Een huis van gebed voor alle volken; de blinde wachters
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Bewaar het recht
1Zo zegt Yahweh: „Bewaar het recht en doe gerechtigheid. Want Mijn redding is dichtbij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.”
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
שִׁמְר֥וּ
(shimru)
bewaar
מִשְׁפָּ֖ט
(mishpat)
recht
וַעֲשׂ֣וּ
(vaasu)
en doe
צְדָקָ֑ה
(tsedaqa)
gerechtigheid
כִּֽי
(ki)
want
קְרוֹבָ֤ה
(qerova)
nabij
יְשֽׁוּעָתִי֙
(yeshuati)
Mijn redding
לָב֔וֹא
(lavo)
om te komen
וְצִדְקָתִ֖י
(vetsidqati)
en Mijn gerechtigheid
לְהִגָּלֽוֹת
(lehigalot)
om geopenbaard te worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier begint een nieuwe toespraak van Yahweh; Zijn woorden staan rood.
יְשׁוּעָה (yeshuah), ‘redding’, en צְדָקָה (tsedaqah), ‘gerechtigheid’: beide woorden staan in dit vers twee keer. Eerst vraagt Yahweh om gerechtigheid van de mensen (‘doe gerechtigheid’). Dan zegt Hij dat Zijn eigen gerechtigheid en redding zullen komen.
2Gelukkig de mens die dit doet, en de mensenzoon die eraan vasthoudt: wie de sabbat bewaart en hem niet ontheiligt, en zijn hand bewaart om geen kwaad te doen.
אַשְׁרֵ֤י
(ashrei)
gelukkig
אֱנוֹשׁ֙
(enosh)
de mens
יַעֲשֶׂה
(yaase)
die doet
זֹּ֔את
(zot)
dit
וּבֶן
(uven)
en de zoon van
אָדָ֖ם
(adam)
de mens
יַחֲזִ֣יק
(yachaziq)
die zich vasthoudt
בָּ֑הּ
(bah)
eraan
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die bewaart
שַׁבָּת֙
(shabat)
sabbat
מֵֽחַלְּל֔וֹ
(mechalelo)
zodat hij hem niet ontheiligt
וְשֹׁמֵ֥ר
(veshomer)
en die bewaart
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
מֵעֲשׂ֥וֹת
(measot)
om te doen
כָּל
(kal)
elk
רָֽע
(ra)
kwaad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֱנוֹשׁ (enosh), ‘mens’, en בֶּן אָדָם (ben adam), ‘mensenzoon’ (letterlijk ‘zoon van een mens’): twee woorden voor ‘mens’ naast elkaar.
Hier is het geen titel.
שַׁבָּת (shabbat), ‘sabbat’: de rustdag uit Exod. 20:8–11.
Het ‘dit’ in het eerste deel verwijst naar vers 1: het recht bewaren en gerechtigheid doen. Deze verzen staan zwart; het Hebreeuws zegt niet dat Yahweh nog spreekt.
3Laat de vreemde die zich bij Yahweh heeft aangesloten niet zeggen: „Yahweh zal mij zeker scheiden van Zijn volk.” En laat de hofdienaar niet zeggen: „Zie, ik ben een dorre boom.”
וְאַל
(veal)
en niet
יֹאמַ֣ר
(yomar)
laat zeggen
בֶּן
(ben)
de zoon van
הַנֵּכָ֗ר
(hanekhar)
de vreemde
הַנִּלְוָ֤ה
(hanilva)
die zich heeft aangesloten
אֶל
(el)
bij
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggend
הַבְדֵּ֧ל
(havdel)
scheiden
יַבְדִּילַ֛נִי
(yavdilani)
Hij zal mij scheiden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעַ֣ל
(meal)
van
עַמּ֑וֹ
(amo)
Zijn volk
וְאַל
(veal)
en niet
יֹאמַר֙
(yomar)
laat zeggen
הַסָּרִ֔יס
(hasaris)
de hofdienaar
הֵ֥ן
(hen)
zie
אֲנִ֖י
(ani)
ik
עֵ֥ץ
(ets)
boom
יָבֵֽשׁ
(yavesh)
dor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֶּן הַנֵּכָר (ben hannekhar), ‘de vreemde’: letterlijk ‘zoon van de vreemde’, zoals in Exod. 12:43.
Het gaat om iemand van buiten het volk die zich bij Yahweh heeft aangesloten.
סָרִיס (saris), ‘hofdienaar’: dit kan ook een man bedoelen die onvruchtbaar is gemaakt. Zo iemand mocht volgens Deut. 23:2 niet in de vergadering van Yahweh komen. Dat verklaart het beeld van de ‘dorre boom’: hij heeft geen kinderen.
Beide uitspraken staan tussen aanhalingstekens, omdat het de woorden van deze mensen zijn.
5hun geef Ik in Mijn huis en binnen Mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters. Een naam voor eeuwig geef Ik hem, die niet zal worden uitgeroeid.
וְנָתַתִּ֨י
(venatati)
en Ik zal geven
לָהֶ֜ם
(lahem)
aan hen
בְּבֵיתִ֤י
(beveiti)
in Mijn huis
וּבְחֽוֹמֹתַי֙
(uvechomotay)
en binnen Mijn muren
יָ֣ד
(yad)
gedenkteken
וָשֵׁ֔ם
(vashem)
en naam
ט֖וֹב
(tov)
beter
מִבָּנִ֣ים
(mibanim)
dan zonen
וּמִבָּנ֑וֹת
(umibanot)
en dan dochters
שֵׁ֤ם
(shem)
naam
עוֹלָם֙
(olam)
voor eeuwig
אֶתֶּן
(eten)
Ik zal geven
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לֹ֥א
(lo)
niet
יִכָּרֵֽת
(yikaret)
zal worden uitgeroeid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יָד וָשֵׁם (yad vashem), ‘een gedenkteken en een naam’: יָד (yad) is letterlijk ‘hand’ en kan ‘gedenkteken’ betekenen, zoals in 1 Sam. 15:12 en 2 Sam. 18:18.
Een hofdienaar kreeg geen nageslacht dat zijn naam droeg.
Yahweh belooft hem een blijvende naam in Zijn huis.
6De vreemden die zich bij Yahweh hebben aangesloten om Hem te dienen en de naam van Yahweh lief te hebben, om Zijn knechten te zijn, ieder die de sabbat bewaart en hem niet ontheiligt en vasthoudt aan Mijn verbond:
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
הַנֵּכָ֗ר
(hanekhar)
de vreemde
הַנִּלְוִ֤ים
(hanilvim)
die zich hebben aangesloten
עַל
(al)
bij
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לְשָׁ֣רְת֔וֹ
(leshareto)
om Hem te dienen
וּֽלְאַהֲבָה֙
(uleahava)
en om lief te hebben
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֣ם
(shem)
de naam van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
ל֖וֹ
(lo)
Hem
לַעֲבָדִ֑ים
(laavadim)
tot knechten
כָּל
(kal)
ieder
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
die bewaart
שַׁבָּת֙
(shabat)
sabbat
מֵֽחַלְּל֔וֹ
(mechalelo)
zodat hij hem niet ontheiligt
וּמַחֲזִיקִ֖ים
(umachaziqim)
en vasthouden
בִּבְרִיתִֽי
(bivriti)
aan Mijn verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנִּלְוִים (hannilvim), ‘die zich hebben aangesloten’: van לָוָה (lavah), ‘zich aansluiten’, zoals in Num. 18:2.
עֲבָדִים (avadim), ‘knechten’: zij horen bij Yahweh als dienaren. ‘Hem te dienen’ is het werkwoord שָׁרַת (sharat), ‘dienen’, vooral van de dienst in het heiligdom.
Het vers loopt door in vers 7: eerst staat wie bedoeld wordt, dan wat Yahweh voor hen doet.
7hen zal Ik brengen naar Mijn heilige berg en hen verblijden in Mijn huis van gebed. Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen Mij behagen op Mijn altaar. Want Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken.
וַהֲבִיאוֹתִ֞ים
(vahaviotim)
en Ik zal hen brengen
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
berg van
קָדְשִׁ֗י
(qadeshi)
Mijn heiligheid
וְשִׂמַּחְתִּים֙
(vesimachtim)
en Ik zal hen verblijden
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
תְּפִלָּתִ֔י
(tefilati)
Mijn gebed
עוֹלֹתֵיהֶ֧ם
(oloteihem)
hun brandoffers
וְזִבְחֵיהֶ֛ם
(vezivcheihem)
en hun slachtoffers
לְרָצ֖וֹן
(leratson)
tot welbehagen
עַֽל
(al)
op
מִזְבְּחִ֑י
(mizbechi)
Mijn altaar
כִּ֣י
(ki)
want
בֵיתִ֔י
(beiti)
Mijn huis
בֵּית
(beit)
huis van
תְּפִלָּ֥ה
(tefila)
gebed
יִקָּרֵ֖א
(yiqare)
zal worden genoemd
לְכָל
(lekhal)
voor alle
הָעַמִּֽים
(haamim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְרָצוֹן (leratson), ‘tot welbehagen’: Yahweh neemt hun offers met welbehagen aan.
בֵּית תְּפִלָּה (bet tefillah), ‘huis van gebed’: Yeshua haalt deze woorden aan in Matt. 21:13.
נְאֻם (ne’um), ‘godsspraak’: zie 1:24. De formule staat hier aan het begin van de zin en blijft rood.
לְנִקְבָּצָיו (lenikbatsav), ‘wie al bij hem verzameld zijn’: letterlijk ‘bij zijn verzamelden’. Het Hebreeuws zegt: Yahweh voegt nog meer mensen toe aan wie al verzameld zijn.
10Zijn wachters zijn blind, allemaal. Zij weten niets. Allemaal zijn zij stomme honden, die niet kunnen blaffen. Zij dromen, liggen neer en houden van slapen.
צֹפָ֞יו
(tsofav)
zijn wachters
עִוְרִ֤ים
(ivrim)
blind
כֻּלָּם֙
(kulam)
allemaal
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדָ֔עוּ
(yadau)
zij weten
כֻּלָּם֙
(kulam)
allemaal
כְּלָבִ֣ים
(kelavim)
honden
אִלְּמִ֔ים
(ilemim)
stom
לֹ֥א
(lo)
niet
יוּכְל֖וּ
(yukhelu)
zij kunnen
לִנְבֹּ֑חַ
(linboach)
blaffen
הֹזִים֙
(hozim)
dromend
שֹֽׁכְבִ֔ים
(shokhevim)
liggend
אֹהֲבֵ֖י
(ohavei)
liefhebbers van
לָנֽוּם
(lanum)
slapen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צֹפָיו (tsofav), ‘zijn wachters’: het Hebreeuws zegt niet wiens wachters; waarschijnlijk die van het volk uit vers 8.
Wachters zijn de leiders die moeten waarschuwen voor gevaar.
הֹזִים (hozim), ‘dromen’: dit woord komt alleen hier voor. De betekenis is niet zeker.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is צפו (tsofu); het qere is צֹפָיו (tsofav), ‘zijn wachters’.
11En de honden zijn gulzig van begeerte; zij kennen geen verzadiging. En zij zijn herders die niets begrijpen. Allemaal hebben zij zich gewend naar hun eigen weg, ieder naar zijn eigen gewin, zonder uitzondering.
וְהַכְּלָבִ֣ים
(vehakelavim)
en de honden
עַזֵּי
(azei)
sterk van
נֶ֗פֶשׁ
(nefesh)
begeerte
לֹ֤א
(lo)
niet
יָֽדְעוּ֙
(yadeu)
zij kennen
שָׂבְעָ֔ה
(savea)
verzadiging
וְהֵ֣מָּה
(vehema)
en zij
רֹעִ֔ים
(roim)
herders
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדְע֖וּ
(yadeu)
zij weten
הָבִ֑ין
(havin)
te begrijpen
כֻּלָּם֙
(kulam)
allemaal
לְדַרְכָּ֣ם
(ledarkam)
naar hun weg
פָּנ֔וּ
(panu)
zij hebben zich gewend
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְבִצְע֖וֹ
(levitso)
naar zijn gewin
מִקָּצֵֽהוּ
(miqatsehu)
vanaf zijn uiteinde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עַזֵּי נֶפֶשׁ (azzei nefesh), ‘gulzig’: letterlijk ‘sterk van ziel’, dat wil zeggen sterk in begeerte.
מִקָּצֵהוּ (miqatsehu), ‘zonder uitzondering’: letterlijk ‘vanaf zijn uiteinde’. De betekenis is niet zeker; het kan ook ‘vanuit zijn eigen hoek’ betekenen.