Elohim Bijbel

Nehemia 12

12345678910111213

De priesters en Levieten, en de inwijding van de muur

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De priesters en Levieten bij Zerubbabel

1Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en met Jesua optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra,
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָל֛וּ
(alu)
optrokken
עִם
(im)
met
זְרֻבָּבֶ֥ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁאַלְתִּיאֵ֖ל
(shealtiel)
Sjealtiël
וְיֵשׁ֑וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
שְׂרָיָ֥ה
(seraya)
Seraja
יִרְמְיָ֖ה
(yirmeya)
Jeremia
עֶזְרָֽא
(ezra)
Ezra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en de priester Jesua leidden de eerste terugkeer uit Babel (Ezra 2:2).

Dit vers begint een lijst van priesters, die doorloopt tot vers 7.

Er zijn 22 namen, en Neh. 10:3–9 noemt 21 priesters.

יִרְמְיָה (yirmeyah), ‘Jeremia’: dezelfde naam als die van de profeet. De tekst zegt niet dat het dezelfde man is.

2Amarja, Malluk, Chattusj,
אֲמַרְיָ֥ה
(amarya)
Amarja
מַלּ֖וּךְ
(malukh)
Malluk
חַטּֽוּשׁ
(chatush)
Chattusj
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen in de verzen 2–7 komen terug in de verzen 12–21, vaak in een iets andere vorm: Malluk (vers 2) en Meliku (vers 14), Sjekanja (vers 3) en Sjebanja (vers 14), Rechum (vers 3) en Charim (vers 15), Meremot (vers 3) en Merajot (vers 15), Ginnetoi (vers 4) en Ginnton (vers 16), Mijamin (vers 5) en Minjamin (vers 17), Maädja (vers 5) en Moädja (vers 17), Sallu (vers 7) en Sallai (vers 20).

Wij schrijven elke naam zoals het Hebreeuws hem geeft.

Het zijn waarschijnlijk dezelfde families.

3Sjekanja, Rechum, Meremot,
שְׁכַנְיָ֥ה
(shekhanya)
Sjekanja
רְחֻ֖ם
(rechum)
Rechum
מְרֵמֹֽת
(meremot)
Meremot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Iddo, Ginnetoi, Abija,
עִדּ֥וֹא
(ido)
Iddo
גִנְּת֖וֹי
(ginetoy)
Ginnetoi
אֲבִיָּֽה
(aviya)
Abija
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLuc 1:5
5Mijamin, Maädja, Bilga,
מִיָּמִ֥ין
(miyamin)
Mijamin
מַֽעַדְיָ֖ה
(maadya)
Maädja
בִּלְגָּֽה
(bilga)
Bilga
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Sjemaja, Jojarib, Jedaja,
שְׁמַֽעְיָ֥ה
(shemaya)
Sjemaja
וְיוֹיָרִ֖יב
(veyoyariv)
en Jojarib
יְדַֽעְיָֽה
(yedaya)
Jedaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja. Dit waren de hoofden van de priesters en hun broeders in de dagen van Jesua.
סַלּ֣וּ
(salu)
Sallu
עָמ֔וֹק
(amoq)
Amok
חִלְקִיָּ֖ה
(chilqiya)
Hilkia
יְדַֽעְיָ֑ה
(yedaya)
Jedaja
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
רָאשֵׁ֧י
(rashei)
hoofden van
הַכֹּהֲנִ֛ים
(hakohanim)
de priesters
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
בִּימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
יֵשֽׁוּעַ
(yeshua)
Jesua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De lijst eindigt hier.

De hoofden van de priesters waren in de dagen van Jesua, de zoon van Jehozadak (vers 26).

8De Levieten waren Jesua, Binnui, Kadmiël, Sjerebja, Juda en Mattanja. Hij en zijn broeders stonden over de dankliederen.
וְהַלְוִיִּ֗ם
(vehalviyim)
en de Levieten
יֵשׁ֧וּעַ
(yeshua)
Jesua
בִּנּ֛וּי
(binuy)
Binnui
קַדְמִיאֵ֥ל
(qadmiel)
Kadmiël
שֵׁרֵבְיָ֖ה
(shereveya)
Sjerebja
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
מַתַּנְיָ֑ה
(matanya)
Mattanja
עַֽל
(al)
over
הֻיְּד֖וֹת
(huyedot)
de dankliederen
ה֥וּא
(hu)
hij
וְאֶחָֽיו
(veechav)
en zijn broeders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַיְדוֹת (hayyedot), ‘de dankliederen’: het woord komt van יָדָה (yadah), ‘danken’.

Het kan de dankzegging als dienst bedoelen of een koor dat dankt.

De betekenis is niet zeker.

הוּא (hu), ‘hij’: het Hebreeuws gebruikt het enkelvoud. Waarschijnlijk is Mattanja de leider (zie 11:17).

9Bakbukja en Unni, hun broeders, stonden tegenover hen bij de wachtdiensten.
וּבַקְבֻּֽקְיָ֨ה
(uvaqbuqya)
en Bakbukja
וְעֻנִּ֧י
(veuni)
en Unni
אֲחֵיהֶ֛ם
(acheihem)
hun broeders
לְנֶגְדָּ֖ם
(lenegdam)
tegenover hen
לְמִשְׁמָרֽוֹת
(lemishmarot)
bij de wachtdiensten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְעֻמָּתָם (leummatam), ‘tegenover hen’: de twee groepen stonden tegenover elkaar bij de wachtdiensten.

Zie ook vers 24.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ועני (ve’ani).

De voorgelezen tekst (qere) heeft וְעֻנִּי (ve’unni), ‘en Unni’.

Wij volgen het qere.

Van Jesua tot Jaddua

10Jesua verwekte Jojakim. Jojakim verwekte Eljasib. Eljasib verwekte Jojada.
וְיֵשׁ֖וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
הוֹלִ֣יד
(holid)
verwekte
אֶת
(et)
(obj.)
יֽוֹיָקִ֑ים
(yoyaqim)
Jojakim
וְיֽוֹיָקִים֙
(veyoyaqim)
en Jojakim
הוֹלִ֣יד
(holid)
verwekte
אֶת
(et)
(obj.)
אֶלְיָשִׁ֔יב
(elyashiv)
Eljasib
וְאֶלְיָשִׁ֖יב
(veelyashiv)
en Eljasib
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹיָדָֽע
(yoyada)
Jojada
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹיָקִים (yoyaqim), ‘Jojakim’: een priester, de zoon van Jesua.

Hij is een andere man dan koning Jojakim (יְהוֹיָקִים, yehoyaqim), de zoon van Josia.

Wij schrijven beide ‘Jojakim’.

הוֹלִיד (holid), ‘verwekte’: in genealogieën betekent dit soms ‘werd voorvader van’. Er zijn mogelijk generaties overgeslagen. Eljasib was hogepriester in de dagen van Nehemia (Neh. 3:1).

11Jojada verwekte Jonatan. Jonatan verwekte Jaddua.
וְיוֹיָדָע֙
(veyoyada)
en Jojada
הוֹלִ֣יד
(holid)
verwekte
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
וְיוֹנָתָ֖ן
(veyonatan)
en Jonatan
הוֹלִ֥יד
(holid)
verwekte
אֶת
(et)
(obj.)
יַדּֽוּעַ
(yadua)
Jaddua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יַדּוּעַ (yaddua), ‘Jaddua’: de laatste naam in deze reeks.

Vers 22 noemt hem opnieuw.

Jonatan in dit vers is waarschijnlijk dezelfde als Johanan in de verzen 22–23 (Johanan, de zoon van Eljasib; vergelijk Ezra 10:6).

De tekst zegt dat niet.

De hoofden van de priesterfamilies

12In de dagen van Jojakim waren dit de priesters, hoofden van de vaderhuizen: voor Seraja was dat Meraja, voor Jeremia Chananja,
וּבִימֵי֙
(uvimei)
en in de dagen van
יֽוֹיָקִ֔ים
(yoyaqim)
Jojakim
הָי֥וּ
(hayu)
waren
כֹהֲנִ֖ים
(kohanim)
priesters
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָאָב֑וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לִשְׂרָיָ֣ה
(lisraya)
voor Seraja
מְרָיָ֔ה
(meraya)
Meraja
לְיִרְמְיָ֖ה
(leyirmeya)
voor Jeremia
חֲנַנְיָֽה
(chananya)
Chananja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit zijn de hoofden van de priesterfamilies in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua.

Bij iedere familie uit de verzen 1–7 staat nu de naam van het hoofd van die familie.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘voor Seraja, Meraja’. Wij voegen ‘was dat’ toe in dit vers. In de verzen 13–21 laten wij het weg.

13voor Ezra Mesjullam, voor Amarja Johanan,
לְעֶזְרָ֣א
(leezra)
voor Ezra
מְשֻׁלָּ֔ם
(meshulam)
Mesjullam
לַאֲמַרְיָ֖ה
(laamarya)
voor Amarja
יְהוֹחָנָֽן
(yehochanan)
Johanan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14voor Meliku Jonatan, voor Sjebanja Jozef,
לִמְלִ֨יכוּ֙
(limlikhu)
voor Meliku
יֽוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
לִשְׁבַנְיָ֖ה
(lishvanya)
voor Sjebanja
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לְמַלּוּכִי (lemalluki), ‘voor Malluki’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft לִמְלִיכוּ (limliku), ‘voor Meliku’.

Wij volgen het qere.

15voor Charim Adna, voor Merajot Chelkai,
לְחָרִ֣ם
(lecharim)
voor Charim
עַדְנָ֔א
(adna)
Adna
לִמְרָי֖וֹת
(limrayot)
voor Merajot
חֶלְקָֽי
(chelqay)
Chelkai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16voor Iddo Zecharja, voor Ginnton Mesjullam,
לְעִדּ֥וֹא
(leido)
voor Iddo
זְכַרְיָ֖ה
(zekharya)
Zecharja
לְגִנְּת֥וֹן
(legineton)
voor Ginnton
מְשֻׁלָּֽם
(meshulam)
Mesjullam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft לְעִדִּיא (le’iddi’a).

De voorgelezen tekst (qere) heeft לְעִדּוֹא (le’iddo), ‘voor Iddo’.

Wij volgen het qere.

17voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai,
לַאֲבִיָּ֖ה
(laaviya)
voor Abija
זִכְרִ֑י
(zikhri)
Zichri
לְמִ֨נְיָמִ֔ין
(leminyamin)
voor Minjamin
לְמוֹעַדְיָ֖ה
(lemoadya)
voor Moädja
פִּלְטָֽי
(piltay)
Piltai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai’.

Bij Minjamin staat geen naam van het hoofd.

De tekst is hier waarschijnlijk niet volledig; wij laten het zo.

18voor Bilga Sjammua, voor Sjemaja Jehonatan,
לְבִלְגָּ֣ה
(levilga)
voor Bilga
שַׁמּ֔וּעַ
(shamua)
Sjammua
לִֽשְׁמַעְיָ֖ה
(lishmaya)
voor Sjemaja
יְהוֹנָתָֽן
(yehonatan)
Jehonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19voor Jojarib Mattenai, voor Jedaja Uzzi,
וּלְיוֹיָרִ֣יב
(uleyoyariv)
en voor Jojarib
מַתְּנַ֔י
(matenay)
Mattenai
לִֽידַֽעְיָ֖ה
(lidaya)
voor Jedaja
עֻזִּֽי
(uzi)
Uzzi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20voor Sallai Kallai, voor Amok Eber,
לְסַלַּ֥י
(lesalay)
voor Sallai
קַלָּ֖י
(qalay)
Kallai
לְעָמ֥וֹק
(leamoq)
voor Amok
עֵֽבֶר
(ever)
Eber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21voor Hilkia Chasjabja, voor Jedaja Netanel.
לְחִלְקִיָּ֣ה
(lechilqiya)
voor Hilkia
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
לִֽידַֽעְיָ֖ה
(lidaya)
voor Jedaja
נְתַנְאֵֽל
(netanel)
Netanel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Levieten in de registers

22De Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua opgeschreven als hoofden van de vaderhuizen. Ook de priesters werden opgeschreven, tot aan het koningschap van Darius de Pers.
הַלְוִיִּם֩
(halviyim)
de Levieten
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
אֶלְיָשִׁ֜יב
(elyashiv)
Eljasib
יוֹיָדָ֤ע
(yoyada)
Jojada
וְיוֹחָנָן֙
(veyochanan)
en Johanan
וְיַדּ֔וּעַ
(veyadua)
en Jaddua
כְּתוּבִ֖ים
(ketuvim)
opgeschreven
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
אָב֑וֹת
(avot)
vaderhuizen
וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(vehakohanim)
en de priesters
עַל
(al)
tot
מַלְכ֖וּת
(malkhut)
het koningschap van
דָּרְיָ֥וֶשׁ
(dareyavesh)
Darius
הַפָּֽרְסִֽי
(haparesi)
de Pers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers en het volgende noemen de reeks hogepriesters Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua, zoals in de verzen 10–11.

דָּרְיָוֶשׁ הַפָּרְסִי (daryavesh happarsi), ‘Darius de Pers’: de tekst zegt niet welke Darius. Er waren meer Perzische koningen met die naam.

23De zonen van Levi, de hoofden van de vaderhuizen, werden opgeschreven in het dagboek, tot in de dagen van Johanan, de zoon van Eljasib.
בְּנֵ֤י
(benei)
zonen van
לֵוִי֙
(levi)
Levi
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָֽאָב֔וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
כְּתוּבִ֕ים
(ketuvim)
opgeschreven
עַל
(al)
in
סֵ֖פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
הַיָּמִ֑ים
(hayamim)
de dagen
וְעַד
(vead)
en tot
יְמֵ֖י
(yemei)
de dagen van
יֽוֹחָנָ֥ן
(yochanan)
Johanan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְיָשִֽׁיב
(elyashiv)
Eljasib
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים (sefer divre hayyamim), ‘het boek van de woorden van de dagen’: wij vertalen ‘het dagboek’, zoals in Koningen en Kronieken.

De tekst zegt niet dat het ons boek Kronieken is.

Mogelijk gaat het om een officieel register.

24De hoofden van de Levieten waren Chasjabja, Sjerebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Hun broeders stonden tegenover hen om te loven en te danken, volgens het gebod van David, de man van Elohim. De ene wachtdienst stond tegenover de andere.
וְרָאשֵׁ֣י
(verashei)
en hoofden van
הַ֠לְוִיִּם
(halviyim)
de Levieten
חֲשַׁבְיָ֨ה
(chashavya)
Chasjabja
שֵֽׁרֵבְיָ֜ה
(shereveya)
Sjerebja
וְיֵשׁ֤וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
קַדְמִיאֵל֙
(qadmiel)
Kadmiël
וַאֲחֵיהֶ֣ם
(vaacheihem)
en hun broeders
לְנֶגְדָּ֔ם
(lenegdam)
tegenover hen
לְהַלֵּ֣ל
(lehalel)
om te loven
לְהוֹד֔וֹת
(lehodot)
om te danken
בְּמִצְוַ֖ת
(bemitsvat)
naar het gebod van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
מִשְׁמָ֖ר
(mishmar)
wachtdienst
לְעֻמַּ֥ת
(leumat)
tegenover
מִשְׁמָֽר
(mishmar)
wachtdienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּמִצְוַת דָּוִיד אִישׁ הָאֱלֹהִים (bemitsvat david ish ha’Elohim), ‘volgens het gebod van David, de man van Elohim’: David stelde de zangers aan (1 Kron. 25).

מִשְׁמָר לְעֻמַּת מִשְׁמָר (mishmar le’ummat mishmar), ‘de ene wachtdienst tegenover de andere’: de groepen zongen afwisselend, ieder tegenover de ander.

25Mattanja, Bakbukja, Obadja, Mesjullam, Talmon en Akkub waren poortwachters. Zij hielden de wacht bij de voorraadkamers van de poorten.
מַתַּנְיָ֧ה
(matanya)
Mattanja
וּבַקְבֻּֽקְיָ֛ה
(uvaqbuqya)
en Bakbukja
עֹבַדְיָ֥ה
(ovadya)
Obadja
מְשֻׁלָּ֖ם
(meshulam)
Mesjullam
טַלְמ֣וֹן
(talmon)
Talmon
עַקּ֑וּב
(aquv)
Akkub
שֹׁמְרִ֤ים
(shomerim)
wachters
שֽׁוֹעֲרִים֙
(shoarim)
poortwachters
מִשְׁמָ֔ר
(mishmar)
wachtdienst
בַּאֲסֻפֵּ֖י
(baasupei)
bij de voorraadkamers van
הַשְּׁעָרִֽים
(hashearim)
de poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲסֻפֵּי (asuppe), ‘voorraadkamers’: de woorden komen van אָסַף (asaf), ‘verzamelen’.

Het zijn kamers bij de poorten waar voorraad werd bewaard (zie 1 Kron. 26:15).

26Dezen waren er in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jehozadak. Zij waren er ook in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van Ezra, de priester, de schriftgeleerde.
אֵ֕לֶּה
(ele)
dezen
בִּימֵ֛י
(bimei)
in de dagen van
יוֹיָקִ֥ים
(yoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֵשׁ֖וּעַ
(yeshua)
Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹצָדָ֑ק
(yotsadaq)
Jehozadak
וּבִימֵי֙
(uvimei)
en in de dagen van
נְחֶמְיָ֣ה
(nechemya)
Nehemia
הַפֶּחָ֔ה
(hapecha)
de landvoogd
וְעֶזְרָ֥א
(veezra)
en Ezra
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַסּוֹפֵֽר
(hasofer)
de schriftgeleerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יוֹצָדָק (yotsadaq), ‘Jehozadak’: de vader van Jesua.

Hij werd door Nebukadnezar weggevoerd (1 Kron. 5:41).

Wij schrijven ‘Jehozadak’ zoals in 1 Kron.

הַפֶּחָה (happechah), ‘de landvoogd’: de titel van Nehemia (Neh. 5:14).

הַסֹּפֵר (hassofer), ‘de schriftgeleerde’: letterlijk ‘de schrijver’. Ezra kende de Torah van Mozes (Ezra 7:6).

De inwijding van de muur

27Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zocht men de Levieten op, uit al hun woonplaatsen. Men wilde hen naar Jeruzalem brengen om de inwijding te houden, met vreugde, met dankliederen en zang, met bekkens, harpen en lieren.
וּבַחֲנֻכַּ֞ת
(uvachanukat)
en bij de inwijding van
חוֹמַ֣ת
(chomat)
muur van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בִּקְשׁ֤וּ
(biqshu)
zochten zij
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
מִכָּל
(mikal)
uit alle
מְק֣וֹמֹתָ֔ם
(meqomotam)
hun plaatsen
לַהֲבִיאָ֖ם
(lahaviam)
om hen te brengen
לִֽירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
לַעֲשֹׂ֨ת
(laasot)
om te houden
חֲנֻכָּ֤ה
(chanuka)
inwijding
וְשִׂמְחָה֙
(vesimcha)
en vreugde
וּבְתוֹד֣וֹת
(uvetodot)
en met dankliederen
וּבְשִׁ֔יר
(uveshir)
en met zang
מְצִלְתַּ֖יִם
(metsiltayim)
bekkens
נְבָלִ֥ים
(nevalim)
harpen
וּבְכִנֹּרֽוֹת
(uvekhinorot)
en met lieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חֲנֻכָּה (chanukkah), ‘inwijding’: de muur werd aan Elohim gewijd.

De bouw was eerder voltooid (Neh. 6:15).

Tussen de voltooiing en de inwijding ligt dus tijd.

מְצִלְתַּיִם נְבָלִים כִּנֹּרוֹת (metsiltayim nevalim kinnorot), ‘bekkens, harpen en lieren’: zoals in 1 Kron. 15:16.

28De zonen van de zangers verzamelden zich uit de omtrek rondom Jeruzalem en uit de dorpen van de Netofatieten,
וַיֵּאָ֣סְפ֔וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
בְּנֵ֖י
(benei)
zonen van
הַמְשֹׁרְרִ֑ים
(hamshorerim)
de zangers
וּמִן
(umin)
en uit
הַכִּכָּר֙
(hakikar)
de omtrek
סְבִיב֣וֹת
(sevivot)
rondom
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּמִן
(umin)
en uit
חַצְרֵ֖י
(chatsrei)
dorpen van
נְטֹפָתִֽי
(netofati)
de Netofatieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Netofa (ligging onzeker): Netofa lag in het bergland bij Betlehem.

Khirbet Bedd Faluh is voorgesteld.

Dit is niet zeker.

Uitleg

הַכִּכָּר (hakikkar), ‘de omtrek’: het vlakke land rondom Jeruzalem.

נְטֹפָתִי (netofati), ‘de Netofatieten’: de bewoners van Netofa, bij Betlehem (1 Kron. 2:54).

29uit Bet-Gilgal en uit de velden van Geba en Azmavet. Want de zangers hadden dorpen voor zich gebouwd rondom Jeruzalem.
וּמִבֵּית֙
(umibeit)
en uit Bet
הַגִּלְגָּ֔ל
(hagilgal)
Gilgal
וּמִשְּׂד֥וֹת
(umisedot)
en uit de velden van
גֶּ֖בַע
(geva)
Geba
וְעַזְמָ֑וֶת
(veazmavet)
en Azmavet
כִּ֣י
(ki)
want
חֲצֵרִ֗ים
(chatserim)
dorpen
בָּנ֤וּ
(banu)
bouwden
לָהֶם֙
(lahem)
voor zich
הַמְשֹׁ֣רֲרִ֔ים
(hamshorarim)
de zangers
סְבִיב֖וֹת
(sevivot)
rondom
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.

Zie Azmavet (Hizma): Azmavet (Bet-Azmavet) is het huidige Hizma, ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בֵּית הַגִּלְגָּל (bet haggilgal), ‘Bet-Gilgal’: een plaats bij Jeruzalem.

De ligging is niet zeker.

Geba en Azmavet liggen in Benjamin, ten noorden van Jeruzalem (zie 11:31; Ezra 2:24).

30De priesters en de Levieten reinigden zich. Zij reinigden het volk, de poorten en de muur.
וַיִּֽטַּהֲר֔וּ
(vayitaharu)
en reinigden zich
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וַֽיְטַהֲרוּ֙
(vaytaharu)
en reinigden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשְּׁעָרִ֖ים
(hashearim)
de poorten
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
הַחוֹמָֽה
(hachoma)
de muur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De twee dankkoren op de muur

31Ik liet de oversten van Juda boven op de muur komen. Ik liet twee grote dankkoren opstellen, met optochten. Het ene ging aan de rechterkant, boven op de muur, naar de Mestpoort.
וָאַעֲלֶה֙
(vaaale)
en ik liet komen
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
לַחוֹמָ֑ה
(lachoma)
op de muur
וָאַעֲמִ֡ידָה
(vaaamida)
en ik liet staan
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
תוֹדֹת֩
(todot)
dankkoren
גְּדוֹלֹ֨ת
(gedolot)
grote
וְתַהֲלֻכֹ֤ת
(vetahalukhot)
en optochten
לַיָּמִין֙
(layamin)
naar rechts
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
לַחוֹמָ֔ה
(lachoma)
op de muur
לְשַׁ֖עַר
(leshaar)
naar de poort van
הָאַשְׁפֹּֽת
(haashpot)
de mest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

תּוֹדֹת (todot), ‘dankkoren’: letterlijk ‘dankzeggingen’.

Het zijn groepen die dankten, zongen en in optocht liepen.

שַׁעַר הָאַשְׁפֹּת (sha’ar ha’ashpot), ‘de Mestpoort’: letterlijk ‘poort van de asbulten’ of ‘mesthopen’. Ook Neh. 3:14. De ligging is in het zuiden van de stad.

32Achter hen aan ging Hosjaja, met de helft van de oversten van Juda,
וַיֵּ֤לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אַחֲרֵיהֶם֙
(achareihem)
achter hen
הוֹשַׁ֣עְיָ֔ה
(hoshaya)
Hosjaja
וַחֲצִ֖י
(vachatsi)
en de helft van
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33met Azaria, Ezra en Mesjullam,
וַעֲזַרְיָ֥ה
(vaazarya)
en Azaria
עֶזְרָ֖א
(ezra)
Ezra
וּמְשֻׁלָּֽם
(umeshulam)
en Mesjullam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Juda, Benjamin, Sjemaja en Jeremia.
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּבִנְיָמִ֔ן
(uvinyamin)
en Benjamin
וּֽשְׁמַֽעְיָ֖ה
(ushemaya)
en Sjemaja
וְיִרְמְיָֽה
(veyirmeya)
en Jeremia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Van de zonen van de priesters gingen er met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonatan, zoon van Sjemaja, zoon van Mattanja, zoon van Michaja, zoon van Zakkur, zoon van Asaf,
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en van de zonen van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
בַּחֲצֹצְר֑וֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
זְכַרְיָ֨ה
(zekharya)
Zecharja
בֶן
(ben)
zoon van
יֽוֹנָתָ֜ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמַֽעְיָ֗ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָה֙
(matanya)
Mattanja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִ֣יכָיָ֔ה
(mikhaya)
Michaja
בֶּן
(ben)
zoon van
זַכּ֖וּר
(zakur)
Zakkur
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָֽף
(asaf)
Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: de zilveren trompetten van Num. 10:2, die priesters bliezen.

36en zijn broeders Sjemaja, Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Netanel, Juda en Chanani, met de instrumenten van David, de man van Elohim. Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hen uit.
וְֽאֶחָ֡יו
(veechav)
en zijn broeders
שְֽׁמַעְיָ֡ה
(shemaya)
Sjemaja
וַעֲזַרְאֵ֡ל
(vaazarel)
en Azareël
מִֽלֲלַ֡י
(milalay)
Milalai
גִּֽלֲלַ֡י
(gilalay)
Gilalai
מָעַ֞י
(maay)
Maäi
נְתַנְאֵ֤ל
(netanel)
Netanel
וִֽיהוּדָה֙
(vihuda)
en Juda
חֲנָ֔נִי
(chanani)
Chanani
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
שִׁ֥יר
(shir)
lied van
דָּוִ֖יד
(david)
David
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וְעֶזְרָ֥א
(veezra)
en Ezra
הַסּוֹפֵ֖ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּכְלֵי שִׁיר דָּוִיד (bikhle shir david), ‘met de instrumenten van het lied van David’: de instrumenten die David voor de dienst had laten maken (1 Kron. 23:5; 2 Kron. 29:26).

Ezra ging voor het eerste dankkoor uit.

37Bij de Bronpoort gingen zij recht voor zich uit omhoog, over de trappen van de stad van David. Zij gingen bij de opgang van de muur, boven het huis van David, tot aan de Waterpoort in het oosten.
וְעַל֩
(veal)
en bij
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort van
הָעַ֜יִן
(haayin)
de Bron
וְנֶגְדָּ֗ם
(venegdam)
en recht voor zich uit
עָלוּ֙
(alu)
gingen zij op
עַֽל
(al)
langs
מַעֲלוֹת֙
(maalot)
trappen van
עִ֣יר
(ir)
stad van
דָּוִ֔יד
(david)
David
בַּֽמַּעֲלֶ֖ה
(bamaale)
bij de opgang
לַחוֹמָ֑ה
(lachoma)
naar de muur
מֵעַל֙
(meal)
boven
לְבֵ֣ית
(leveit)
het huis van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וְעַ֛ד
(vead)
en tot
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het Water
מִזְרָֽח
(mizrach)
oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

שַׁעַר הָעַיִן (sha’ar ha’ayin), ‘de Bronpoort’: Neh. 3:15.

וְנֶגְדָּם (venegdam), ‘recht voor zich uit’: letterlijk ‘en tegenover hen’. De betekenis is niet zeker.

שַׁעַר הַמַּיִם (sha’ar hammayim), ‘de Waterpoort’: Neh. 3:26.

38Het tweede dankkoor ging in tegenovergestelde richting. Ik volgde het, met de helft van het volk, boven op de muur. Wij gingen boven de Toren van de Ovens tot aan de brede muur,
וְהַתּוֹדָ֧ה
(vehatoda)
en het dankkoor
הַשֵּׁנִ֛ית
(hashenit)
het tweede
הַהוֹלֶ֥כֶת
(haholekhet)
dat ging
לְמ֖וֹאל
(lemol)
naar de overkant
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
אַחֲרֶ֑יהָ
(achareiha)
achter haar
וַחֲצִ֨י
(vachatsi)
en de helft van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
לְהַחוֹמָ֗ה
(lehachoma)
op de muur
מֵעַל֙
(meal)
boven
לְמִגְדַּ֣ל
(lemigdal)
de toren van
הַתַּנּוּרִ֔ים
(hatanurim)
de ovens
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַחוֹמָ֥ה
(hachoma)
de muur
הָרְחָבָֽה
(harechava)
de brede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְמוֹאול (lemo’ol), ‘in tegenovergestelde richting’: het tweede koor ging de andere kant op, tegen het eerste in, tot beide koren elkaar bij het huis van Elohim ontmoetten.

מִגְדַּל הַתַּנּוּרִים (migdal hattannurim), ‘de Toren van de Ovens’: Neh. 3:11.

הַחוֹמָה הָרְחָבָה (hachomah harechavah), ‘de brede muur’: Neh. 3:8.

39boven de Efraïmpoort, de Oude Poort en de Vissenpoort, de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd, tot aan de Schaapspoort. Zij bleven staan bij de Poort van de Wacht.
וּמֵעַ֣ל
(umeal)
en boven
לְשַֽׁעַר
(leshaar)
poort van
אֶ֠פְרַיִם
(efrayim)
Efraïm
וְעַל
(veal)
en bij
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort
הַיְשָׁנָ֜ה
(hayshana)
de oude
וְעַל
(veal)
en bij
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַדָּגִ֗ים
(hadagim)
de vissen
וּמִגְדַּ֤ל
(umigdal)
en toren van
חֲנַנְאֵל֙
(chananel)
Chananeël
וּמִגְדַּ֣ל
(umigdal)
en toren van
הַמֵּאָ֔ה
(hamea)
de honderd
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַצֹּ֑אן
(hatson)
de schapen
וְעָ֣מְד֔וּ
(veamedu)
en zij bleven staan
בְּשַׁ֖עַר
(beshaar)
bij de poort van
הַמַּטָּרָֽה
(hamatara)
de wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Toren van Chananel (ligging onzeker): De Toren van Chananel stond aan de noordkant van Jeruzalem, bij de Schaapspoort.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Dit vers noemt poorten en torens langs de noord- en oostmuur: de Efraïmpoort (Neh. 8:16), de Oude Poort (Neh. 3:6), de Vissenpoort (Neh. 3:3), de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd (Neh. 3:1), de Schaapspoort (Neh. 3:1).

שַׁעַר הַמַּטָּרָה (sha’ar hammattarah), ‘de Poort van de Wacht’: het woord מַטָּרָה (mattarah) betekent ‘wacht’ of ‘gevangenis’. De ligging is niet zeker.

40Zo stelden de twee dankkoren zich op bij het huis van Elohim. Ik deed dat ook, met de helft van de bestuurders die bij mij waren,
וַֽתַּעֲמֹ֛דְנָה
(vataamodena)
en stonden
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הַתּוֹדֹ֖ת
(hatodot)
de dankkoren
בְּבֵ֣ית
(beveit)
bij het huis van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וַאֲנִ֕י
(vaani)
en ik
וַחֲצִ֥י
(vachatsi)
en de helft van
הַסְּגָנִ֖ים
(haseganim)
de bestuurders
עִמִּֽי
(imi)
met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַסְּגָנִים (hasseganim), ‘de bestuurders’: de leidinggevenden.

Zo vertalen wij ook in Neh. 2:16.

41en de priesters Eljakim, Maäseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zecharja en Chananja, met trompetten,
וְהַכֹּהֲנִ֡ים
(vehakohanim)
en de priesters
אֶלְיָקִ֡ים
(elyaqim)
Eljakim
מַעֲשֵׂיָ֡ה
(maaseya)
Maäseja
מִ֠נְיָמִין
(minyamin)
Minjamin
מִיכָיָ֧ה
(mikhaya)
Michaja
אֶלְיוֹעֵינַ֛י
(elyoeinay)
Eljoënai
זְכַרְיָ֥ה
(zekharya)
Zecharja
חֲנַנְיָ֖ה
(chananya)
Chananja
בַּחֲצֹצְרֽוֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42en Maäseja, Sjemaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malkia, Elam en Ezer. De zangers lieten zich horen, met Jizrachja als leider.
וּמַעֲשֵׂיָ֨ה
(umaaseya)
en Maäseja
וּֽשְׁמַֽעְיָ֜ה
(ushemaya)
en Sjemaja
וְאֶלְעָזָ֧ר
(veelazar)
en Eleazar
וְעֻזִּ֛י
(veuzi)
en Uzzi
וִֽיהוֹחָנָ֥ן
(vihochanan)
en Johanan
וּמַלְכִּיָּ֖ה
(umalkiya)
en Malkia
וְעֵילָ֣ם
(veeilam)
en Elam
וָעָ֑זֶר
(vaazer)
en Ezer
וַיַּשְׁמִ֨יעוּ֙
(vayashmiu)
en lieten horen
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
וְיִֽזְרַחְיָ֖ה
(veyizrachya)
en Jizrachja
הַפָּקִֽיד
(hapaqid)
de opzichter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיַּשְׁמִיעוּ (vayashmi’u), ‘zij lieten zich horen’: de zangers lieten hun stem klinken, onder leiding van Jizrachja, de opzichter.

Blijdschap en de aandelen voor de dienst

43Op die dag brachten zij grote slachtoffers en waren zij blij. Want Elohim had hun grote vreugde gegeven. Ook de vrouwen en de kinderen waren blij. De vreugde van Jeruzalem werd van ver gehoord.
וַיִּזְבְּח֣וּ
(vayizbechu)
en zij slachtten
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַ֠הוּא
(hahu)
die
זְבָחִ֨ים
(zevachim)
slachtoffers
גְּדוֹלִ֜ים
(gedolim)
grote
וַיִּשְׂמָ֗חוּ
(vayismachu)
en zij verheugden zich
כִּ֤י
(ki)
want
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
שִׂמְּחָם֙
(simecham)
had hen verheugd
שִׂמְחָ֣ה
(simcha)
vreugde
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
הַנָּשִׁ֛ים
(hanashim)
de vrouwen
וְהַיְלָדִ֖ים
(vehayladim)
en de kinderen
שָׂמֵ֑חוּ
(samechu)
verheugden zich
וַתִּשָּׁמַ֛ע
(vatishama)
en werd gehoord
שִׂמְחַ֥ת
(simchat)
vreugde van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מֵרָחֽוֹק
(merachoq)
van ver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Elohim zelf had hun de grote vreugde gegeven.

Het Hebreeuws zegt: ‘Elohim had hen verheugd met grote vreugde’.

44Op die dag werden mannen aangesteld over de voorraadkamers voor de heffingen, de eerstelingen en de tienden. Zij moesten daarin verzamelen, uit de velden van de steden, de aandelen die de Torah geeft voor de priesters en de Levieten. Want Juda was blij over de priesters en de Levieten die dienst deden.
וַיִּפָּקְד֣וּ
(vayipaqedu)
en zij stelden aan
בַיּוֹם֩
(bayom)
op de dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
עַל
(al)
over
הַנְּשָׁכ֗וֹת
(haneshakhot)
de kamers
לָא֨וֹצָר֥וֹת
(laotsarot)
voor de voorraadkamers
לַתְּרוּמוֹת֮
(laterumot)
voor de heffingen
לָרֵאשִׁ֣ית
(lareshit)
voor de eerstelingen
וְלַמַּֽעַשְׂרוֹת֒
(velamaasrot)
en voor de tienden
לִכְנ֨וֹס
(likhnos)
om te verzamelen
בָּהֶ֜ם
(bahem)
daarin
לִשְׂדֵ֤י
(lisdei)
uit de velden van
הֶעָרִים֙
(hearim)
de steden
מְנָא֣וֹת
(menaot)
de aandelen van
הַתּוֹרָ֔ה
(hatora)
de Torah
לַכֹּהֲנִ֖ים
(lakohanim)
voor de priesters
וְלַלְוִיִּ֑ם
(velalviyim)
en voor de Levieten
כִּ֚י
(ki)
want
שִׂמְחַ֣ת
(simchat)
vreugde van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַל
(al)
over
הַכֹּהֲנִ֥ים
(hakohanim)
de priesters
וְעַל
(veal)
en over
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
הָעֹמְדִֽים
(haomedim)
die dienden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִשְׁכּוֹת (nishkot), ‘kamers’ en אוֹצָרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: de kamers in het huis van Elohim waar de gaven werden bewaard (Neh. 13:5).

תְּרוּמוֹת (terumot), ‘heffingen’; רֵאשִׁית (reshit), ‘eerstelingen’; מַעְשְׂרוֹת (ma’asrot), ‘tienden’. Vergelijk Num. 18:8–32 en Deut. 18:3–4.

מְנָאוֹת הַתּוֹרָה (menaot hattorah), ‘de aandelen van de Torah’: het deel dat de Torah aan de priesters en de Levieten toekent.

הָעֹמְדִים (ha’omdim), ‘die dienst deden’: letterlijk ‘die stonden’, dat is: die in dienst stonden.

45Zij hielden de wacht van hun Elohim en de wacht van de reiniging. Ook de zangers en de poortwachters deden dat, volgens het gebod van David en van Salomo, zijn zoon.
וַֽיִּשְׁמְר֞וּ
(vayishmeru)
en zij hielden
מִשְׁמֶ֤רֶת
(mishmeret)
wacht van
אֱלֹֽהֵיהֶם֙
(eloheihem)
hun Elohim
וּמִשְׁמֶ֣רֶת
(umishmeret)
en wacht van
הַֽטָּהֳרָ֔ה
(hatahora)
de reiniging
וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֑ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
כְּמִצְוַ֥ת
(kemitsvat)
naar het gebod van
דָּוִ֖יד
(david)
David
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת הַטָּהֳרָה (mishmeret hattohorah), ‘de wacht van de reiniging’: de zorg voor reinheid van het huis en van de mensen.

Vergelijk Lev. 15:31.

46Want al in de dagen van David en Asaf waren er van oudsher hoofden van de zangers. Er was een lied van lofzang en dankzegging aan Elohim.
כִּֽי
(ki)
want
בִימֵ֥י
(bimei)
in de dagen van
דָוִ֛יד
(david)
David
וְאָסָ֖ף
(veasaf)
en Asaf
מִקֶּ֑דֶם
(miqedem)
van oudsher
רָאשֵׁי֙
(rashei)
hoofden van
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
וְשִׁיר
(veshir)
en lied van
תְּהִלָּ֥ה
(tehila)
lofzang
וְהֹד֖וֹת
(vehodot)
en dankzegging
לֵֽאלֹהִֽים
(lElohim)
aan Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ראש (rosh), ‘hoofd’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft רָאשֵׁי (rashe), ‘hoofden’.

Wij volgen het qere.

47Heel Israël gaf in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de aandelen voor de zangers en de poortwachters. Elke dag gaf men wat die dag vroeg. Zij heiligden het voor de Levieten, en de Levieten heiligden het voor de zonen van Aäron.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵל֩
(yisrael)
Israël
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
זְרֻבָּבֶ֜ל
(zerubavel)
Zerubbabel
וּבִימֵ֣י
(uvimei)
en in de dagen van
נְחֶמְיָ֗ה
(nechemya)
Nehemia
נֹֽתְנִ֛ים
(notenim)
gaven
מְנָי֛וֹת
(menayot)
aandelen van
הַמְשֹׁרְרִ֥ים
(hamshorerim)
de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֖ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
דְּבַר
(devar)
zaak van
י֣וֹם
(yom)
dag
בְּיוֹמ֑וֹ
(beyomo)
op zijn dag
וּמַקְדִּשִׁים֙
(umaqdishim)
en zij heiligden
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
voor de Levieten
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מַקְדִּשִׁ֖ים
(maqdishim)
heiligden
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּמַקְדִּשִׁים (umaqdishim), ‘zij heiligden’: zij wijdden het aan Elohim of zetten het als heilig apart.

De Levieten gaven vervolgens een tiende van hun deel aan de priesters (Num. 18:26–28).