Nehemia wordt door de koning gestuurd en onderzoekt de muur
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Nehemia voor de koning
1In de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Artachsasta, stond er wijn voor hem. Ik nam de wijn en gaf hem aan de koning. Eerder was ik niet somber voor zijn aangezicht geweest.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בְּחֹ֣דֶשׁ
(bechodesh)
in de maand
נִיסָ֗ן
(nisan)
Nisan
שְׁנַ֥ת
(shenat)
jaar van
עֶשְׂרִ֛ים
(esrim)
twintig
לְאַרְתַּחְשַׁ֥סְתְּא
(leartachshaste)
van Artachsasta
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יַ֣יִן
(yayin)
wijn
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וָאֶשָּׂ֤א
(vaesa)
en ik nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּ֨יִן֙
(hayayin)
de wijn
וָאֶתְּנָ֣ה
(vaetena)
en ik gaf
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיִ֥יתִי
(hayiti)
was ik
רַ֖ע
(ra)
somber
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִיסָן (Nisan) is de eerste maand van de Joodse kalender, ongeveer maart–april.
In 1:1 staat Kislev, de negende maand, ook van ‘het twintigste jaar’.
Nisan van het twintigste jaar komt dus enkele maanden later in het jaar.
Dat kan op twee manieren: de tekst telt de regeringsjaren van de koning vanaf de herfst, of Nehemia wachtte maanden tot de koning hem aansprak.
Het Hebreeuws zegt dit niet.
Het twintigste jaar van Artachsasta wordt vaak verbonden met Artaxerxes I; zeker is dat uit de tekst zelf niet.
וְלֹא־הָיִיתִי רַע (velo hayiti ra), ‘ik was niet somber’: letterlijk ‘ik was niet slecht (van gezicht)’. Zie het woord ‘slecht’ in vers 2.
2De koning zei tegen mij: „Waarom zie je er slecht uit, terwijl je niet ziek bent? Dit is niets anders dan verdriet in het hart.” Toen werd ik zeer bang.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
לִ֨י
(li)
tot mij
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
מַדּ֣וּעַ
(madua)
waarom
פָּנֶ֣יךָ
(paneikha)
je gezicht
רָעִ֗ים
(raim)
slecht
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
אֵֽינְךָ֣
(einekha)
niet ben jij
חוֹלֶ֔ה
(chole)
ziek
אֵ֣ין
(ein)
niets
זֶ֔ה
(ze)
dit
כִּי
(ki)
maar
אִ֖ם
(im)
dan
רֹ֣עַֽ
(roa)
kwaad van
לֵ֑ב
(lev)
hart
וָאִירָ֖א
(vaira)
en ik werd bang
הַרְבֵּ֥ה
(harbe)
zeer
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רָעִים (ra’im), ‘slecht’: de koning ziet aan Nehemia’s gezicht dat hij somber is, terwijl hij niet ziek lijkt.
Wij vertalen ‘er slecht uitzien’.
De koning gebruikt ‘je’ tegen Nehemia, zoals een heer tegen een dienaar; Nehemia antwoordt met ‘u’ (verzen 3 en 5).
3Ik zei tegen de koning: „Moge de koning voor eeuwig leven. Waarom zou mijn gezicht niet somber zijn? De stad, het huis van de graven van mijn vaderen, ligt in puin en haar poorten zijn door vuur verteerd.”
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְעוֹלָ֣ם
(leolam)
voor eeuwig
יִחְיֶ֑ה
(yichye)
moge leven
מַדּ֜וּעַ
(madua)
waarom
לֹא
(lo)
niet
יֵרְע֣וּ
(yereu)
zou zijn somber
פָנַ֗י
(panay)
mijn gezicht
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
terwijl
הָעִ֜יר
(hair)
de stad
בֵּית
(beit)
huis van
קִבְר֤וֹת
(qivrot)
graven van
אֲבֹתַי֙
(avotay)
mijn vaderen
חֲרֵבָ֔ה
(chareva)
in puin ligt
וּשְׁעָרֶ֖יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
אֻכְּל֥וּ
(ukelu)
zijn verteerd
בָאֵֽשׁ
(baesh)
door vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְעוֹלָם יִחְיֶה (le’olam yichyeh), ‘moge hij voor eeuwig leven’: een gebruikelijke hofgroet (vergelijk 1 Kon. 1:31 en Dan. 2:4).
קִבְרוֹת אֲבֹתַי (qivrot avotay), ‘de graven van mijn vaderen’: voor Nehemia gaat het om de stad van zijn voorouders. Hij noemt Jeruzalem niet bij naam; hij spreekt tegen een Perzische koning over een stad met graven.
5Ik zei tegen de koning: „Als het de koning goed lijkt en als uw knecht welgevallen vindt voor uw aangezicht, stuur mij dan naar Juda. Stuur mij naar de stad van de graven van mijn vaderen. Dan zal ik haar herbouwen.”
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
aan de koning
אִם
(im)
als
עַל
(al)
het
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ט֔וֹב
(tov)
goed lijkt
וְאִם
(veim)
en als
יִיטַ֥ב
(yitav)
welgevallen vindt
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
uw knecht
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor uw aangezicht
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
תִּשְׁלָחֵ֣נִי
(tishlacheni)
u mij zendt
אֶל
(el)
naar
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֶל
(el)
naar
עִ֛יר
(ir)
de stad van
קִבְר֥וֹת
(qivrot)
graven van
אֲבֹתַ֖י
(avotay)
mijn vaderen
וְאֶבְנֶֽנָּה
(veevnena)
en ik haar zal herbouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶשְׁלָחֵנִי (tishlacheni), ‘u mij zendt’: Nehemia vraagt om gezonden te worden, niet om zijn ontslag.
וְאֶבְנֶנָּה (ve’evnennah), ‘en ik haar zal herbouwen’: de bouwer is Nehemia zelf, in opdracht van de koning.
6De koning zei tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: „Hoe lang duurt je reis en wanneer keer je terug?” Het leek de koning goed mij te sturen. Ik gaf hem een tijd.
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
לִ֨י
(li)
tot mij
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשֵּׁגַ֣ל
(vehashegal)
en de koningin
יוֹשֶׁ֣בֶת
(yoshevet)
zittend
אֶצְל֗וֹ
(etslo)
naast hem
עַד
(ad)
tot
מָתַ֛י
(matay)
wanneer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
מַֽהֲלָכֲךָ֖
(mahalakhakha)
je reis
וּמָתַ֣י
(umatay)
en wanneer
תָּשׁ֑וּב
(tashuv)
keer je terug
וַיִּיטַ֤ב
(vayitav)
en het leek goed
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁלָחֵ֔נִי
(vayishlacheni)
en hij zond mij
וָֽאֶתְּנָ֥ה
(vaetena)
en ik gaf
ל֖וֹ
(lo)
hem
זְמָֽן
(zeman)
een tijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁגַל (shegal), ‘koningin’: een woord dat in het Hebreeuws zelden voorkomt (ook in Ps. 45:10).
Het duidt de gemalin van de koning aan.
De betekenis is vrij zeker, het woord zelf zeldzaam.
זְמָן (zeman), ‘een tijd’: een vastgestelde tijd. Het Hebreeuws zegt niet hoe lang. Zie Neh. 5:14 en 13:6 voor de latere termijn.
7Ik zei tegen de koning: „Als het de koning goed lijkt, laat men mij dan brieven geven voor de landvoogden van het gebied over de rivier. Dan zullen zij mij laten doorreizen, tot ik in Juda aankom.
וָאוֹמַר֮
(vaomar)
en ik zei
לַמֶּלֶךְ֒
(lamelekh)
aan de koning
אִם
(im)
als
עַל
(al)
het
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ט֔וֹב
(tov)
goed lijkt
אִגְּרוֹת֙
(igerot)
brieven
יִתְּנוּ
(yitenu)
laat men geven
לִ֔י
(li)
aan mij
עַֽל
(al)
aan
פַּחֲו֖וֹת
(pachavot)
de landvoogden van
עֵ֣בֶר
(ever)
het gebied over
הַנָּהָ֑ר
(hanahar)
de rivier
אֲשֶׁר֙
(asher)
zodat
יַעֲבִיר֔וּנִי
(yaaviruni)
zij mij laten doorreizen
עַ֥ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָב֖וֹא
(avo)
ik kom
אֶל
(el)
naar
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֵבֶר הַנָּהָר (ever hanahar), ‘het gebied over de rivier’: letterlijk ‘de overkant van de Rivier’, het gebied westelijk van de Eufraat, een provincie van het Perzische rijk.
פַּחוֹת (pachot), ‘landvoogden’, zijn de bestuurders van dat gebied (zie ook 5:14).
8Ook een brief voor Asaf, de bewaker van het koninklijk park. Dan zal hij mij hout geven om balken te maken. Die zijn voor de poorten van de burcht bij het huis, voor de stadsmuur en voor het huis waar ik zal gaan wonen.” De koning gaf het mij, want de goede hand van mijn Elohim was over mij.
וְאִגֶּ֡רֶת
(veigeret)
en een brief
אֶל
(el)
aan
אָסָף֩
(asaf)
Asaf
שֹׁמֵ֨ר
(shomer)
de bewaker van
הַפַּרְדֵּ֜ס
(hapardes)
het park
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לַמֶּ֗לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִתֶּן
(yiten)
hij geeft
לִ֣י
(li)
aan mij
עֵצִ֡ים
(etsim)
hout
לְ֠קָרוֹת
(leqarot)
om balken te maken
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁעֲרֵ֨י
(shaarei)
de poorten van
הַבִּירָ֤ה
(habira)
de burcht
אֲשֶׁר
(asher)
die
לַבַּ֨יִת֙
(labayit)
bij het huis
וּלְחוֹמַ֣ת
(ulechomat)
en voor de muur van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְלַבַּ֖יִת
(velabayit)
en voor het huis
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אָב֣וֹא
(avo)
ik zal binnengaan
אֵלָ֑יו
(elav)
daarin
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en gaf
לִ֣י
(li)
aan mij
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כְּיַד
(keyad)
naar de hand van
אֱלֹהַ֖י
(elohay)
mijn Elohim
הַטּוֹבָ֥ה
(hatova)
de goede
עָלָֽי
(alay)
over mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פַּרְדֵּס (pardes), ‘park’: een koninklijke tuin of bos; het woord komt uit het Perzisch.
Het komt ook voor in Pred. 2:5 en Hoogl. 4:13.
Asaf is hier de bewaker van het koninklijk park en is niet dezelfde als de zanger Asaf.
הַבִּירָה אֲשֶׁר־לַבַּיִת (habirah asher labayit), ‘de burcht bij het huis’: de burcht naast het huis van Elohim, de tempel. De ligging is niet zeker.
כְּיַד־אֱלֹהַי הַטּוֹבָה עָלַי (keyad Elohay hatovah alay), ‘naar de goede hand van mijn Elohim over mij’: een terugkerende uitdrukking in Ezra en Nehemia (vers 18; Ezra 7:6, 7:9, 7:28 en 8:18).
9Ik kwam bij de landvoogden van het gebied over de rivier en gaf hun de brieven van de koning. De koning had legeroversten en ruiters met mij meegestuurd.
וָֽאָב֗וֹא
(vaavo)
en ik kwam
אֶֽל
(el)
bij
פַּֽחֲווֹת֙
(pachavot)
de landvoogden van
עֵ֣בֶר
(ever)
het gebied over
הַנָּהָ֔ר
(hanahar)
de rivier
וָאֶתְּנָ֣ה
(vaetena)
en ik gaf
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אִגְּר֣וֹת
(igerot)
de brieven van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
עִמִּי֙
(imi)
met mij
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׂ֥רֵי
(sarei)
oversten van
חַ֖יִל
(chayil)
het leger
וּפָרָשִֽׁים
(ufarashim)
en ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Anders dan Ezra (Ezra 8:22) accepteert Nehemia een militaire escorte van de koning.
10Sanballat de Choroniet en Tobia, de Ammonitische knecht, hoorden dit. Zij vonden het zeer slecht dat iemand gekomen was om het goede te zoeken voor de zonen van Israël.
וַיִּשְׁמַ֞ע
(vayishma)
en hoorde
סַנְבַלַּ֣ט
(sanvalat)
Sanballat
הַחֹרֹנִ֗י
(hachoroni)
de Choroniet
וְטֽוֹבִיָּה֙
(vetoviya)
en Tobia
הָעֶ֣בֶד
(haeved)
de knecht
הָֽעַמֹּנִ֔י
(haamoni)
de Ammoniet
וַיֵּ֥רַע
(vayera)
en het was slecht
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
רָעָ֣ה
(raa)
slecht
גְדֹלָ֑ה
(gedola)
zeer
אֲשֶׁר
(asher)
dat
בָּ֥א
(ba)
was gekomen
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
לְבַקֵּ֥שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
טוֹבָ֖ה
(tova)
het goede
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סַנְבַלַּט הַחֹרֹנִי (Sanballat haChoroni), ‘Sanballat de Choroniet’: waarschijnlijk uit Bet-Choron, ten noordwesten van Jeruzalem; zeker is dat niet.
Hij is een tegenstander van Nehemia die ook in 2:19, 3:33, 4:1 en 6 verschijnt.
טוֹבִיָּה הָעֶבֶד הָעַמּוֹנִי (Toviyyah ha’eved ha’Ammoni), ‘Tobia, de Ammonitische knecht’: ‘knecht’ is mogelijk een ambtelijke titel (dienaar van de Perzische koning). Het Hebreeuws zegt het niet. Wij vertalen ‘knecht’.
12Ik stond 's nachts op, ik en enkele mannen met mij. Ik had aan niemand verteld wat mijn Elohim mij in het hart had gegeven te doen voor Jeruzalem. Er was geen dier met mij, behalve het dier waarop ik reed.
וָאָק֣וּם
(vaaqum)
en ik stond op
לַ֗יְלָה
(layla)
's nachts
אֲנִי֮
(ani)
ik
וַאֲנָשִׁ֣ים
(vaanashim)
en mannen
מְעַט֮
(meat)
enkele
עִמִּי֒
(imi)
met mij
וְלֹא
(velo)
en niet
הִגַּ֣דְתִּי
(higadti)
had ik verteld
לְאָדָ֔ם
(leadam)
aan een mens
מָ֗ה
(ma)
wat
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
נֹתֵ֣ן
(noten)
gaf
אֶל
(el)
in
לִבִּ֔י
(libi)
mijn hart
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
לִירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushaliam)
voor Jeruzalem
וּבְהֵמָה֙
(uvehema)
en een dier
אֵ֣ין
(ein)
niet was
עִמִּ֔י
(imi)
met mij
כִּ֚י
(ki)
maar
אִם
(im)
als
הַבְּהֵמָ֔ה
(habehema)
het dier
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarop
אֲנִ֖י
(ani)
ik
רֹכֵ֥ב
(rokhev)
reed
בָּֽהּ
(bah)
daarop
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Nehemia houdt zijn plan geheim.
Het Hebreeuws zegt: ‘wat mijn Elohim in mijn hart gaf’; Nehemia schrijft zijn plan aan Elohim toe.
הַבְּהֵמָה (habehemah), ‘het dier’: waarschijnlijk een ezel of muildier. Het Hebreeuws noemt de soort niet.
13's Nachts trok ik uit door de Dalpoort, naar de Drakenbron en naar de Mestpoort. Ik onderzocht de muren van Jeruzalem, die doorbroken waren, en haar poorten, die door vuur verteerd waren.
וָאֵצְאָ֨ה
(vaetsea)
en ik ging uit
בְשַֽׁעַר
(beshaar)
door de poort van
הַגַּ֜יא
(hagay)
de vallei
לַ֗יְלָה
(layla)
's nachts
וְאֶל
(veel)
en naar
פְּנֵי֙
(penei)
de voorkant van
עֵ֣ין
(ein)
de bron van
הַתַּנִּ֔ין
(hatanin)
de Draak
וְאֶל
(veel)
en naar
שַׁ֖עַר
(shaar)
de poort van
הָאַשְׁפֹּ֑ת
(haashpot)
de Mest
וָאֱהִ֨י
(vaehi)
en ik was
שֹׂבֵ֜ר
(sover)
onderzoekend
בְּחוֹמֹ֤ת
(bechomot)
de muren van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֲשֶׁר
(asher)
die
הֵ֣ם
(hem)
zij
פְּרוּצִ֔ים
(perutsim)
doorbroken waren
וּשְׁעָרֶ֖יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
אֻכְּל֥וּ
(ukelu)
verteerd waren
בָאֵֽשׁ
(baesh)
door vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dalpoort (ligging onzeker): De Dalpoort lag in de westelijke of zuidwestelijke muur van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Nehemia trekt ’s nachts langs de muur, van de Dalpoort naar de Mestpoort.
De ligging van alle poorten, bronnen en vijvers is niet zeker.
עֵין הַתַּנִּין (ein hatannin), ‘Drakenbron’ of ‘Bron van het monster’. De naam is niet elders bekend. De ligging is onzeker.
שַׁעַר הָאַשְׁפֹּת (sha’ar ha’ashpot), ‘Mestpoort’: een poort waar het vuil wordt afgevoerd. Zie ook 3:13–14.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft המפרוצים als één woord.
De voorgelezen tekst (qere) heeft הֵם פְּרוּצִים (hem perutsim), ‘zij waren doorbroken’.
16De bestuurders wisten niet waarheen ik gegaan was en wat ik deed. Aan de Joden, de priesters, de edelen, de bestuurders en de overige werkers had ik tot dan toe niets verteld.
וְהַסְּגָנִ֗ים
(vehaseganim)
en de bestuurders
לֹ֤א
(lo)
niet
יָדְעוּ֙
(yadeu)
wisten
אָ֣נָה
(ana)
waarheen
הָלַ֔כְתִּי
(halakhti)
ik was gegaan
וּמָ֖ה
(uma)
en wat
אֲנִ֣י
(ani)
ik
עֹשֶׂ֑ה
(ose)
deed
וְלַיְּהוּדִ֨ים
(velayehudim)
en aan de Joden
וְלַכֹּהֲנִ֜ים
(velakohanim)
en aan de priesters
וְלַחֹרִ֣ים
(velachorim)
en aan de edelen
וְלַסְּגָנִ֗ים
(velaseganim)
en aan de bestuurders
וּלְיֶ֨תֶר֙
(uleyeter)
en aan de rest van
עֹשֵׂ֣ה
(ose)
wie deden
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
עַד
(ad)
tot
כֵּ֖ן
(ken)
zo
לֹ֥א
(lo)
niet
הִגַּֽדְתִּי
(higadti)
had ik verteld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַסְּגָנִים (hasegannim), ‘de bestuurders’: Perzische of Joodse functionarissen.
Wij vertalen steeds ‘bestuurders’.
הַחֹרִים (hachorim), ‘de edelen’: de vooraanstaanden. Het woord heeft de betekenis ‘vrije mensen’ of ‘edelen’.
Laten wij de muur herbouwen
17Ik zei tegen hen: „Jullie zien de ellende waarin wij verkeren. Jeruzalem ligt in puin en haar poorten zijn door vuur verbrand. Kom, laten wij de muur van Jeruzalem herbouwen. Dan zijn wij geen schande meer.”
וָאוֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
אַתֶּ֤ם
(atem)
jullie
רֹאִים֙
(roim)
zien
הָרָעָה֙
(haraa)
de ellende
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarin
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
בָ֔הּ
(bah)
daarin zijn
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
חֲרֵבָ֔ה
(chareva)
in puin ligt
וּשְׁעָרֶ֖יהָ
(usheareiha)
en haar poorten
נִצְּת֣וּ
(nitsetu)
zijn verbrand
בָאֵ֑שׁ
(baesh)
met vuur
לְכ֗וּ
(lekhu)
komt
וְנִבְנֶה֙
(venivne)
en laten wij herbouwen
אֶת
(et)
(obj.)
חוֹמַ֣ת
(chomat)
de muur van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְלֹא
(velo)
en niet
נִהְיֶ֥ה
(nihye)
zullen wij zijn
ע֖וֹד
(od)
meer
חֶרְפָּֽה
(cherpa)
schande
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֶרְפָּה (cherpah), ‘schande’: het woord uit 1:3 keert terug.
Nehemia roept de aanwezigen op de muur te herbouwen, zodat de smaad ophoudt.
18Ik vertelde hun hoe de hand van mijn Elohim goed over mij was geweest. Ik vertelde hun ook de woorden van de koning die hij tegen mij had gesproken. Zij zeiden: „Laten wij opstaan en bouwen.” Zo versterkten zij hun handen voor het goede werk.
וָאַגִּ֨יד
(vaagid)
en ik vertelde
לָהֶ֜ם
(lahem)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
יַ֣ד
(yad)
de hand van
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִיא֙
(hi)
zij
טוֹבָ֣ה
(tova)
goed was
עָלַ֔י
(alay)
over mij
וְאַף
(veaf)
en ook
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אָֽמַר
(amar)
had gesproken
לִ֑י
(li)
tot mij
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
נָק֣וּם
(naqum)
laten wij opstaan
וּבָנִ֔ינוּ
(uvaninu)
en bouwen
וַיְחַזְּק֥וּ
(vaychazequ)
en zij versterkten
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
לַטּוֹבָֽה
(latova)
voor het goede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְחַזְּקוּ יְדֵיהֶם לַטּוֹבָה (vaychazzequ yedehem latovah), ‘zij versterkten hun handen voor het goede (werk)’: een uitdrukking voor moed geven en aan het werk gaan (zie Ezra 6:22 en Neh. 6:9).
19Sanballat de Choroniet, Tobia, de Ammonitische knecht, en Gesjem de Arabier hoorden het. Zij bespotten en verachtten ons. Zij zeiden: „Wat is dit wat jullie doen? Komen jullie in opstand tegen de koning?”
וַיִּשְׁמַע֩
(vayishma)
en hoorde
סַנְבַלַּ֨ט
(sanvalat)
Sanballat
הַחֹרֹנִ֜י
(hachoroni)
de Choroniet
וְטֹבִיָּ֣ה
(vetoviya)
en Tobia
הָעֶ֣בֶד
(haeved)
de knecht
הָֽעַמּוֹנִ֗י
(haamoni)
de Ammoniet
וְגֶ֨שֶׁם֙
(vegeshem)
en Gesjem
הָֽעַרְבִ֔י
(haarvi)
de Arabier
וַיַּלְעִ֣גוּ
(vayaligu)
en zij bespotten
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
וַיִּבְז֖וּ
(vayivzu)
en verachtten
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
ons
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
מָֽה
(ma)
wat
הַדָּבָ֤ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּה֙
(haze)
deze
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
עֹשִׂ֔ים
(osim)
doen
הַעַ֥ל
(haal)
is het tegen
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
מֹרְדִֽים
(moredim)
in opstand komend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גֶּשֶׁם הָעַרְבִי (Geshem ha’Arvi), ‘Gesjem de Arabier’: een Arabische leider.
Hij komt ook voor in 6:1, 2 en 6 (in 6:6 als Gasmu).
וַיִּלְעֲגוּ (vayil’agu), ‘zij bespotten’: hetzelfde werkwoord als in 3:33.
20Ik antwoordde hun: „De Elohim van de hemel, Hij zal ons laten slagen. Wij, Zijn knechten, staan op en bouwen. Maar jullie hebben geen deel, geen aanspraak en geen herinnering in Jeruzalem.”
וָאָשִׁ֨יב
(vaashiv)
en ik antwoordde
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
דָּבָ֗ר
(davar)
een woord
וָאוֹמַ֤ר
(vaomar)
en ik zei
לָהֶם֙
(lahem)
tot hen
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
ה֚וּא
(hu)
Hij
יַצְלִ֣יחַֽ
(yatsliach)
zal laten slagen
לָ֔נוּ
(lanu)
ons
וַאֲנַ֥חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
Zijn knechten
נָק֣וּם
(naqum)
staan op
וּבָנִ֑ינוּ
(uvaninu)
en bouwen
וְלָכֶ֗ם
(velakhem)
en voor jullie
אֵֽין
(ein)
niet is
חֵ֧לֶק
(cheleq)
deel
וּצְדָקָ֛ה
(utsedaqa)
en aanspraak
וְזִכָּר֖וֹן
(vezikaron)
en herinnering
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֵלֶק וּצְדָקָה וְזִכָּרוֹן (cheleq utsedaqah vezikkaron), ‘deel, aanspraak en herinnering’: Nehemia zegt dat zij geen deel, geen wettelijke aanspraak en geen blijvende naam in Jeruzalem hebben.
Het woord צְדָקָה (tsedaqah), elders ‘gerechtigheid’, betekent hier ‘recht’ of ‘aanspraak’.