Elohim Bijbel

1 Kronieken 6

1234567891011121314151617181920212223242526272829

De Levieten, de zangers en de steden van de Levieten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Levi

1De zonen van Levi: Gersjon, Kehat en Merari.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
לֵוִ֑י
(levi)
Levi
גֵּרְשֹׁ֕ם
(gereshom)
Gersjon
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
וּמְרָרִֽי
(umerari)
en Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In de Nederlandse telling is Hebr. 6:1 gelijk aan 1 Kron. 6:16 (Hebr. 6:1–66 = NL 6:16–81).

Wij volgen de Masoretische telling.

גֵּרְשֹׁם (gershom): in dit hoofdstuk staat de zoon van Levi ook als גֵּרְשׁוֹם. Wij schrijven overal Gersjon, zoals Exod. 6:16 en 1 Kron. 5:27. Dat is een andere man dan Gersom, de zoon van Mozes (Exod. 2:22).

2Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon: Libni en Simi.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit zijn
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
de namen van
בְּֽנֵי
(benei)
de zonen van
גֵרְשׁ֖וֹם
(gereshom)
Gersjon
לִבְנִ֥י
(livni)
Libni
וְשִׁמְעִֽי
(veshimi)
en Simi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 6:17 en Num. 3:18.

Daar staat שִׁמְעִי (shimi) ook als Simi.

3De zonen van Kehat: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël.
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en de zonen van
קְהָ֑ת
(qehat)
Kehat
עַמְרָ֣ם
(amram)
Amram
וְיִצְהָ֔ר
(veyitshar)
en Jishar
וְחֶבְר֖וֹן
(vechevron)
en Hebron
וְעֻזִּיאֵֽל
(veuziel)
en Uzziël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 6:18.

4De zonen van Merari: Machli en Musji. Dit zijn de families van de Levieten, naar hun vaders.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
מְרָרִ֖י
(merari)
Merari
מַחְלִ֣י
(machli)
Machli
וּמֻשִׁ֑י
(umushi)
en Musji
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit zijn
מִשְׁפְּח֥וֹת
(mishpechot)
de families van
הַלֵּוִ֖י
(halevi)
de Levi
לַאֲבוֹתֵיהֶֽם
(laavoteihem)
naar hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Exod. 6:19 en Num. 3:20.

5Van Gersjon: Libni was zijn zoon, Jachat was diens zoon, Zimma was diens zoon.
לְֽגֵרְשׁ֑וֹם
(legereshom)
van Gersjon
לִבְנִ֥י
(livni)
Libni
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
יַ֥חַת
(yachat)
Jachat
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
זִמָּ֥ה
(zima)
Zimma
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In dit hoofdstuk staat de lijn van Gersjon op twee plaatsen.

Hier is Libni een zoon van Gersjon en Jachat een zoon van Libni.

In vers 28 is Jachat een zoon van Gersjon.

Wij vertalen beide zoals de tekst ze geeft.

6Joach was diens zoon, Iddo was diens zoon, Zerach was diens zoon, Jeatrai was diens zoon.
יוֹאָ֤ח
(yoach)
Joach
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
עִדּ֣וֹ
(ido)
Iddo
בְנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
זֶ֥רַח
(zerach)
Zerach
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
יְאָתְרַ֥י
(yeateray)
Jeatrai
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De zonen van Kehat: Amminadab was zijn zoon, Korach was diens zoon, Assir was diens zoon.
בְּנֵ֖י
(benei)
de zonen van
קְהָ֑ת
(qehat)
Kehat
עַמִּינָדָ֣ב
(aminadav)
Amminadab
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
קֹ֥רַח
(qorach)
Korach
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אַסִּ֥יר
(asir)
Assir
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Hier is Amminadab de vader van Korach.

In Exod. 6:21 en Num. 16:1 en in vers 23 is Korach een zoon van Jishar.

De tekst laat niet zien hoe beide lijsten samenhangen.

Wij vertalen zoals de tekst staat.

8Elkana was diens zoon, Ebjasaf was diens zoon, Assir was diens zoon.
אֶלְקָנָ֥ה
(elqana)
Elkana
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאֶבְיָסָ֥ף
(veevyasaf)
en Ebjasaf
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
וְאַסִּ֥יר
(veasir)
en Assir
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֶבְיָסָף (evyasaf), Ebjasaf: in Exod. 6:24 staat dezelfde naam als Abiasaf.

In Exod. 6:24 zijn Assir, Elkana en Abiasaf zonen van Korach.

Hier volgen ze elkaar op als vader en zoon.

Zie ookEx 6:24
9Tachat was diens zoon, Uriël was diens zoon, Uzzia was diens zoon, Saul was diens zoon.
תַּ֤חַת
(tachat)
Tachat
בְּנוֹ֙
(beno)
zijn zoon
אוּרִיאֵ֣ל
(uriel)
Uriël
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
עֻזִּיָּ֥ה
(uziya)
Uzzia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
וְשָׁא֥וּל
(veshaul)
en Saul
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De zonen van Elkana: Amasai en Achimot.
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en de zonen van
אֶלְקָנָ֔ה
(elqana)
Elkana
עֲמָשַׂ֖י
(amasay)
Amasai
וַאֲחִימֽוֹת
(vaachimot)
en Achimot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Elkana. De zonen van Elkana: Zofai was zijn zoon en Nachat was diens zoon.
אֶלְקָנָ֑ה
(elqana)
Elkana
בְּנֵי֙
(benei)
de zonen van
אֶלְקָנָ֔ה
(elqana)
Elkana
צוֹפַ֥י
(tsofay)
Zofai
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
וְנַ֥חַת
(venachat)
en Nachat
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צוֹפַי (tsofai), Zofai: in vers 20 staat Zuf (1 Sam. 1:1).

Lezing

Geschreven staat בנו (beno), ‘zijn zoon’.

Gelezen wordt בני (benei), ‘de zonen van’.

Wij volgen de lezing.

12Eliab was diens zoon, Jerocham was diens zoon, Elkana was diens zoon.
אֱלִיאָ֥ב
(eliav)
Eliab
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
יְרֹחָ֥ם
(yerocham)
Jerocham
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֶלְקָנָ֥ה
(elqana)
Elkana
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dezelfde man heet in vers 19 Eliël en in 1 Sam. 1:1 Elihu.

Wij schrijven elke naam zoals de tekst hem geeft.

13De zonen van Samuël: Wasni, de eerstgeborene, en Abia.
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
שְׁמוּאֵ֛ל
(shemuel)
Samuël
הַבְּכֹ֥ר
(habekhor)
de eerstgeborene
וַשְׁנִ֖י
(vashni)
en Wasni
וַאֲבִיָּֽה
(vaaviya)
en Abia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

וַשְׁנִי (vashni), ‘Wasni’, staat zo in de Masoretische tekst.

In 1 Sam. 8:2 heet de oudste zoon van Samuël Joël, en Abia is de tweede.

Sommige oude vertalingen lezen hier ‘Joël’ en ‘de tweede’.

Wij vertalen Wasni als naam, zoals de Hebreeuwse tekst hem geeft.

14De zonen van Merari: Machli. Libni was zijn zoon, Simi was diens zoon, Uzza was diens zoon.
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
מְרָרִ֖י
(merari)
Merari
מַחְלִ֑י
(machli)
Machli
לִבְנִ֥י
(livni)
Libni
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
שִׁמְעִ֥י
(shimi)
Simi
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
עֻזָּ֥ה
(uza)
Uzza
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Simea was diens zoon, Chaggia was diens zoon, Asaja was diens zoon.
שִׁמְעָ֥א
(shima)
Simea
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
חַגִּיָּ֥ה
(chagiya)
Chaggia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
עֲשָׂיָ֥ה
(asaya)
Asaja
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De zangers van David

16Dit zijn de mannen die David aanstelde voor de dienst van het lied in het huis van Yahweh, sinds de ark tot rust was gekomen.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dezen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֶעֱמִ֥יד
(heemid)
stelde aan
דָּוִ֛יד
(david)
David
עַל
(al)
over
יְדֵי
(yedei)
de handen van
שִׁ֖יר
(shir)
lied
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מִמְּנ֖וֹחַ
(mimenoach)
vanaf het rusten van
הָאָרֽוֹן
(haaron)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַל יְדֵי שִׁיר (al yedei shir), letterlijk ‘op de handen van het lied’: voor de dienst van het lied.

מִמְּנוֹחַ הָאָרוֹן (mimmenoach haaron), ‘vanaf het rusten van de ark’: sinds de ark een vaste plaats had gekregen (2 Sam. 6:17).

17Zij deden dienst met zang voor de tabernakel van de tent van samenkomst. Dat deden zij tot Salomo het huis van Yahweh in Jeruzalem bouwde. Zij stonden bij hun dienst volgens hun recht.
וַיִּהְי֨וּ
(vayihyu)
en zij waren
מְשָׁרְתִ֜ים
(mesharetim)
dienstdoend
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor het aangezicht van
מִשְׁכַּ֤ן
(mishkan)
de tabernakel van
אֹֽהֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵד֙
(moed)
samenkomst
בַּשִּׁ֔יר
(bashir)
met zang
עַד
(ad)
tot
בְּנ֧וֹת
(benot)
het bouwen van
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיַּעַמְד֥וּ
(vayaamdu)
en zij stonden
כְמִשְׁפָּטָ֖ם
(kemishpatam)
volgens hun recht
עַל
(al)
bij
עֲבוֹדָתָֽם
(avodatam)
hun dienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: de vaste regeling van hun dienst.

מִשְׁכַּן אֹהֶל מוֹעֵד (mishkan ohel moed), ‘de tabernakel van de tent van samenkomst’: de tent waar de dienst plaatsvond.

Heman, de zoon van Joël

18Dit zijn de mannen die daar stonden, met hun zonen. Uit de zonen van de Kehatieten: Heman, de zanger, de zoon van Joël, de zoon van Samuël,
וְאֵ֥לֶּה
(veele)
en dezen
הָעֹמְדִ֖ים
(haomedim)
de staanden
וּבְנֵיהֶ֑ם
(uveneihem)
en hun zonen
מִבְּנֵי֙
(mibenei)
uit de zonen van
הַקְּהָתִ֔י
(haqehati)
de Kehatiet
הֵימָן֙
(heiman)
Heman
הַמְשׁוֹרֵ֔ר
(hamshorer)
de zanger
בֶּן
(ben)
de zoon van
יוֹאֵ֖ל
(yoel)
Joël
בֶּן
(ben)
de zoon van
שְׁמוּאֵֽל
(shemuel)
Samuël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵימָן (heman), Heman: een zanger van David.

Hij is een kleinzoon van Samuël (vergelijk 1 Sam. 8:2).

19de zoon van Elkana, de zoon van Jerocham, de zoon van Eliël, de zoon van Toach,
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֶלְקָנָה֙
(elqana)
Elkana
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְרֹחָ֔ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֱלִיאֵ֖ל
(eliel)
Eliël
בֶּן
(ben)
de zoon van
תּֽוֹחַ
(toach)
Toach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is de lijn van Elkana uit 1 Sam. 1:1: Elkana, Jerocham, Eliël (daar Elihu), Toach (daar Tochu) en Zuf.

Zie ook1 Sam 1:1
20de zoon van Zuf, de zoon van Elkana, de zoon van Machat, de zoon van Amasai,
בֶּן
(ben)
de zoon van
צוּף֙
(tsuf)
Zuf
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֶלְקָנָ֔ה
(elqana)
Elkana
בֶּן
(ben)
de zoon van
מַ֖חַת
(machat)
Machat
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֲמָשָֽׂי
(amasay)
Amasai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Geschreven staat צִיף (tsif).

Gelezen wordt צוּף (tsuf), Zuf.

Wij volgen de lezing, zoals 1 Sam. 1:1.

Zie ook1 Sam 1:1
21de zoon van Elkana, de zoon van Joël, de zoon van Azarja, de zoon van Sefanja,
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֶלְקָנָה֙
(elqana)
Elkana
בֶּן
(ben)
de zoon van
יוֹאֵ֔ל
(yoel)
Joël
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֲזַרְיָ֖ה
(azarya)
Azarja
בֶּן
(ben)
de zoon van
צְפַנְיָֽה
(tsefanya)
Sefanja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22de zoon van Tachat, de zoon van Assir, de zoon van Ebjasaf, de zoon van Korach,
בֶּן
(ben)
de zoon van
תַּ֨חַת֙
(tachat)
Tachat
בֶּן
(ben)
de zoon van
אַסִּ֔יר
(asir)
Assir
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֶבְיָסָ֖ף
(evyasaf)
Ebjasaf
בֶּן
(ben)
de zoon van
קֹֽרַח
(qorach)
Korach
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, de zoon van Israël.
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִצְהָ֣ר
(yitshar)
Jishar
בֶּן
(ben)
de zoon van
קְהָ֔ת
(qehat)
Kehat
בֶּן
(ben)
de zoon van
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
בֶּן
(ben)
de zoon van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Asaf, aan zijn rechterhand

24Zijn broer Asaf stond aan zijn rechterhand. Asaf was de zoon van Berechjahu, de zoon van Simea,
וְאָחִ֣יו
(veachiv)
en zijn broer
אָסָ֔ף
(asaf)
Asaf
הָעֹמֵ֖ד
(haomed)
de staande
עַל
(al)
aan
יְמִינ֑וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
אָסָ֥ף
(asaf)
Asaf
בֶּן
(ben)
de zoon van
בֶּרֶכְיָ֖הוּ
(berekhyahu)
Berechjahu
בֶּן
(ben)
de zoon van
שִׁמְעָֽא
(shima)
Simea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָחִיו (achiv), ‘zijn broer’: een medelevi.

Asaf stamt af van Gersjon (verzen 24–28).

25de zoon van Michaël, de zoon van Baäseja, de zoon van Malkia,
בֶּן
(ben)
de zoon van
מִיכָאֵ֥ל
(mikhael)
Michaël
בֶּן
(ben)
de zoon van
בַּעֲשֵׂיָ֖ה
(baaseya)
Baäseja
בֶּן
(ben)
de zoon van
מַלְכִּיָּֽה
(malkiya)
Malkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26de zoon van Etni, de zoon van Zerach, de zoon van Adaja,
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֶתְנִ֥י
(etni)
Etni
בֶן
(ben)
de zoon van
זֶ֖רַח
(zerach)
Zerach
בֶּן
(ben)
de zoon van
עֲדָיָֽה
(adaya)
Adaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27de zoon van Etan, de zoon van Zimma, de zoon van Simi,
בֶּן
(ben)
de zoon van
אֵיתָ֥ן
(eitan)
Etan
בֶּן
(ben)
de zoon van
זִמָּ֖ה
(zima)
Zimma
בֶּן
(ben)
de zoon van
שִׁמְעִֽי
(shimi)
Simi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28de zoon van Jachat, de zoon van Gersjon, de zoon van Levi.
בֶּן
(ben)
de zoon van
יַ֥חַת
(yachat)
Jachat
בֶּן
(ben)
de zoon van
גֵּרְשֹׁ֖ם
(gereshom)
Gersjon
בֶּן
(ben)
de zoon van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Etan van Merari, aan zijn linkerhand

29De zonen van Merari, hun broers, stonden aan de linkerhand: Etan, de zoon van Kisji, de zoon van Abdi, de zoon van Malluch,
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
מְרָרִ֛י
(merari)
Merari
אֲחֵיהֶ֖ם
(acheihem)
hun broers
עַֽל
(al)
aan
הַשְּׂמֹ֑אול
(hasemovl)
de linkerhand
אֵיתָן֙
(eitan)
Etan
בֶּן
(ben)
de zoon van
קִישִׁ֔י
(qishi)
Kisji
בֶּן
(ben)
de zoon van
עַבְדִּ֖י
(avdi)
Abdi
בֶּן
(ben)
de zoon van
מַלּֽוּךְ
(malukh)
Malluch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׂמֹאול (semol), ‘linkerhand’: Etan van Merari stond links van Heman.

Asaf stond rechts (vers 24).

30de zoon van Chasjabja, de zoon van Amatsja, de zoon van Chilkia,
בֶּן
(ben)
de zoon van
חֲשַׁבְיָ֥ה
(chashavya)
Chasjabja
בֶן
(ben)
de zoon van
אֲמַצְיָ֖ה
(amatsya)
Amatsja
בֶּן
(ben)
de zoon van
חִלְקִיָּֽה
(chilqiya)
Chilkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31de zoon van Amatsi, de zoon van Bani, de zoon van Sjemer,
בֶּן
(ben)
de zoon van
אַמְצִ֥י
(amtsi)
Amatsi
בֶן
(ben)
de zoon van
בָּנִ֖י
(bani)
Bani
בֶּן
(ben)
de zoon van
שָֽׁמֶר
(shamer)
Sjemer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32de zoon van Machli, de zoon van Musji, de zoon van Merari, de zoon van Levi.
בֶּן
(ben)
de zoon van
מַחְלִי֙
(machli)
Machli
בֶּן
(ben)
de zoon van
מוּשִׁ֔י
(mushi)
Musji
בֶּן
(ben)
de zoon van
מְרָרִ֖י
(merari)
Merari
בֶּן
(ben)
de zoon van
לֵוִֽי
(levi)
Levi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De dienst van Aäron en zijn zonen

33Hun broers, de Levieten, waren gegeven voor heel de dienst van de tabernakel van het huis van Elohim.
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broers
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
נְתוּנִ֕ים
(netunim)
gegeven
לְכָ֨ל
(lekhal)
voor heel
עֲבוֹדַ֔ת
(avodat)
de dienst van
מִשְׁכַּ֖ן
(mishkan)
de tabernakel van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתוּנִים (netunim), ‘gegeven’: de Levieten zijn gegeven aan Aäron en zijn zonen voor de dienst (Num. 3:9; 8:19).

34Aäron en zijn zonen lieten offers in rook opgaan op het brandofferaltaar en op het wierookaltaar. Zij deden al het werk in het hoogheilige. Zij deden verzoening voor Israël, zoals Mozes, de dienaar van Elohim, geboden had.
וְֽאַהֲרֹ֨ן
(veaharon)
en Aäron
וּבָנָ֜יו
(uvanav)
en zijn zonen
מַקְטִירִ֨ים
(maqtirim)
laten opgaan in rook
עַל
(al)
op
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
het altaar van
הָֽעוֹלָה֙
(haola)
het brandoffer
וְעַל
(veal)
en op
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
het altaar van
הַקְּטֹ֔רֶת
(haqetoret)
het wierook
לְכֹ֕ל
(lekhol)
voor al
מְלֶ֖אכֶת
(melekhet)
het werk van
קֹ֣דֶשׁ
(qodesh)
het heilige
הַקֳּדָשִׁ֑ים
(haqodashim)
van de hoogheilige
וּלְכַפֵּר֙
(ulekhaper)
en om verzoening te doen
עַל
(al)
voor
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כְּכֹל֙
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
צִוָּ֔ה
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
עֶ֥בֶד
(eved)
de dienaar van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
de Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַקְטִירִים (maqtirim), ‘zij lieten in rook opgaan’: offers en wierook (Exod. 30:1, 30:7).

35Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinechas was diens zoon, Abisjoea was diens zoon,
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit zijn
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֑ן
(aharon)
Aäron
אֶלְעָזָ֥ר
(elazar)
Eleazar
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
פִּֽינְחָ֥ס
(pinechas)
Pinechas
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲבִישׁ֥וּעַ
(avishua)
Abisjoea
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Deze lijn loopt van Aäron tot Achimaäs.

In 1 Kron. 5:30–34 staat hij ook, met dezelfde namen.

36Bukki was diens zoon, Uzzi was diens zoon, Zerachja was diens zoon,
בֻּקִּ֥י
(buqi)
Bukki
בְנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
עֻזִּ֥י
(uzi)
Uzzi
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
זְרַֽחְיָ֥ה
(zerachya)
Zerachja
בְנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Merajot was diens zoon, Amarja was diens zoon, Achitub was diens zoon,
מְרָי֥וֹת
(merayot)
Merajot
בְּנ֛וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲמַרְיָ֥ה
(amarya)
Amarja
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲחִיט֥וּב
(achituv)
Achitub
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Zadok was diens zoon, Achimaäs was diens zoon.
צָד֥וֹק
(tsadoq)
Zadok
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
אֲחִימַ֥עַץ
(achimaats)
Achimaäs
בְּנֽוֹ
(beno)
zijn zoon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De steden van de Levieten

39Dit zijn hun woonplaatsen, naar hun kampen, binnen hun gebied. Zij waren voor de zonen van Aäron uit de familie van de Kehatieten. Want het lot was voor hen.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit zijn
מוֹשְׁבוֹתָ֔ם
(moshevotam)
hun woonplaatsen
לְטִירוֹתָ֖ם
(letirotam)
naar hun kampen
בִּגְבוּלָ֑ם
(bigvulam)
binnen hun gebied
לִבְנֵ֤י
(livnei)
voor de zonen van
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
לְמִשְׁפַּחַ֣ת
(lemishpachat)
uit de familie van
הַקְּהָתִ֔י
(haqehati)
de Kehatiet
כִּ֥י
(ki)
want
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
הָיָ֥ה
(haya)
was
הַגּוֹרָֽל
(hagoral)
het lot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

טִירָה (tirah), ‘kamp’: een omheind verblijf van tenten of huizen (vergelijk Gen. 25:16; Num. 31:10).

Hier is het de woonplaats van de Levieten.

Vanaf dit vers staat de lijst van de Levietensteden. Zij komt overeen met Joz. 21:4–39.

40Zij gaven hun Hebron, in het land Juda, met de weidegrond eromheen.
וַֽיִּתְּנ֥וּ
(vayitenu)
en zij gaven
לָהֶ֛ם
(lahem)
aan hen
אֶת
(et)
(obj.)
חֶבְר֖וֹן
(chevron)
Hebron
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֖יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
סְבִיבֹתֶֽיהָ
(sevivoteiha)
rondom haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

41Het veld van de stad en haar dorpen gaven zij aan Kaleb, de zoon van Jefunne.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׂדֵ֥ה
(sede)
het veld van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲצֵרֶ֑יהָ
(chatsereiha)
haar dorpen
נָתְנ֖וּ
(natenu)
zij gaven
לְכָלֵ֥ב
(lekhalev)
aan Kaleb
בֶּן
(ben)
de zoon van
יְפֻנֶּֽה
(yefune)
Jefunne
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Joz. 21:12.

42Aan de zonen van Aäron gaven zij de vrijsteden: Hebron en Libna met zijn weidegrond, Jattir en Estemoa met zijn weidegrond,
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en aan de zonen van
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
נָתְנוּ֙
(natenu)
zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
הַמִּקְלָ֔ט
(hamiqlat)
de vrijplaats
אֶת
(et)
(obj.)
חֶבְר֥וֹן
(chevron)
Hebron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
לִבְנָ֖ה
(livna)
Libna
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יַתִּ֥ר
(yatir)
Jattir
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
אֶשְׁתְּמֹ֖עַ
(eshtemoa)
Estemoa
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jattir is waarschijnlijk Khirbet Attir en Estemoa het huidige es-Samu, beide in het zuiden van Juda (Westelijke Jordaanoever).

De plek van Libna is onzeker.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

עָרֵי הַמִּקְלָט (arei hamiqlat), ‘de steden van de vrijplaats’.

Volgens Joz. 21:13 is alleen Hebron een vrijstad.

De andere steden staan in de lijst erbij.

Vergelijk Joz. 21:13–14.

43ook Chilez met zijn weidegrond en Debir met zijn weidegrond,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חִילֵז֙
(chilez)
Chilez
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבִ֖יר
(devir)
Debir
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chilez (Cholon?; ligging onzeker): Chilez is waarschijnlijk dezelfde stad als Cholon (Jozua 21:15), in het bergland van Juda, ten noorden van Hebron.

Dit is niet zeker.

Lezing

Hier staat חִילֵז (chilez), Chilez.

In Joz. 21:15 staat op deze plaats Cholon.

Of het dezelfde stad is, is onzeker.

44ook Asan met zijn weidegrond en Bet-Semes met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָשָׁן֙
(ashan)
Asan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
שֶׁ֖מֶשׁ
(shemesh)
Semes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bet-Semes: Bet-Semes (Tel Bet-Semes) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.

In Jozua 19:22 en 19:38 gaat het om andere plaatsen in Galilea.

Lezing

Hier staat עָשָׁן (ashan), Asan.

In Joz. 21:16 staat Ain (vergelijk Joz. 15:42).

Joz. 21:16 noemt ook Juta, dat hier niet staat.

45Uit de stam Benjamin: Geba met zijn weidegrond, Alemet met zijn weidegrond en Anatot met zijn weidegrond. Al hun steden waren 13 steden, naar hun families.
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
בִנְיָמִ֗ן
(binyamin)
Benjamin
אֶת
(et)
(obj.)
גֶּ֤בַע
(geva)
Geba
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֨יהָ֙
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָלֶ֣מֶת
(alemet)
Alemet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲנָת֖וֹת
(anatot)
Anatot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
כָּל
(kal)
alle
עָרֵיהֶ֛ם
(areihem)
hun steden
שְׁלֹשׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
עִ֖יר
(ir)
stad
בְּמִשְׁפְּחוֹתֵיהֶֽם
(bemishpechoteihem)
naar hun families
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Geba ligt bij het huidige Jaba, ten noordoosten van Jeruzalem.

Alemet is waarschijnlijk dezelfde plaats als Almon in Joz. 21:18 (Khirbet Almit).

Anatot ligt bij Anata, ten noordoosten van Jeruzalem.

Alle drie zijn waarschijnlijk.

Lezing

De tekst telt 13 steden voor de priesters (zoals Joz. 21:19), maar noemt er hier 11 met name: 8 in Juda en Simeon en 3 in Benjamin.

Joz. 21:16–18 noemt er 9 en 4.

Daar staan ook Juta en Gibeon, die hier ontbreken.

Wij vertalen zoals de tekst staat.

Kehat, Gersjon en Merari

46De overige zonen van Kehat kregen door het lot 10 steden uit de familie van de stam, uit de helft van de stam Manasse.
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en aan de zonen van
קְהָ֜ת
(qehat)
Kehat
הַנּוֹתָרִ֗ים
(hanotarim)
die overbleven
מִמִּשְׁפַּ֣חַת
(mimishpachat)
uit de familie van
הַמַּטֶּ֡ה
(hamate)
de stam
מִֽ֠מַּחֲצִית
(mimachatsit)
uit de helft van
מַטֵּ֨ה
(mate)
stam
חֲצִ֧י
(chatsi)
helft van
מְנַשֶּׁ֛ה
(menashe)
Manasse
בַּגּוֹרָ֖ל
(bagoral)
door het lot
עָרִ֥ים
(arim)
steden
עָֽשֶׂר
(aser)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is kort en herhaalt ‘de stam’.

Vergelijk Joz. 21:5.

Daar zijn het Efraïm, Dan en de helft van Manasse.

In de lijst hierna (verzen 51–55) komen Efraïm en de helft van Manasse voor.

Dan ontbreekt.

47De zonen van Gersjon kregen, naar hun families, 13 steden. Die waren uit de stam Issachar, de stam Aser, de stam Naftali en de stam Manasse in Basan.
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en aan de zonen van
גֵרְשׁ֜וֹם
(gereshom)
Gersjon
לְמִשְׁפְּחוֹתָ֗ם
(lemishpechotam)
naar hun families
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
uit de stam van
יִ֠שָׂשכָר
(yisashkhar)
Issachar
וּמִמַּטֵּ֨ה
(umimate)
en uit de stam van
אָשֵׁ֜ר
(asher)
Aser
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
נַפְתָּלִ֗י
(naftali)
Naftali
וּמִמַּטֵּ֤ה
(umimate)
en uit de stam van
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
בַּבָּשָׁ֔ן
(babashan)
in Basan
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שְׁלֹ֥שׁ
(shelosh)
drie
עֶשְׂרֵֽה
(esre)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Uitleg

Vergelijk Joz. 21:6.

48De zonen van Merari kregen, naar hun families, door het lot 12 steden uit de stam Ruben, de stam Gad en de stam Zebulon.
לִבְנֵ֨י
(livnei)
aan de zonen van
מְרָרִ֜י
(merari)
Merari
לְמִשְׁפְּחוֹתָ֗ם
(lemishpechotam)
naar hun families
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
uit de stam van
רְ֠אוּבֵן
(reuven)
Ruben
וּֽמִמַּטֵּה
(umimate)
en uit de stam van
גָ֞ד
(gad)
Gad
וּמִמַּטֵּ֤ה
(umimate)
en uit de stam van
זְבוּלֻן֙
(zevulun)
Zebulon
בַּגּוֹרָ֔ל
(bagoral)
door het lot
עָרִ֖ים
(arim)
steden
שְׁתֵּ֥ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵֽה
(esre)
tien
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49De zonen van Israël gaven aan de Levieten de steden met hun weidegrond.
וַיִּתְּנ֥וּ
(vayitenu)
en zij gaven
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לַלְוִיִּ֑ם
(lalviyim)
aan de Levieten
אֶת
(et)
(obj.)
הֶעָרִ֖ים
(hearim)
de steden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרְשֵׁיהֶֽם
(migresheihem)
hun weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Zij gaven deze steden door het lot. Ze kwamen uit de stam van de zonen van Juda, de stam van de zonen van Simeon en de stam van de zonen van Benjamin. Zij noemden ze bij naam.
וַיִּתְּנ֣וּ
(vayitenu)
en zij gaven
בַגּוֹרָ֗ל
(bagoral)
door het lot
מִמַּטֵּ֤ה
(mimate)
uit de stam van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
בְנֵי
(benei)
de zonen van
שִׁמְע֔וֹן
(shimon)
Simeon
וּמִמַּטֵּ֖ה
(umimate)
en uit de stam van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֔לֶּה
(haele)
deze
אֲשֶׁר
(asher)
die
יִקְרְא֥וּ
(yiqreu)
zij noemden
אֶתְהֶ֖ם
(ethem)
hen
בְּשֵׁמֽוֹת
(beshemot)
bij namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vergelijk Joz. 21:9.

Kehat: Efraïm en Manasse

51Voor sommige families van de zonen van Kehat lagen de steden van hun gebied in de stam Efraïm.
וּמִֽמִּשְׁפְּח֖וֹת
(umimishpechot)
en uit de families van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
קְהָ֑ת
(qehat)
Kehat
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het was
עָרֵ֣י
(arei)
de steden van
גְבוּלָ֔ם
(gevulam)
hun gebied
מִמַּטֵּ֖ה
(mimate)
uit de stam van
אֶפְרָֽיִם
(efrayim)
Efraïm
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
52Zij gaven hun de vrijsteden: Sichem met zijn weidegrond, in het bergland van Efraïm, en Gezer met zijn weidegrond,
וַיִּתְּנ֨וּ
(vayitenu)
en zij gaven
לָהֶ֜ם
(lahem)
aan hen
אֶת
(et)
(obj.)
עָרֵ֧י
(arei)
de steden van
הַמִּקְלָ֛ט
(hamiqlat)
de vrijplaats
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁכֶ֥ם
(shekhem)
Sichem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֖יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
בְּהַ֣ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גֶּ֖זֶר
(gezer)
Gezer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Sichem is waarschijnlijk Tell Balata, bij Nablus (Westelijke Jordaanoever).

Gezer is Tell Gezer, ten zuidoosten van Tel Aviv (Israël); dat is waarschijnlijk.

Sichem is een vrijstad (Joz. 20:7).

Vergelijk Joz. 21:21.

Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.

53ook Jokmeam met zijn weidegrond en Bet-Choron met zijn weidegrond,
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
יָקְמְעָם֙
(yaqemeam)
Jokmeam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
חוֹר֖וֹן
(choron)
Choron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Bet-Choron: Boven- en Neder-Bet-Choron lagen aan de weg van Gibeon naar Ajalon, bij Beit Ur al-Fauqa en Beit Ur al-Tahta, ten noordwesten van Jeruzalem.

Lezing

Hier staat יָקְמְעָם (yaqmeam), Jokmeam.

In Joz. 21:22 staat Kibzajim.

Bet-Choron is Beit Ur, ten noordwesten van Jeruzalem; dat is waarschijnlijk.

De plek van Jokmeam is onzeker.

54ook Ajalon met zijn weidegrond en Gat-Rimmon met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַיָּלוֹן֙
(ayalon)
Ajalon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גַּת
(gat)
Gat
רִמּ֖וֹן
(rimon)
Rimmon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ajalon: Ajalon (Yalo) lag in het dal van Ajalon, ten westen van Gibeon, aan de rand van de Sefela.

Lezing

Ajalon is Yalo, in het westen van het bergland; dat is waarschijnlijk.

Joz. 21:23–24 noemt hier ook Elteke en Gibbeton uit de stam Dan.

Die staan hier niet.

55Uit de helft van de stam Manasse: Aner met zijn weidegrond en Bileam met zijn weidegrond. Dat was voor de familie van de overige zonen van Kehat.
וּמִֽמַּחֲצִית֙
(umimachatsit)
en uit de helft van
מַטֵּ֣ה
(mate)
stam
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
עָנֵר֙
(aner)
Aner
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּלְעָ֖ם
(bilam)
Bileam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
לְמִשְׁפַּ֥חַת
(lemishpachat)
voor de familie van
לִבְנֵי
(livnei)
de zonen van
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
הַנּוֹתָרִֽים
(hanotarim)
die overbleven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aner (Taänak; ligging onzeker): Aner is hier een Levietenstad in West-Manasse die in Jozua 21:25 Taänak heet.

Dat zou de plaats Tel Taanach zijn; dit is niet zeker.

Zie Bileam (Jibleam; ligging onzeker): Bileam is hier een Levietenstad in West-Manasse, mogelijk Jibleam (Jozua 17:11) bij Jenin.

Dit is niet zeker.

Lezing

Hier staan Aner en Bileam.

In Joz. 21:25 staan op deze plaats Taänak en Gat-Rimmon.

Of het andere namen voor dezelfde steden zijn, is onzeker.

Gersjon: Manasse, Issachar, Aser en Naftali

56Voor de zonen van Gersjon, uit de familie van de halve stam Manasse: Golan in Basan met zijn weidegrond en Astarot met zijn weidegrond.
לִבְנֵי֮
(livnei)
aan de zonen van
גֵּרְשׁוֹם֒
(gereshom)
Gersjon
מִמִּשְׁפַּ֗חַת
(mimishpachat)
uit de familie van
חֲצִי֙
(chatsi)
helft van
מַטֵּ֣ה
(mate)
stam
מְנַשֶּׁ֔ה
(menashe)
Manasse
אֶת
(et)
(obj.)
גּוֹלָ֥ן
(golan)
Golan
בַּבָּשָׁ֖ן
(babashan)
in Basan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַשְׁתָּר֖וֹת
(ashtarot)
Astarot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Golan in Basan is een vrijstad (Joz. 20:8).

De plek is onzeker.

Astarot ligt waarschijnlijk bij Tell Ashtara, in het zuiden van Syrië.

Lezing

In Joz. 21:27 staat hier Beëstera.

Wij vertalen Astarot, zoals de tekst hier staat.

57Uit de stam Issachar: Kedes met zijn weidegrond en Daberat met zijn weidegrond,
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
יִשָׂשכָ֔ר
(yisashkhar)
Issachar
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֖דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
אֶת
(et)
(obj.)
דָּבְרַ֖ת
(daverat)
Daberat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kedes (in Issachar; ligging onzeker): Dit Kedes (in Jozua 21:28 Kisjon) lag in Issachar, aan de zuidrand van de vallei van Jizreël; Tel Abu Qudeis is voorgesteld.

Het is niet het Kedes in Naftali.

Dit is niet zeker.

Zie Daberat: Daberat (Daburiyya) lag aan de voet van de Tabor.

Lezing

Hier staan Kedes en Daberat.

In Joz. 21:28 staan Kisjon en Daberat.

Dit Kedes in Issachar is niet Kedes in Galilea (vers 61).

Daberat ligt waarschijnlijk bij Daburiyya, aan de voet van de Tabor (Israël).

58ook Ramot met zijn weidegrond en Anem met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָאמוֹת֙
(ramot)
Ramot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עָנֵ֖ם
(anem)
Anem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anem (En-Gannim; ligging onzeker): Anem is hier een Levietenstad in Issachar die in Jozua 21:29 En-Gannim heet, waarschijnlijk het huidige Jenin.

Dit is niet zeker.

Lezing

Hier staan Ramot en Anem.

In Joz. 21:29 staan Jarmut en En-Gannim.

Het zijn waarschijnlijk andere namen voor dezelfde steden (onzeker).

Anem is onzeker.

Zie ookJoz 21:29
59Uit de stam Aser: Masal met zijn weidegrond en Abdon met zijn weidegrond,
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
אָשֵׁ֔ר
(asher)
Aser
אֶת
(et)
(obj.)
מָשָׁ֖ל
(mashal)
Masal
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַבְדּ֖וֹן
(avdon)
Abdon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Abdon: Abdon wordt gezocht bij Khirbet Abda, in Galilea.

Lezing

Hier staan מָשָׁל (mashal), Masal, en Abdon.

In Joz. 21:30 staat Misjal.

Abdon is waarschijnlijk Khirbet Abda (Israël).

60ook Chukok met zijn weidegrond en Rechov met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חוּקֹק֙
(chuqoq)
Chukok
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רְחֹ֖ב
(rechov)
Rechov
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Hier staan Chukok en Rechov.

In Joz. 21:31 staan Chelkat en Rechov.

Chukok is waarschijnlijk Tell Yaquq, ten westen van het meer van Galilea (Israël).

Rechov is onzeker.

Zie ookJoz 21:31
61Uit de stam Naftali: Kedes in Galilea met zijn weidegrond, Chammon met zijn weidegrond en Kirjataïm met zijn weidegrond.
וּמִמַּטֵּ֣ה
(umimate)
en uit de stam van
נַפְתָּלִ֗י
(naftali)
Naftali
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֤דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
בַּגָּלִיל֙
(bagalil)
in Galilea
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חַמּ֖וֹן
(chamon)
Chammon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קִרְיָתַ֖יִם
(qiryatayim)
Kirjataïm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kedes in Galilea is Tell Qedesh, ten noordwesten van het meer van Merom (Israël); dat is waarschijnlijk.

Het is een vrijstad (Joz. 20:7).

Chammon en Kirjataïm zijn onzeker.

Lezing

In Joz. 21:32 staan hier Hammot-Dor en Kartan, naast Kedes.

Merari: Zebulon, Ruben en Gad

62Voor de overige zonen van Merari, uit de stam Zebulon: Rimmono met zijn weidegrond en Tabor met zijn weidegrond.
לִבְנֵ֣י
(livnei)
aan de zonen van
מְרָרִי֮
(merari)
Merari
הַנּוֹתָרִים֒
(hanotarim)
die overbleven
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
uit de stam van
זְבוּלֻ֔ן
(zevulun)
Zebulon
אֶת
(et)
(obj.)
רִמּוֹנ֖וֹ
(rimono)
Rimmono
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
אֶת
(et)
(obj.)
תָּב֖וֹר
(tavor)
Tabor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rimmono (Jokneam?; ligging onzeker): Rimmono is hier een Levietenstad in Zebulon; de lijst in Jozua 21:34 noemt op die plaats Jokneam (Tel Yokneam).

Dit is niet zeker.

Zie Tabor: De Tabor is een berg in het zuiden van Galilea, ten oosten van Nazaret.

Lezing

Hier staan Rimmono en Tabor.

In Joz. 21:34–35 staan Jokneam, Karta, Dimna en Nahalal.

De plekken zijn onzeker.

63Ten oosten van de Jordaan, aan de overkant bij Jericho, uit de stam Ruben: Betser in de woestijn met zijn weidegrond en Jahza met zijn weidegrond,
וּמֵעֵ֜בֶר
(umeever)
en aan de overkant van
לְיַרְדֵּ֣ן
(leyarden)
de Jordaan
יְרֵחוֹ֮
(yerecho)
Jericho
לְמִזְרַ֣ח
(lemizrach)
ten oosten van
הַיַּרְדֵּן֒
(hayarden)
de Jordaan
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
uit de stam van
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּ֥צֶר
(betser)
Betser
בַּמִּדְבָּ֖ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יַ֖הְצָה
(yahtsa)
Jahza
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betser (Joz. 20:8) ligt in de woestijn op het plateau van Moab, ten oosten van de Zoutzee, in het huidige Jordanië.

De plek is onzeker.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Zie Bezer en Betser (ligging onzeker): Bezer (Betser) lag op de hoogvlakte van Moab, ten oosten van de Dode Zee.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Sommige handschriften laten Joz. 21:36–37 weg.

Hier staat dezelfde lijst volledig.

Lezing

Hier staat יַהְצָה (yahtsah), Jahza.

In Joz. 21:36 staat Jahaz.

64ook Kedemot met zijn weidegrond en Mefaät met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קְדֵמוֹת֙
(qedemot)
Kedemot
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֵיפַ֖עַת
(meifaat)
Mefaät
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kedemot ligt in Moab, in het huidige Jordanië (Deut. 2:26); de plek is onzeker.

Mefaät is ook onzeker.

Zie ookDeut 2:26
65Uit de stam Gad: Ramot in Gilead met zijn weidegrond en Machanajim met zijn weidegrond,
וּמִ֨מַּטֵּה
(umimate)
en uit de stam van
גָ֔ד
(gad)
Gad
אֶת
(et)
(obj.)
רָאמ֥וֹת
(ramot)
Ramot
בַּגִּלְעָ֖ד
(bagilad)
in Gilead
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֑יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
מַחֲנַ֖יִם
(machanayim)
Machanajim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Ramot in Gilead is een vrijstad (Deut. 4:43).

Het ligt in het noorden van Gilead, in het huidige Jordanië of Syrië.

De plek is onzeker.

Machanajim ligt in Gilead, bij de Jabbok; de plek is onzeker.

Zie Mahanaïm (ligging onzeker): Mahanaïm lag in Gilead, bij de Jabbok.

De precieze plaats is niet zeker.

66ook Chesbon met zijn weidegrond en Jaëzer met zijn weidegrond.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֶשְׁבּוֹן֙
(cheshbon)
Chesbon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶׁ֔יהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יַעְזֵ֖יר
(yazeir)
Jaëzer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִגְרָשֶֽׁיהָ
(migrasheiha)
haar weidegrond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Chesbon is Tell Hesban, ten zuidwesten van Amman (Jordanië); dat is waarschijnlijk.

Jaëzer ligt in Gilead, ten westen van Amman; de plek is onzeker.