De steden van de Levieten en de belofte die uitkwam
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De Levieten vragen om hun steden
1Toen kwamen de familiehoofden van de Levieten naar Eleazar, de priester, en naar Jozua, de zoon van Nun. Ook kwamen zij naar de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël.
וַֽיִּגְּשׁ֗וּ
(vayigeshu)
en traden naar voren
רָאשֵׁי֙
(rashei)
de hoofden van
אֲב֣וֹת
(avot)
de vaders van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
אֶל
(el)
tot
אֶלְעָזָר֙
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֶל
(veel)
en tot
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
de zoon van
נ֑וּן
(nun)
Nun
וְאֶל
(veel)
en tot
רָאשֵׁ֛י
(rashei)
de hoofden van
אֲב֥וֹת
(avot)
de vaders van
הַמַּטּ֖וֹת
(hamatot)
de stammen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘familiehoofden’ (רָאשֵׁי אָבוֹת, rashe avot) zijn letterlijk de ‘hoofden van de vaders’: de hoofden van de families.
2Zij spraken tot hen in Silo, in het land Kanaän: „Yahweh heeft door Mozes geboden dat wij steden krijgen om in te wonen. Hun weidegrond is voor ons vee.”
וַיְדַבְּר֨וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
אֲלֵיהֶ֜ם
(aleihem)
tot hen
בְּשִׁלֹ֗ה
(beshilo)
in Silo
בְּאֶ֤רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנַ֨עַן֙
(kenaan)
Kanaän
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
צִוָּ֣ה
(tsiva)
heeft geboden
בְיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לָֽתֶת
(latet)
om te geven
לָ֥נוּ
(lanu)
aan ons
עָרִ֖ים
(arim)
steden
לָשָׁ֑בֶת
(lashavet)
om te wonen
וּמִגְרְשֵׁיהֶ֖ן
(umigresheihen)
en hun weidegrond
לִבְהֶמְתֵּֽנוּ
(livhemtenu)
voor ons vee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, in het bergland van Efraïm, ten noorden van Betel (Westelijke Jordaanoever).
Daar stond de tent van samenkomst (Joz. 18:1).
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Dit is wat Yahweh Mozes liet bevelen in Num. 35:1–8.
Daar staat ook dat de Levieten geen eigen erfdeel kregen (Num. 18:20–24).
4Het lot kwam uit voor de familie van de Kehatieten. De zonen van Aäron, de priester, die tot de Levieten behoren, kregen door het lot 13 steden. Die waren uit de stam Juda, de stam Simeon en de stam Benjamin.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en kwam uit
הַגּוֹרָ֖ל
(hagoral)
het lot
לְמִשְׁפְּחֹ֣ת
(lemishpechot)
voor de familie van
הַקְּהָתִ֑י
(haqehati)
de Kehatiet
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het werd
לִבְנֵי֩
(livnei)
voor de zonen van
אַהֲרֹ֨ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
uit de stam van
יְ֠הוּדָה
(yehuda)
Juda
וּמִמַּטֵּ֨ה
(umimate)
en uit de stam van
הַשִּׁמְעֹנִ֜י
(hashimoni)
de Simeoniet
וּמִמַּטֵּ֤ה
(umimate)
en uit de stam van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
בַּגּוֹרָ֔ל
(bagoral)
door het lot
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵֽה
(esre)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Aäron stamt af van Kehat (Exod. 6:16–20).
Daarom valt het eerste lot op de Kehatieten, en daarbinnen op de priesters.
5De overige zonen van Kehat kregen door het lot 10 steden. Die waren uit de familie van de stam Efraïm, uit de stam Dan en uit de helft van de stam Manasse.
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en voor de zonen van
קְהָ֜ת
(qehat)
Kehat
הַנּוֹתָרִ֗ים
(hanotarim)
die overbleven
מִמִּשְׁפְּחֹ֣ת
(mimishpechot)
uit de familie van
מַטֵּֽה
(mate)
de stam van
אֶ֠פְרַיִם
(efrayim)
Efraïm
וּֽמִמַּטֵּה
(umimate)
en uit de stam van
דָ֞ן
(dan)
Dan
וּמֵחֲצִ֨י
(umechatsi)
en uit de helft van
מַטֵּ֧ה
(mate)
de stam van
מְנַשֶּׁ֛ה
(menashe)
Manasse
בַּגּוֹרָ֖ל
(bagoral)
door het lot
עָרִ֥ים
(arim)
steden
עָֽשֶׂר
(aser)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6De zonen van Gersjon kregen door het lot 13 steden. Die waren uit de families van de stam Issachar, uit de stam Aser en uit de stam Naftali. Ook waren zij uit de helft van de stam Manasse in Basan.
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en voor de zonen van
גֵרְשׁ֗וֹן
(gereshon)
Gersjon
מִמִּשְׁפְּח֣וֹת
(mimishpechot)
uit de families van
מַטֵּֽה
(mate)
de stam van
יִשָּׂשכָ֣ר
(yisashkhar)
Issachar
וּמִמַּטֵּֽה
(umimate)
en uit de stam van
אָ֠שֵׁר
(asher)
Aser
וּמִמַּטֵּ֨ה
(umimate)
en uit de stam van
נַפְתָּלִ֜י
(naftali)
Naftali
וּ֠מֵחֲצִי
(umechatsi)
en uit de helft van
מַטֵּ֨ה
(mate)
de stam van
מְנַשֶּׁ֤ה
(menashe)
Manasse
בַבָּשָׁן֙
(babashan)
in Basan
בַּגּוֹרָ֔ל
(bagoral)
door het lot
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵֽה
(esre)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.
26Alle steden met hun weidegrond waren 10, voor de families van de overige zonen van Kehat.
כָּל
(kal)
alle
עָרִ֥ים
(arim)
steden
עֶ֖שֶׂר
(eser)
tien
וּמִגְרְשֵׁיהֶ֑ן
(umigresheihen)
en hun weidegrond
לְמִשְׁפְּח֥וֹת
(lemishpechot)
voor de families van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
הַנּוֹתָרִֽים
(hanotarim)
die overbleven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De zonen van Gersjon
27De zonen van Gersjon, uit de families van de Levieten, kregen uit de helft van de stam Manasse de vrijstad voor de doodslager. Dat was Golan in Basan met zijn weidegrond. Ook kregen zij Beëstera met zijn weidegrond. Dat waren 2 steden.
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en voor de zonen van
גֵרְשׁוֹן֮
(gereshon)
Gersjon
מִמִּשְׁפְּחֹ֣ת
(mimishpechot)
uit de families van
הַלְוִיִּם֒
(halviyim)
de Levieten
מֵחֲצִ֞י
(mechatsi)
uit de helft van
מַטֵּ֣ה
(mate)
de stam van
מְנַשֶּׁ֗ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
עִיר֙
(ir)
de stad van
מִקְלַ֣ט
(miqlat)
vrijplaats
הָרֹצֵ֔חַ
(harotseach)
de doodslager
אֶת
(et)
(obj.)
גּוֹלָ֤ן
(golan)
Golan
בַּבָּשָׁן֙
(babashan)
in Basan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔הָ
(migrasheha)
haar weidegrond
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
בְּעֶשְׁתְּרָ֖ה
(beeshtera)
Beëstera
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑הָ
(migrasheha)
haar weidegrond
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שְׁתָּֽיִם
(shetayim)
twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Golan ligt in Basan, ten oosten van het meer van Galilea (Golan, Syrië/Israël); de precieze plek is onzeker.
Beëstera is waarschijnlijk dezelfde plaats als Astarot (Deut. 1:4), bij Tell Ashtara in het zuiden van Syrië; dat is onzeker.
32Uit de stam Naftali gaven zij de vrijstad voor de doodslager: Kedes in Galilea met zijn weidegrond. Ook gaven zij Hammot-Dor met zijn weidegrond en Kartan met zijn weidegrond. Dat waren 3 steden.
וּמִמַּטֵּ֨ה
(umimate)
en uit de stam van
נַפְתָּלִ֜י
(naftali)
Naftali
אֶת
(et)
(obj.)
עִ֣יר
(ir)
de stad van
מִקְלַ֣ט
(miqlat)
vrijplaats
הָֽרֹצֵ֗חַ
(harotseach)
de doodslager
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֨דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
בַּגָּלִ֤יל
(bagalil)
in Galilea
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֨הָ֙
(migrasheha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חַמֹּ֥ת
(chamot)
Hammot
דֹּאר֙
(dor)
Dor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔הָ
(migrasheha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קַרְתָּ֖ן
(qartan)
Kartan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑הָ
(migrasheha)
haar weidegrond
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שָׁלֹֽשׁ
(shalosh)
drie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kedes in Galilea is Tell Qedesh, ten noordwesten van het meer van Merom (Israël); dat is waarschijnlijk.
Dit Kedes is niet Kades-Barnea in de woestijn.
Hammot-Dor en Kartan liggen in het gebied van Naftali; de plek is onzeker.
44Yahweh gaf hun rust rondom, precies zoals Hij aan hun vaders had gezworen. Niemand van al hun vijanden hield stand tegen hen. Yahweh gaf al hun vijanden in hun hand.
וַיָּ֨נַח
(vayanach)
en gaf rust
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לָהֶם֙
(lahem)
aan hen
מִסָּבִ֔יב
(misaviv)
rondom
כְּכֹ֥ל
(kekhol)
overeenkomstig alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
נִשְׁבַּ֖ע
(nishba)
Hij had gezworen
לַאֲבוֹתָ֑ם
(laavotam)
aan hun vaders
וְלֹא
(velo)
en niet
עָ֨מַד
(amad)
stond
אִ֤ישׁ
(ish)
man
בִּפְנֵיהֶם֙
(bifneihem)
voor hen
מִכָּל
(mikal)
van al
אֹ֣יְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֹ֣יְבֵיהֶ֔ם
(oyeveihem)
hun vijanden
נָתַ֥ן
(natan)
gaf
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיָדָֽם
(beyadam)
in hun hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיָּנַח (vayyanach), ‘Hij gaf rust’: rust van de oorlog, rondom het land.
Zo had Yahweh het beloofd in Deut. 12:10 en 25:19.