De telling van het volk, de pest en het altaar op de dorsvloer
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David laat het volk tellen
1De toorn van Yahweh laaide opnieuw op tegen Israël. David werd tegen hen aangezet met de woorden: „Ga, tel Israël en Juda na.”
וַיֹּ֨סֶף֙
(vayosef)
en voegde toe
אַף
(af)
de toorn van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לַחֲר֖וֹת
(lacharot)
om te ontbranden
בְּיִשְׂרָאֵ֑ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיָּ֨סֶת
(vayaset)
en zette aan
אֶת
(et)
(obj.)
דָּוִ֤ד
(david)
David
בָּהֶם֙
(bahem)
tegen hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֵ֛ךְ
(lekh)
ga
מְנֵ֥ה
(mene)
tel na
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיֹּסֶף (wayyosef), ‘opnieuw’: Yahweh’s toorn was eerder al ontbrand, zoals de hongersnood in 2 Sam. 21:1.
מָנָה (manah), ‘natellen’: een ander werkwoord dan ‘tellen’ (פָּקַד, paqad) in vers 2 en 4.
De telling van het volk riep een plaag op, tenzij ieder losgeld betaalde (Exod. 30:11–16).
Lezing
וַיָּסֶת (wayaset), ‘hij zette aan’: het onderwerp wordt niet genoemd.
Het kan Yahweh zijn, uit de zin ervoor. 1 Kron. 21:1 noemt een satan.
Wij laten het onderwerp open en schrijven ‘David werd aangezet’.
2De koning zei tegen Joab, de bevelhebber van het leger die bij hem was: „Doorkruis toch alle stammen van Israël, van Dan tot Beër-Sjeba. Tel het volk. Dan weet ik het aantal van het volk.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
שַׂר
(sar)
bevelhebber van
הַחַ֣יִל
(hachayil)
het leger
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
bij hem
שֽׁוּט
(shut)
doorkruis
נָ֞א
(na)
toch
בְּכָל
(bekhal)
in alle
שִׁבְטֵ֤י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִדָּן֙
(midan)
van Dan
וְעַד
(vead)
en tot
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שֶׁ֔בַע
(sheva)
Sjeba
וּפִקְד֖וּ
(ufiqdu)
en tel
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְיָ֣דַעְתִּ֔י
(veyadati)
en ik zal weten
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
het aantal van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Dan ligt bij Tel Dan, in het uiterste noorden van Israël.
Beër-Sjeba ligt bij Tel Beër-Sjeba, in het zuiden van Israël.
Dat is zeker.
‘Van Dan tot Beër-Sjeba’ is de gewone omschrijving van heel het land (Richt. 20:1).
Uitleg
שֻׁטוּ (shut), ‘doorkruis’: reis heen en weer door het land.
3Joab zei tegen de koning: „Moge Yahweh, uw Elohim, aan het volk toevoegen, zoals zij zijn en nog eens zoals zij zijn, honderdmaal. En mogen de ogen van mijn heer de koning het zien. Maar waarom heeft mijn heer de koning zin in deze zaak?”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יוֹאָ֜ב
(yoav)
Joab
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְיוֹסֵ֣ף
(veyosef)
en voege toe
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
אֶל
(el)
aan
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
כָּהֵ֤ם
(kahem)
zoals zij
וְכָהֵם֙
(vekhahem)
en zoals zij
מֵאָ֣ה
(mea)
honderd
פְעָמִ֔ים
(peamim)
keer
וְעֵינֵ֥י
(veeinei)
en de ogen van
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
רֹא֑וֹת
(root)
die het zien
וַאדֹנִ֣י
(vadoni)
en mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
חָפֵ֖ץ
(chafets)
heeft behagen
בַּדָּבָ֥ר
(badavar)
in de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Mijn heer’ (אֲדֹנִי, adoni) is een titel voor de koning.
Het is een ander woord dan Adonai, ‘mijn Heer’, voor Yahweh.
Wij spreken de koning aan met ‘u’.
Joab wil niet dat het volk wordt geteld, ook al zou het honderdmaal zo groot worden.
4Maar het woord van de koning was sterker dan Joab en dan de bevelhebbers van het leger. Joab en de bevelhebbers van het leger gingen weg van de koning om het volk te tellen, Israël.
וַיֶּחֱזַ֤ק
(vayechezaq)
en was sterker
דְּבַר
(devar)
het woord van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tegen
יוֹאָ֔ב
(yoav)
Joab
וְעַ֖ל
(veal)
en tegen
שָׂרֵ֣י
(sarei)
de bevelhebbers van
הֶחָ֑יִל
(hechayil)
het leger
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en trok uit
יוֹאָ֜ב
(yoav)
Joab
וְשָׂרֵ֤י
(vesarei)
en de bevelhebbers van
הַחַ֨יִל֙
(hachayil)
het leger
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
van het aangezicht van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִפְקֹ֥ד
(lifqod)
om te tellen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zij kwamen bij de vesting van Tyrus en bij alle steden van de Chiwwieten en de Kanaänieten. Daarna trokken zij uit naar de Negev van Juda, naar Beër-Sjeba.
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
מִבְצַר
(mivtsar)
de vesting van
צֹ֔ר
(tsor)
Tyrus
וְכָל
(vekhal)
en alle
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הַחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְהַֽכְּנַעֲנִ֑י
(vehakenaani)
en de Kanaäniet
וַיֵּֽצְא֛וּ
(vayetseu)
en trokken uit
אֶל
(el)
naar
נֶ֥גֶב
(negev)
de Negev van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
בְּאֵ֥ר
(beer)
Beër
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tyrus is het huidige Sur (Libanon).
Dat is zeker.
De Negev is het droge gebied in het zuiden van Juda (Israël).
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Uitleg
De Chiwwieten en de Kanaänieten zijn twee van de volken die in het land woonden (Exod. 3:8).
8Zij doorkruisten heel het land. Na 9 maanden en 20 dagen kwamen zij in Jeruzalem.
וַיָּשֻׁ֖טוּ
(vayashutu)
en doorkruisten
בְּכָל
(bekhal)
in heel
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּבֹ֜אוּ
(vayavou)
en kwamen
מִקְצֵ֨ה
(miqtse)
na het einde van
תִשְׁעָ֧ה
(tisha)
negen
חֳדָשִׁ֛ים
(chodashim)
maanden
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
י֖וֹם
(yom)
dagen
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushalaim)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
De telling duurde 9 maanden en 20 dagen.
Daarna kwam Joab in Jeruzalem.
9Joab gaf het aantal van de telling van het volk aan de koning. In Israël waren er 800.000 krijgers die het zwaard trokken. De mannen van Juda waren 500.000.
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en gaf
יוֹאָ֛ב
(yoav)
Joab
אֶת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
het getal van
מִפְקַד
(mifqad)
de telling van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶל
(el)
aan
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַתְּהִ֣י
(vatehi)
en waren
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
שְׁמֹנֶה֩
(shemone)
acht
מֵא֨וֹת
(meot)
honderd
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
חַ֨יִל֙
(chayil)
van kracht
שֹׁ֣לֵֽף
(sholef)
trekkend
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de man van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
חֲמֵשׁ
(chamesh)
vijf
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אִישׁ חַיִל (ish chayil), ‘krijger’: letterlijk ‘man van kracht’.
Lezing
1 Kron. 21:5 geeft andere getallen: 1.100.000 in Israël en 470.000 in Juda.
10Daarna sloeg Davids hart hem, nadat hij het volk had geteld. David zei tegen Yahweh: „Ik heb zeer gezondigd door wat ik heb gedaan. En nu, Yahweh, neem toch de schuld van Uw dienaar weg, want ik heb zeer dwaas gehandeld.”
וַיַּ֤ךְ
(vayakh)
en sloeg
לֵב
(lev)
het hart van
דָּוִד֙
(david)
David
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אַחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֖ן
(ken)
dit
סָפַ֣ר
(safar)
had geteld
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
חָטָ֤אתִי
(chatati)
ik heb gezondigd
מְאֹד֙
(meod)
zeer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
in wat
עָשִׂ֔יתִי
(asiti)
ik heb gedaan
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הַֽעֲבֶר
(haaver)
laat voorbijgaan
נָא֙
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
de schuld van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
כִּ֥י
(ki)
want
נִסְכַּ֖לְתִּי
(niskalti)
ik heb dwaas gehandeld
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Davids hart ‘sloeg’ hem: zijn geweten klaagde hem aan, zoals in 1 Sam. 24:6.
הַעֲבֶר (ha’aver), ‘neem weg’: letterlijk ‘laat voorbijgaan’. David vraagt dat Yahweh de schuld wegneemt.
סָפַר (safar) is hier ‘tellen’, een ander werkwoord dan פָּקַד (paqad) in de verzen 2 en 4.
13Gad kwam bij David en maakte het hem bekend. Hij zei tegen hem: „Moeten zeven jaar hongersnood over u komen in uw land? Of moet u drie maanden vluchten voor uw tegenstanders, terwijl zij u achtervolgen? Of moeten er drie dagen pest zijn in uw land? Bedenk nu en zie wat ik moet antwoorden aan Hem die mij gezonden heeft.”
וַיָּבֹא
(vayavo)
en kwam
גָ֥ד
(gad)
Gad
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֖ד
(david)
David
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en maakte bekend
ל֑וֹ
(lo)
aan hem
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֡וֹ
(lo)
tot hem
הֲתָב֣וֹא
(hatavo)
zal komen
לְךָ֣
(lekha)
voor u
שֶֽׁבַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֣ים
(shanim)
jaren
רָעָ֣ב
(raav)
hongersnood
בְּאַרְצֶ֡ךָ
(beartsekha)
in uw land
אִם
(im)
of
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
חֳ֠דָשִׁים
(chodashim)
maanden
נֻסְךָ֨
(nuskha)
uw vluchten
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor
צָרֶ֜יךָ
(tsareikha)
uw tegenstanders
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
רֹדְפֶ֗ךָ
(rodefekha)
achtervolgt u
וְאִם
(veim)
en als
הֱ֠יוֹת
(heyot)
het zijn
שְׁלֹ֨שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֥ים
(yamim)
dagen
דֶּ֨בֶר֙
(dever)
pest
בְּאַרְצֶ֔ךָ
(beartsekha)
in uw land
עַתָּה֙
(ata)
nu
דַּ֣ע
(da)
weet
וּרְאֵ֔ה
(uree)
en zie
מָה
(ma)
wat
אָשִׁ֥יב
(ashiv)
ik zal antwoorden
שֹׁלְחִ֖י
(sholechi)
die mij zond
דָּבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֶּבֶר (dever), ‘pest’: zoals in Exod. 5:3 en 9:3.
Lezing
De Masoretische tekst heeft ‘zeven jaar’ hongersnood. 1 Kron. 21:12 heeft ‘drie jaar’.
14David zei tegen Gad: „Ik ben zeer in nood. Laten wij toch in de hand van Yahweh vallen, want Zijn ontfermingen zijn talrijk. In de hand van een mens wil ik niet vallen.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
גָּ֖ד
(gad)
Gad
צַר
(tsar)
nood
לִ֣י
(li)
voor mij
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
נִפְּלָה
(nipela)
laten wij vallen
נָּ֤א
(na)
toch
בְיַד
(beyad)
in de hand van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כִּֽי
(ki)
want
רַבִּ֣ים
(rabim)
veel
רַֽחֲמָ֔יו
(rachamav)
Zijn ontfermingen
וּבְיַד
(uveyad)
en in de hand van
אָדָ֖ם
(adam)
mens
אַל
(al)
niet
אֶפֹּֽלָה
(epola)
laat ik vallen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Davids keuze: in de hand van Yahweh vallen, niet in de hand van mensen.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft ‘Zijn ontferming’ (enkelvoud).
16De engel strekte zijn hand uit naar Jeruzalem om de stad te verwoesten. Toen liet Yahweh Zich het kwaad rouwen. Hij zei tegen de engel die onder het volk verwoestte: „Het is genoeg. Laat nu je hand zakken.” De engel van Yahweh was bij de dorsvloer van Araunna, de Jebusiet.
וַיִּשְׁלַח֩
(vayishlach)
en zond
יָד֨וֹ
(yado)
zijn hand
הַמַּלְאָ֥ךְ
(hamalakh)
de engel
יְרֽוּשָׁלִַם֮
(yerushalaim)
naar Jeruzalem
לְשַׁחֲתָהּ֒
(leshachatah)
om het te verwoesten
וַיִּנָּ֤חֶם
(vayinachem)
en liet Zich rouwen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
over
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het kwaad
וַ֠יֹּאמֶר
(vayomer)
en zei
לַמַּלְאָ֞ךְ
(lamalakh)
tot de engel
הַמַּשְׁחִ֤ית
(hamashchit)
die verwoestte
בָּעָם֙
(baam)
onder het volk
רַ֔ב
(rav)
genoeg
עַתָּ֖ה
(ata)
nu
הֶ֣רֶף
(heref)
laat zakken
יָדֶ֑ךָ
(yadekha)
je hand
וּמַלְאַ֤ךְ
(umalakh)
en de engel van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
הָיָ֔ה
(haya)
was
עִם
(im)
bij
גֹּ֖רֶן
(goren)
de dorsvloer van
הָאֲרַ֥וְנָה
(haaravna)
Araunna
הַיְבֻסִֽי
(hayvusi)
de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De dorsvloer van Araunna lag op de berg Moria, de latere tempelberg in Jeruzalem (2 Kron. 3:1).
Dat is waarschijnlijk.
In 1 Kron. 21:15 heet hij Ornan.
Zie Dorsvloer van Araunna: De dorsvloer van Araunna lag op de berg Moria, waar later de tempel van Jeruzalem stond.
Uitleg
De engel wordt eerst ‘de engel’ genoemd, daarna ‘de engel van Yahweh’.
Wij vertalen beide neutraal, zoals het Hebreeuws.
וַיִּנָּחֶם (wayyinnachem), ‘liet Zich rouwen’: zoals in Exod. 32:14.
הֶרֶף (heref), ‘laat zakken’: letterlijk ‘laat los’. Yahweh spreekt hier zelf tot de engel; wij zetten dat rood.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) schrijft de naam anders (האורנה) dan het qere (הארונה).
17David zag de engel die onder het volk sloeg. Hij zei tegen Yahweh: „Zie, ik heb gezondigd en ik heb verkeerd gehandeld. Maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat Uw hand toch tegen mij zijn en tegen het huis van mijn vader.”
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
דָּוִ֨ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּרְאֹת֣וֹ
(biroto)
toen hij zag
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַמַּלְאָ֣ךְ
(hamalakh)
de engel
הַמַּכֶּ֣ה
(hamake)
die sloeg
בָעָ֗ם
(baam)
onder het volk
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
חָטָ֨אתִי֙
(chatati)
heb gezondigd
וְאָנֹכִ֣י
(veanokhi)
en ik
הֶעֱוֵ֔יתִי
(heeveiti)
heb verkeerd gehandeld
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
maar dezen
הַצֹּ֖אן
(hatson)
de schapen
מֶ֣ה
(me)
wat
עָשׂ֑וּ
(asu)
deden zij
תְּהִ֨י
(tehi)
laat zijn
נָ֥א
(na)
toch
יָדְךָ֛
(yadekha)
Uw hand
בִּ֖י
(bi)
tegen mij
וּבְבֵ֥ית
(uveveit)
en tegen het huis van
אָבִֽי
(avi)
mijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶעֱוֵיתִי (he’eveti), ‘ik heb verkeerd gehandeld’: van het woord voor ‘schuld’ (avon) en ‘krom’.
David noemt het volk ‘deze schapen’, zoals een herder zijn kudde.
20Araunna keek uit en zag de koning en zijn dienaren naar zich toe komen. Araunna ging naar buiten en boog zich voor de koning neer, met zijn gezicht naar de grond.
וַיַּשְׁקֵ֣ף
(vayashqef)
en keek uit
אֲרַ֗וְנָה
(aravna)
Araunna
וַיַּ֤רְא
(vayar)
en zag
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲבָדָ֔יו
(avadav)
zijn dienaren
עֹבְרִ֖ים
(overim)
die overkwamen
עָלָ֑יו
(alav)
naar hem
וַיֵּצֵ֣א
(vayetse)
en ging uit
אֲרַ֔וְנָה
(aravna)
Araunna
וַיִּשְׁתַּ֧חוּ
(vayishtachu)
en boog zich neer
לַמֶּ֛לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
אַפָּ֖יו
(apav)
zijn gezicht
אָֽרְצָה
(aretsa)
naar de grond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Araunna zei: „Waarom komt mijn heer de koning naar zijn dienaar?” David zei: „Om de dorsvloer van u te kopen, om een altaar voor Yahweh te bouwen. Dan wordt de plaag van het volk tegengehouden.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲרַ֔וְנָה
(aravna)
Araunna
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
בָּ֥א
(ba)
komt
אֲדֹנִֽי
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
עַבְדּ֑וֹ
(avdo)
zijn dienaar
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜ד
(david)
David
לִקְנ֧וֹת
(liqnot)
om te kopen
מֵעִמְּךָ֣
(meimekha)
van u
אֶת
(et)
(obj.)
הַגֹּ֗רֶן
(hagoren)
de dorsvloer
לִבְנ֤וֹת
(livnot)
om te bouwen
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְתֵעָצַ֥ר
(veteatsar)
zodat wordt tegengehouden
הַמַּגֵּפָ֖ה
(hamagefa)
de plaag
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Araunna is een Jebusiet, een inwoner van Jeruzalem (Joz. 15:63).
מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: zoals in Exod. 9:14.
22Araunna zei tegen David: „Mijn heer de koning mag nemen en offeren wat goed is in zijn ogen. Zie, hier zijn de runderen voor het brandoffer. De dorsplanken en het tuig van de runderen zijn voor het hout.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲרַ֨וְנָה֙
(aravna)
Araunna
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֔ד
(david)
David
יִקַּ֥ח
(yiqach)
moge nemen
וְיַ֛עַל
(veyaal)
en offeren
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַטּ֣וֹב
(hatov)
wat goed is
בְּעֵינָ֑יו
(beeinav)
in zijn ogen
רְאֵה֙
(ree)
zie
הַבָּקָ֣ר
(habaqar)
de runderen
לָעֹלָ֔ה
(laola)
voor het brandoffer
וְהַמֹּרִגִּ֛ים
(vehamorigim)
en de dorsplanken
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en het tuig van
הַבָּקָ֖ר
(habaqar)
de runderen
לָעֵצִֽים
(laetsim)
voor hout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מוֹרַג (morag), ‘dorsplank’: een zware plank met scherpe stenen, waarmee het koren wordt gedorst.
24De koning zei tegen Araunna: „Nee, maar ik zal het zeker van u kopen, tegen betaling. Ik wil voor Yahweh, mijn Elohim, geen brandoffers offeren die mij niets kosten.” David kocht de dorsvloer en de runderen voor 50 sikkel zilver.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
אֲרַ֗וְנָה
(aravna)
Araunna
לֹ֚א
(lo)
nee
כִּֽי
(ki)
maar
קָנ֨וֹ
(qano)
kopen
אֶקְנֶ֤ה
(eqne)
ik zal kopen
מֵאֽוֹתְךָ֙
(meotekha)
van u
בִּמְחִ֔יר
(bimchir)
voor een prijs
וְלֹ֧א
(velo)
en niet
אַעֲלֶ֛ה
(aale)
ik zal offeren
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
עֹל֣וֹת
(olot)
brandoffers
חִנָּ֑ם
(chinam)
om niets
וַיִּ֨קֶן
(vayiqen)
en kocht
דָּוִ֤ד
(david)
David
אֶת
(et)
(obj.)
הַגֹּ֨רֶן֙
(hagoren)
de dorsvloer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבָּקָ֔ר
(habaqar)
de runderen
בְּכֶ֖סֶף
(bekhesef)
voor zilver
שְׁקָלִ֥ים
(sheqalim)
sikkels
חֲמִשִּֽׁים
(chamishim)
vijftig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vergelijk Gen. 23:9–16, waar Abraham er ook op staat de grond te betalen.
50 sikkel is ongeveer 570 gram (een sikkel is ongeveer 11,4 gram).
Lezing
1 Kron. 21:25 noemt 600 sikkel goud voor heel de plaats.
25David bouwde daar een altaar voor Yahweh en offerde brandoffers en vredeoffers. Yahweh liet Zich verbidden voor het land. De plaag werd van Israël tegengehouden.
וַיִּבֶן֩
(vayiven)
en bouwde
שָׁ֨ם
(sham)
daar
דָּוִ֤ד
(david)
David
מִזְבֵּ֨חַ֙
(mizbeach)
altaar
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיַּ֥עַל
(vayaal)
en offerde
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֑ים
(ushelamim)
en vredeoffers
וַיֵּעָתֵ֤ר
(vayeater)
en liet Zich verbidden
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לָאָ֔רֶץ
(laarets)
voor het land
וַתֵּעָצַ֥ר
(vateatsar)
en werd tegengehouden
הַמַּגֵּפָ֖ה
(hamagefa)
de plaag
מֵעַ֥ל
(meal)
van op
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיֵּעָתֵר (wayye’ater), ‘liet Zich verbidden’: hetzelfde werkwoord als in 2 Sam. 21:14.
Zo eindigt ook dit onheil, net als de hongersnood van hoofdstuk 21.