Hosea 3
De vrouw die overspel pleegt en de lange tijd zonder koning
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Heb opnieuw lief
Vanaf dit hoofdstuk vertelt Hosea in de eerste persoon (‘tegen mij’).
Zijn eigen woorden zijn zwart; de woorden van Yahweh zijn rood.
עוֹד (od), ‘opnieuw’: het Hebreeuws zegt niet of deze vrouw Gomer (1:3) is of een andere vrouw. Wij laten dat open.
אֲהֻבַת רֵעַ (ahuvat re’a), ‘door een ander bemind’: רֵעַ (re’a) is ‘metgezel’ of ‘ander’. Het gaat om een vrouw die bij een ander hoort en overspel pleegt.
אֲשִׁישֵׁי עֲנָבִים (ashishe anavim), ‘rozijnenkoeken’: letterlijk ‘koeken van druiven’; zie ook 2 Sam. 6:19. Hier staan ze naast ‘andere goden’.
וָאֶכְּרֶהָ (va’ekkereha), ‘Ik kocht haar’.
Het Hebreeuws noemt bij ‘vijftien zilver’ geen munteenheid; ‘zilverstukken’ is een kleine aanvulling van ons.
Waarschijnlijk zijn het sikkels. 15 sikkels zijn ongeveer 171 gram zilver (een sikkel is ongeveer 11,4 gram).
חֹמֶר (chomer), ‘homer’: ongeveer 220 liter (tien efa; een efa is ongeveer 22 liter). לֵתֶךְ (letech), ‘letech’: een maat die alleen hier voorkomt; waarschijnlijk een halve homer, ongeveer 110 liter. De omrekening is onzeker.
גַּם אֲנִי אֵלָיִךְ (gam ani elayikh), ‘ook ik tegenover jou’: het Hebreeuws heeft hier geen werkwoord.
Wij vullen ‘zal zo zijn’ aan.
De zin wordt meestal zo begrepen dat ook Hosea zich in die tijd van haar afhoudt.
Het Hebreeuws zegt dat niet uitdrukkelijk.
De ‘vele dagen’ van dit vers komen terug in vers 4.
Israël zonder koning en zonder offer
מֶלֶךְ (melekh), ‘koning’, en שָׂר (sar), ‘overste’: de leiders van het volk.
זֶבַח (zevach), ‘slachtoffer’: een dier dat geslacht wordt voor een offermaaltijd.
מַצֵּבָה (matsevah), ‘gewijde steen’: een steen die bij een heiligdom wordt opgericht.
אֵפוֹד (efod): een priesterlijk kleed, waarmee ook raad aan Yahweh werd gevraagd (zie 1 Sam. 23:9 en 30:7).
תְּרָפִים (terafim): huisgoden of beeldjes (zie Richt. 17:5). Het rijtje noemt dingen die bij de dienst van Yahweh horen, en dingen die erbuiten vallen. Het Hebreeuws zegt niet welke bedoeld zijn.
פָּחֲדוּ אֶל (pachadu el), ‘zullen sidderend komen naar’: het werkwoord (פָּחַד, pachad) is ‘beven’ of ‘vrezen’.
Met אֶל (el), ‘naar’, krijgt het de betekenis van sidderend naderen.
דָּוִד מַלְכָּם (David malkam), ‘David, hun koning’: de koning David zelf was toen al gestorven. De naam wijst op een koning uit zijn huis. Vergelijk Jer. 30:9.
בְּאַחֲרִית הַיָּמִים (be’acharit hayamim), ‘in de laatste dagen’: de tijd in de toekomst; zie Gen. 49:1.