Elohim Bijbel

Leviticus 5

123456789101112131415161718192021222324252627

Het zondoffer en het schuldoffer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zwijgen als getuige

1En wanneer iemand zondigt doordat hij een oproep onder ede hoort, en hij is getuige, of hij heeft het gezien of geweten. Als hij het niet zegt, moet hij zijn schuld dragen.
וְנֶ֣פֶשׁ
(venefesh)
en iemand
כִּֽי
(ki)
wanneer
תֶחֱטָ֗א
(techeta)
hij zondigt
וְשָֽׁמְעָה֙
(veshamea)
en hij hoort
ק֣וֹל
(qol)
de stem van
אָלָ֔ה
(ala)
een eed
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
עֵ֔ד
(ed)
een getuige
א֥וֹ
(o)
of
רָאָ֖ה
(raa)
hij heeft gezien
א֣וֹ
(o)
of
יָדָ֑ע
(yada)
hij heeft geweten
אִם
(im)
als
ל֥וֹא
(lo)
niet
יַגִּ֖יד
(yagid)
hij zegt het
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
dan zal hij dragen
עֲוֺנֽוֹ
(avono)
zijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָלָה (alah), ‘eed’: een plechtige oproep waarbij een vloek wordt uitgesproken over wie niet spreekt.

נָשָׂא עָוֹן (nasa avon), ‘zijn schuld dragen’: de gevolgen van de schuld komen op hem.

Lezing

קוֹל אָלָה (qol alah) is letterlijk ‘de stem van een eed’.

Wij vertalen ‘een oproep onder ede’: een openbare oproep aan getuigen om te spreken.

Verborgen onreinheid en onbezonnen eden

2Of wanneer iemand iets onreins aanraakt, of het kadaver van een onrein wild dier, of het kadaver van onrein vee, of het kadaver van een onrein kruipend dier. Het blijft voor hem verborgen. Hij is onrein en schuldig.
א֣וֹ
(o)
of
נֶ֗פֶשׁ
(nefesh)
iemand
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תִּגַּע֮
(tiga)
hij raakt aan
בְּכָל
(bekhal)
elk
דָּבָ֣ר
(davar)
ding
טָמֵא֒
(tame)
onrein
אוֹ֩
(o)
of
בְנִבְלַ֨ת
(benivlat)
het kadaver van
חַיָּ֜ה
(chaya)
een wild dier
טְמֵאָ֗ה
(temea)
onrein
א֤וֹ
(o)
of
בְּנִבְלַת֙
(benivlat)
het kadaver van
בְּהֵמָ֣ה
(behema)
vee
טְמֵאָ֔ה
(temea)
onrein
א֕וֹ
(o)
of
בְּנִבְלַ֖ת
(benivlat)
het kadaver van
שֶׁ֣רֶץ
(sherets)
een kruipend dier
טָמֵ֑א
(tame)
onrein
וְנֶעְלַ֣ם
(venelam)
en het blijft verborgen
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor hem
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
טָמֵ֖א
(tame)
onrein
וְאָשֵֽׁם
(veashem)
en hij wordt schuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְבֵלָה (nevelah), ‘kadaver’: een dier dat vanzelf is doodgegaan.

Welke dieren onrein zijn, staat in Lev. 11:8 en 11:29.

שֶׁרֶץ (sherets), ‘kruipend dier’: kleine dieren die over de grond kruipen of wemelen.

3Of wanneer hij de onreinheid van een mens aanraakt, welke onreinheid het ook is waardoor iemand onrein wordt. Het blijft voor hem verborgen. Als hij het weet, is hij schuldig.
א֣וֹ
(o)
of
כִ֤י
(ki)
wanneer
יִגַּע֙
(yiga)
hij raakt aan
בְּטֻמְאַ֣ת
(betumat)
de onreinheid van
אָדָ֔ם
(adam)
een mens
לְכֹל֙
(lekhol)
bij elke
טֻמְאָת֔וֹ
(tumato)
zijn onreinheid
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
יִטְמָ֖א
(yitma)
hij onrein wordt
בָּ֑הּ
(bah)
daardoor
וְנֶעְלַ֣ם
(venelam)
en het blijft verborgen
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
voor hem
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
יָדַ֖ע
(yada)
hij weet
וְאָשֵֽׁם
(veashem)
en hij wordt schuldig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De onreinheid van een mens is bijvoorbeeld een lichaamsvloeiing (Lev. 15:2).

4Of wanneer iemand onbezonnen met zijn lippen zweert, om kwaad te doen of om goed te doen, bij alles wat een mens onbezonnen met een eed uitspreekt. Het blijft voor hem verborgen. Als hij het weet, is hij schuldig aan een van deze dingen.
א֣וֹ
(o)
of
נֶ֡פֶשׁ
(nefesh)
iemand
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תִשָּׁבַע֩
(tishava)
hij zweert
לְבַטֵּ֨א
(levate)
onbezonnen uit te spreken
בִשְׂפָתַ֜יִם
(bisfatayim)
met de lippen
לְהָרַ֣ע
(lehara)
om kwaad te doen
א֣וֹ
(o)
of
לְהֵיטִ֗יב
(leheitiv)
om goed te doen
לְ֠כֹל
(lekhol)
bij alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
יְבַטֵּ֧א
(yevate)
hij onbezonnen uitspreekt
הָאָדָ֛ם
(haadam)
de mens
בִּשְׁבֻעָ֖ה
(bishvua)
met een eed
וְנֶעְלַ֣ם
(venelam)
en het blijft verborgen
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
voor hem
וְהוּא
(vehu)
en hij
יָדַ֥ע
(yada)
hij weet
וְאָשֵׁ֖ם
(veashem)
en hij wordt schuldig
לְאַחַ֥ת
(leachat)
aan één
מֵאֵֽלֶּה
(meele)
van deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לְבַטֵּא (levatte), ‘onbezonnen uitspreken’: iets zeggen zonder na te denken.

Het gaat om een eed om iets te doen, goed of kwaad, die de spreker vergeet of niet nakomt.

5Wanneer hij aan een van deze dingen schuldig wordt, moet hij belijden waarin hij gezondigd heeft.
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִֽי
(ki)
wanneer
יֶאְשַׁ֖ם
(yesham)
hij schuldig wordt
לְאַחַ֣ת
(leachat)
aan één
מֵאֵ֑לֶּה
(meele)
van deze
וְהִ֨תְוַדָּ֔ה
(vehitvada)
en hij zal belijden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarin
חָטָ֖א
(chata)
hij zondigde
עָלֶֽיהָ
(aleiha)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִתְוַדָּה (hitvaddah), ‘belijden’: hardop zeggen wat men gedaan heeft.

Vergelijk Num. 5:6–7.

Het zondoffer naar het vermogen van de zondaar

6Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen, voor zijn zonde die hij begaan heeft: een vrouwelijk dier van het kleinvee, een ooilam of een geit, als zondoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde.
וְהֵבִ֣יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשָׁמ֣וֹ
(ashamo)
zijn schuldoffer
לַיהוָ֡ה
(laYahweh)
voor Yahweh
עַ֣ל
(al)
voor
חַטָּאתוֹ֩
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
חָטָ֜א
(chata)
hij zondigde
נְקֵבָ֨ה
(neqeva)
een vrouwelijk dier
מִן
(min)
van
הַצֹּ֥אן
(hatson)
het kleinvee
כִּשְׂבָּ֛ה
(kisba)
een ooilam
אֽוֹ
(o)
of
שְׂעִירַ֥ת
(seirat)
een geit van
עִזִּ֖ים
(izim)
geiten
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
als zondoffer
וְכִפֶּ֥ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֛יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
מֵחַטָּאתֽוֹ
(mechatato)
van zijn zonde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָשָׁם (asham) betekent ‘schuld’ en ook ‘schuldoffer’.

Hier heet het dier ‘zijn schuldoffer’, maar het offer zelf heet ‘zondoffer’ (חַטָּאת, chatat).

Het eigenlijke schuldoffer volgt in vers 15 en 25.

כִּשְׂבָּה (kisbah), ‘ooilam’: een vrouwelijk lam.

7Als hij een stuk kleinvee niet kan betalen, moet hij voor Yahweh zijn schuldoffer brengen voor zijn zonde: twee tortelduiven of twee jonge duiven. Eén als zondoffer en één als brandoffer.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֨א
(lo)
niet
תַגִּ֣יע
(tagi)
het reikt
יָדוֹ֮
(yado)
zijn hand
דֵּ֣י
(dei)
genoeg voor
שֶׂה֒
(se)
een stuk kleinvee
וְהֵבִ֨יא
(vehevi)
dan zal hij brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשָׁמ֜וֹ
(ashamo)
zijn schuldoffer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
חָטָ֗א
(chata)
hij zondigde
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
תֹרִ֛ים
(torim)
tortelduiven
אֽוֹ
(o)
of
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יוֹנָ֖ה
(yona)
een duif
לַֽיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֶחָ֥ד
(echad)
één
לְחַטָּ֖את
(lechatat)
als zondoffer
וְאֶחָ֥ד
(veechad)
en één
לְעֹלָֽה
(leola)
als brandoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא תַגִּיעַ יָדוֹ דֵּי שֶׂה (lo tagia jado dei seh), letterlijk ‘zijn hand reikt niet genoeg voor een stuk kleinvee’: hij kan zich geen stuk kleinvee veroorloven.

Vogels als brandoffer: Lev. 1:14–17.

8Hij moet ze naar de priester brengen. Die moet eerst brengen wat voor het zondoffer is. Hij moet de kop vlak bij de nek afknijpen, zonder hem af te scheiden.
וְהֵבִ֤יא
(vehevi)
en hij zal brengen
אֹתָם֙
(otam)
ze
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִקְרִ֛יב
(vehiqriv)
en hij zal brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
לַחַטָּ֖את
(lachatat)
als zondoffer
רִאשׁוֹנָ֑ה
(rishona)
eerst
וּמָלַ֧ק
(umalaq)
en hij zal afknijpen
אֶת
(et)
(obj.)
רֹאשׁ֛וֹ
(rosho)
zijn kop
מִמּ֥וּל
(mimul)
tegenover
עָרְפּ֖וֹ
(arpo)
zijn nek
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יַבְדִּֽיל
(yavdil)
hij zal scheiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָלַק (malaq), ‘afknijpen’: zie Lev. 1:15.

Bij het zondoffer van een vogel wordt de kop niet van het lichaam gescheiden.

Lezing

Het Hebreeuws noemt bij het tweede ‘hij zal brengen’ (הִקְרִיב, hiqriv) geen onderwerp.

Wij lezen: de priester.

Daarom staat er ‘Die’.

9Hij moet van het bloed van het zondoffer op de wand van het altaar sprenkelen. Wat van het bloed overblijft, moet worden uitgeperst aan de voet van het altaar. Het is een zondoffer.
וְהִזָּ֞ה
(vehiza)
en hij zal sprenkelen
מִדַּ֤ם
(midam)
van het bloed van
הַחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
עַל
(al)
op
קִ֣יר
(qir)
de wand van
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְהַנִּשְׁאָ֣ר
(vehanishar)
en wat overblijft
בַּדָּ֔ם
(badam)
van het bloed
יִמָּצֵ֖ה
(yimatse)
het zal uitgeperst worden
אֶל
(el)
aan
יְס֣וֹד
(yesod)
de voet van
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De tweede moet hij als brandoffer klaarmaken, volgens het recht. De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde die hij begaan heeft, en het wordt hem vergeven.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשֵּׁנִ֛י
(hasheni)
de tweede
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
hij zal maken
עֹלָ֖ה
(ola)
als brandoffer
כַּמִּשְׁפָּ֑ט
(kamishpat)
volgens het recht
וְכִפֶּ֨ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֧יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
מֵחַטָּאת֥וֹ
(mechatato)
van zijn zonde
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָטָ֖א
(chata)
hij zondigde
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: hier de vaste regel voor het brandoffer van vogels (Lev. 1:14–17).

11Als hij geen twee tortelduiven of twee jonge duiven kan betalen, moet hij voor zijn zonde als offergave een tiende efa fijn meel brengen als zondoffer. Hij mag er geen olie op doen en er geen wierook op leggen, want het is een zondoffer.
וְאִם
(veim)
en als
לֹא֩
(lo)
niet
תַשִּׂ֨יג
(tasig)
het bereikt
יָד֜וֹ
(yado)
zijn hand
לִשְׁתֵּ֣י
(lishtei)
tot twee
תֹרִ֗ים
(torim)
tortelduiven
אוֹ֮
(o)
of
לִשְׁנֵ֣י
(lishnei)
tot twee
בְנֵי
(benei)
zonen van
יוֹנָה֒
(yona)
een duif
וְהֵבִ֨יא
(vehevi)
dan zal hij brengen
אֶת
(et)
(obj.)
קָרְבָּנ֜וֹ
(qarbano)
zijn offergave
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarmee
חָטָ֗א
(chata)
hij zondigde
עֲשִׂירִ֧ת
(asirit)
een tiende van
הָאֵפָ֛ה
(haefa)
de efa
סֹ֖לֶת
(solet)
fijn meel
לְחַטָּ֑את
(lechatat)
als zondoffer
לֹא
(lo)
niet
יָשִׂ֨ים
(yasim)
hij zal doen
עָלֶ֜יהָ
(aleiha)
daarop
שֶׁ֗מֶן
(shemen)
olie
וְלֹא
(velo)
en niet
יִתֵּ֤ן
(yiten)
hij zal leggen
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
daarop
לְבֹנָ֔ה
(levona)
wierook
כִּ֥י
(ki)
want
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
הִֽיא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲשִׂירִת הָאֵפָה (asirit haefah), ‘een tiende efa’: ongeveer 2,2 liter (een efa is ongeveer 22 liter).

Olie en wierook horen bij het graanoffer (Lev. 2:1); bij dit zondoffer worden ze weggelaten.

12Hij moet het naar de priester brengen. De priester moet er een handvol van nemen. Het gedenkdeel ervan moet hij op het altaar in rook laten opgaan, op de vuuroffers van Yahweh. Het is een zondoffer.
וֶהֱבִיאָהּ֮
(veheviah)
en hij zal het brengen
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וְקָמַ֣ץ
(veqamats)
en hij zal een handvol nemen
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
מִ֠מֶּנָּה
(mimena)
ervan
מְל֨וֹא
(melo)
de volheid van
קֻמְצ֜וֹ
(qumtso)
zijn handvol
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּרָתָה֙
(azkarata)
haar gedenkdeel
וְהִקְטִ֣יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
naar het altaar
עַ֖ל
(al)
op
אִשֵּׁ֣י
(ishei)
de vuuroffers van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
חַטָּ֖את
(chatat)
zondoffer
הִֽוא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: zie Lev. 2:2.

13De priester moet voor hem verzoening doen voor zijn zonde die hij met een van deze dingen begaan heeft, en het wordt hem vergeven. Het zal voor de priester zijn, zoals bij het graanoffer.”
וְכִפֶּר֩
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֨יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
עַל
(al)
voor
חַטָּאת֧וֹ
(chatato)
zijn zonde
אֲשֶׁר
(asher)
die
חָטָ֛א
(chata)
hij zondigde
מֵֽאַחַ֥ת
(meachat)
aan één
מֵאֵ֖לֶּה
(meele)
van deze
וְנִסְלַ֣ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
ל֑וֹ
(lo)
hem
וְהָיְתָ֥ה
(vehayeta)
en het zal zijn
לַכֹּהֵ֖ן
(lakohen)
voor de priester
כַּמִּנְחָֽה
(kamincha)
als het graanoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wat overblijft, is voor de priester, zoals bij het graanoffer (Lev. 2:3).

14Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het schuldoffer bij ontrouw aan het heilige

15„Wanneer iemand ontrouw pleegt en bij vergissing zondigt tegen de heilige dingen van Yahweh. Hij moet zijn schuldoffer voor Yahweh brengen: een ram zonder gebrek uit het kleinvee, naar jouw schatting in zilveren sikkels, volgens de sikkel van het heiligdom, als schuldoffer.
נֶ֚פֶשׁ
(nefesh)
iemand
כִּֽי
(ki)
wanneer
תִמְעֹ֣ל
(timol)
hij pleegt
מַ֔עַל
(maal)
ontrouw
וְחָֽטְאָה֙
(vechatea)
en hij zondigt
בִּשְׁגָגָ֔ה
(bishgaga)
bij vergissing
מִקָּדְשֵׁ֖י
(miqadeshei)
tegen de heilige dingen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהֵבִיא֩
(vehevi)
dan zal hij brengen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲשָׁמ֨וֹ
(ashamo)
zijn schuldoffer
לַֽיהוָ֜ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אַ֧יִל
(ayil)
een ram
תָּמִ֣ים
(tamim)
zonder gebrek
מִן
(min)
van
הַצֹּ֗אן
(hatson)
het kleinvee
בְּעֶרְכְּךָ֛
(beerkekha)
naar jouw schatting
כֶּֽסֶף
(kesef)
zilver van
שְׁקָלִ֥ים
(sheqalim)
sikkels
בְּשֶֽׁקֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לְאָשָֽׁם
(leasham)
als schuldoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָעַל (ma'al), ‘ontrouw plegen’: de trouw aan Yahweh breken, hier door iets te gebruiken dat Hem toebehoort.

בְּעֶרְכְּךָ (be'erkekha), ‘naar jouw schatting’: in het Hebreeuws staat ‘jouw’ in het enkelvoud; de waarde van het dier wordt geschat.

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’: ongeveer 11,4 gram zilver.

16Wat hij verkeerd gedaan heeft met het heilige, moet hij vergoeden. Hij moet er een vijfde deel bij doen en het aan de priester geven. De priester moet voor hem verzoening doen met de ram van het schuldoffer, en het wordt hem vergeven.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
אֲשֶׁר֩
(asher)
wat
חָטָ֨א
(chata)
hij zondigde
מִן
(min)
van
הַקֹּ֜דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
יְשַׁלֵּ֗ם
(yeshalem)
hij zal vergoeden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲמִֽישִׁתוֹ֙
(chamishito)
zijn vijfde deel
יוֹסֵ֣ף
(yosef)
hij zal toevoegen
עָלָ֔יו
(alav)
eraan
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en hij zal geven
אֹת֖וֹ
(oto)
het
לַכֹּהֵ֑ן
(lakohen)
aan de priester
וְהַכֹּהֵ֗ן
(vehakohen)
en de priester
יְכַפֵּ֥ר
(yekhaper)
hij zal verzoening doen
עָלָ֛יו
(alav)
voor hem
בְּאֵ֥יל
(beeil)
met de ram van
הָאָשָׁ֖ם
(haasham)
het schuldoffer
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָטָא מִן־הַקֹּדֶשׁ (chata min haqodesh), letterlijk ‘zondigen van het heilige’: iets van het heilige wegnemen of niet geven.

Wie het doet, vergoedt het en voegt er een vijfde deel aan toe (Lev. 22:14; Num. 5:6–8).

Een zonde zonder het te weten

17Wanneer iemand zondigt en een van de dingen doet die volgens de geboden van Yahweh niet gedaan mogen worden, zonder het te weten, dan is hij schuldig. Hij moet zijn schuld dragen.
וְאִם
(veim)
en als
נֶ֨פֶשׁ֙
(nefesh)
iemand
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תֶֽחֱטָ֔א
(techeta)
hij zondigt
וְעָֽשְׂתָ֗ה
(veaseta)
en hij doet
אַחַת֙
(achat)
één
מִכָּל
(mikal)
van alle
מִצְוֺ֣ת
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לֹ֣א
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֑ינָה
(teaseina)
gedaan mogen worden
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יָדַ֥ע
(yada)
hij wist
וְאָשֵׁ֖ם
(veashem)
en hij wordt schuldig
וְנָשָׂ֥א
(venasa)
dan zal hij dragen
עֲוֺנֽוֹ
(avono)
zijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij moet naar de priester een ram zonder gebrek uit het kleinvee brengen, naar jouw schatting, als schuldoffer. De priester moet voor hem verzoening doen voor de vergissing die hij zonder het te weten begaan heeft, en het wordt hem vergeven.
וְ֠הֵבִיא
(vehevi)
en hij zal brengen
אַ֣יִל
(ayil)
een ram
תָּמִ֧ים
(tamim)
zonder gebrek
מִן
(min)
van
הַצֹּ֛אן
(hatson)
het kleinvee
בְּעֶרְכְּךָ֥
(beerkekha)
naar jouw schatting
לְאָשָׁ֖ם
(leasham)
als schuldoffer
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וְכִפֶּר֩
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֨יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
עַ֣ל
(al)
voor
שִׁגְגָת֧וֹ
(shiggato)
zijn vergissing
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׁגָ֛ג
(shagag)
hij zich vergiste
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
לֹֽא
(lo)
niet
יָדַ֖ע
(yada)
hij wist
וְנִסְלַ֥ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Het is een schuldoffer: hij is zeker schuldig geworden tegenover Yahweh.”
אָשָׁ֖ם
(asham)
een schuldoffer
ה֑וּא
(hu)
het is
אָשֹׁ֥ם
(ashom)
hij is zeker
אָשַׁ֖ם
(asham)
schuldig geworden
לַיהוָֽה
(laYahweh)
tegenover Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אָשֹׁם אָשַׁם (ashom asham): hetzelfde werkwoord staat twee keer, met nadruk.

Wij vertalen ‘hij is zeker schuldig geworden’.

20Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het schuldoffer bij ontrouw tegenover een volksgenoot

21„Wanneer iemand zondigt en ontrouw is aan Yahweh, doordat hij tegen zijn volksgenoot liegt over iets wat hem in bewaring is gegeven of in zijn hand is gelegd. Of over iets wat hij geroofd heeft. Of doordat hij zijn volksgenoot afperst.
נֶ֚פֶשׁ
(nefesh)
iemand
כִּ֣י
(ki)
wanneer
תֶחֱטָ֔א
(techeta)
hij zondigt
וּמָעֲלָ֥ה
(umaala)
en hij pleegt
מַ֖עַל
(maal)
ontrouw
בַּיהוָ֑ה
(baYahweh)
tegen Yahweh
וְכִחֵ֨שׁ
(vekhichesh)
en hij liegt
בַּעֲמִית֜וֹ
(baamito)
tegen zijn volksgenoot
בְּפִקָּד֗וֹן
(befiqadon)
over een toevertrouwd goed
אֽוֹ
(o)
of
בִתְשׂ֤וּמֶת
(bitsumet)
over een onderpand van
יָד֙
(yad)
de hand
א֣וֹ
(o)
of
בְגָזֵ֔ל
(begazel)
over roof
א֖וֹ
(o)
of
עָשַׁ֥ק
(ashaq)
hij perst af
אֶת
(et)
(obj.)
עֲמִיתֽוֹ
(amito)
zijn volksgenoot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲמִית (amit), ‘volksgenoot’: iemand die tot hetzelfde volk behoort.

Hetzelfde woord staat in Lev. 18:20; 19:11, 15 en 17; 24:19 en 25:14–17.

עֹשֶׁק (osheq), ‘afpersing’: iets afnemen van iemand die zwakker is.

תְּשׂוּמֶת יָד (tesumet yad), letterlijk ‘wat in de hand gelegd is’: iets wat aan iemand is toevertrouwd of als onderpand is gegeven.

22Of doordat hij iets verlorens gevonden heeft en daarover liegt en vals zweert, over een van alle dingen die een mens kan doen en waarmee hij zondigt.
אֽוֹ
(o)
of
מָצָ֧א
(matsa)
hij heeft gevonden
אֲבֵדָ֛ה
(aveda)
iets verlorens
וְכִ֥חֶשׁ
(vekhichesh)
en hij liegt
בָּ֖הּ
(bah)
erover
וְנִשְׁבַּ֣ע
(venishba)
en hij zweert
עַל
(al)
op
שָׁ֑קֶר
(shaqer)
leugen
עַל
(al)
over
אַחַ֗ת
(achat)
één
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alle
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יַעֲשֶׂ֥ה
(yaase)
hij doet
הָאָדָ֖ם
(haadam)
de mens
לַחֲטֹ֥א
(lachato)
zondigend
בָהֵֽנָּה
(bahena)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Als hij zo zondigt en schuldig wordt. Hij moet teruggeven wat hij geroofd heeft, of wat hij afgeperst heeft, of wat hem in bewaring is gegeven, of het verlorene dat hij gevonden heeft,
וְהָיָה֮
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֶחֱטָ֣א
(yecheta)
hij zondigt
וְאָשֵׁם֒
(veashem)
en hij wordt schuldig
וְהֵשִׁ֨יב
(veheshiv)
dan zal hij teruggeven
אֶת
(et)
(obj.)
הַגְּזֵלָ֜ה
(hagezela)
de roof
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
גָּזָ֗ל
(gazal)
hij roofde
א֤וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֹ֨שֶׁק֙
(haosheq)
wat afgeperst is
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עָשָׁ֔ק
(ashaq)
hij afperste
א֚וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
הַפִּקָּד֔וֹן
(hapiqadon)
het toevertrouwde goed
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
הָפְקַ֖ד
(hafeqad)
het werd toevertrouwd
אִתּ֑וֹ
(ito)
bij hem
א֥וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲבֵדָ֖ה
(haaveda)
het verlorene
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
מָצָֽא
(matsa)
hij vond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Eerst moet hij herstellen wat hij heeft afgenomen (vers 23–24); daarna brengt hij het schuldoffer (vers 25).

24of alles waarover hij vals gezworen heeft. Hij moet het volledig vergoeden en er een vijfde deel bij doen. Hij moet het geven aan wie het toebehoort, op de dag van zijn schuld.
א֠וֹ
(o)
of
מִכֹּ֞ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
waarover
יִשָּׁבַ֣ע
(yishava)
hij zweert
עָלָיו֮
(alav)
erover
לַשֶּׁקֶר֒
(lasheqer)
vals
וְשִׁלַּ֤ם
(veshilam)
en hij zal betalen
אֹתוֹ֙
(oto)
het
בְּרֹאשׁ֔וֹ
(berosho)
naar de hoofdsom
וַחֲמִשִׁתָ֖יו
(vachamishitav)
en zijn vijfde deel
יֹסֵ֣ף
(yosef)
hij zal toevoegen
עָלָ֑יו
(alav)
eraan
לַאֲשֶׁ֨ר
(laasher)
aan wie
ה֥וּא
(hu)
het is
ל֛וֹ
(lo)
van hem
יִתְּנֶ֖נּוּ
(yitenenu)
hij zal het geven
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag van
אַשְׁמָתֽוֹ
(ashmato)
zijn schuld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בְּרֹאשׁוֹ (berosho), letterlijk ‘in zijn hoofd’: de hoofdsom, het geheel.

Wij vertalen ‘volledig’.

בְּיוֹם אַשְׁמָתוֹ (beyom ashmato), letterlijk ‘op de dag van zijn schuld’: de dag waarop hij zijn schuld erkent en zijn schuldoffer brengt.

25Hij moet zijn schuldoffer naar de priester brengen, voor Yahweh: een ram zonder gebrek uit het kleinvee, naar jouw schatting, als schuldoffer.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲשָׁמ֥וֹ
(ashamo)
zijn schuldoffer
יָבִ֖יא
(yavi)
hij zal brengen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אַ֣יִל
(ayil)
een ram
תָּמִ֧ים
(tamim)
zonder gebrek
מִן
(min)
van
הַצֹּ֛אן
(hatson)
het kleinvee
בְּעֶרְכְּךָ֥
(beerkekha)
naar jouw schatting
לְאָשָׁ֖ם
(leasham)
als schuldoffer
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26De priester moet voor het aangezicht van Yahweh voor hem verzoening doen. En het wordt hem vergeven, voor elk van de dingen die hij gedaan heeft en waardoor hij schuldig werd.”
וְכִפֶּ֨ר
(vekhiper)
en hij zal verzoening doen
עָלָ֧יו
(alav)
voor hem
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִסְלַ֣ח
(venislach)
en het zal vergeven worden
ל֑וֹ
(lo)
hem
עַל
(al)
over
אַחַ֛ת
(achat)
één
מִכֹּ֥ל
(mikol)
van alle
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
יַעֲשֶׂ֖ה
(yaase)
hij doet
לְאַשְׁמָ֥ה
(leashma)
tot schuld
בָֽהּ
(bah)
daardoor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)