De ark komt in het huis en de heerlijkheid van Yahweh vult het
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het werk is klaar
1Zo was al het werk klaar dat Salomo voor het huis van Yahweh deed. Salomo bracht de gewijde gaven van zijn vader David binnen: het zilver, het goud en alle voorwerpen. Hij legde ze in de schatkamers van het huis van Elohim.
וַתִּשְׁלַם֙
(vatishlam)
en werd voltooid
כָּל
(kal)
al
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּבֵ֨א
(vayave)
en bracht binnen
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
קָדְשֵׁ֣י
(qadeshei)
de gewijde gaven van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֗יו
(aviv)
zijn vader
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכֶּ֤סֶף
(hakesef)
het zilver
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַזָּהָב֙
(hazahav)
het goud
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַכֵּלִ֔ים
(hakelim)
voorwerpen
נָתַ֕ן
(natan)
legde hij
בְּאֹצְר֖וֹת
(beotserot)
in de schatkamers van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָדְשֵׁי דָוִיד (qodshe David), ‘de gewijde gaven van David’: wat David aan Yahweh had gewijd (1 Kron. 18:11; 29:2–5).
בֵּית הָאֱלֹהִים (bet ha’Elohim), ‘huis van Elohim’: Kronieken zegt vaak ‘huis van Elohim’ naast ‘huis van Yahweh’. Het is hetzelfde gebouw; wij vertalen beide woordelijk.
Dit hoofdstuk loopt parallel met 1 Kon. 7:51 en 8:1–11. Waar de tekst afwijkt, wijzen wij dat aan.
2Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen, en alle hoofden van de stammen, de leiders van de vaderhuizen van de zonen van Israël, in Jeruzalem. Dat deed hij om de ark van het verbond van Yahweh omhoog te brengen uit de stad van David, dat is Sion.
אָז֩
(az)
toen
יַקְהֵ֨יל
(yaqheil)
riep bijeen
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
hoofden van
הַמַּטּ֜וֹת
(hamatot)
de stammen
נְשִׂיאֵ֧י
(nesiei)
leiders van
הָאָב֛וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
לְֽהַעֲל֞וֹת
(lehaalot)
om omhoog te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֧וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵעִ֥יר
(meir)
uit de stad van
דָּוִ֖יד
(david)
David
הִ֥יא
(hi)
die
צִיּֽוֹן
(tsiyon)
Sion
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Sion (צִיּוֹן, Tsiyyon) is hier de stad van David, het oudste deel van Jeruzalem, op de zuidoostelijke heuvel (nu Oost-Jeruzalem, Israël).
Daar stond de ark sinds 1 Kron. 15:1; 16:1.
Uitleg
אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה (aron berit Yahweh), ‘ark van het verbond van Yahweh’: de ark met de tafelen van het verbond (vers 10; Exod. 25:10–22).
3Alle mannen van Israël kwamen bij de koning bijeen op het feest. Dat is de zevende maand.
וַיִּקָּהֲל֧וּ
(vayiqahalu)
en kwamen bijeen
אֶל
(el)
bij
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כָּל
(kal)
alle
אִ֥ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בֶּחָ֑ג
(bechag)
op het feest
ה֖וּא
(hu)
dat
הַחֹ֥דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשְּׁבִעִֽי
(hashevii)
de zevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָג (chag), ‘feest’: het feest van de hutten, op de vijftiende dag van de zevende maand (Lev. 23:34, 39). 1 Kon. 8:2 noemt de maand bij haar naam, Etanim; hier staat die naam niet.
5Zij brachten de ark omhoog, en de tent van samenkomst, en alle heilige voorwerpen die in de tent waren. De priesters, de Levieten, brachten ze omhoog.
וַיַּעֲל֤וּ
(vayaalu)
en brachten omhoog
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרוֹן֙
(haaron)
de ark
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵ֥י
(kelei)
voorwerpen van
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּאֹ֑הֶל
(baohel)
in de tent
הֶעֱל֣וּ
(heelu)
brachten omhoog
אֹתָ֔ם
(otam)
ze
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviim), ‘de priesters, de Levieten’: letterlijk ‘de priesters de Levieten’, zonder ‘en’.
Dezelfde uitdrukking staat in Deut. 17:9. 1 Kon. 8:4 heeft ‘de priesters en de Levieten’.
6Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël, die bij hem was samengekomen, waren voor de ark. Zij brachten slachtoffers van kleinvee en runderen, zoveel dat ze niet geteld en niet nagerekend konden worden.
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
וְכָל
(vekhal)
en heel
עֲדַ֧ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
הַנּוֹעָדִ֥ים
(hanoadim)
die samengekomen waren
עָלָ֖יו
(alav)
bij hem
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָאָר֑וֹן
(haaron)
de ark
מְזַבְּחִים֙
(mezabechim)
die slachtoffers brachten
צֹ֣אן
(tson)
kleinvee
וּבָקָ֔ר
(uvaqar)
en runderen
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יִסָּפְר֛וּ
(yisaferu)
geteld konden worden
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִמָּנ֖וּ
(yimanu)
nagerekend konden worden
מֵרֹֽב
(merov)
vanwege de menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De priesters brachten de ark van het verbond van Yahweh naar haar plaats. Zij brachten haar naar het binnenste vertrek van het huis, naar het hoogheilige, onder de vleugels van de cherubs.
וַיָּבִ֣יאוּ
(vayaviu)
en brachten
הַ֠כֹּהֲנִים
(hakohanim)
de priesters
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֨וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמ֛וֹ
(meqomo)
haar plaats
אֶל
(el)
naar
דְּבִ֥יר
(devir)
het binnenste vertrek van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
אֶל
(el)
naar
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
het heilige van
הַקְּדָשִׁ֑ים
(haqedashim)
de heiligen
אֶל
(el)
naar
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
כַּנְפֵ֥י
(kanfei)
de vleugels van
הַכְּרוּבִֽים
(hakeruvim)
de cherubs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דְּבִיר (devir), ‘binnenste vertrek’, en קֹדֶשׁ הַקֳּדָשִׁים (qodesh haqqodashim), ‘het hoogheilige’: dezelfde woorden als in 1 Kon. 6:16, 19 en 8:6.
9De draagstokken waren zo lang dat de uiteinden ervan te zien waren vanaf de ark, voor het binnenste vertrek. Buiten waren ze niet te zien. Ze zijn daar tot op deze dag.
וַֽיַּאֲרִיכוּ֮
(vayaarikhu)
en waren lang
הַבַּדִּים֒
(habadim)
de draagstokken
וַיֵּרָאוּ֩
(vayerau)
en werden gezien
רָאשֵׁ֨י
(rashei)
de uiteinden van
הַבַּדִּ֤ים
(habadim)
de draagstokken
מִן
(min)
vanaf
הָאָרוֹן֙
(haaron)
de ark
עַל
(al)
voor
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
הַדְּבִ֔יר
(hadevir)
het binnenste vertrek
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יֵרָא֖וּ
(yerau)
werden gezien
הַח֑וּצָה
(hachutsa)
buiten
וַֽיְהִי
(vayhi)
en ze waren
שָׁ֔ם
(sham)
daar
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Tot op deze dag’ staat ook in 1 Kon. 8:8.
Het zijn woorden van de schrijver.
Lezing
In 1 Kon. 8:8 zijn de uiteinden van de draagstokken ‘vanuit het heilige’ te zien.
10In de ark was niets, alleen de twee tafelen die Mozes erin had gelegd bij de Horeb. Toen sloot Yahweh een verbond met de zonen van Israël, bij hun uittocht uit Egypte.
אֵ֚ין
(ein)
niets
בָּֽאָר֔וֹן
(baaron)
in de ark
רַ֚ק
(raq)
alleen
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
הַלֻּח֔וֹת
(haluchot)
de tafelen
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָתַ֥ן
(natan)
legde
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּחֹרֵ֑ב
(bechorev)
bij de Horeb
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
toen
כָּרַ֤ת
(karat)
sloot
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עִם
(im)
met
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּצֵאתָ֖ם
(betsetam)
bij hun uittocht
מִמִּצְרָֽיִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De Horeb (חֹרֵב) is de berg van het verbond, ook Sinaï genoemd.
Horeb en Sinaï zijn dezelfde berg (Deut. 5:2; Exod. 19:11).
De ligging is niet zeker: het zuiden van het Sinaï-schiereiland of elders.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
נָתַן (natan), ‘geven, leggen’: Mozes legde de tafelen erin (Exod. 25:21; 40:20; Deut. 10:5). 1 Kon. 8:9 heeft hier een ander werkwoord, הִנִּיחַ (hinnich), ‘neerleggen’, en noemt de tafelen ‘stenen’.
11Het gebeurde dat de priesters uit het heilige naar buiten kwamen. Want alle priesters die aanwezig waren, hadden zich geheiligd. Er werd niet gelet op de afdelingen.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het gebeurde
בְּצֵ֥את
(betset)
bij het uitgaan van
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
מִן
(min)
uit
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
כִּ֠י
(ki)
want
כָּל
(kal)
alle
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
הַֽנִּמְצְאִים֙
(hanimtseim)
die aanwezig waren
הִתְקַדָּ֔שׁוּ
(hitqadashu)
hadden zich geheiligd
אֵ֖ין
(ein)
niet
לִשְׁמ֥וֹר
(lishmor)
om te letten op
לְמַחְלְקֽוֹת
(lemachleqot)
de afdelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַחְלְקוֹת (machloqot), ‘afdelingen’: de groepen priesters die om beurten dienst deden (1 Kron. 24:1–19).
Bij deze plechtigheid hielden alle aanwezige priesters zich niet aan die beurten.
De zin begint hier: ‘Het gebeurde dat de priesters naar buiten kwamen.’ De Hebreeuwse tekst gaat pas in vers 13 verder met wat er toen gebeurde (‘het huis werd gevuld’). De verzen 11–12 vertellen tussendoor wie er aanwezig waren.
12De Levieten die zangers waren, allen, Asaf, Heman en Jedutun, met hun zonen en hun broeders, waren gekleed in fijn linnen. Zij stonden aan de oostkant van het altaar, met bekkens, harpen en lieren. Bij hen waren 120 priesters die op trompetten bliezen.
וְהַלְוִיִּ֣ם
(vehalviyim)
en de Levieten
הַמְשֹׁרֲרִ֣ים
(hamshorarim)
de zangers
לְכֻלָּ֡ם
(lekhulam)
allen
לְאָסָ֡ף
(leasaf)
Asaf
לְהֵימָ֣ן
(leheiman)
Heman
לִֽ֠ידֻתוּן
(lidutun)
Jedutun
וְלִבְנֵיהֶ֨ם
(velivneihem)
en hun zonen
וְלַאֲחֵיהֶ֜ם
(velaacheihem)
en hun broeders
מְלֻבָּשִׁ֣ים
(melubashim)
gekleed
בּ֗וּץ
(buts)
in fijn linnen
בִּמְצִלְתַּ֨יִם֙
(bimtsiltayim)
met bekkens
וּבִנְבָלִ֣ים
(uvinvalim)
en harpen
וְכִנֹּר֔וֹת
(vekhinorot)
en lieren
עֹמְדִ֖ים
(omedim)
staande
מִזְרָ֣ח
(mizrach)
ten oosten van
לַמִּזְבֵּ֑חַ
(lamizbeach)
het altaar
וְעִמָּהֶ֤ם
(veimahem)
en bij hen
כֹּֽהֲנִים֙
(kohanim)
priesters
לְמֵאָ֣ה
(lemea)
honderd
וְעֶשְׂרִ֔ים
(veesrim)
en twintig
מַחְצְרִ֖ים
(machtserim)
die trompetten bliezen
בַּחֲצֹֽצְרֽוֹת
(bachatsotserot)
op trompetten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Asaf, Heman en Jedutun zijn de drie zangers die David aanstelde (1 Kron. 15:17; 16:41; 25:1).
In 1 Kron. 15:17 en 15:19 heet de derde zanger Etan.
בּוּץ (buts), ‘fijn linnen’: een dunne stof van linnen.
מְשֹׁרֲרִים (meshorerim), ‘zangers’; נֵבֶל (nevel), ‘harp’; כִּנּוֹר (kinnor), ‘lier’; מְצִלְתַּיִם (metsiltayim), ‘bekkens’: zoals in 1 Kron. 15:16, 19.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is מחצררים; de gelezen vorm (qere) is מַחְצְרִים (machtsetsrim), ‘die op trompetten bliezen’.
In vers 13 verschilt ook de geschreven vorm van de gelezen vorm.
13De trompetblazers en de zangers waren als één. Zij lieten één geluid horen om Yahweh te prijzen en te danken. Zij verhieven hun stem met trompetten, bekkens en instrumenten voor het lied. Zij prezen Yahweh: ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig.’ Het huis werd gevuld met een wolk, het huis van Yahweh.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כְ֠אֶחָד
(keechad)
als één
לַמְחַצְּרִ֨ים
(lamchatserim)
voor de trompetblazers
וְלַמְשֹֽׁרֲרִ֜ים
(velamshorarim)
en voor de zangers
לְהַשְׁמִ֣יעַ
(lehashmia)
om te laten horen
קוֹל
(qol)
geluid
אֶחָ֗ד
(echad)
één
לְהַלֵּ֣ל
(lehalel)
om te prijzen
וּלְהֹדוֹת֮
(ulehodot)
en te danken
לַיהוָה֒
(laYahweh)
aan Yahweh
וּכְהָרִ֣ים
(ukheharim)
en bij het verheffen van
ק֠וֹל
(qol)
stem
בַּחֲצֹצְר֨וֹת
(bachatsotserot)
met trompetten
וּבִמְצִלְתַּ֜יִם
(uvimtsiltayim)
en met bekkens
וּבִכְלֵ֣י
(uvikhlei)
en met instrumenten van
הַשִּׁ֗יר
(hashir)
het lied
וּבְהַלֵּ֤ל
(uvehalel)
en bij het prijzen
לַיהוָה֙
(laYahweh)
aan Yahweh
כִּ֣י
(ki)
dat
ט֔וֹב
(tov)
goed
כִּ֥י
(ki)
want
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּ֑וֹ
(chasdo)
Zijn trouw
וְהַבַּ֛יִת
(vehabayit)
en het huis
מָלֵ֥א
(male)
was vol
עָנָ֖ן
(anan)
wolk
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כִּי טוֹב כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (ki tov ki le’olam chasdo), ‘Hij is goed, want Zijn trouw is voor eeuwig’: dit is het vaste lofrefrein, ook in 1 Kron. 16:34, Ps. 136:1 en Ps. 118:1.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’.
עָנָן (anan), ‘wolk’: zoals bij de tabernakel (Exod. 40:34–35) en in 1 Kon. 8:10.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) is למחצצרים; de gelezen vorm (qere) is לַמְחַצְּרִים (lamechatsetsrim), ‘voor de trompetblazers’.