Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een grote menigte komt tegen Juda op
1Daarna kwamen de zonen van Moab en de zonen van Ammon tegen Josafat op om oorlog te voeren. Met hen kwamen ook enkele Ammonieten.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
אַֽחֲרֵי
(acharei)
na
כֵ֡ן
(ken)
zo
בָּ֣אוּ
(bau)
kwamen
בְנֵי
(benei)
zonen van
מוֹאָב֩
(moav)
Moab
וּבְנֵ֨י
(uvenei)
en zonen van
עַמּ֜וֹן
(amon)
Ammon
וְעִמָּהֶ֧ם
(veimahem)
en met hen
מֵֽהָעַמּוֹנִ֛ים
(mehaamonim)
van de Ammonieten
עַל
(al)
tegen
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Uitleg
Dit verhaal komt niet voor in 1 en 2 Koningen.
Een verbond van volken tegen Israël met Moab en Ammon staat ook in Psalm 83:6–9.
Lezing
מֵהָעַמּוֹנִים (mehaammonim), ‘enkele van de Ammonieten’: de zonen van Ammon zijn al genoemd, dus de tekst klinkt hier dubbel.
2Men kwam en meldde aan Josafat: „Een grote menigte komt tegen je op van de overkant van de zee, uit Aram. Zie, zij zijn al in Chasason-Tamar.” Dat is En-Gedi.
וַיָּבֹ֗אוּ
(vayavou)
en kwamen
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en meldden
לִֽיהוֹשָׁפָט֙
(lihoshafat)
aan Josafat
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
בָּ֣א
(ba)
is gekomen
עָלֶ֜יךָ
(aleikha)
tegen jou
הָמ֥וֹן
(hamon)
menigte
רָ֛ב
(rav)
grote
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
van de overkant van
לַיָּ֖ם
(layam)
de zee
מֵאֲרָ֑ם
(mearam)
van Aram
וְהִנָּם֙
(vehinam)
en zie ze
בְּחַֽצְצ֣וֹן
(bechatstson)
in Chasason
תָּמָ֔ר
(tamar)
Tamar
הִ֖יא
(hi)
het
עֵ֥ין
(ein)
En
גֶּֽדִי
(gedi)
Gedi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram (lezing; Edom?; ligging onzeker): In de Hebreeuwse tekst staat hier Aram.
Sommige oude vertalingen hebben Edom, dat beter past bij Chasason-Tamar (En-Gedi).
Dit is niet zeker.
Zie En-Gedi: En-Gedi is een oase aan de westkant van de Dode Zee.
Uitleg
Chasason-Tamar is hetzelfde als En-Gedi, zegt de tekst.
Het lag aan de westkant van de Zoutzee, bij het huidige En Gedi in Israël.
Zie ook Gen. 14:7.
Lezing
מֵאֲרָם (me’aram), ‘uit Aram’: sommige oude vertalingen lezen hier ‘Edom’, wat beter past bij de ligging van En-Gedi en bij de volken in vers 10.
6Hij zei: „Yahweh, Elohim van onze vaderen, bent U niet de Elohim in de hemel? U heerst over alle koninkrijken van de volken. In Uw hand zijn kracht en macht. Niemand kan tegen U standhouden.
וַיֹּאמַ֗ר
(vayomar)
en zei
יְהוָ֞ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתֵ֨ינוּ֙
(avoteinu)
onze vaderen
הֲלֹ֨א
(halo)
niet
אַתָּֽה
(ata)
U
ה֤וּא
(hu)
Hij
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בַּשָּׁמַ֔יִם
(bashamayim)
in de hemel
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en U
מוֹשֵׁ֔ל
(moshel)
heerser
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
over alle
מַמְלְכ֣וֹת
(mamlekhot)
koninkrijken van
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וּבְיָדְךָ֙
(uveyadekha)
en in Uw hand
כֹּ֣חַ
(koach)
kracht
וּגְבוּרָ֔ה
(ugevura)
en macht
וְאֵ֥ין
(veein)
en er is niet
עִמְּךָ֖
(imekha)
bij U
לְהִתְיַצֵּֽב
(lehityatsev)
om stand te houden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Vers 6–12 vormen één gebed.
In vers 6 klinken de woorden van David in 1 Kron. 29:12 door (‘In Uw hand zijn kracht en macht’).
De verzen 8–9 verwijzen naar het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8:33–37; 2 Kron. 6:28–30).
מוֹשֵׁל (moshel), ‘U heerst’: Yahweh regeert over de volken, niet alleen over Israël.
7Bent U niet onze Elohim? U hebt de bewoners van dit land verdreven voor het aangezicht van Uw volk Israël. U hebt het voor eeuwig gegeven aan het nageslacht van Abraham, die U liefhad.
הֲלֹ֣א
(halo)
niet
אַתָּ֣ה
(ata)
U
אֱלֹהֵ֗ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
הוֹרַ֨שְׁתָּ֙
(horashta)
U hebt verdreven
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵי֙
(yoshevei)
bewoners van
הָאָ֣רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֔את
(hazot)
dit
מִלִּפְנֵ֖י
(milifnei)
voor het aangezicht van
עַמְּךָ֣
(amekha)
Uw volk
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַֽתִּתְּנָ֗הּ
(vatitenah)
en U gaf het
לְזֶ֛רַע
(lezera)
aan het nageslacht van
אַבְרָהָ֥ם
(avraham)
Abraham
אֹֽהַבְךָ֖
(ohavkha)
die U liefhad
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor eeuwig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹהַבְךָ (ohavkha), ‘die U liefhad’: letterlijk ‘Uw liefhebber’ of ‘wie U liefheeft’.
Hij wordt hier de vriend van Elohim genoemd.
Zie ook Jes. 41:8.
De belofte van het land aan het nageslacht van Abraham staat in Gen. 12:7 en 15:18.
9‘Als er onheil over ons komt, het zwaard, een oordeel, pest of honger, dan willen wij voor dit huis en voor U gaan staan. Want Uw naam is in dit huis. Dan roepen wij tot U uit onze nood, en U hoort en redt.’
אִם
(im)
als
תָּב֨וֹא
(tavo)
komt
עָלֵ֜ינוּ
(aleinu)
over ons
רָעָ֗ה
(raa)
onheil
חֶרֶב֮
(cherev)
zwaard
שְׁפוֹט֮
(shefot)
oordeel
וְדֶ֣בֶר
(vedever)
en pest
וְרָעָב֒
(veraav)
en honger
נַֽעַמְדָ֞ה
(naamda)
laten wij staan
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַבַּ֤יִת
(habayit)
het huis
הַזֶּה֙
(haze)
dit
וּלְפָנֶ֔יךָ
(ulefaneikha)
en voor Uw aangezicht
כִּ֥י
(ki)
want
שִׁמְךָ֖
(shimkha)
Uw naam
בַּבַּ֣יִת
(babayit)
in het huis
הַזֶּ֑ה
(haze)
dit
וְנִזְעַ֥ק
(venizaq)
en laten wij roepen
אֵלֶ֛יךָ
(eleikha)
tot U
מִצָּרָתֵ֖נוּ
(mitsaratenu)
uit onze nood
וְתִשְׁמַ֥ע
(vetishma)
en U hoort
וְתוֹשִֽׁיעַ
(vetoshia)
en U redt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁפוֹט (shafot), ‘oordeel’: letterlijk ‘een oordeel’, een straf die Yahweh laat komen.
In 1 Kon. 8:37 en 2 Kron. 6:28 staan soortgelijke rampen: honger, pest en de vijand.
נַעַמְדָה (na’amdah), ‘willen wij gaan staan’: de vorm is een uitnodiging aan onszelf, ‘laten wij gaan staan’. Het gaat om bidden voor het huis.
Het aangehaalde gebed van Salomo staat tussen enkele aanhalingstekens, omdat het binnen het gebed van Josafat staat.
10En nu, zie: de zonen van Ammon en Moab en het bergland Seïr. Bij hen liet U Israël niet binnengaan, toen zij uit het land Egypte kwamen. Want zij weken van hen af en vernietigden hen niet.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
הִנֵּה֩
(hine)
zie
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֨וֹן
(amon)
Ammon
וּמוֹאָ֜ב
(umoav)
en Moab
וְהַר
(vehar)
en het bergland
שֵׂעִ֗יר
(seir)
Seïr
אֲ֠שֶׁר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
נָתַ֤תָּה
(natata)
U gaf
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
aan Israël
לָב֣וֹא
(lavo)
om binnen te gaan
בָהֶ֔ם
(bahem)
bij hen
בְּבֹאָ֖ם
(bevoam)
toen zij kwamen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land van
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
Egypte
כִּ֛י
(ki)
want
סָ֥רוּ
(saru)
zij weken af
מֵעֲלֵיהֶ֖ם
(mealeihem)
van hen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִשְׁמִידֽוּם
(hishmidum)
vernietigden zij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Dit verwijst naar de tocht van Israël uit Egypte.
Yahweh verbood Israël toen om strijd te beginnen met Edom (Seïr), Moab en Ammon (Deut. 2:4–5, 9, 19).
Seïr is het bergland van Edom, ten zuiden en zuidoosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië. Moab ligt ten oosten van de Zoutzee en Ammon rond het huidige Amman.
12Onze Elohim, wilt U hen niet oordelen? Want wij hebben geen kracht tegenover deze grote menigte die tegen ons optrekt. Wij weten niet wat wij moeten doen. Maar onze ogen zijn op U gericht.”
אֱלֹהֵ֨ינוּ֙
(eloheinu)
onze Elohim
הֲלֹ֣א
(halo)
niet
תִשְׁפָּט
(tishpat)
wilt U oordelen
בָּ֔ם
(bam)
hen
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
er is niet
בָּ֨נוּ֙
(banu)
in ons
כֹּ֔חַ
(koach)
kracht
לִ֠פְנֵי
(lifnei)
voor het aangezicht van
הֶהָמ֥וֹן
(hehamon)
de menigte
הָרָ֛ב
(harav)
grote
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
הַבָּ֣א
(haba)
die komt
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
tegen ons
וַאֲנַ֗חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
לֹ֤א
(lo)
niet
נֵדַע֙
(neda)
weten
מַֽה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֔ה
(naase)
zullen doen
כִּ֥י
(ki)
maar
עָלֶ֖יךָ
(aleikha)
op U
עֵינֵֽינוּ
(eineinu)
onze ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תִּשְׁפָּט־בָּם (tishpot bam), ‘wilt U hen oordelen’: Juda vraagt Yahweh om recht te doen.
14Jachaziël was de zoon van Zacharia, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïël, de zoon van Mattanja. Hij was een Leviet, uit de zonen van Asaf. Midden in de vergadering kwam de Geest van Yahweh over hem.
וְיַחֲזִיאֵ֡ל
(veyachaziel)
en Jachaziël
בֶּן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֡הוּ
(zekharyahu)
Zacharia
בֶּן
(ben)
zoon van
בְּ֠נָיָה
(benaya)
Benaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְעִיאֵ֧ל
(yeiel)
Jeïël
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָ֛ה
(matanya)
Mattanja
הַלֵּוִ֖י
(halevi)
de Leviet
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אָסָ֑ף
(asaf)
Asaf
הָיְתָ֤ה
(hayeta)
kwam
עָלָיו֙
(alav)
over hem
ר֣וּחַ
(ruach)
Geest van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
הַקָּהָֽל
(haqahal)
de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tekst noemt eerst de naam en de voorvaderen van Jachaziël.
Het werkwoord ‘kwam’ staat in het Hebreeuws achteraan.
Jachaziël is een Leviet uit de familie van Asaf (1 Kron. 15:17).
רוּחַ יְהוָה (ruach Yahweh), ‘de Geest van Yahweh’: wij schrijven Geest met een hoofdletter.
15Hij zei: „Luister, heel Juda, inwoners van Jeruzalem en koning Josafat. Zo zegt Yahweh tegen jullie: ‘Wees niet bang en schrik niet terug voor deze grote menigte. Want de strijd is niet van jullie, maar van Elohim.
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
הַקְשִׁ֤יבוּ
(haqshivu)
luistert
כָל
(kal)
heel
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהַמֶּ֖לֶךְ
(vehamelekh)
en koning
יְהוֹשָׁפָ֑ט
(yehoshafat)
Josafat
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לָכֶ֗ם
(lakhem)
tegen jullie
אַ֠תֶּם
(atem)
jullie
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֤וּ
(tireu)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחַ֨תּוּ֙
(techatu)
schrik terug
מִפְּנֵ֨י
(mipenei)
vanwege
הֶהָמ֤וֹן
(hehamon)
de menigte
הָרָב֙
(harav)
grote
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
לָכֶ֛ם
(lakhem)
van jullie
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
כִּ֥י
(ki)
maar
לֵאלֹהִֽים
(lElohim)
van Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Jachaziël spreekt namens Yahweh.
Hij zegt ‘Zo zegt Yahweh’.
Zijn woorden staan daarom niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij profeten in 1 Kon. 22:11.
16Morgen moeten jullie tegen hen afdalen. Zie, zij komen omhoog via de klim van Ziz. Jullie zullen hen vinden aan het einde van het beekdal, tegenover de woestijn van Jeruël.
מָחָר֙
(machar)
morgen
רְד֣וּ
(redu)
daal af
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
tegen hen
הִנָּ֥ם
(hinam)
zie ze
עֹלִ֖ים
(olim)
komen op
בְּמַעֲלֵ֣ה
(bemaale)
via de klim van
הַצִּ֑יץ
(hatsits)
Ziz
וּמְצָאתֶ֤ם
(umetsatem)
en jullie zullen vinden
אֹתָם֙
(otam)
hen
בְּס֣וֹף
(besof)
aan het einde van
הַנַּ֔חַל
(hanachal)
het beekdal
פְּנֵ֖י
(penei)
tegenover
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
woestijn van
יְרוּאֵֽל
(yeruel)
Jeruël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Klim van Ziz (ligging onzeker): De klim van Ziz was het pad van de Zoutzee bij En-Gedi omhoog naar de hoogvlakte van Tekoa.
De precieze plaats is niet bekend.
Uitleg
De klim van Ziz (מַעֲלֵה הַצִּיץ, ma’aleh hatsits) liep waarschijnlijk van de Zoutzee, bij En-Gedi, omhoog naar de hoogvlakte van Tekoa.
De woestijn van Jeruël lag aan het einde van het beekdal.
De ligging is onzeker.
נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een dal waar bij regen water stroomt, en dat anders droog is.
17Het is niet aan jullie om hierin te strijden. Neem jullie plaats in, blijf staan en zie de redding van Yahweh, die met jullie is. Juda en Jeruzalem, wees niet bang en schrik niet terug. Trek morgen tegen hen uit. Yahweh is met jullie.’”
לֹ֥א
(lo)
niet
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לְהִלָּחֵ֣ם
(lehilachem)
om te strijden
בָּזֹ֑את
(bazot)
in dit
הִתְיַצְּב֣וּ
(hityatsevu)
neem plaats in
עִמְד֡וּ
(imdu)
blijf staan
וּרְא֣וּ
(ureu)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
יְשׁוּעַת֩
(yeshuat)
de redding van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶ֜ם
(imakhem)
met jullie
יְהוּדָ֣ה
(yehuda)
Juda
וִֽירוּשָׁלִַ֗ם
(virushaliam)
en Jeruzalem
אַל
(al)
niet
תִּֽירְאוּ֙
(tireu)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחַ֔תּוּ
(techatu)
schrik terug
מָחָר֙
(machar)
morgen
צְא֣וּ
(tseu)
trek uit
לִפְנֵיהֶ֔ם
(lifneihem)
tegenover hen
וַיהוָ֖ה
(vaYahweh)
en Yahweh
עִמָּכֶֽם
(imakhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
הִתְיַצְּבוּ עִמְדוּ וּרְאוּ אֶת־יְשׁוּעַת יְהוָה (hityatsvu imdu ure’u et yeshuat Yahweh), ‘neem jullie plaats in, blijf staan en zie de redding van Yahweh’: bijna dezelfde woorden als Mozes sprak bij de Rietzee (Exod. 14:13).
18Josafat boog zijn gezicht naar de grond. Heel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neer voor het aangezicht van Yahweh en wierpen zich voor Yahweh neer.
וַיִּקֹּ֧ד
(vayiqod)
en boog zich
יְהוֹשָׁפָ֛ט
(yehoshafat)
Josafat
אַפַּ֖יִם
(apayim)
gezicht
אָ֑רְצָה
(aretsa)
naar de grond
וְכָל
(vekhal)
en heel
יְהוּדָ֞ה
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֗ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
נָֽפְלוּ֙
(nafelu)
vielen
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהִֽשְׁתַּחֲוֺ֖ת
(lehishtachavot)
om zich neer te werpen
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וַיִּקֹּד (vayyiqqod), ‘hij boog’: het buigen van het hoofd.
Daarna volgt het diepere neerwerpen met het gezicht naar de grond (‘zich neerwerpen’).
19De Levieten uit de zonen van de Kehatieten en uit de zonen van de Korachieten stonden op. Zij prezen Yahweh, de Elohim van Israël, met een zeer luide stem.
וַיָּקֻ֧מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
הַלְוִיִּ֛ם
(halviyim)
de Levieten
מִן
(min)
uit
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
הַקְּהָתִ֖ים
(haqehatim)
de Kehatieten
וּמִן
(umin)
en uit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
הַקָּרְחִ֑ים
(haqarechim)
de Korachieten
לְהַלֵּ֗ל
(lehalel)
om te prijzen
לַיהוָה֙
(laYahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בְּק֥וֹל
(beqol)
met stem
גָּד֖וֹל
(gadol)
grote
לְמָֽעְלָה
(lemaela)
omhoog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De Kehatieten en de Korachieten zijn Levitische families.
Korach was een Kehatiet (Num. 16:1).
Wie in de tempel zong, kwam uit deze families.
לְמַעְלָה (lemalah), ‘omhoog’: wij lezen het als versterking van ‘met een luide stem’.
20Zij stonden vroeg op in de ochtend en trokken uit naar de woestijn van Tekoa. Toen zij uittrokken, ging Josafat staan. Hij zei: „Luister naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem. Vertrouw op Yahweh, jullie Elohim, dan zullen jullie standhouden. Vertrouw op Zijn profeten, dan zal het jullie lukken.”
וַיַּשְׁכִּ֣ימוּ
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
בַבֹּ֔קֶר
(baboqer)
in de ochtend
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en gingen uit
לְמִדְבַּ֣ר
(lemidbar)
naar de woestijn van
תְּק֑וֹעַ
(teqoa)
Tekoa
וּבְצֵאתָ֞ם
(uvetsetam)
en bij hun uittrekken
עָמַ֣ד
(amad)
stond
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
שְׁמָע֗וּנִי
(shemauni)
luistert naar mij
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְיֹשְׁבֵ֣י
(veyoshevei)
en inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הַאֲמִ֜ינוּ
(haaminu)
vertrouwt
בַּיהוָ֤ה
(baYahweh)
op Yahweh
אֱלֹהֵיכֶם֙
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְתֵ֣אָמֵ֔נוּ
(veteamenu)
en jullie zullen vaststaan
הַאֲמִ֥ינוּ
(haaminu)
vertrouwt
בִנְבִיאָ֖יו
(binviav)
op Zijn profeten
וְהַצְלִֽיחוּ
(vehatslichu)
en jullie zullen slagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Woestijn van Tekoa: De woestijn van Tekoa is het deel van de woestijn van Juda ten oosten van Tekoa (Khirbet Tuqu’).
Zie Tekoa: Tekoa (Khirbet Tuqu') lag ongeveer 17 km ten zuiden van Jeruzalem, in het bergland van Juda.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Tekoa lag ongeveer 17 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, bij het huidige Khirbet Tuqu’, op de Westelijke Jordaanoever.
הַאֲמִינוּ (ha’aminu), ‘vertrouw’, en תֵאָמֵנוּ (te’amenu), ‘jullie zullen standhouden’ (letterlijk ‘jullie zullen vaststaan’): beide woorden komen van dezelfde stam. Zo’n woordspel staat ook in Jes. 7:9.
21Hij overlegde met het volk en stelde zangers aan voor Yahweh, die Hem prezen in heilige pracht. Zij trokken voor de gewapende mannen uit en zeiden: „Dank Yahweh, want Zijn trouw is voor eeuwig.”
וַיִּוָּעַץ֙
(vayivaats)
en overlegde
אֶל
(el)
met
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיַּעֲמֵ֤ד
(vayaamed)
en stelde aan
מְשֹֽׁרֲרִים֙
(meshorarim)
zangers
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וּֽמְהַֽלְלִ֖ים
(umehallim)
en loveners
לְהַדְרַת
(lehadrat)
in de pracht van
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
בְּצֵאת֙
(betset)
bij het uittrekken
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הֶֽחָל֔וּץ
(hechaluts)
de gewapenden
וְאֹֽמְרִים֙
(veomerim)
en zeggenden
הוֹד֣וּ
(hodu)
dankt
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
Yahweh
כִּ֥י
(ki)
want
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor eeuwig
חַסְדּֽוֹ
(chasdo)
Zijn trouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het refrein הוֹדוּ לַיהוָה כִּי לְעוֹלָם חַסְדּוֹ (hodu laYahweh ki leolam chasdo), ‘Dank Yahweh, want Zijn trouw is voor eeuwig’, staat ook in Ps. 106:1, 118:1 en 136:1.
הֲדְרַת־קֹדֶשׁ (hadrat qodesh), ‘heilige pracht’: zie ook 1 Kron. 16:29.
הֶחָלוּץ (hechalutz), ‘de gewapende mannen’: de mannen die vooraan lopen, uitgerust voor de strijd.
22Toen zij met jubelzang en lofzang begonnen, stelde Yahweh hinderlagen op tegen de zonen van Ammon, Moab en het bergland Seïr. Zij waren tegen Juda gekomen. Zij werden verslagen.
וּבְעֵת֩
(uveet)
en op het moment
הֵחֵ֨לּוּ
(hechelu)
zij begonnen
בְרִנָּ֜ה
(berina)
met jubelzang
וּתְהִלָּ֗ה
(utehila)
en lofzang
נָתַ֣ן
(natan)
stelde
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
מְ֠אָֽרְבִים
(mearevim)
hinderlagen
עַל
(al)
tegen
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
עַמּ֜וֹן
(amon)
Ammon
מוֹאָ֧ב
(moav)
Moab
וְהַר
(vehar)
en het bergland
שֵׂעִ֛יר
(seir)
Seïr
הַבָּאִ֥ים
(habaim)
die kwamen
לִֽיהוּדָ֖ה
(lihuda)
tegen Juda
וַיִּנָּגֵֽפוּ
(vayinagefu)
en zij werden verslagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
מְאָרְבִים (me’arvim), ‘hinderlagen’: letterlijk ‘wie in hinderlaag liggen’.
De tekst zegt niet wie het waren: mensen of hemelse wezens.
23De zonen van Ammon en Moab stonden op tegen de bewoners van het bergland Seïr. Zij wilden hen onder de ban brengen en vernietigen. Toen zij met de bewoners van Seïr klaar waren, hielp ieder mee om zijn naaste te vernietigen.
וַ֠יַּֽעַמְדוּ
(vayaamdu)
en stonden op
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
עַמּ֧וֹן
(amon)
Ammon
וּמוֹאָ֛ב
(umoav)
en Moab
עַל
(al)
tegen
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
bewoners van
הַר
(har)
het bergland
שֵׂעִ֖יר
(seir)
Seïr
לְהַחֲרִ֣ים
(lehacharim)
om onder de ban te brengen
וּלְהַשְׁמִ֑יד
(ulehashmid)
en te vernietigen
וּכְכַלּוֹתָם֙
(ukhekhalotam)
en toen zij klaar waren
בְּיוֹשְׁבֵ֣י
(beyoshevei)
met de bewoners van
שֵׂעִ֔יר
(seir)
Seïr
עָזְר֥וּ
(azeru)
hielpen
אִישׁ
(ish)
ieder
בְּרֵעֵ֖הוּ
(bereehu)
zijn naaste
לְמַשְׁחִֽית
(lemashchit)
tot vernietiging
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.
Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.
Zie Seïr (Edom): Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Uitleg
לְהַחֲרִים (lehacharim), ‘onder de ban te brengen’: het woord komt van חֵרֶם (cherem), ‘de ban’: het volledig wijden aan vernietiging, zoals in Deut. 7:2.
עָזְרוּ אִישׁ בְּרֵעֵהוּ (azru ish bereehu), ‘ieder hielp mee om zijn naaste’: zij hielpen elkaar, maar tot verderf. Zo vernietigden zij zichzelf.
25Josafat en zijn volk kwamen om te plunderen en hun buit weg te halen. Zij vonden bij hen volop bezittingen, lijken en kostbare voorwerpen. Zij roofden zoveel dat zij het niet konden dragen. Drie dagen lang waren zij bezig de buit te plunderen, want die was groot.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en kwam
יְהוֹשָׁפָ֣ט
(yehoshafat)
Josafat
וְעַמּוֹ֮
(veamo)
en zijn volk
לָבֹ֣ז
(lavoz)
om te plunderen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁלָלָם֒
(shelalam)
hun buit
וַיִּמְצְאוּ֩
(vayimtseu)
en zij vonden
בָהֶ֨ם
(bahem)
bij hen
לָרֹ֜ב
(larov)
in overvloed
וּרְכ֤וּשׁ
(urekhush)
en bezittingen
וּפְגָרִים֙
(ufegarim)
en lijken
וּכְלֵ֣י
(ukhelei)
en voorwerpen van
חֲמֻד֔וֹת
(chamudot)
kostbaarheden
וַיְנַצְּל֥וּ
(vaynatselu)
en zij ontdeden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zichzelf
לְאֵ֣ין
(leein)
tot er niet was
מַשָּׂ֑א
(masa)
dragen
וַיִּֽהְי֞וּ
(vayihyu)
en zij waren
יָמִ֧ים
(yamim)
dagen
שְׁלוֹשָׁ֛ה
(shelosha)
drie
בֹּזְזִ֥ים
(bozezim)
plunderend
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁלָ֖ל
(hashalal)
de buit
כִּ֥י
(ki)
want
רַב
(rav)
groot
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְנַצְּלוּ לָהֶם (vayenatselu lahem), ‘zij roofden’: letterlijk ‘zij ontdeden voor zichzelf’, zij haalden alles weg.
Lezing
פְּגָרִים (pegarim), ‘lijken’: sommige oude vertalingen lezen hier ‘kleren’ (בגדים).
Dat past bij ‘kostbare voorwerpen’ in de rij van de buit.
Wij volgen de Masoretische tekst en laten het open.
26Op de vierde dag kwamen zij bijeen in het dal van Beracha, want daar zegenden zij Yahweh. Daarom noemde men die plaats het dal van Beracha, tot op deze dag.
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הָרְבִעִ֗י
(harevii)
de vierde
נִקְהֲלוּ֙
(niqhalu)
zij kwamen bijeen
לְעֵ֣מֶק
(leemeq)
in het dal van
בְּרָכָ֔ה
(berakha)
Beracha
כִּי
(ki)
want
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בֵּרֲכ֣וּ
(berakhu)
zegenden zij
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
daarom
כֵּ֡ן
(ken)
zo
קָֽרְא֞וּ
(qareu)
zij noemden
אֶת
(et)
(obj.)
שֵׁ֨ם
(shem)
naam van
הַמָּק֥וֹם
(hamaqom)
de plaats
הַה֛וּא
(hahu)
die
עֵ֥מֶק
(emeq)
dal van
בְּרָכָ֖ה
(berakha)
Beracha
עַד
(ad)
tot
הַיּֽוֹם
(hayom)
de dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Dal van Beracha (Khirbet Berekut): Het dal van Beracha (‘zegen’) wordt gezocht bij Khirbet Berekut, tussen Tekoa en Hebron.
Uitleg
Het dal van Beracha lag waarschijnlijk bij het huidige Khirbet Berekut, tussen Tekoa en Hebron, ten zuiden van Betlehem op de Westelijke Jordaanoever.
De naam leeft in de plaatsnaam voort.
בְּרָכָה (berakhah), ‘zegen’: het werkwoord בֵּרְכוּ (berekhu), ‘zij zegenden’, heeft dezelfde stam. De plaats is zo genoemd.
27Alle mannen van Juda en Jeruzalem keerden om, met Josafat aan hun hoofd. Zij gingen vol vreugde terug naar Jeruzalem. Want Yahweh had hen verblijd over hun vijanden.
וַ֠יָּשֻׁבוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
כָּל
(kal)
alle
אִ֨ישׁ
(ish)
mannen van
יְהוּדָ֤ה
(yehuda)
Juda
וִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(virushaliam)
en Jeruzalem
וִֽיהוֹשָׁפָ֣ט
(vihoshafat)
en Josafat
בְּרֹאשָׁ֔ם
(berosham)
aan hun hoofd
לָשׁ֥וּב
(lashuv)
om terug te keren
אֶל
(el)
naar
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
בְּשִׂמְחָ֑ה
(besimcha)
met vreugde
כִּֽי
(ki)
want
שִׂמְּחָ֥ם
(simecham)
had verblijd hen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵֽאוֹיְבֵיהֶֽם
(meoyeveihem)
over hun vijanden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Hebreeuws gebruikt twee keer het werkwoord שׁוּב (shuv), ‘terugkeren’: ‘zij keerden terug om terug te keren’.
31Josafat werd koning over Juda. Hij was 35 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 25 jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Azuba, de dochter van Silhi.
וַיִּמְלֹ֥ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
עַל
(al)
over
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁים֩
(sheloshim)
dertig
וְחָמֵ֨שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָ֜ה
(shana)
jaar
בְּמָלְכ֗וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וְעֶשְׂרִ֨ים
(veesrim)
en twintig
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
מָלַ֣ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּֽירוּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en naam van
אִמּ֔וֹ
(imo)
zijn moeder
עֲזוּבָ֖ה
(azuva)
Azuba
בַּת
(bat)
dochter van
שִׁלְחִֽי
(shilchi)
Silhi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Vers 31–33 komen overeen met 1 Kon. 22:42–44.
Daar staat dezelfde leeftijd en regeertijd, met Azuba, de dochter van Silhi, als moeder.
34De rest van de geschiedenis van Josafat, de eerste en de laatste: zie, die staat geschreven in de woorden van Jehu, de zoon van Chanani. Die zijn opgenomen in het boek van de koningen van Israël.
וְיֶ֨תֶר֙
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
יְהוֹשָׁפָ֔ט
(yehoshafat)
Josafat
הָרִאשֹׁנִ֖ים
(harishonim)
de eerste
וְהָאַחֲרֹנִ֑ים
(vehaacharonim)
en de laatste
הִנָּ֣ם
(hinam)
zie ze
כְּתוּבִ֗ים
(ketuvim)
geschreven
בְּדִבְרֵי֙
(bedivrei)
in de woorden van
יֵה֣וּא
(yehu)
Jehu
בֶן
(ben)
zoon van
חֲנָ֔נִי
(chanani)
Chanani
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֹֽעֲלָ֔ה
(hoala)
is opgenomen
עַל
(al)
in
סֵ֖פֶר
(sefer)
boek van
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֵפֶר מַלְכֵי יִשְׂרָאֵל (sefer malkhe Yisrael), ‘het boek van de koningen van Israël’: dit is een ander geschrift dan het ‘dagboek van de koningen’ in de Koningenboeken (letterlijk ‘boek van de woorden van de dagen’).
Jehu, de zoon van Chanani, is de ziener uit 2 Kron. 19:2.
36Hij verbond hem aan zich om schepen te maken die naar Tarsis konden gaan. Zij maakten de schepen in Ezjon-Geber.
וַיְחַבְּרֵ֣הוּ
(vaychaberehu)
en verbond hem
עִמּ֔וֹ
(imo)
aan zich
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te maken
אֳנִיּ֖וֹת
(oniyot)
schepen
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
תַּרְשִׁ֑ישׁ
(tarshish)
naar Tarsis
וַיַּעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en zij maakten
אֳנִיּ֖וֹת
(oniyot)
schepen
בְּעֶצְי֥וֹן
(beetsyon)
in Ezjon
גָּֽבֶר
(gaver)
Geber
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.
Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.
Zie Elat en Ezjon-Geber: Elat en Ezjon-Geber lagen aan het noordeinde van de Golf van Akaba, bij het huidige Akaba en Eilat.
Uitleg
Ezjon-Geber lag aan de noordpunt van de Rietzee, bij het huidige Elat/Aqaba.
Zie 1 Kon. 9:26.
וַיְחַבְּרֵהוּ עִמּוֹ (vayechabberehu immo), ‘hij verbond hem aan zich’: wie het onderwerp is, zegt het Hebreeuws niet. Het kan Achazia zijn of Josafat. Wij laten ‘hij’ staan.
Het doel is Tarsis. In 1 Kon. 22:49–50 gaan de schepen naar Ofir en wil Josafat niet dat Achazia meegaat. De twee verhalen verschillen hierin.
37Eliëzer, de zoon van Dodavahu uit Maresa, profeteerde over Josafat: „Omdat je je hebt aangesloten bij Achazia, heeft Yahweh je werk doorbroken.” De schepen werden verbrijzeld. Zij konden niet naar Tarsis gaan.
וַיִּתְנַבֵּ֞א
(vayitnabe)
en profeteerde
אֱלִיעֶ֤זֶר
(eliezer)
Eliëzer
בֶּן
(ben)
zoon van
דֹּדָוָ֨הוּ֙
(dodavahu)
Dodavahu
מִמָּ֣רֵשָׁ֔ה
(mimaresha)
uit Maresa
עַל
(al)
over
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּהִֽתְחַבֶּרְךָ֣
(kehitchaberkha)
omdat je je aansloot
עִם
(im)
bij
אֲחַזְיָ֗הוּ
(achazyahu)
Achazia
פָּרַ֤ץ
(parats)
heeft doorbroken
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַעֲשֶׂ֔יךָ
(maaseikha)
je werk
וַיִּשָּׁבְר֣וּ
(vayishaveru)
en zij werden verbrijzeld
אֳנִיּ֔וֹת
(oniyot)
schepen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
עָצְר֖וּ
(atseru)
konden
לָלֶ֥כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אֶל
(el)
naar
תַּרְשִֽׁישׁ
(tarshish)
Tarsis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Maresa: Maresa (Tel Maresja) lag in de Sefela.
Zie Tarsis (Tarsus?; ligging onzeker): De ligging van Tarsis is onzeker.
Vaak wordt gedacht aan Tartessos in het zuiden van Spanje, maar ook aan Tarsus in Cilicië.
Op deze kaart staat Tarsus; Spanje valt buiten het kaartbeeld.
Uitleg
Maresa lag in de Sefela, in het zuiden van Juda, bij het huidige Tel Maresha, ongeveer 40 kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem, in Israël.
Eliëzer is alleen hier bekend. Zijn woorden zijn de woorden van een profeet over wat Yahweh deed. Daarom staan ze niet in rood.
פָּרַץ (parats), ‘doorbreken’: zoals een muur wordt doorbroken. Het werkwoord klinkt als het ‘verbrijzelen’ van de schepen.