De priesters en Levieten, en de inwijding van de muur
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De priesters en Levieten bij Zerubbabel
1Dit zijn de priesters en de Levieten die met Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en met Jesua optrokken: Seraja, Jeremia, Ezra,
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָל֛וּ
(alu)
optrokken
עִם
(im)
met
זְרֻבָּבֶ֥ל
(zerubavel)
Zerubbabel
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁאַלְתִּיאֵ֖ל
(shealtiel)
Sjealtiël
וְיֵשׁ֑וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
שְׂרָיָ֥ה
(seraya)
Seraja
יִרְמְיָ֖ה
(yirmeya)
Jeremia
עֶזְרָֽא
(ezra)
Ezra
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en de priester Jesua leidden de eerste terugkeer uit Babel (Ezra 2:2).
Dit vers begint een lijst van priesters, die doorloopt tot vers 7.
Er zijn 22 namen, en Neh. 10:3–9 noemt 21 priesters.
יִרְמְיָה (yirmeyah), ‘Jeremia’: dezelfde naam als die van de profeet. De tekst zegt niet dat het dezelfde man is.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De namen in de verzen 2–7 komen terug in de verzen 12–21, vaak in een iets andere vorm: Malluk (vers 2) en Meliku (vers 14), Sjekanja (vers 3) en Sjebanja (vers 14), Rechum (vers 3) en Charim (vers 15), Meremot (vers 3) en Merajot (vers 15), Ginnetoi (vers 4) en Ginnton (vers 16), Mijamin (vers 5) en Minjamin (vers 17), Maädja (vers 5) en Moädja (vers 17), Sallu (vers 7) en Sallai (vers 20).
Wij schrijven elke naam zoals het Hebreeuws hem geeft.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹיָקִים (yoyaqim), ‘Jojakim’: een priester, de zoon van Jesua.
Hij is een andere man dan koning Jojakim (יְהוֹיָקִים, yehoyaqim), de zoon van Josia.
Wij schrijven beide ‘Jojakim’.
הוֹלִיד (holid), ‘verwekte’: in genealogieën betekent dit soms ‘werd voorvader van’. Er zijn mogelijk generaties overgeslagen. Eljasib was hogepriester in de dagen van Nehemia (Neh. 3:1).
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14voor Meliku Jonatan, voor Sjebanja Jozef,
לִמְלִ֨יכוּ֙
(limlikhu)
voor Meliku
יֽוֹנָתָ֔ן
(yonatan)
Jonatan
לִשְׁבַנְיָ֖ה
(lishvanya)
voor Sjebanja
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft לְמַלּוּכִי (lemalluki), ‘voor Malluki’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft לִמְלִיכוּ (limliku), ‘voor Meliku’.
Wij volgen het qere.
15voor Charim Adna, voor Merajot Chelkai,
לְחָרִ֣ם
(lecharim)
voor Charim
עַדְנָ֔א
(adna)
Adna
לִמְרָי֖וֹת
(limrayot)
voor Merajot
חֶלְקָֽי
(chelqay)
Chelkai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16voor Iddo Zecharja, voor Ginnton Mesjullam,
לְעִדּ֥וֹא
(leido)
voor Iddo
זְכַרְיָ֖ה
(zekharya)
Zecharja
לְגִנְּת֥וֹן
(legineton)
voor Ginnton
מְשֻׁלָּֽם
(meshulam)
Mesjullam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft לְעִדִּיא (le’iddi’a).
De voorgelezen tekst (qere) heeft לְעִדּוֹא (le’iddo), ‘voor Iddo’.
Wij volgen het qere.
17voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai,
לַאֲבִיָּ֖ה
(laaviya)
voor Abija
זִכְרִ֑י
(zikhri)
Zichri
לְמִ֨נְיָמִ֔ין
(leminyamin)
voor Minjamin
לְמוֹעַדְיָ֖ה
(lemoadya)
voor Moädja
פִּלְטָֽי
(piltay)
Piltai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws heeft ‘voor Abija Zichri, voor Minjamin, voor Moädja Piltai’.
Bij Minjamin staat geen naam van het hoofd.
De tekst is hier waarschijnlijk niet volledig; wij laten het zo.
18voor Bilga Sjammua, voor Sjemaja Jehonatan,
לְבִלְגָּ֣ה
(levilga)
voor Bilga
שַׁמּ֔וּעַ
(shamua)
Sjammua
לִֽשְׁמַעְיָ֖ה
(lishmaya)
voor Sjemaja
יְהוֹנָתָֽן
(yehonatan)
Jehonatan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19voor Jojarib Mattenai, voor Jedaja Uzzi,
וּלְיוֹיָרִ֣יב
(uleyoyariv)
en voor Jojarib
מַתְּנַ֔י
(matenay)
Mattenai
לִֽידַֽעְיָ֖ה
(lidaya)
voor Jedaja
עֻזִּֽי
(uzi)
Uzzi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20voor Sallai Kallai, voor Amok Eber,
לְסַלַּ֥י
(lesalay)
voor Sallai
קַלָּ֖י
(qalay)
Kallai
לְעָמ֥וֹק
(leamoq)
voor Amok
עֵֽבֶר
(ever)
Eber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21voor Hilkia Chasjabja, voor Jedaja Netanel.
לְחִלְקִיָּ֣ה
(lechilqiya)
voor Hilkia
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
לִֽידַֽעְיָ֖ה
(lidaya)
voor Jedaja
נְתַנְאֵֽל
(netanel)
Netanel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De Levieten in de registers
22De Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua opgeschreven als hoofden van de vaderhuizen. Ook de priesters werden opgeschreven, tot aan het koningschap van Darius de Pers.
הַלְוִיִּם֩
(halviyim)
de Levieten
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
אֶלְיָשִׁ֜יב
(elyashiv)
Eljasib
יוֹיָדָ֤ע
(yoyada)
Jojada
וְיוֹחָנָן֙
(veyochanan)
en Johanan
וְיַדּ֔וּעַ
(veyadua)
en Jaddua
כְּתוּבִ֖ים
(ketuvim)
opgeschreven
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
אָב֑וֹת
(avot)
vaderhuizen
וְהַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(vehakohanim)
en de priesters
עַל
(al)
tot
מַלְכ֖וּת
(malkhut)
het koningschap van
דָּרְיָ֥וֶשׁ
(dareyavesh)
Darius
הַפָּֽרְסִֽי
(haparesi)
de Pers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers en het volgende noemen de reeks hogepriesters Eljasib, Jojada, Johanan en Jaddua, zoals in de verzen 10–11.
דָּרְיָוֶשׁ הַפָּרְסִי (daryavesh happarsi), ‘Darius de Pers’: de tekst zegt niet welke Darius. Er waren meer Perzische koningen met die naam.
24De hoofden van de Levieten waren Chasjabja, Sjerebja en Jesua, de zoon van Kadmiël. Hun broeders stonden tegenover hen om te loven en te danken, volgens het gebod van David, de man van Elohim. De ene wachtdienst stond tegenover de andere.
וְרָאשֵׁ֣י
(verashei)
en hoofden van
הַ֠לְוִיִּם
(halviyim)
de Levieten
חֲשַׁבְיָ֨ה
(chashavya)
Chasjabja
שֵֽׁרֵבְיָ֜ה
(shereveya)
Sjerebja
וְיֵשׁ֤וּעַ
(veyeshua)
en Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
קַדְמִיאֵל֙
(qadmiel)
Kadmiël
וַאֲחֵיהֶ֣ם
(vaacheihem)
en hun broeders
לְנֶגְדָּ֔ם
(lenegdam)
tegenover hen
לְהַלֵּ֣ל
(lehalel)
om te loven
לְהוֹד֔וֹת
(lehodot)
om te danken
בְּמִצְוַ֖ת
(bemitsvat)
naar het gebod van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
מִשְׁמָ֖ר
(mishmar)
wachtdienst
לְעֻמַּ֥ת
(leumat)
tegenover
מִשְׁמָֽר
(mishmar)
wachtdienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּמִצְוַת דָּוִיד אִישׁ הָאֱלֹהִים (bemitsvat david ish ha’Elohim), ‘volgens het gebod van David, de man van Elohim’: David stelde de zangers aan (1 Kron. 25).
מִשְׁמָר לְעֻמַּת מִשְׁמָר (mishmar le’ummat mishmar), ‘de ene wachtdienst tegenover de andere’: de groepen zongen afwisselend, ieder tegenover de ander.
26Dezen waren er in de dagen van Jojakim, de zoon van Jesua, de zoon van Jehozadak. Zij waren er ook in de dagen van Nehemia, de landvoogd, en van Ezra, de priester, de schriftgeleerde.
אֵ֕לֶּה
(ele)
dezen
בִּימֵ֛י
(bimei)
in de dagen van
יוֹיָקִ֥ים
(yoyaqim)
Jojakim
בֶּן
(ben)
zoon van
יֵשׁ֖וּעַ
(yeshua)
Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹצָדָ֑ק
(yotsadaq)
Jehozadak
וּבִימֵי֙
(uvimei)
en in de dagen van
נְחֶמְיָ֣ה
(nechemya)
Nehemia
הַפֶּחָ֔ה
(hapecha)
de landvoogd
וְעֶזְרָ֥א
(veezra)
en Ezra
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
הַסּוֹפֵֽר
(hasofer)
de schriftgeleerde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יוֹצָדָק (yotsadaq), ‘Jehozadak’: de vader van Jesua.
Hij werd door Nebukadnezar weggevoerd (1 Kron. 5:41).
Wij schrijven ‘Jehozadak’ zoals in 1 Kron.
הַפֶּחָה (happechah), ‘de landvoogd’: de titel van Nehemia (Neh. 5:14).
הַסֹּפֵר (hassofer), ‘de schriftgeleerde’: letterlijk ‘de schrijver’. Ezra kende de Torah van Mozes (Ezra 7:6).
27Bij de inwijding van de muur van Jeruzalem zocht men de Levieten op, uit al hun woonplaatsen. Men wilde hen naar Jeruzalem brengen om de inwijding te houden, met vreugde, met dankliederen en zang, met bekkens, harpen en lieren.
וּבַחֲנֻכַּ֞ת
(uvachanukat)
en bij de inwijding van
חוֹמַ֣ת
(chomat)
muur van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בִּקְשׁ֤וּ
(biqshu)
zochten zij
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
מִכָּל
(mikal)
uit alle
מְק֣וֹמֹתָ֔ם
(meqomotam)
hun plaatsen
לַהֲבִיאָ֖ם
(lahaviam)
om hen te brengen
לִֽירוּשָׁלִָ֑ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
לַעֲשֹׂ֨ת
(laasot)
om te houden
חֲנֻכָּ֤ה
(chanuka)
inwijding
וְשִׂמְחָה֙
(vesimcha)
en vreugde
וּבְתוֹד֣וֹת
(uvetodot)
en met dankliederen
וּבְשִׁ֔יר
(uveshir)
en met zang
מְצִלְתַּ֖יִם
(metsiltayim)
bekkens
נְבָלִ֥ים
(nevalim)
harpen
וּבְכִנֹּרֽוֹת
(uvekhinorot)
en met lieren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֲנֻכָּה (chanukkah), ‘inwijding’: de muur werd aan Elohim gewijd.
De bouw was eerder voltooid (Neh. 6:15).
Tussen de voltooiing en de inwijding ligt dus tijd.
מְצִלְתַּיִם נְבָלִים כִּנֹּרוֹת (metsiltayim nevalim kinnorot), ‘bekkens, harpen en lieren’: zoals in 1 Kron. 15:16.
31Ik liet de oversten van Juda boven op de muur komen. Ik liet twee grote dankkoren opstellen, met optochten. Het ene ging aan de rechterkant, boven op de muur, naar de Mestpoort.
וָאַעֲלֶה֙
(vaaale)
en ik liet komen
אֶת
(et)
(obj.)
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
מֵעַ֖ל
(meal)
van boven
לַחוֹמָ֑ה
(lachoma)
op de muur
וָאַעֲמִ֡ידָה
(vaaamida)
en ik liet staan
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
תוֹדֹת֩
(todot)
dankkoren
גְּדוֹלֹ֨ת
(gedolot)
grote
וְתַהֲלֻכֹ֤ת
(vetahalukhot)
en optochten
לַיָּמִין֙
(layamin)
naar rechts
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
לַחוֹמָ֔ה
(lachoma)
op de muur
לְשַׁ֖עַר
(leshaar)
naar de poort van
הָאַשְׁפֹּֽת
(haashpot)
de mest
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mestpoort (ligging onzeker): De Mestpoort lag aan de zuidkant van Jeruzalem, bij het dal van Hinnom.
Het zijn groepen die dankten, zongen en in optocht liepen.
שַׁעַר הָאַשְׁפֹּת (sha’ar ha’ashpot), ‘de Mestpoort’: letterlijk ‘poort van de asbulten’ of ‘mesthopen’. Ook Neh. 3:14. De ligging is in het zuiden van de stad.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Van de zonen van de priesters gingen er met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonatan, zoon van Sjemaja, zoon van Mattanja, zoon van Michaja, zoon van Zakkur, zoon van Asaf,
וּמִבְּנֵ֥י
(umibenei)
en van de zonen van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
בַּחֲצֹצְר֑וֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
זְכַרְיָ֨ה
(zekharya)
Zecharja
בֶן
(ben)
zoon van
יֽוֹנָתָ֜ן
(yonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁמַֽעְיָ֗ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָה֙
(matanya)
Mattanja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִ֣יכָיָ֔ה
(mikhaya)
Michaja
בֶּן
(ben)
zoon van
זַכּ֖וּר
(zakur)
Zakkur
בֶּן
(ben)
zoon van
אָסָֽף
(asaf)
Asaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲצֹצְרוֹת (chatsotserot), ‘trompetten’: de zilveren trompetten van Num. 10:2, die priesters bliezen.
36en zijn broeders Sjemaja, Azareël, Milalai, Gilalai, Maäi, Netanel, Juda en Chanani, met de instrumenten van David, de man van Elohim. Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hen uit.
וְֽאֶחָ֡יו
(veechav)
en zijn broeders
שְֽׁמַעְיָ֡ה
(shemaya)
Sjemaja
וַעֲזַרְאֵ֡ל
(vaazarel)
en Azareël
מִֽלֲלַ֡י
(milalay)
Milalai
גִּֽלֲלַ֡י
(gilalay)
Gilalai
מָעַ֞י
(maay)
Maäi
נְתַנְאֵ֤ל
(netanel)
Netanel
וִֽיהוּדָה֙
(vihuda)
en Juda
חֲנָ֔נִי
(chanani)
Chanani
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
שִׁ֥יר
(shir)
lied van
דָּוִ֖יד
(david)
David
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וְעֶזְרָ֥א
(veezra)
en Ezra
הַסּוֹפֵ֖ר
(hasofer)
de schriftgeleerde
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen uit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בִּכְלֵי שִׁיר דָּוִיד (bikhle shir david), ‘met de instrumenten van het lied van David’: de instrumenten die David voor de dienst had laten maken (1 Kron. 23:5; 2 Kron. 29:26).
37Bij de Bronpoort gingen zij recht voor zich uit omhoog, over de trappen van de stad van David. Zij gingen bij de opgang van de muur, boven het huis van David, tot aan de Waterpoort in het oosten.
וְעַל֩
(veal)
en bij
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort van
הָעַ֜יִן
(haayin)
de Bron
וְנֶגְדָּ֗ם
(venegdam)
en recht voor zich uit
עָלוּ֙
(alu)
gingen zij op
עַֽל
(al)
langs
מַעֲלוֹת֙
(maalot)
trappen van
עִ֣יר
(ir)
stad van
דָּוִ֔יד
(david)
David
בַּֽמַּעֲלֶ֖ה
(bamaale)
bij de opgang
לַחוֹמָ֑ה
(lachoma)
naar de muur
מֵעַל֙
(meal)
boven
לְבֵ֣ית
(leveit)
het huis van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וְעַ֛ד
(vead)
en tot
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
הַמַּ֖יִם
(hamayim)
het Water
מִזְרָֽח
(mizrach)
oosten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Bronpoort (ligging onzeker): De Bronpoort lag aan de zuidoostkant van Jeruzalem, bij de vijver van Siloam.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Waterpoort (ligging onzeker): De Waterpoort lag aan de oostkant van Jeruzalem, bij de Gihon.
38Het tweede dankkoor ging in tegenovergestelde richting. Ik volgde het, met de helft van het volk, boven op de muur. Wij gingen boven de Toren van de Ovens tot aan de brede muur,
וְהַתּוֹדָ֧ה
(vehatoda)
en het dankkoor
הַשֵּׁנִ֛ית
(hashenit)
het tweede
הַהוֹלֶ֥כֶת
(haholekhet)
dat ging
לְמ֖וֹאל
(lemol)
naar de overkant
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
אַחֲרֶ֑יהָ
(achareiha)
achter haar
וַחֲצִ֨י
(vachatsi)
en de helft van
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
מֵעַ֣ל
(meal)
van boven
לְהַחוֹמָ֗ה
(lehachoma)
op de muur
מֵעַל֙
(meal)
boven
לְמִגְדַּ֣ל
(lemigdal)
de toren van
הַתַּנּוּרִ֔ים
(hatanurim)
de ovens
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
הַחוֹמָ֥ה
(hachoma)
de muur
הָרְחָבָֽה
(harechava)
de brede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְמוֹאול (lemo’ol), ‘in tegenovergestelde richting’: het tweede koor ging de andere kant op, tegen het eerste in, tot beide koren elkaar bij het huis van Elohim ontmoetten.
מִגְדַּל הַתַּנּוּרִים (migdal hattannurim), ‘de Toren van de Ovens’: Neh. 3:11.
39boven de Efraïmpoort, de Oude Poort en de Vissenpoort, de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd, tot aan de Schaapspoort. Zij bleven staan bij de Poort van de Wacht.
וּמֵעַ֣ל
(umeal)
en boven
לְשַֽׁעַר
(leshaar)
poort van
אֶ֠פְרַיִם
(efrayim)
Efraïm
וְעַל
(veal)
en bij
שַׁ֨עַר
(shaar)
poort
הַיְשָׁנָ֜ה
(hayshana)
de oude
וְעַל
(veal)
en bij
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַדָּגִ֗ים
(hadagim)
de vissen
וּמִגְדַּ֤ל
(umigdal)
en toren van
חֲנַנְאֵל֙
(chananel)
Chananeël
וּמִגְדַּ֣ל
(umigdal)
en toren van
הַמֵּאָ֔ה
(hamea)
de honderd
וְעַ֖ד
(vead)
en tot
שַׁ֣עַר
(shaar)
poort van
הַצֹּ֑אן
(hatson)
de schapen
וְעָ֣מְד֔וּ
(veamedu)
en zij bleven staan
בְּשַׁ֖עַר
(beshaar)
bij de poort van
הַמַּטָּרָֽה
(hamatara)
de wacht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Efraïmpoort (ligging onzeker): De Efraïmpoort was een poort in de noordmuur van Jeruzalem.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Toren van Chananel (ligging onzeker): De Toren van Chananel stond aan de noordkant van Jeruzalem, bij de Schaapspoort.
De precieze plaats is niet zeker.
Zie Schaapspoort (ligging onzeker): De Schaapspoort lag in de noordoostelijke muur van Jeruzalem, bij de tempel.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
Dit vers noemt poorten en torens langs de noord- en oostmuur: de Efraïmpoort (Neh. 8:16), de Oude Poort (Neh. 3:6), de Vissenpoort (Neh. 3:3), de Toren van Chananeël en de Toren van de Honderd (Neh. 3:1), de Schaapspoort (Neh. 3:1).
שַׁעַר הַמַּטָּרָה (sha’ar hammattarah), ‘de Poort van de Wacht’: het woord מַטָּרָה (mattarah) betekent ‘wacht’ of ‘gevangenis’. De ligging is niet zeker.
43Op die dag brachten zij grote slachtoffers en waren zij blij. Want Elohim had hun grote vreugde gegeven. Ook de vrouwen en de kinderen waren blij. De vreugde van Jeruzalem werd van ver gehoord.
וַיִּזְבְּח֣וּ
(vayizbechu)
en zij slachtten
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַ֠הוּא
(hahu)
die
זְבָחִ֨ים
(zevachim)
slachtoffers
גְּדוֹלִ֜ים
(gedolim)
grote
וַיִּשְׂמָ֗חוּ
(vayismachu)
en zij verheugden zich
כִּ֤י
(ki)
want
הָאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
שִׂמְּחָם֙
(simecham)
had hen verheugd
שִׂמְחָ֣ה
(simcha)
vreugde
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
grote
וְגַ֧ם
(vegam)
en ook
הַנָּשִׁ֛ים
(hanashim)
de vrouwen
וְהַיְלָדִ֖ים
(vehayladim)
en de kinderen
שָׂמֵ֑חוּ
(samechu)
verheugden zich
וַתִּשָּׁמַ֛ע
(vatishama)
en werd gehoord
שִׂמְחַ֥ת
(simchat)
vreugde van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
מֵרָחֽוֹק
(merachoq)
van ver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Elohim zelf had hun de grote vreugde gegeven.
Het Hebreeuws zegt: ‘Elohim had hen verheugd met grote vreugde’.
44Op die dag werden mannen aangesteld over de voorraadkamers voor de heffingen, de eerstelingen en de tienden. Zij moesten daarin verzamelen, uit de velden van de steden, de aandelen die de Torah geeft voor de priesters en de Levieten. Want Juda was blij over de priesters en de Levieten die dienst deden.
וַיִּפָּקְד֣וּ
(vayipaqedu)
en zij stelden aan
בַיּוֹם֩
(bayom)
op de dag
הַה֨וּא
(hahu)
die
אֲנָשִׁ֜ים
(anashim)
mannen
עַל
(al)
over
הַנְּשָׁכ֗וֹת
(haneshakhot)
de kamers
לָא֨וֹצָר֥וֹת
(laotsarot)
voor de voorraadkamers
לַתְּרוּמוֹת֮
(laterumot)
voor de heffingen
לָרֵאשִׁ֣ית
(lareshit)
voor de eerstelingen
וְלַמַּֽעַשְׂרוֹת֒
(velamaasrot)
en voor de tienden
לִכְנ֨וֹס
(likhnos)
om te verzamelen
בָּהֶ֜ם
(bahem)
daarin
לִשְׂדֵ֤י
(lisdei)
uit de velden van
הֶעָרִים֙
(hearim)
de steden
מְנָא֣וֹת
(menaot)
de aandelen van
הַתּוֹרָ֔ה
(hatora)
de Torah
לַכֹּהֲנִ֖ים
(lakohanim)
voor de priesters
וְלַלְוִיִּ֑ם
(velalviyim)
en voor de Levieten
כִּ֚י
(ki)
want
שִׂמְחַ֣ת
(simchat)
vreugde van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
עַל
(al)
over
הַכֹּהֲנִ֥ים
(hakohanim)
de priesters
וְעַל
(veal)
en over
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
הָעֹמְדִֽים
(haomedim)
die dienden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִשְׁכּוֹת (nishkot), ‘kamers’ en אוֹצָרוֹת (otsarot), ‘voorraadkamers’: de kamers in het huis van Elohim waar de gaven werden bewaard (Neh. 13:5).
45Zij hielden de wacht van hun Elohim en de wacht van de reiniging. Ook de zangers en de poortwachters deden dat, volgens het gebod van David en van Salomo, zijn zoon.
וַֽיִּשְׁמְר֞וּ
(vayishmeru)
en zij hielden
מִשְׁמֶ֤רֶת
(mishmeret)
wacht van
אֱלֹֽהֵיהֶם֙
(eloheihem)
hun Elohim
וּמִשְׁמֶ֣רֶת
(umishmeret)
en wacht van
הַֽטָּהֳרָ֔ה
(hatahora)
de reiniging
וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֑ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
כְּמִצְוַ֥ת
(kemitsvat)
naar het gebod van
דָּוִ֖יד
(david)
David
שְׁלֹמֹ֥ה
(shelomo)
Salomo
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁמֶרֶת הַטָּהֳרָה (mishmeret hattohorah), ‘de wacht van de reiniging’: de zorg voor reinheid van het huis en van de mensen.
47Heel Israël gaf in de dagen van Zerubbabel en in de dagen van Nehemia de aandelen voor de zangers en de poortwachters. Elke dag gaf men wat die dag vroeg. Zij heiligden het voor de Levieten, en de Levieten heiligden het voor de zonen van Aäron.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵל֩
(yisrael)
Israël
בִּימֵ֨י
(bimei)
in de dagen van
זְרֻבָּבֶ֜ל
(zerubavel)
Zerubbabel
וּבִימֵ֣י
(uvimei)
en in de dagen van
נְחֶמְיָ֗ה
(nechemya)
Nehemia
נֹֽתְנִ֛ים
(notenim)
gaven
מְנָי֛וֹת
(menayot)
aandelen van
הַמְשֹׁרְרִ֥ים
(hamshorerim)
de zangers
וְהַשֹּׁעֲרִ֖ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
דְּבַר
(devar)
zaak van
י֣וֹם
(yom)
dag
בְּיוֹמ֑וֹ
(beyomo)
op zijn dag
וּמַקְדִּשִׁים֙
(umaqdishim)
en zij heiligden
לַלְוִיִּ֔ם
(lalviyim)
voor de Levieten
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
מַקְדִּשִׁ֖ים
(maqdishim)
heiligden
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּמַקְדִּשִׁים (umaqdishim), ‘zij heiligden’: zij wijdden het aan Elohim of zetten het als heilig apart.
De Levieten gaven vervolgens een tiende van hun deel aan de priesters (Num. 18:26–28).