zij, voordat zij overstaken.
וַיַּשְׁכֵּם֩
(vayashkem)
en stond vroeg op
יְהוֹשֻׁ֨עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּבֹּ֜קֶר
(baboqer)
in de morgen
וַיִּסְע֣וּ
(vayisu)
en zij braken op
מֵֽהַשִּׁטִּ֗ים
(mehashitim)
uit Sittim
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
עַד
(ad)
tot
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
ה֖וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיָּלִ֥נוּ
(vayalinu)
en zij overnachtten
שָׁ֖ם
(sham)
daar
טֶ֥רֶם
(terem)
voordat
יַעֲבֹֽרוּ
(yaavoru)
zij overstaken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sittim (Abel-Sittim) lag ten oosten van de Jordaan, in het huidige Jordanië.

De juiste plek is niet zeker.

Zie ook Joz. 2:1.

2Na drie dagen gingen de opzichters door het kamp.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מִקְצֵ֖ה
(miqtse)
aan het einde van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיַּעַבְר֥וּ
(vayaavru)
en gingen
הַשֹּׁטְרִ֖ים
(hashoterim)
de opzichters
בְּקֶ֥רֶב
(beqerev)
door het midden van
הַֽמַּחֲנֶֽה
(hamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Zij gaven het volk dit bevel. „Zodra jullie de ark van het verbond van Yahweh, jullie Elohim, zien en de priesters, de Levieten, die haar dragen: breek dan op van jullie plaats. Volg haar.
וַיְצַוּוּ֮
(vaytsauu)
en zij gaven bevel
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
כִּרְאֽוֹתְכֶ֗ם
(kirotekhem)
zodra jullie zien
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲר֤וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹ֣הֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְהַכֹּֽהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
נֹשְׂאִ֖ים
(noseim)
die dragen
אֹת֑וֹ
(oto)
haar
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
תִּסְעוּ֙
(tisu)
zullen opbreken
מִמְּק֣וֹמְכֶ֔ם
(mimeqomekhem)
van jullie plaats
וַהֲלַכְתֶּ֖ם
(vahalakhtem)
en jullie zullen gaan
אַחֲרָֽיו
(acharav)
achter haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: priesters uit de stam Levi.

Wij vertalen zoals in Deut. 17:9.

אָרוֹן הַבְּרִית (aron haberit), ‘ark van het verbond’: de kist met de stenen tafelen van het verbond (Deut. 10:1–5).

4Maar er moet afstand zijn tussen jullie en haar, ongeveer 2000 el, afgemeten. Kom niet dicht bij haar. Zo kennen jullie de weg die jullie moeten gaan. Want jullie zijn gisteren en eergisteren niet langs deze weg gegaan.”
אַ֣ךְ
(akh)
maar
רָח֣וֹק
(rachoq)
afstand
יִהְיֶ֗ה
(yihye)
zal zijn
בֵּֽינֵיכֶם֙
(beineikhem)
tussen jullie
וּבֵינָ֔יו
(uveinav)
en tussen haar
כְּאַלְפַּ֥יִם
(kealpayim)
ongeveer tweeduizend
אַמָּ֖ה
(ama)
el
בַּמִּדָּ֑ה
(bamida)
afgemeten
אַֽל
(al)
niet
תִּקְרְב֣וּ
(tiqrevu)
kom dicht
אֵלָ֗יו
(elav)
bij haar
לְמַ֤עַן
(lemaan)
opdat
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תֵּֽדְעוּ֙
(tedeu)
jullie kennen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדֶּ֨רֶךְ֙
(haderekh)
de weg
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תֵּֽלְכוּ
(telekhu)
jullie zullen gaan
בָ֔הּ
(bah)
erop
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֧א
(lo)
niet
עֲבַרְתֶּ֛ם
(avartem)
jullie zijn gegaan
בַּדֶּ֖רֶךְ
(baderekh)
op de weg
מִתְּמ֥וֹל
(mitemol)
gisteren
שִׁלְשֽׁוֹם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַמָּה (amma), ‘el’: ongeveer 45 centimeter. 2000 el is dus ongeveer 900 meter.

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘gisteren en eergisteren’. Dat is een gezegde voor ‘tot nu toe’. Het volk had deze weg nog nooit gelopen.

Het volk moet zich heiligen

5Jozua zei tegen het volk: „Maak jullie heilig. Want morgen zal Yahweh wonderen doen in jullie midden.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הִתְקַדָּ֑שׁוּ
(hitqadashu)
maak jullie heilig
כִּ֣י
(ki)
want
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
יַעֲשֶׂ֧ה
(yaase)
zal doen
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּקִרְבְּכֶ֖ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
נִפְלָאֽוֹת
(niflaot)
wonderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִפְלָאוֹת (niflaot), ‘wonderen’: grote daden die alleen Yahweh kan doen.

Zie ook Exod. 3:20; 34:10.

6Jozua zei tegen de priesters: „Til de ark van het verbond op en ga het volk voorop.” Zij tilden de ark van het verbond op en gingen voor het volk uit.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
שְׂאוּ֙
(seu)
til op
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
וְעִבְר֖וּ
(veivru)
en ga over
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיִּשְׂאוּ֙
(vayisu)
en zij tilden op
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh maakt Jozua groot

7Yahweh zei tegen Jozua: „Vandaag begin Ik je groot te maken in de ogen van heel Israël. Zij moeten weten dat Ik met jou zal zijn, zoals Ik met Mozes was.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
הַיּ֣וֹם
(hayom)
deze
הַזֶּ֗ה
(haze)
dag
אָחֵל֙
(achel)
ik begin
גַּדֶּלְךָ֔
(gadelkha)
je groot te maken
בְּעֵינֵ֖י
(beeinei)
in de ogen van
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר֙
(asher)
opdat
יֵֽדְע֔וּן
(yedeun)
zij weten
כִּ֗י
(ki)
dat
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
הָיִ֛יתִי
(hayiti)
Ik was
עִם
(im)
met
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶהְיֶ֥ה
(ehye)
Ik zal zijn
עִמָּֽךְ
(imakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Jij moet de priesters die de ark van het verbond dragen dit bevel geven. Zeg: Wanneer jullie aan de rand van het water van de Jordaan komen, moeten jullie in de Jordaan blijven staan.”
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
תְּצַוֶּה֙
(tetsave)
zul bevelen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
נֹשְׂאֵ֥י
(noseei)
die dragen
אֲרֽוֹן
(aron)
de ark van
הַבְּרִ֖ית
(haberit)
het verbond
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּבֹאֲכֶ֗ם
(kevoakhem)
zodra jullie komen
עַד
(ad)
tot
קְצֵה֙
(qetse)
de rand van
מֵ֣י
(mei)
het water van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
בַּיַּרְדֵּ֖ן
(bayarden)
in de Jordaan
תַּעֲמֹֽדוּ
(taamodu)
zullen jullie blijven staan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Jozua kondigt het wonder aan

9Jozua zei tegen de zonen van Israël: „Kom hier en luister naar de woorden van Yahweh, jullie Elohim.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
גֹּ֣שׁוּ
(goshu)
kom dichterbij
הֵ֔נָּה
(hena)
hierheen
וְשִׁמְע֕וּ
(veshimu)
en luister
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶֽם
(eloheikhem)
jullie Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Jozua zei: „Hieraan zullen jullie weten dat een levende El in jullie midden is. Hij zal de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten zeker voor jullie uit verdrijven.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
בְּזֹאת֙
(bezot)
hieraan
תֵּֽדְע֔וּן
(tedeun)
zullen jullie weten
כִּ֛י
(ki)
dat
אֵ֥ל
(el)
El
חַ֖י
(chay)
levend
בְּקִרְבְּכֶ֑ם
(beqirbekhem)
in jullie midden
וְהוֹרֵ֣שׁ
(vehoresh)
en zeker
יוֹרִ֣ישׁ
(yorish)
zal verdrijven
מִ֠פְּנֵיכֶם
(mipeneikhem)
voor jullie uit
אֶת
(et)
(obj.)
הַכְּנַעֲנִ֨י
(hakenaani)
de Kanaäniet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחִתִּ֜י
(hachiti)
de Hethiet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַחִוִּ֗י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפְּרִזִּי֙
(haperizi)
de Perizziet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַגִּרְגָּשִׁ֔י
(hagirgashi)
de Girgasiet
וְהָאֱמֹרִ֖י
(vehaemori)
en de Amoriet
וְהַיְבוּסִֽי
(vehayvusi)
en de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵל חַי (El chai), ‘levende El’: El is een naam voor Elohim.

De opsomming noemt zeven volken, zoals in Deut. 7:1.

11Zie, de ark van het verbond van de Heer van heel de aarde gaat voor jullie uit, de Jordaan in.
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
אֲד֖וֹן
(adon)
de Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
de aarde
עֹבֵ֥ר
(over)
gaat over
לִפְנֵיכֶ֖ם
(lifneikhem)
voor jullie uit
בַּיַּרְדֵּֽן
(bayarden)
in de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

אֲדוֹן (adon), ‘Heer’: een titel van gezag.

‘De Heer van heel de aarde’ is een titel van Yahweh, zoals in Ps. 97:5.

Het is een andere titel dan Adonai, ‘mijn Heer’.

Lezing

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘de ark van het verbond, de Heer van heel de aarde’.

Wij lezen: de ark is van de Heer van heel de aarde.

12Neem nu twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man.
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
קְח֤וּ
(qechu)
neem
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
עָשָׂ֣ר
(asar)
tien
אִ֔ישׁ
(ish)
man
מִשִּׁבְטֵ֖י
(mishivtei)
uit de stammen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אִישׁ
(ish)
man
אֶחָ֥ד
(echad)
één
אִישׁ
(ish)
man
אֶחָ֖ד
(echad)
één
לַשָּֽׁבֶט
(lashavet)
per stam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13De priesters dragen de ark van Yahweh, de Heer van heel de aarde. Zodra hun voetzolen rusten in het water van de Jordaan, wordt het water van de Jordaan afgesneden. Dat is het water dat van boven komt. Het zal als één dam blijven staan.”
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כְּנ֣וֹחַ
(kenoach)
zodra rusten
כַּפּ֣וֹת
(kapot)
de zolen van
רַגְלֵ֣י
(raglei)
de voeten van
הַכֹּהֲנִ֡ים
(hakohanim)
de priesters
נֹשְׂאֵי֩
(noseei)
die dragen
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲד֤וֹן
(adon)
de Heer van
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֨רֶץ֙
(haarets)
de aarde
בְּמֵ֣י
(bemei)
in het water van
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
מֵ֤י
(mei)
het water van
הַיַּרְדֵּן֙
(hayarden)
de Jordaan
יִכָּ֣רֵת֔וּן
(yikaretun)
wordt afgesneden
הַמַּ֥יִם
(hamayim)
het water
הַיֹּרְדִ֖ים
(hayoredim)
dat afdaalt
מִלְמָ֑עְלָה
(milmaela)
van boven
וְיַעַמְד֖וּ
(veyaamdu)
en zal blijven staan
נֵ֥ד
(ned)
dam
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

נֵד (ned), ‘dam’: een opeengehoopte massa water.

Dit is hetzelfde woord als in Exod. 15:8.

יִכָּרֵתוּ (yikkaretoe), ‘afgesneden worden’: het water wordt van zijn bron afgesneden.

De ark gaat voor het volk uit de Jordaan in

14Het volk brak op uit zijn tenten om de Jordaan over te steken. De priesters die de ark van het verbond droegen, gingen voor het volk uit.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּנְסֹ֤עַ
(binsoa)
toen opbrak
הָעָם֙
(haam)
het volk
מֵאָ֣הֳלֵיהֶ֔ם
(meaholeihem)
uit hun tenten
לַעֲבֹ֖ר
(laavor)
om over te steken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
וְהַכֹּהֲנִ֗ים
(vehakohanim)
en de priesters
נֹֽשְׂאֵ֛י
(noseei)
die dragen
הָאָר֥וֹן
(haaron)
de ark van
הַבְּרִ֖ית
(haberit)
het verbond
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

15De dragers van de ark kwamen bij de Jordaan. De voeten van de priesters die de ark droegen, werden gedompeld in het water aan de rand. De Jordaan staat in de hele oogsttijd vol, tot over al zijn oevers.
וּכְב֞וֹא
(ukhevo)
en toen kwamen
נֹשְׂאֵ֤י
(noseei)
die dragen
הָֽאָרוֹן֙
(haaron)
de ark
עַד
(ad)
tot
הַיַּרְדֵּ֔ן
(hayarden)
de Jordaan
וְרַגְלֵ֤י
(veraglei)
en de voeten van
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
נֹשְׂאֵ֣י
(noseei)
die dragen
הָֽאָר֔וֹן
(haaron)
de ark
נִטְבְּל֖וּ
(nitbelu)
werden gedompeld
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
in de rand van
הַמָּ֑יִם
(hamayim)
het water
וְהַיַּרְדֵּ֗ן
(vehayarden)
en de Jordaan
מָלֵא֙
(male)
vol
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
גְּדוֹתָ֔יו
(gedotav)
zijn oevers
כֹּ֖ל
(kol)
alle
יְמֵ֥י
(yemei)
dagen van
קָצִֽיר
(qatsir)
oogst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

קָצִיר (qatsir), ‘oogst’: de oogsttijd is in de lente.

Dan is de Jordaan hoog en staat hij tot aan zijn oevers.

16Toen bleef het water dat van boven kwam staan. Het rees op als één dam, zeer ver weg, bij Adam, de stad die naast Zaretan ligt. Het water dat naar de zee van de Araba stroomde, de Zoutzee, liep helemaal weg en werd afgesneden. Het volk stak over, tegenover Jericho.
וַיַּעַמְד֡וּ
(vayaamdu)
en bleef staan
הַמַּיִם֩
(hamayim)
het water
הַיֹּרְדִ֨ים
(hayoredim)
dat afdaalt
מִלְמַ֜עְלָה
(milmala)
van boven
קָ֣מוּ
(qamu)
stond op
נֵד
(ned)
dam
אֶחָ֗ד
(echad)
één
הַרְחֵ֨ק
(harcheq)
ver weg
מְאֹ֜ד
(meod)
zeer
מֵֽאָדָ֤ם
(meadam)
bij Adam
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁר֙
(asher)
die
מִצַּ֣ד
(mitsad)
naast
צָֽרְתָ֔ן
(tsaretan)
Zaretan
וְהַיֹּרְדִ֗ים
(vehayoredim)
en wat afdaalt
עַ֣ל
(al)
naar
יָ֧ם
(yam)
de zee van
הָעֲרָבָ֛ה
(haarava)
de Araba
יָם
(yam)
de zee van
הַמֶּ֖לַח
(hamelach)
de Zout
תַּ֣מּוּ
(tamu)
was ten einde
נִכְרָ֑תוּ
(nikhratu)
werd afgesneden
וְהָעָ֥ם
(vehaam)
en het volk
עָבְר֖וּ
(averu)
stak over
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
יְרִיחֽוֹ
(yericho)
Jericho
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Adam ligt waarschijnlijk bij Tell ed-Damiyeh, aan de Jordaan, ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jericho (Jordanië).

Zaretan is onzeker; Tell es-Saidiyeh wordt voorgesteld.

De Zoutzee is de Dode Zee, de Araba de diepe vallei rondom de Jordaan.

17De priesters die de ark van het verbond van Yahweh droegen, bleven vast staan op droge grond, midden in de Jordaan. Heel Israël stak over op droge grond, totdat heel het volk klaar was met de oversteek van de Jordaan.
וַיַּעַמְד֣וּ
(vayaamdu)
en stonden
הַכֹּהֲנִ֡ים
(hakohanim)
de priesters
נֹ֠שְׂאֵי
(noseei)
die dragen
הָאָר֨וֹן
(haaron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בֶּחָֽרָבָ֛ה
(becharava)
op droge grond
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
midden in
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
הָכֵ֑ן
(hakhen)
vast
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
עֹֽבְרִים֙
(overim)
stak over
בֶּחָ֣רָבָ֔ה
(becharava)
op droge grond
עַ֤ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
תַּ֨מּוּ֙
(tamu)
klaar was
כָּל
(kal)
heel
הַגּ֔וֹי
(hagoy)
het volk
לַעֲבֹ֖ר
(laavor)
om over te steken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.