Elohim Bijbel

2 Kronieken 30

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Het Pesach van Hizkia

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Hizkia nodigt heel Israël uit voor het Pesach

1Hizkia stuurde bericht naar heel Israël en Juda. Hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse. Zij moesten naar het huis van Yahweh in Jeruzalem komen om het Pesach te vieren voor Yahweh, de Elohim van Israël.
וַיִּשְׁלַ֨ח
(vayishlach)
en hij stuurde
יְחִזְקִיָּ֜הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עַל
(al)
naar
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֗ה
(vihuda)
en Juda
וְגַֽם
(vegam)
en ook
אִגְּרוֹת֙
(igerot)
brieven
כָּתַב֙
(katav)
schreef hij
עַל
(al)
aan
אֶפְרַ֣יִם
(efrayim)
Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֔ה
(umenashe)
en Manasse
לָב֥וֹא
(lavo)
om te komen
לְבֵית
(leveit)
naar het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te houden
פֶּ֔סַח
(pesach)
Pesach
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het Pesach van Hizkia staat alleen in Kronieken.

Het werkwoord ‘stuurde’ (וַיִּשְׁלַח, vayishlach) heeft in het Hebreeuws geen voorwerp: ‘hij stuurde naar heel Israël’.

Wij lezen ‘bericht’.

Vers 6 vertelt dat het de renners met brieven waren.

Het Hebreeuws zegt niet wanneer dit gebeurde. Het noorden was al zwaar getroffen door Assyrië (2 Kon. 15:29; 2 Kon. 17:6). Daarom spreekt vers 6 over ‘de ontkomenen’.

2De koning, zijn leiders en heel de vergadering in Jeruzalem overlegden om het Pesach in de tweede maand te vieren.
וַיִּוָּעַ֨ץ
(vayivaats)
en overlegde
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשָׂרָ֛יו
(vesarav)
en zijn leiders
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַקָּהָ֖ל
(haqahal)
de vergadering
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te houden
הַפֶּ֖סַח
(hapesach)
het Pesach
בַּחֹ֥דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשֵּׁנִֽי
(hasheni)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De tweede maand voor het Pesach is geregeld in Num. 9:10–11: wie onrein is of ver weg, mag het Pesach op de veertiende dag van de tweede maand houden.

Het Pesach hoort op de veertiende dag van de eerste maand te vallen (zie 2 Kron. 29:17).

3Want zij konden het op dat moment niet vieren. De priesters hadden zich niet in voldoende aantal geheiligd en het volk was nog niet naar Jeruzalem verzameld.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֧א
(lo)
niet
יָכְל֛וּ
(yakhelu)
konden zij
לַעֲשֹׂת֖וֹ
(laasoto)
het te houden
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
כִּ֤י
(ki)
want
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
לֹֽא
(lo)
niet
הִתְקַדְּשׁ֣וּ
(hitqadeshu)
hadden zich geheiligd
לְמַ
(lema)
voor
דַּ֔י
(day)
genoeg
וְהָעָ֖ם
(vehaam)
en het volk
לֹא
(lo)
niet
נֶאֶסְפ֥וּ
(neesfu)
was verzameld
לִֽירוּשָׁלִָֽם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Lezing

לְמַדַּי (lemaddai), ‘voldoende’: het Hebreeuws zegt alleen ‘genoeg’.

Wij lezen: in voldoende aantal.

Het heiligen van het huis duurde tot de zestiende dag van de eerste maand (2 Kron. 29:17).

Het Pesach op de veertiende dag was toen al voorbij.

4Het plan was goed in de ogen van de koning en van heel de vergadering.
וַיִּישַׁ֥ר
(vayishar)
en was goed
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּבְעֵינֵ֖י
(uveeinei)
en in de ogen van
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָֽל
(haqahal)
de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Zij namen het besluit om in heel Israël, van Beër-Sjeba tot Dan, een oproep te laten uitgaan. Men moest naar Jeruzalem komen om het Pesach te vieren voor Yahweh, de Elohim van Israël. Want zij hadden het niet in grote aantallen gevierd, zoals geschreven staat.
וַיַּֽעֲמִ֣ידוּ
(vayaamidu)
en zij stelden vast
דָבָ֗ר
(davar)
een besluit
לְהַעֲבִ֨יר
(lehaavir)
om te laten gaan
ק֤וֹל
(qol)
een stem
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
מִבְּאֵֽר
(mibeer)
van Beër
שֶׁ֣בַע
(sheva)
Sjeba
וְעַד
(vead)
en tot
דָּ֔ן
(dan)
Dan
לָב֞וֹא
(lavo)
om te komen
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te houden
פֶּ֛סַח
(pesach)
Pesach
לַיהוָ֥ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵֽי
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
לָרֹ֛ב
(larov)
in menigte
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden zij het
כַּכָּתֽוּב
(kakatuv)
zoals geschreven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, in het zuiden van Juda (Israël).

Dan ligt in het uiterste noorden van het land, bij Tel Dan (Israël).

Samen vormen zij de grenzen van het land.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De volgorde is hier ‘van Beër-Sjeba tot Dan’.

In 1 Sam. 3:20 staat ‘van Dan tot Beër-Sjeba’.

קוֹל (qol), ‘stem’: hier een oproep die in het hele land wordt uitgeroepen.

לָרֹב (larov), ‘in grote aantallen’: de woorden kunnen ook betekenen ‘al lange tijd’. Wij volgen ‘in grote aantallen’.

De brieven van de koning

6De renners gingen met de brieven uit de hand van de koning en zijn leiders door heel Israël en Juda. Op bevel van de koning zeiden zij: „Zonen van Israël, keer terug naar Yahweh, de Elohim van Abraham, Isaak en Israël. Dan zal Hij terugkeren naar de ontkomenen die van jullie zijn overgebleven uit de hand van de koningen van Assyrië.
וַיֵּלְכוּ֩
(vayelekhu)
en gingen
הָרָצִ֨ים
(haratsim)
de renners
בָּֽאִגְּר֜וֹת
(baigerot)
met de brieven
מִיַּ֧ד
(miyad)
uit de hand van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְשָׂרָ֗יו
(vesarav)
en zijn leiders
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וִֽיהוּדָ֔ה
(vihuda)
en Juda
וּכְמִצְוַ֥ת
(ukhemitsvat)
en volgens het gebod van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
שׁ֚וּבוּ
(shuvu)
keert terug
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
de Elohim van
אַבְרָהָם֙
(avraham)
Abraham
יִצְחָ֣ק
(yitschaq)
Isaak
וְיִשְׂרָאֵ֔ל
(veyisrael)
en Israël
וְיָשֹׁב֙
(veyashov)
dan zal Hij terugkeren
אֶל
(el)
tot
הַפְּלֵיטָ֔ה
(hapeleita)
de ontkomenen
הַנִּשְׁאֶ֣רֶת
(hanisheret)
die zijn overgebleven
לָכֶ֔ם
(lakhem)
voor jullie
מִכַּ֖ף
(mikaf)
uit de handpalm van
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
de koningen van
אַשּֽׁוּר
(ashur)
Assyrië
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Assur: Assur is een stad en een gebied aan de Tigris, in het noorden van het huidige Irak.

Uitleg

רָצִים (ratsim), ‘renners’: mannen die te voet boodschappen brengen.

Zie ook 1 Kon. 1:5 (mannen die voor Adonia uit renden) en 2 Kon. 10:25 (de lopers van de koning).

פְּלֵיטָה (peletah), ‘de ontkomenen’: wie na de aanvallen van Assyrië is overgebleven. ‘De koningen van Assyrië’ staat in het meervoud, zoals in 2 Kron. 28:16.

יִצְחָק וְיִשְׂרָאֵל (Yitschaq veyisra’el), ‘Isaak en Israël’: Israël is hier de naam van Jakob, zoals in 1 Kon. 18:36.

De brief loopt van vers 6 tot en met vers 9. Zij is zwart: het zijn de woorden van de koning.

7Wees niet zoals jullie vaders en jullie broeders. Zij waren trouweloos tegenover Yahweh, de Elohim van hun vaderen. Daarom gaf Hij hen over tot verwoesting, zoals jullie zien.
וְאַל
(veal)
en niet
תִּֽהְי֗וּ
(tihyu)
wees
כַּאֲבֽוֹתֵיכֶם֙
(kaavoteikhem)
zoals jullie vaders
וְכַ֣אֲחֵיכֶ֔ם
(vekhaacheikhem)
en zoals jullie broeders
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מָעֲל֔וּ
(maalu)
waren trouweloos
בַּיהוָ֖ה
(baYahweh)
tegenover Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶ֑ם
(avoteihem)
hun vaderen
וַיִּתְּנֵ֣ם
(vayitenem)
en Hij gaf hen
לְשַׁמָּ֔ה
(leshama)
tot verwoesting
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
אַתֶּ֥ם
(atem)
jullie
רֹאִֽים
(roim)
zien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שַׁמָּה (shammah), ‘verwoesting’: hetzelfde woord als in 2 Kron. 29:8.

Zie ook 2 Kron. 28:19 voor de trouweloosheid (מָעַל, ma’al).

8Wees nu niet halsstarrig zoals jullie vaders. Geef Yahweh de hand en kom naar Zijn heiligdom, dat Hij voor eeuwig geheiligd heeft. Dien Yahweh, jullie Elohim. Dan zal de gloed van Zijn toorn zich van jullie afkeren.
עַתָּ֕ה
(ata)
nu
אַל
(al)
niet
תַּקְשׁ֥וּ
(taqshu)
maak hard
עָרְפְּכֶ֖ם
(arpekhem)
jullie nek
כַּאֲבוֹתֵיכֶ֑ם
(kaavoteikhem)
zoals jullie vaders
תְּנוּ
(tenu)
geef
יָ֣ד
(yad)
hand
לַיהוָ֗ה
(laYahweh)
aan Yahweh
וּבֹ֤אוּ
(uvou)
en kom
לְמִקְדָּשׁוֹ֙
(lemiqdasho)
naar Zijn heiligdom
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הִקְדִּ֣ישׁ
(hiqdish)
Hij heeft geheiligd
לְעוֹלָ֔ם
(leolam)
voor eeuwig
וְעִבְדוּ֙
(veivdu)
en dien
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְיָשֹׁ֥ב
(veyashov)
opdat zal terugkeren
מִכֶּ֖ם
(mikem)
van jullie
חֲר֥וֹן
(charon)
gloed van
אַפּֽוֹ
(apo)
Zijn toorn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַל תַּקְשׁוּ עָרְפְּכֶם (al taqshu orpekhem), ‘wees niet halsstarrig’: letterlijk ‘maak jullie nek niet hard’.

Zie ook Deut. 10:16.

תְּנוּ יָד (tenu yad), ‘geef de hand’: een gebaar van onderwerping en trouw. Zie ook 1 Kron. 29:24.

9Want als jullie terugkeren naar Yahweh, zullen jullie broeders en zonen ontferming vinden bij hun gevangennemers. Zij zullen terugkeren naar dit land. Want Yahweh, jullie Elohim, is genadig en barmhartig. Hij zal Zijn aangezicht niet van jullie afwenden, als jullie naar Hem terugkeren.”
כִּ֣י
(ki)
want
בְשׁוּבְכֶ֞ם
(beshuvekhem)
bij jullie terugkeer
עַל
(al)
tot
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲחֵיכֶ֨ם
(acheikhem)
jullie broeders
וּבְנֵיכֶ֤ם
(uveneikhem)
en jullie zonen
לְרַחֲמִים֙
(lerachamim)
zullen tot ontferming zijn
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
שֽׁוֹבֵיהֶ֔ם
(shoveihem)
hun gevangennemers
וְלָשׁ֖וּב
(velashuv)
en om terug te keren
לָאָ֣רֶץ
(laarets)
naar het land
הַזֹּ֑את
(hazot)
dit
כִּֽי
(ki)
want
חַנּ֤וּן
(chanun)
genadig
וְרַחוּם֙
(verachum)
en barmhartig
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵיכֶ֔ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
וְלֹא
(velo)
en niet
יָסִ֤יר
(yasir)
zal Hij afwenden
פָּנִים֙
(panim)
aangezicht
מִכֶּ֔ם
(mikem)
van jullie
אִם
(im)
als
תָּשׁ֖וּבוּ
(tashuvu)
jullie terugkeren
אֵלָֽיו
(elav)
tot Hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַחֲמִים לִפְנֵי שׁוֹבֵיהֶם (rachamim lifnei shoveihem), ‘ontferming bij hun gevangennemers’: dezelfde woorden staan in het gebed van Salomo, 1 Kon. 8:50.

חַנּוּן וְרַחוּם (channun verachum), ‘genadig en barmhartig’: de woorden uit Exod. 34:6, daar in omgekeerde volgorde. Zie ook Deut. 30:3.

Spot en bereidheid

10De renners trokken van stad naar stad door het land Efraïm en Manasse, tot aan Zebulon. Maar men lachte hen uit en spotte met hen.
וַיִּֽהְי֨וּ
(vayihyu)
en waren
הָרָצִ֜ים
(haratsim)
de renners
עֹבְרִ֨ים
(overim)
die trokken
מֵעִ֧יר
(meir)
van stad
לָעִ֛יר
(lair)
naar stad
בְּאֶֽרֶץ
(beerets)
in het land van
אֶפְרַ֥יִם
(efrayim)
Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֖ה
(umenashe)
en Manasse
וְעַד
(vead)
en tot
זְבֻל֑וּן
(zevulun)
Zebulon
וַיִּֽהְיוּ֙
(vayihyu)
en zij waren
מַשְׂחִיקִ֣ים
(maschiqim)
uitlachend
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
וּמַלְעִגִ֖ים
(umaligim)
en spottend
בָּֽם
(bam)
met hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws noemt niet wie lachte.

Wij vertalen ‘men’.

11Toch vernederden enkele mannen uit Aser, Manasse en Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem.
אַךְ
(akh)
maar
אֲנָשִׁ֛ים
(anashim)
mannen
מֵאָשֵׁ֥ר
(measher)
uit Aser
וּמְנַשֶּׁ֖ה
(umenashe)
en uit Manasse
וּמִזְּבֻל֑וּן
(umizevulun)
en uit Zebulon
נִֽכְנְע֔וּ
(nikhneu)
zich vernederden
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
לִירוּשָׁלִָֽם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נִכְנְעוּ (nikne’u), ‘zij vernederden zich’: zij deden afstand van hun trots.

Zie ook 2 Kron. 7:14.

12Ook in Juda was de hand van Elohim. Hij gaf hun één hart om het gebod van de koning en de leiders uit te voeren, naar het woord van Yahweh.
גַּ֣ם
(gam)
ook
בִּיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
הָֽיְתָה֙
(hayeta)
was
יַ֣ד
(yad)
de hand van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
de Elohim
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
לֵ֣ב
(lev)
hart
אֶחָ֑ד
(echad)
één
לַעֲשׂ֞וֹת
(laasot)
om te doen
מִצְוַ֥ת
(mitsvat)
het gebod van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשָּׂרִ֖ים
(vehasarim)
en de leiders
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
op het woord van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֵב אֶחָד (lev echad), ‘één hart’: eensgezind, zoals in 1 Kron. 12:39.

Het Pesach in de tweede maand

13Een groot volk verzamelde zich in Jeruzalem om het feest van de ongezuurde broden te vieren in de tweede maand. Het was een zeer grote vergadering.
וַיֵּֽאָסְפ֤וּ
(vayeasefu)
en verzamelden zich
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushaliam)
Jeruzalem
עַם
(am)
volk
רָ֔ב
(rav)
veel
לַעֲשׂ֛וֹת
(laasot)
om te houden
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֥ג
(chag)
het feest van
הַמַּצּ֖וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
בַּחֹ֣דֶשׁ
(bachodesh)
in de maand
הַשֵּׁנִ֑י
(hasheni)
de tweede
קָהָ֖ל
(qahal)
een vergadering
לָרֹ֥ב
(larov)
in menigte
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

חַג הַמַּצּוֹת (chag hammatsot), ‘het feest van de ongezuurde broden’: zeven dagen, vanaf de vijftiende dag van de eerste maand (Exod. 12:15–20; Lev. 23:6).

Het Pesach en het feest van de ongezuurde broden worden hier samen gevierd, zij het in de tweede maand.

14Zij stonden op en haalden de altaren weg die in Jeruzalem waren. Ook alle wierookaltaren haalden zij weg en gooiden ze in de beek Kidron.
וַיָּקֻ֕מוּ
(vayaqumu)
en zij stonden op
וַיָּסִ֨ירוּ֙
(vayasiru)
en verwijderden
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽמִּזְבְּח֔וֹת
(hamizbechot)
de altaren
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וְאֵ֤ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַֽמְקַטְּרוֹת֙
(hamqaterot)
de wierookaltaren
הֵסִ֔ירוּ
(hesiru)
verwijderden zij
וַיַּשְׁלִ֖יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
לְנַ֥חַל
(lenachal)
naar de beek
קִדְרֽוֹן
(qidron)
Kidron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Kidron is het dal ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg (Israël en Westelijke Jordaanoever).

Zie ook 2 Kron. 29:16.

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Uitleg

הַמְקַטְּרוֹת (hammeqattarot), ‘de wierookaltaren’: het woord komt zelden voor.

Het gaat om plaatsen om wierook te laten opgaan voor andere goden.

Zie 2 Kron. 28:24.

15Zij slachtten het Pesach op de veertiende dag van de tweede maand. De priesters en de Levieten schaamden zich. Zij heiligden zich en brachten brandoffers naar het huis van Yahweh.
וַיִּשְׁחֲט֣וּ
(vayishchatu)
en zij slachtten
הַפֶּ֔סַח
(hapesach)
het Pesach
בְּאַרְבָּעָ֥ה
(bearbaa)
op vier
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
לַחֹ֣דֶשׁ
(lachodesh)
van de maand
הַשֵּׁנִ֑י
(hasheni)
de tweede
וְהַכֹּהֲנִ֨ים
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֤ם
(vehalviyim)
en de Levieten
נִכְלְמוּ֙
(nikhlemu)
schaamden zich
וַיִּֽתְקַדְּשׁ֔וּ
(vayitqadeshu)
en heiligden zich
וַיָּבִ֥יאוּ
(vayaviu)
en brachten
עֹל֖וֹת
(olot)
brandoffers
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De veertiende dag van de tweede maand is de dag uit Num. 9:11.

נִכְלְמוּ (nikhlemu), ‘zij schaamden zich’: het Hebreeuws zegt niet waarom. Vers 3 vertelt dat de priesters zich niet genoeg hadden geheiligd.

16Zij gingen op hun plaats staan volgens hun recht, volgens de wet van Mozes, de man van Elohim. De priesters sprenkelden het bloed dat zij uit de hand van de Levieten ontvingen.
וַיַּֽעַמְד֤וּ
(vayaamdu)
en zij stonden
עַל
(al)
op
עָמְדָם֙
(amedam)
hun post
כְּמִשְׁפָּטָ֔ם
(kemishpatam)
volgens hun recht
כְּתוֹרַ֖ת
(ketorat)
volgens de wet van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אִישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
de Elohim
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
זֹרְקִ֣ים
(zoreqim)
sprenkelend
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
מִיַּ֖ד
(miyad)
uit de hand van
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תּוֹרָה (torah), ‘wet’: onderwijs, aanwijzing.

De wet van Mozes bepaalt wie het bloed sprenkelt: de priesters (Lev. 1:5).

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish ha’Elohim), ‘man van Elohim’: zo heet Mozes ook in Deut. 33:1 en Joz. 14:6.

17Want velen in de vergadering hadden zich niet geheiligd. De Levieten waren belast met het slachten van de Pesachoffers voor ieder die niet rein was, om het aan Yahweh te wijden.
כִּי
(ki)
want
רַבַּ֥ת
(rabat)
velen
בַּקָּהָ֖ל
(baqahal)
in de vergadering
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
הִתְקַדָּ֑שׁוּ
(hitqadashu)
zich hadden geheiligd
וְהַלְוִיִּ֞ם
(vehalviyim)
en de Levieten
עַל
(al)
waren belast met
שְׁחִיטַ֣ת
(shechitat)
het slachten van
הַפְּסָחִ֗ים
(hapesachim)
de Pesachoffers
לְכֹל֙
(lekhol)
voor ieder
לֹ֣א
(lo)
niet
טָה֔וֹר
(tahor)
rein
לְהַקְדִּ֖ישׁ
(lehaqdish)
om te wijden
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַפְּסָחִים (happesachim), ‘de Pesachoffers’: het meervoud van ‘Pesach’.

Gewoonlijk slachtte ieder gezin het eigen dier (Exod. 12:6).

Nu doen de Levieten het voor wie niet rein is.

Het gebed van Hizkia

18Want het grootste deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issachar en Zebulon, had zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pesach, niet zoals geschreven staat. Maar Hizkia bad voor hen. Hij zei: „Moge Yahweh, die goed is, verzoening doen voor
כִּ֣י
(ki)
want
מַרְבִּ֣ית
(marbit)
het grootste deel van
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
רַ֠בַּת
(rabat)
velen
מֵֽאֶפְרַ֨יִם
(meefrayim)
uit Efraïm
וּמְנַשֶּׁ֜ה
(umenashe)
en Manasse
יִשָּׂשכָ֤ר
(yisashkhar)
Issachar
וּזְבֻלוּן֙
(uzevulun)
en Zebulon
לֹ֣א
(lo)
niet
הִטֶּהָ֔רוּ
(hiteharu)
hadden zich gereinigd
כִּֽי
(ki)
maar
אָכְל֥וּ
(akhelu)
zij aten
אֶת
(et)
(obj.)
הַפֶּ֖סַח
(hapesach)
het Pesach
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
כַכָּת֑וּב
(kakatuv)
zoals geschreven
כִּי֩
(ki)
want
הִתְפַּלֵּ֨ל
(hitpalel)
bad
יְחִזְקִיָּ֤הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
voor hen
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
הַטּ֖וֹב
(hatov)
de goede
יְכַפֵּ֥ר
(yekhaper)
moge verzoening doen
בְּעַֽד
(bead)
voor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Wie onrein was, mocht niet eten van het vlees van een vredeoffer (Lev. 7:20).

Voor het Pesach geldt in Num. 9:6–12 een eigen regeling.

Het vers loopt door in vers 19: Hizkia’s gebed. Het gebed is zwart, want het zijn de woorden van de koning.

19ieder die zijn hart erop gericht heeft Elohim te zoeken, Yahweh, de Elohim van zijn vaderen, ook al is hij niet rein volgens de reinheid van het heilige.”
כָּל
(kal)
ieder
לְבָב֣וֹ
(levavo)
zijn hart
הֵכִ֔ין
(hekhin)
heeft gericht
לִדְר֛וֹשׁ
(lidrosh)
om te zoeken
הָאֱלֹהִ֥ים
(haElohim)
de Elohim
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתָ֑יו
(avotav)
zijn vaderen
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
כְּטָהֳרַ֥ת
(ketahorat)
volgens de reinheid van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טָהֳרַת הַקֹּדֶשׁ (taharat haqodesh), ‘de reinheid van het heilige’: de reinheid die voor het heiligdom vereist is.

20Yahweh hoorde Hizkia en genas het volk.
וַיִּשְׁמַ֤ע
(vayishma)
en hoorde
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
naar
יְחִזְקִיָּ֔הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
וַיִּרְפָּ֖א
(vayirpa)
en genas
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּרְפָּא (vayirpa), ‘hij genas’: de tekst zegt niet van welke ziekte of straf.

Zie ook 2 Kron. 7:14.

Het feest van de ongezuurde broden

21De zonen van Israël die in Jeruzalem aanwezig waren, vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden met grote blijdschap. Dag na dag loofden de Levieten en de priesters Yahweh, met krachtige instrumenten ter ere van Yahweh.
וַיַּעֲשׂ֣וּ
(vayaasu)
en hielden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
הַנִּמְצְאִ֨ים
(hanimtseim)
die aanwezig waren
בִּירוּשָׁלִַ֜ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אֶת
(et)
(obj.)
חַ֧ג
(chag)
het feest van
הַמַּצּ֛וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
בְּשִׂמְחָ֣ה
(besimcha)
met blijdschap
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וּֽמְהַלְלִ֣ים
(umehallim)
en loofden
לַ֠יהוָה
(laYahweh)
Yahweh
י֣וֹם
(yom)
dag
בְּי֞וֹם
(beyom)
op dag
הַלְוִיִּ֧ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַכֹּהֲנִ֛ים
(vehakohanim)
en de priesters
בִּכְלֵי
(bikhlei)
met instrumenten van
עֹ֖ז
(oz)
kracht
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בִּכְלֵי עֹז (bikhlei oz), ‘met krachtige instrumenten’: letterlijk ‘met instrumenten van kracht’.

Wij nemen aan dat het om luid klinkende instrumenten gaat.

22Hizkia sprak tot het hart van alle Levieten die goed inzicht toonden voor Yahweh. Zij aten zeven dagen lang tijdens het feest. Zij brachten vredeoffers en dankten Yahweh, de Elohim van hun vaderen.
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
יְחִזְקִיָּ֗הוּ
(yechizqiyahu)
Hizkia
עַל
(al)
tot
לֵב֙
(lev)
het hart van
כָּל
(kal)
alle
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
הַמַּשְׂכִּילִ֥ים
(hamaskilim)
die inzicht hadden
שֵֽׂכֶל
(sekhel)
inzicht
ט֖וֹב
(tov)
goed
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַיֹּאכְל֤וּ
(vayokhlu)
en zij aten
אֶת
(et)
(obj.)
הַמּוֹעֵד֙
(hamoed)
het feest
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
מְזַבְּחִים֙
(mezabechim)
offerend
זִבְחֵ֣י
(zivchei)
slachtoffers van
שְׁלָמִ֔ים
(shelamim)
vredeoffers
וּמִ֨תְוַדִּ֔ים
(umitvadim)
en dankend
לַיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
de Elohim van
אֲבוֹתֵיהֶֽם
(avoteihem)
hun vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דִּבֶּר עַל לֵב (dibber al lev), ‘sprak tot het hart’: bemoedigen, zoals in Gen. 34:3 en 50:21.

הַמַּשְׂכִּילִים שֵׂכֶל טוֹב (hammaskilim sekhel tov), ‘die goed inzicht toonden’.

Lezing

מִתְוַדִּים (mitvaddim): dit werkwoord kan ‘danken’ betekenen, maar ook ‘schuld belijden’.

Wij kiezen ‘danken’.

23Heel de vergadering overlegde om nog zeven andere dagen te vieren. Zij vierden zeven dagen met vreugde.
וַיִּוָּֽעֲצוּ֙
(vayivaatsu)
en overlegden
כָּל
(kal)
heel
הַקָּהָ֔ל
(haqahal)
de vergadering
לַעֲשׂ֕וֹת
(laasot)
om te houden
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וַיַּֽעֲשׂ֥וּ
(vayaasu)
en zij hielden
שִׁבְעַת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
שִׂמְחָֽה
(simcha)
blijdschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Want Hizkia, de koning van Juda, schonk de vergadering 1.000 stieren en 7.000 stuks kleinvee. Ook de leiders schonken de vergadering 1.000 stieren en 10.000 stuks kleinvee. Veel priesters heiligden zich.
כִּ֣י
(ki)
want
חִזְקִיָּ֣הוּ
(chizqiyahu)
Hizkia
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְ֠הוּדָה
(yehuda)
Juda
הֵרִ֨ים
(herim)
schonk
לַקָּהָ֜ל
(laqahal)
aan de vergadering
אֶ֣לֶף
(elef)
duizend
פָּרִים֮
(parim)
stieren
וְשִׁבְעַ֣ת
(veshivat)
en zeven
אֲלָפִ֣ים
(alafim)
duizend
צֹאן֒
(tson)
kleinvee
וְהַשָּׂרִ֞ים
(vehasarim)
en de leiders
הֵרִ֤ימוּ
(herimu)
schonken
לַקָּהָל֙
(laqahal)
aan de vergadering
פָּרִ֣ים
(parim)
stieren
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וְצֹ֖אן
(vetson)
en kleinvee
עֲשֶׂ֣רֶת
(aseret)
tien
אֲלָפִ֑ים
(alafim)
duizend
וַיִּֽתְקַדְּשׁ֥וּ
(vayitqadeshu)
en zij heiligden zich
כֹהֲנִ֖ים
(kohanim)
priesters
לָרֹֽב
(larov)
in menigte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵרִים (herim), ‘schonk’: letterlijk ‘hief op’.

Het is dezelfde stam als ‘heffing’ (תְּרוּמָה, terumah).

Samen schonken de koning en de leiders 2.000 stieren en 17.000 stuks kleinvee.

25Heel de vergadering van Juda verheugde zich, met de priesters en de Levieten. Ook heel de vergadering die uit Israël was gekomen verheugde zich. Ook de vreemdelingen die uit het land Israël waren gekomen verheugden zich, en zij die in Juda woonden.
וַֽיִּשְׂמְח֣וּ
(vayismechu)
en verheugden zich
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֣ל
(qehal)
de vergadering van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
וְהַלְוִיִּ֔ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הַקָּהָ֖ל
(haqahal)
de vergadering
הַבָּאִ֣ים
(habaim)
die kwamen
מִיִּשְׂרָאֵ֑ל
(miyisrael)
uit Israël
וְהַגֵּרִ֗ים
(vehagerim)
en de vreemdelingen
הַבָּאִים֙
(habaim)
die kwamen
מֵאֶ֣רֶץ
(meerets)
uit het land
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְהַיּוֹשְׁבִ֖ים
(vehayoshevim)
en die woonden
בִּיהוּדָֽה
(bihuda)
in Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גֵּר (ger), ‘vreemdeling’: iemand die als gast in het land woont.

Het Hebreeuws spreekt hier van vreemdelingen die uit het land Israël kwamen, en van ‘hen die in Juda woonden’.

Wij laten open of die laatsten ook vreemdelingen waren.

Grote blijdschap in Jeruzalem

26Er was grote blijdschap in Jeruzalem. Want sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was er in Jeruzalem niets zoals dit geweest.
וַתְּהִ֥י
(vatehi)
en was
שִׂמְחָֽה
(simcha)
blijdschap
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
בִּֽירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
כִּ֠י
(ki)
want
מִימֵ֞י
(mimei)
sinds de dagen van
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
בֶן
(ben)
zoon van
דָּוִיד֙
(david)
David
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לֹ֥א
(lo)
niet
כָזֹ֖את
(kazot)
zoals deze
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Het grote feest van Salomo staat in 1 Kon. 8:65 en 2 Kron. 7:8–10: zeven dagen en nog eens zeven dagen.

27De priesters, de Levieten, stonden op en zegenden het volk. Hun stem werd gehoord en hun gebed kwam bij Zijn heilige woning, in de hemel.
וַיָּקֻ֜מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
וַיְבָרֲכ֣וּ
(vayvarakhu)
en zegenden
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיִּשָּׁמַ֖ע
(vayishama)
en werd gehoord
בְּקוֹלָ֑ם
(beqolam)
hun stem
וַתָּב֧וֹא
(vatavo)
en kwam
תְפִלָּתָ֛ם
(tefilatam)
hun gebed
לִמְע֥וֹן
(limon)
tot de woning van
קָדְשׁ֖וֹ
(qadesho)
Zijn heiligheid
לַשָּׁמָֽיִם
(lashamayim)
tot de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מְעוֹן קָדְשׁוֹ (me’on qodsho), ‘Zijn heilige woning’: de hemel, zoals in Deut. 26:15.

De priesters zegenen het volk zoals in Num. 6:23–27.

הַכֹּהֲנִים הַלְוִיִּם (hakohanim haleviyyim), ‘de priesters, de Levieten’: het Hebreeuws heeft hier geen ‘en’. Het zijn de priesters uit de stam Levi.