Elohim Bijbel

1 Koningen 11

12345678910111213141516171819202122

Salomo’s vreemde vrouwen en het oordeel van Yahweh

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Salomo en zijn vreemde vrouwen

1Koning Salomo hield van veel vreemde vrouwen, ook van de dochter van Farao, en van Moabitische, Ammonitische, Edomitische, Sidonische en Hethitische vrouwen.
וְהַמֶּ֣לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
שְׁלֹמֹ֗ה
(shelomo)
Salomo
אָהַ֞ב
(ahav)
hield van
נָשִׁ֧ים
(nashim)
vrouwen
נָכְרִיּ֛וֹת
(nakheriyot)
vreemde
רַבּ֖וֹת
(rabot)
veel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּת
(bat)
dochter van
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
Farao
מוֹאֲבִיּ֤וֹת
(moaviyot)
Moabitische
עַמֳּנִיּוֹת֙
(amoniyot)
Ammonitische
אֲדֹ֣מִיֹּ֔ת
(adomiyot)
Edomitische
צֵדְנִיֹּ֖ת
(tsedeniyot)
Sidonische
חִתִּיֹּֽת
(chitiyot)
Hethitische
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָכְרִיּוֹת (nokhriyyot), ‘vreemde (vrouwen)’: vrouwen van buiten Israël, met een andere godsdienst.

Wat Yahweh hierover geboden had, staat in Deut. 7:3–4.

Over de koning en veel vrouwen: Deut. 17:17.

2Zij waren uit de volken over wie Yahweh tegen de zonen van Israël gezegd had: „Jullie mogen niet bij hen binnengaan. En zij mogen niet bij jullie binnenkomen. Zeker, zij zullen jullie hart afbuigen, achter hun goden aan.” Aan hen hing Salomo vast, uit liefde.
מִן
(min)
uit
הַגּוֹיִ֗ם
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waarover
אָֽמַר
(amar)
zei
יְהוָה֩
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
בְּנֵ֨י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
לֹֽא
(lo)
niet
תָבֹ֣אוּ
(tavou)
jullie zullen komen
בָהֶ֗ם
(bahem)
bij hen
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
לֹא
(lo)
niet
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
zullen komen
בָכֶ֔ם
(bakhem)
bij jullie
אָכֵן֙
(akhen)
zeker
יַטּ֣וּ
(yatu)
zullen afbuigen
אֶת
(et)
(obj.)
לְבַבְכֶ֔ם
(levavkhem)
jullie hart
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
אֱלֹהֵיהֶ֑ם
(eloheihem)
hun goden
בָּהֶ֛ם
(bahem)
aan hen
דָּבַ֥ק
(davaq)
hing vast
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְאַהֲבָֽה
(leahava)
uit liefde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֹא־תָבֹאוּ בָהֶם (lo tavo’u vahem), ‘jullie mogen niet bij hen binnengaan’: dat gaat over omgang en huwelijk met de volken.

Zie Deut. 7:3–4.

De verteller haalt hier eerder gesproken woorden van Yahweh aan. Omdat Yahweh nu niet zelf spreekt, houden wij deze woorden zwart, tussen aanhalingstekens.

3Hij had 700 vrouwen van hoge afkomst en 300 bijvrouwen. Zijn vrouwen bogen zijn hart af.
וַיְהִי
(vayhi)
en waren
ל֣וֹ
(lo)
aan hem
נָשִׁ֗ים
(nashim)
vrouwen
שָׂרוֹת֙
(sarot)
prinsessen
שְׁבַ֣ע
(sheva)
zeven
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
וּפִֽלַגְשִׁ֖ים
(ufilagshim)
en bijvrouwen
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֑וֹת
(meot)
honderd
וַיַּטּ֥וּ
(vayatu)
en bogen af
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
אֶת
(et)
(obj.)
לִבּֽוֹ
(libo)
zijn hart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׂרוֹת (sarot), ‘vorstinnen’: vrouwen van hoge afkomst.

Een bijvrouw (פִּילֶגֶשׁ, pilegesh) had een lagere rang dan een echtgenote.

4In de tijd dat Salomo oud werd, bogen zijn vrouwen zijn hart af, achter andere goden aan. Zijn hart was niet volledig bij Yahweh, zijn Elohim, zoals het hart van zijn vader David.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
לְעֵת֙
(leet)
tijdens
זִקְנַ֣ת
(ziqnat)
ouderdom van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
נָשָׁיו֙
(nashav)
zijn vrouwen
הִטּ֣וּ
(hitu)
bogen af
אֶת
(et)
(obj.)
לְבָב֔וֹ
(levavo)
zijn hart
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
לְבָב֤וֹ
(levavo)
zijn hart
שָׁלֵם֙
(shalem)
volledig
עִם
(im)
met
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהָ֔יו
(elohav)
zijn Elohim
כִּלְבַ֖ב
(kilvav)
zoals het hart van
דָּוִ֥יד
(david)
David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁלֵם (shalem), ‘volledig’: een hart dat helemaal bij Yahweh is.

In 9:4 staat een ander woord (‘oprecht’).

הִטּוּ (hittu), ‘ze bogen af’: het werkwoord נָטָה (natah), ‘buigen’, staat ook in vers 2, 3 en 9. Wij vertalen steeds met ‘afbuigen’.

5Salomo volgde Astarte, de godin van de Sidoniërs, en Milkom, de gruwel van de Ammonieten.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en ging
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
עַשְׁתֹּ֔רֶת
(ashtoret)
Astarte
אֱלֹהֵ֖י
(elohei)
god van
צִדֹנִ֑ים
(tsidonim)
Sidoniërs
וְאַחֲרֵ֣י
(veacharei)
en achter
מִלְכֹּ֔ם
(milkom)
Milkom
שִׁקֻּ֖ץ
(shiquts)
gruwel van
עַמֹּנִֽים
(amonim)
Ammonieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

עַשְׁתֹּרֶת (Ashtoret), Astarte: het Hebreeuws zegt ‘god (אֱלֹהֵי, elohei) van de Sidoniërs’.

Wij schrijven ‘godin’, omdat Astarte een godin was.

מִלְכֹּם (Milkom): god van de Ammonieten; de naam betekent ‘hun koning’. In vers 7 staat מֹלֶךְ (Molech). Dat is waarschijnlijk dezelfde god, maar zeker is dat niet. Zie ook Lev. 18:21.

שִׁקֻּץ (shiqquts), ‘gruwel’: een walgelijk afgodsbeeld.

6Salomo deed wat kwaad was in de ogen van Yahweh. Hij volgde Yahweh niet volledig, zoals zijn vader David.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en deed
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מִלֵּ֛א
(mile)
volgde volledig
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
כְּדָוִ֥ד
(kedavid)
zoals David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kemosj, de gruwel van Moab, op de berg tegenover Jeruzalem, en voor Molech, de gruwel van de zonen van Ammon.
אָז֩
(az)
toen
יִבְנֶ֨ה
(yivne)
bouwde
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
בָּמָ֗ה
(bama)
een hoogte
לִכְמוֹשׁ֙
(likhmosh)
voor Kemosj
שִׁקֻּ֣ץ
(shiquts)
gruwel van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
בָּהָ֕ר
(bahar)
op de berg
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
tegenover
פְּנֵ֣י
(penei)
het aangezicht van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וּלְמֹ֕לֶךְ
(ulemolekh)
en voor Molech
שִׁקֻּ֖ץ
(shiquts)
gruwel van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עַמּֽוֹן
(amon)
Ammon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg ‘tegenover Jeruzalem’ wordt niet bij naam genoemd.

Vaak denkt men aan de Olijfberg, ten oosten van de stad.

Dat is niet zeker.

Zie Moab: Moab ligt ten oosten van de Dode Zee, in het huidige Jordanië.

Zie Berg tegenover Jeruzalem (Olijfberg?; ligging onzeker): De berg tegenover Jeruzalem wordt niet bij naam genoemd.

Meestal wordt gedacht aan de Olijfberg, ten oosten van de stad.

Dit is niet zeker.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

בָּמָה (bamah), ‘hoogte’: een offerplaats op een heuvel of berg.

Zie ook Deut. 12:2.

8Zo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen. Zij lieten offerrook opgaan en brachten slachtoffers voor hun goden.
וְכֵ֣ן
(vekhen)
en zo
עָשָׂ֔ה
(asa)
deed hij
לְכָל
(lekhal)
voor al
נָשָׁ֖יו
(nashav)
zijn vrouwen
הַנָּכְרִיּ֑וֹת
(hanakheriyot)
de vreemde
מַקְטִיר֥וֹת
(maqtirot)
die offerrook lieten opgaan
וּֽמְזַבְּח֖וֹת
(umezabechot)
en slachtoffers brachten
לֵאלֹהֵיהֶֽן
(leloheihen)
voor hun goden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Yahweh spreekt het oordeel uit

9Yahweh werd toornig op Salomo, omdat zijn hart zich had afgebogen van Yahweh, de Elohim van Israël, die twee keer aan hem verschenen was.
וַיִּתְאַנַּ֥ף
(vayitanaf)
en werd toornig
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בִּשְׁלֹמֹ֑ה
(bishlomo)
op Salomo
כִּֽי
(ki)
omdat
נָטָ֣ה
(nata)
afgebogen was
לְבָב֗וֹ
(levavo)
zijn hart
מֵעִ֤ם
(meim)
van bij
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַנִּרְאָ֥ה
(hanira)
die verscheen
אֵלָ֖יו
(elav)
aan hem
פַּעֲמָֽיִם
(paamayim)
tweemaal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּעָמַיִם (pe’amayim), ‘twee keer’: Yahweh verscheen aan Salomo in Gibeon (3:5) en daarna opnieuw (9:2).

10Over deze zaak had Hij hem geboden niet achter andere goden aan te gaan. Maar hij bewaarde niet wat Yahweh geboden had.
וְצִוָּ֤ה
(vetsiva)
en Hij had geboden
אֵלָיו֙
(elav)
hem
עַל
(al)
over
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
לְבִ֨לְתִּי
(levilti)
om niet
לֶ֔כֶת
(lekhet)
te gaan
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
שָׁמַ֔ר
(shamar)
hij bewaarde
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Yahweh zei tegen Salomo: „Omdat het zo met jou is gesteld en je Mijn verbond en Mijn voorschriften niet bewaard hebt, die Ik je geboden heb: Ik zal het koninkrijk zeker van je afscheuren. Ik zal het aan je dienaar geven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לִשְׁלֹמֹ֗ה
(lishlomo)
tot Salomo
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הָֽיְתָה
(hayeta)
was
זֹּ֣את
(zot)
dit
עִמָּ֔ךְ
(imakh)
met jou
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
שָׁמַ֨רְתָּ֙
(shamarta)
je bewaarde
בְּרִיתִ֣י
(beriti)
Mijn verbond
וְחֻקֹּתַ֔י
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֖יתִי
(tsiviti)
Ik heb geboden
עָלֶ֑יךָ
(aleikha)
over jou
קָרֹ֨עַ
(qaroa)
scheuren
אֶקְרַ֤ע
(eqra)
Ik zal scheuren
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koninkrijk
מֵֽעָלֶ֔יךָ
(mealeikha)
van je af
וּנְתַתִּ֖יהָ
(unetatiha)
en Ik zal het geven
לְעַבְדֶּֽךָ
(leavdekha)
aan je dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָרֹעַ אֶקְרַע (qaro’a eqra), ‘zeker zal Ik scheuren’: het werkwoord staat twee keer, ter nadruk.

Zo zei ook Samuël tegen Saul (1 Sam. 15:28).

עַבְדֶּךָ (avdekha), ‘je dienaar’: de naam wordt hier nog niet genoemd. Het is Jerobeam (vers 26 en 31).

12Maar in jouw dagen zal Ik het niet doen, ter wille van je vader David. Uit de hand van je zoon zal Ik het afscheuren.
אַךְ
(akh)
maar
בְּיָמֶ֨יךָ֙
(beyameikha)
in je dagen
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶעֱשֶׂ֔נָּה
(eesena)
Ik zal het doen
לְמַ֖עַן
(lemaan)
ter wille van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יךָ
(avikha)
je vader
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
בִּנְךָ֖
(binkha)
je zoon
אֶקְרָעֶֽנָּה
(eqraena)
Ik zal het scheuren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Alleen zal Ik niet het hele koninkrijk afscheuren. Eén stam zal Ik aan je zoon geven, ter wille van David, Mijn dienaar, en ter wille van Jeruzalem, dat Ik gekozen heb.”
רַ֤ק
(raq)
alleen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koninkrijk
לֹ֣א
(lo)
niet
אֶקְרָ֔ע
(eqra)
Ik zal scheuren
שֵׁ֥בֶט
(shevet)
stam
אֶחָ֖ד
(echad)
één
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
לִבְנֶ֑ךָ
(livnekha)
aan je zoon
לְמַ֨עַן֙
(lemaan)
ter wille van
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn dienaar
וּלְמַ֥עַן
(ulemaan)
en ter wille van
יְרוּשָׁלִַ֖ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּחָֽרְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Yahweh laat tegenstanders opstaan

14Yahweh liet een tegenstander tegen Salomo opstaan: Hadad, de Edomiet. Hij was van het koninklijk nageslacht in Edom.
וַיָּ֨קֶם
(vayaqem)
en liet opstaan
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
שָׂטָן֙
(satan)
een tegenstander
לִשְׁלֹמֹ֔ה
(lishlomo)
tegen Salomo
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
הָאֲדֹמִ֑י
(haadomi)
de Edomiet
מִזֶּ֧רַע
(mizera)
uit het nageslacht van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ה֖וּא
(hu)
hij
בֶּאֱדֽוֹם
(beedom)
in Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

שָׂטָן (satan), ‘tegenstander’: iemand die zich tegen een ander keert.

Het is hier geen naam, maar een mens die tegen Salomo optreedt.

Zo ook in vers 23 en 25.

מִזֶּרַע (mizzera), ‘uit het nageslacht van’: Hadad was van het koninklijke geslacht van Edom.

15Toen David met Edom in oorlog was, trok Joab, de legeraanvoerder, op om de gesneuvelden te begraven. Toen doodde hij elke man in Edom.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּֽהְי֤וֹת
(bihyot)
toen was
דָּוִד֙
(david)
David
אֶת
(et)
met
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
בַּעֲל֗וֹת
(baalot)
toen optrok
יוֹאָב֙
(yoav)
Joab
שַׂ֣ר
(sar)
aanvoerder van
הַצָּבָ֔א
(hatsava)
het leger
לְקַבֵּ֖ר
(leqaber)
om te begraven
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֲלָלִ֑ים
(hachalalim)
de gesneuvelden
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
כָּל
(kal)
elke
זָכָ֖ר
(zakhar)
man
בֶּאֱדֽוֹם
(beedom)
in Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

בִּהְיוֹת דָּוִד אֶת־אֱדוֹם (bihyot David et-Edom), ‘toen David met Edom was’: het gaat om de oorlog van David tegen Edom (2 Sam. 8:13–14).

Wie ‘elke man’ doodde, zegt de tekst niet met zoveel woorden. Wij nemen Joab, zoals in vers 16.

16Want zes maanden bleef Joab daar, met heel Israël, tot hij elke man in Edom had uitgeroeid.
כִּ֣י
(ki)
want
שֵׁ֧שֶׁת
(sheshet)
zes van
חֳדָשִׁ֛ים
(chodashim)
maanden
יָֽשַׁב
(yashav)
bleef
שָׁ֥ם
(sham)
daar
יוֹאָ֖ב
(yoav)
Joab
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
totdat
הִכְרִ֥ית
(hikhrit)
hij had uitgeroeid
כָּל
(kal)
elke
זָכָ֖ר
(zakhar)
man
בֶּאֱדֽוֹם
(beedom)
in Edom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

17Hadad vluchtte, hij en enkele Edomitische mannen van de dienaren van zijn vader, om naar Egypte te gaan. Hadad was toen nog een kleine jongen.
וַיִּבְרַ֣ח
(vayivrach)
en vluchtte
אֲדַ֡ד
(adad)
Hadad
הוּא֩
(hu)
hij
וַאֲנָשִׁ֨ים
(vaanashim)
en mannen
אֲדֹמִיִּ֜ים
(adomiyim)
Edomitische
מֵעַבְדֵ֥י
(meavdei)
van de dienaren van
אָבִ֛יו
(aviv)
zijn vader
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
מִצְרָ֑יִם
(mitsrayim)
naar Egypte
וַהֲדַ֖ד
(vahadad)
en Hadad
נַ֥עַר
(naar)
jongen
קָטָֽן
(qatan)
klein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֲדַד (Adad): hier staat de naam in een kortere spelling dan Hadad.

Het is dezelfde man.

18Ze vertrokken uit Midian en kwamen in Paran. Uit Paran namen ze mannen met zich mee en kwamen in Egypte, bij Farao, de koning van Egypte. Die gaf hem een huis, bepaalde brood voor hem en gaf hem land.
וַיָּקֻ֨מוּ֙
(vayaqumu)
en ze stonden op
מִמִּדְיָ֔ן
(mimidyan)
uit Midian
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
פָּארָ֑ן
(paran)
Paran
וַיִּקְחוּ֩
(vayiqchu)
en namen
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
עִמָּ֜ם
(imam)
met zich
מִפָּארָ֗ן
(miparan)
uit Paran
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en ze kwamen
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
Egypte
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֣ה
(paro)
Farao
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֣וֹ
(lo)
hem
בַ֗יִת
(bayit)
een huis
וְלֶ֨חֶם֙
(velechem)
en brood
אָ֣מַר
(amar)
hij bepaalde
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
וְאֶ֖רֶץ
(veerets)
en land
נָ֥תַן
(natan)
gaf
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Midian lag ten oosten van de Golf van Akaba, in het noordwesten van het huidige Saoedi-Arabië.

De ligging is niet precies te bepalen.

Paran is de woestijn in het noorden van het Sinaï-schiereiland.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

וְלֶחֶם אָמַר לוֹ (velechem amar lo), letterlijk ‘en brood zei hij tot hem’: Farao wees hem een vaste hoeveelheid brood toe.

Wij vertalen ‘bepaalde brood voor hem’.

19Hadad vond zeer veel gunst in de ogen van Farao. Hij gaf hem de zuster van zijn eigen vrouw tot vrouw, de zuster van Tachpenes, de koningin.
וַיִּמְצָא֙
(vayimtsa)
en vond
הֲדַ֥ד
(hadad)
Hadad
חֵ֛ן
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
פַרְעֹ֖ה
(paro)
Farao
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּתֶּן
(vayiten)
en hij gaf
ל֤וֹ
(lo)
hem
אִשָּׁה֙
(isha)
een vrouw
אֶת
(et)
(obj.)
אֲח֣וֹת
(achot)
zuster van
אִשְׁתּ֔וֹ
(ishto)
zijn vrouw
אֲח֖וֹת
(achot)
zuster van
תַּחְפְּנֵ֥יס
(tachpeneis)
Tachpenes
הַגְּבִירָֽה
(hagevira)
de koningin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּבִירָה (gevirah), ‘gebiedster’: een titel van de koningin.

Wat de naam Tachpenes (תַּחְפְּנֵיס) betekent, weten wij niet.

20De zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubat. Tachpenes speende hem in het huis van Farao. Zo was Genubat in het huis van Farao, te midden van de zonen van Farao.
וַתֵּ֨לֶד
(vateled)
en baarde
ל֜וֹ
(lo)
hem
אֲח֣וֹת
(achot)
zuster van
תַּחְפְּנֵ֗יס
(tachpeneis)
Tachpenes
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
גְּנֻבַ֣ת
(genuvat)
Genubat
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
וַתִּגְמְלֵ֣הוּ
(vatigmelehu)
en speende hem
תַחְפְּנֵ֔ס
(tachpenes)
Tachpenes
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
in het midden van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
פַּרְעֹ֑ה
(paro)
Farao
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en was
גְנֻבַת֙
(genuvat)
Genubat
בֵּ֣ית
(beit)
in het huis van
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
Farao
בְּת֖וֹךְ
(betokh)
te midden van
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
פַרְעֹֽה
(paro)
Farao
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַתִּגְמְלֵהוּ (vattigmelehu), ‘en zij speende hem’: het kind werd van de borst gehaald en bleef daarna in het huis van Farao.

Hier is de naam Tachpenes korter gespeld (תַּחְפְּנֵס).

Het is dezelfde koningin.

21Hadad hoorde in Egypte dat David bij zijn vaderen was gaan liggen en dat Joab, de legeraanvoerder, gestorven was. Hadad zei tegen Farao: „Laat mij gaan, dan ga ik naar mijn land.”
וַהֲדַ֞ד
(vahadad)
en Hadad
שָׁמַ֣ע
(shama)
hoorde
בְּמִצְרַ֗יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
כִּֽי
(ki)
dat
שָׁכַ֤ב
(shakhav)
had gelegen
דָּוִד֙
(david)
David
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וְכִי
(vekhi)
en dat
מֵ֖ת
(met)
was gestorven
יוֹאָ֣ב
(yoav)
Joab
שַֽׂר
(sar)
aanvoerder van
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הֲדַד֙
(hadad)
Hadad
אֶל
(el)
tot
פַּרְעֹ֔ה
(paro)
Farao
שַׁלְּחֵ֖נִי
(shalecheni)
stuur mij weg
וְאֵלֵ֥ךְ
(veelekh)
zodat ik ga
אֶל
(el)
naar
אַרְצִֽי
(artsi)
mijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שָׁכַב עִם־אֲבֹתָיו (shachav im avotav), ‘bij zijn vaderen liggen’: sterven.

Zo ook 2 Sam. 7:12.

22Farao zei tegen hem: „Wat ontbreekt je dan bij mij, dat je naar je land wilt gaan?” Hij zei: „Nee, maar laat mij toch gaan.”
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֣וֹ
(lo)
tot hem
פַרְעֹ֗ה
(paro)
Farao
כִּ֠י
(ki)
want
מָה
(ma)
wat
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
חָסֵר֙
(chaser)
ontbreekt
עִמִּ֔י
(imi)
bij mij
וְהִנְּךָ֥
(vehinekha)
en zie jij
מְבַקֵּ֖שׁ
(mevaqesh)
zoekt
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אֶל
(el)
naar
אַרְצֶ֑ךָ
(artsekha)
jouw land
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לֹ֔א
(lo)
niet
כִּ֥י
(ki)
maar
שַׁלֵּ֖חַ
(shaleach)
stuur
תְּשַׁלְּחֵֽנִי
(teshalecheni)
je moet mij wegsturen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Elohim liet voor hem een tegenstander opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die gevlucht was van zijn heer Hadadezer, de koning van Tsoba.
וַיָּ֨קֶם
(vayaqem)
en liet opstaan
אֱלֹהִ֥ים
(Elohim)
Elohim
לוֹ֙
(lo)
tegen hem
שָׂטָ֔ן
(satan)
een tegenstander
אֶת
(et)
(obj.)
רְז֖וֹן
(rezon)
Rezon
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְיָדָ֑ע
(elyada)
Eljada
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּרַ֗ח
(barach)
was gevlucht
מֵאֵ֛ת
(meet)
van bij
הֲדַדְעֶ֥זֶר
(hadadezer)
Hadadezer
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
צוֹבָ֖ה
(tsova)
Tsoba
אֲדֹנָֽיו
(adonav)
zijn heer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsoba lag in het noorden, in het gebied van het huidige Syrië en Libanon.

Zie 2 Sam. 8:3.

Zie Soba (Tsoba, ligging onzeker): Soba (Tsoba) was een Aramees koninkrijk ten noorden van Damascus, in het huidige Syrië en Libanon.

De precieze ligging is niet vast te stellen.

Uitleg

In vers 14 laat Yahweh de tegenstander opstaan, hier Elohim.

Het Hebreeuws gebruikt beide namen voor dezelfde Elohim.

24Hij verzamelde mannen om zich heen en werd aanvoerder van een bende, toen David hen doodde. Ze gingen naar Damascus, woonden daar en regeerden in Damascus.
וַיִּקְבֹּ֤ץ
(vayiqbots)
en verzamelde
עָלָיו֙
(alav)
om zich heen
אֲנָשִׁ֔ים
(anashim)
mannen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en werd
שַׂר
(sar)
aanvoerder van
גְּד֔וּד
(gedud)
een bende
בַּהֲרֹ֥ג
(baharog)
toen doodde
דָּוִ֖ד
(david)
David
אֹתָ֑ם
(otam)
hen
וַיֵּלְכ֤וּ
(vayelekhu)
en ze gingen
דַמֶּ֨שֶׂק֙
(dameseq)
naar Damascus
וַיֵּ֣שְׁבוּ
(vayeshevu)
en ze woonden
בָ֔הּ
(bah)
daarin
וַֽיִּמְלְכ֖וּ
(vayimlekhu)
en ze regeerden
בְּדַמָּֽשֶׂק
(bedamaseq)
in Damascus
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus is de hoofdstad van Aram, het huidige Damascus in Syrië.

Uitleg

De tekst zegt niet wie ‘hen’ zijn.

Het gaat waarschijnlijk om mannen van Hadadezer die David versloeg (2 Sam. 8:3–5).

Lezing

וַיִּמְלְכוּ (vayimlekhu), ‘en zij regeerden’: het werkwoord staat in het meervoud.

Mogelijk bedoelt de tekst ‘zij maakten hem koning’.

Wij houden het meervoud.

25Hij was een tegenstander van Israël al de dagen van Salomo, naast het kwaad dat Hadad deed. Hij walgde van Israël en regeerde over Aram.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en hij was
שָׂטָ֤ן
(satan)
een tegenstander
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
voor Israël
כָּל
(kal)
al
יְמֵ֣י
(yemei)
de dagen van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָרָעָ֖ה
(haraa)
het kwaad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֲדָ֑ד
(hadad)
Hadad
וַיָּ֨קָץ֙
(vayaqats)
en hij walgde
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
van Israël
וַיִּמְלֹ֖ךְ
(vayimlokh)
en hij regeerde
עַל
(al)
over
אֲרָֽם
(aram)
Aram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

וְאֵת הָרָעָה אֲשֶׁר הֲדָד (ve’et hara’ah asher Hadad), letterlijk ‘en het kwaad dat Hadad’: er staat geen werkwoord.

Wij vullen ‘deed’ aan.

Het Hebreeuws is hier kort en niet helemaal duidelijk.

‘Hij’ in de rest van het vers is Rezon.

Jerobeam en de profeet Achia

26Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, hief zijn hand op tegen de koning. Hij was een Efratiet uit Tsereda, een dienaar van Salomo. Zijn moeder heette Tserua en was een weduwe.
וְיָרָבְעָם֩
(veyaraveam)
en Jerobeam
בֶּן
(ben)
zoon van
נְבָ֨ט
(nevat)
Nebat
אֶפְרָתִ֜י
(efrati)
Efratiet
מִן
(min)
uit
הַצְּרֵדָ֗ה
(hatsereda)
Tsereda
וְשֵׁ֤ם
(veshem)
en naam van
אִמּוֹ֙
(imo)
zijn moeder
צְרוּעָה֙
(tserua)
Tserua
אִשָּׁ֣ה
(isha)
vrouw
אַלְמָנָ֔ה
(almana)
weduwe
עֶ֖בֶד
(eved)
dienaar van
לִשְׁלֹמֹ֑ה
(lishlomo)
Salomo
וַיָּ֥רֶם
(vayarem)
en hief op
יָ֖ד
(yad)
hand
בַּמֶּֽלֶךְ
(bamelekh)
tegen de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tsereda (צְרֵדָה) lag waarschijnlijk in het bergland van Efraïm.

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

אֶפְרָתִי (Efratiet): iemand uit Efraïm (zie 1 Sam. 1:1).

27Dit was de reden waarom hij zijn hand tegen de koning ophief. Salomo had de Millo gebouwd en de bres in de stad van zijn vader David gesloten.
וְזֶ֣ה
(veze)
en dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁר
(asher)
waarom
הֵרִ֥ים
(herim)
hij hief op
יָ֖ד
(yad)
hand
בַּמֶּ֑לֶךְ
(bamelekh)
tegen de koning
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
בָּנָ֣ה
(bana)
had gebouwd
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּלּ֔וֹא
(hamilo)
de Millo
סָגַ֕ר
(sagar)
had gesloten
אֶת
(et)
(obj.)
פֶּ֕רֶץ
(perets)
bres van
עִ֖יר
(ir)
stad van
דָּוִ֥ד
(david)
David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Millo (Jeruzalem): De Millo was een terras of opvulling bij de burcht van Sion, in Jeruzalem.

De precieze plaats is niet vast te stellen.

Uitleg

הַמִּלּוֹא (hammillo), ‘de Millo’: zie 2 Sam. 5:9 en bij 9:15.

28De man Jerobeam was een dappere held. Salomo zag dat de jongeman het werk deed. Hij stelde hem aan over alle lasten van het huis van Jozef.
וְהָאִ֥ישׁ
(vehaish)
en de man
יָרָבְעָ֖ם
(yaraveam)
Jerobeam
גִּבּ֣וֹר
(gibor)
held van
חָ֑יִל
(chayil)
kracht
וַיַּ֨רְא
(vayar)
en zag
שְׁלֹמֹ֜ה
(shelomo)
Salomo
אֶת
(et)
(obj.)
הַנַּ֗עַר
(hanaar)
de jongeman
כִּֽי
(ki)
dat
עֹשֵׂ֤ה
(ose)
deed
מְלָאכָה֙
(melakha)
werk
ה֔וּא
(hu)
hij
וַיַּפְקֵ֣ד
(vayafqed)
en stelde aan
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
לְכָל
(lekhal)
over alle
סֵ֖בֶל
(sevel)
last van
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
יוֹסֵֽף
(yosef)
Jozef
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֹשֶׂה מְלָאכָה (oseh melakha), letterlijk ‘werk doend’: bedoeld is dat hij zijn werk goed en krachtig deed.

סֵבֶל (sevel), ‘last’: dwangarbeid of werklast. ‘Het huis van Jozef’ zijn de stammen Efraïm en Manasse. Zie ook 9:15.

29In die tijd gebeurde het dat Jerobeam uit Jeruzalem wegging. Op de weg vond de profeet Achia uit Silo hem. Achia had een nieuwe mantel om, en zij tweeën waren alleen in het veld.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
וְיָֽרָבְעָ֖ם
(veyaraveam)
en Jerobeam
יָצָ֣א
(yatsa)
ging uit
מִירוּשָׁלִָ֑ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
וַיִּמְצָ֣א
(vayimtsa)
en vond
אֹת֡וֹ
(oto)
hem
אֲחִיָּה֩
(achiya)
Achia
הַשִּׁילֹנִ֨י
(hashiloni)
de Siloniet
הַנָּבִ֜יא
(hanavi)
de profeet
בַּדֶּ֗רֶךְ
(baderekh)
op de weg
וְה֤וּא
(vehu)
en hij
מִתְכַּסֶּה֙
(mitkase)
zich bedekkend
בְּשַׂלְמָ֣ה
(besalma)
met een mantel
חֲדָשָׁ֔ה
(chadasha)
nieuwe
וּשְׁנֵיהֶ֥ם
(usheneihem)
en die twee
לְבַדָּ֖ם
(levadam)
alleen
בַּשָּׂדֶֽה
(basade)
in het veld
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Silo (שִׁלֹה) lag in het bergland van Efraïm, bij het huidige Khirbet Seilun, Westelijke Jordaanoever.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

30Achia greep de nieuwe mantel die hij aanhad en scheurde die in twaalf stukken.
וַיִּתְפֹּ֣שׂ
(vayitpos)
en greep
אֲחִיָּ֔ה
(achiya)
Achia
בַּשַּׂלְמָ֥ה
(basalma)
de mantel
הַחֲדָשָׁ֖ה
(hachadasha)
de nieuwe
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עָלָ֑יו
(alav)
aan hem
וַיִּ֨קְרָעֶ֔הָ
(vayiqraeha)
en scheurde haar
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
קְרָעִֽים
(qeraim)
stukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achia scheurt de mantel in twaalf stukken.

Dit is een profetisch teken: Jerobeam ziet in zijn handen wat Yahweh gaat doen (vers 31).

31Hij zei tegen Jerobeam: „Neem tien stukken voor jezelf. Want zo zegt Yahweh, de Elohim van Israël: ‘Zie, Ik scheur het koninkrijk uit de hand van Salomo en Ik geef jou de tien stammen.
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
לְיָֽרָבְעָ֔ם
(leyaraveam)
tegen Jerobeam
קַח
(qach)
neem
לְךָ֖
(lekha)
voor jezelf
עֲשָׂרָ֣ה
(asara)
tien
קְרָעִ֑ים
(qeraim)
stukken
כִּ֣י
(ki)
want
כֹה֩
(ko)
zo
אָמַ֨ר
(amar)
zegt
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
קֹרֵ֤עַ
(qorea)
scheurend
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּמְלָכָה֙
(hamamlakha)
het koninkrijk
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
שְׁלֹמֹ֔ה
(shelomo)
Salomo
וְנָתַתִּ֣י
(venatati)
en Ik zal geven
לְךָ֔
(lekha)
aan jou
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עֲשָׂרָ֥ה
(asara)
tien
הַשְּׁבָטִֽים
(hashevatim)
de stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achia citeert hier Yahweh, in vers 31–39.

Wat hij zelf als profeet zegt, houden wij zwart.

De woorden van Yahweh die hij aanhaalt, staan tussen enkele aanhalingstekens.

De tekst noemt twaalf stukken: tien voor Jerobeam en één stam voor David (vers 32). De twaalfde wordt niet genoemd.

32De ene stam blijft voor hem, ter wille van David, Mijn dienaar, en ter wille van Jeruzalem. Dat is de stad die Ik uit alle stammen van Israël gekozen heb.
וְהַשֵּׁ֥בֶט
(vehashevet)
en de stam
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de ene
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לּ֑וֹ
(lo)
voor hem
לְמַ֣עַן
(lemaan)
ter wille van
עַבְדִּ֣י
(avdi)
Mijn dienaar
דָוִ֗ד
(david)
David
וּלְמַ֨עַן֙
(ulemaan)
en ter wille van
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֣רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
בָ֔הּ
(bah)
in haar
מִכֹּ֖ל
(mikol)
uit alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

33Want zij hebben Mij verlaten. Zij hebben zich neergebogen voor Astarte, de godin van de Sidoniërs, voor Kemosj, de god van Moab, en voor Milkom, de god van de zonen van Ammon. Zij zijn niet in Mijn wegen gegaan om te doen wat recht is in Mijn ogen: Mijn voorschriften en Mijn rechtsregels, zoals zijn vader David.
יַ֣עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עֲזָב֗וּנִי
(azavuni)
ze hebben Mij verlaten
וַיִּֽשְׁתַּחֲווּ֮
(vayishtachavu)
en ze bogen zich neer
לְעַשְׁתֹּרֶת֮
(leashtoret)
voor Astarte
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
god van
צִֽדֹנִין֒
(tsidonin)
Sidoniërs
לִכְמוֹשׁ֙
(likhmosh)
voor Kemosj
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
god van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
וּלְמִלְכֹּ֖ם
(ulemilkom)
en voor Milkom
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
god van
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
עַמּ֑וֹן
(amon)
Ammon
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הָלְכ֣וּ
(halekhu)
ze zijn gegaan
בִדְרָכַ֗י
(bidrakhay)
in Mijn wegen
לַעֲשׂ֨וֹת
(laasot)
om te doen
הַיָּשָׁ֧ר
(hayashar)
wat recht is
בְּעֵינַ֛י
(beeinay)
in Mijn ogen
וְחֻקֹּתַ֥י
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
וּמִשְׁפָּטַ֖י
(umishpatay)
en Mijn rechtsregels
כְּדָוִ֥ד
(kedavid)
zoals David
אָבִֽיו
(aviv)
zijn vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

Kemosj (כְּמוֹשׁ) was de god van Moab, Milkom de god van de Ammonieten (zie bij vers 5).

Lezing

עֲזָבוּנִי (azavuni), ‘zij hebben Mij verlaten’: het werkwoord staat in het meervoud.

Sommige oude vertalingen hebben het enkelvoud (‘hij heeft Mij verlaten’).

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het meervoud kan wijzen op Salomo en zijn vrouwen, of op het volk.

34Maar Ik zal niet het hele koninkrijk uit zijn hand nemen. Want Ik stel hem als vorst aan, al de dagen van zijn leven. Dat is ter wille van David, Mijn dienaar, die Ik gekozen heb en die Mijn geboden en voorschriften bewaarde.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֶקַּ֥ח
(eqach)
Ik zal nemen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַמַּמְלָכָ֖ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
מִיָּד֑וֹ
(miyado)
uit zijn hand
כִּ֣י
(ki)
want
נָשִׂ֣יא
(nasi)
vorst
אֲשִׁתֶ֗נּוּ
(ashitenu)
Ik stel hem
כֹּ֚ל
(kol)
al
יְמֵ֣י
(yemei)
dagen van
חַיָּ֔יו
(chayav)
zijn leven
לְמַ֨עַן
(lemaan)
ter wille van
דָּוִ֤ד
(david)
David
עַבְדִּי֙
(avdi)
Mijn dienaar
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֣רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
שָׁמַ֖ר
(shamar)
bewaarde
מִצְוֺתַ֥י
(mitsvotay)
Mijn geboden
וְחֻקֹּתָֽי
(vechuqotay)
en Mijn voorschriften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָשִׂיא (nasi), ‘vorst, leider’: een leider van het volk, minder dan een koning.

אֲשִׁתֶנּוּ (ashittennu), ‘Ik stel hem’: een ongewone vorm. Wij lezen: ‘Ik stel hem aan’.

35Ik zal het koningschap uit de hand van zijn zoon nemen en het aan jou geven: de tien stammen.
וְלָקַחְתִּ֥י
(velaqachti)
en Ik zal nemen
הַמְּלוּכָ֖ה
(hamelukha)
het koningschap
מִיַּ֣ד
(miyad)
uit de hand van
בְּנ֑וֹ
(beno)
zijn zoon
וּנְתַתִּ֣יהָ
(unetatiha)
en Ik zal het geven
לְּךָ֔
(lekha)
aan jou
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עֲשֶׂ֥רֶת
(aseret)
tien
הַשְּׁבָטִֽים
(hashevatim)
de stammen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Aan zijn zoon geef Ik één stam. Zo heeft David, Mijn dienaar, altijd een lamp voor Mijn aangezicht in Jeruzalem. Dat is de stad die Ik voor Mij gekozen heb om Mijn naam daar te vestigen.
וְלִבְנ֖וֹ
(velivno)
en aan zijn zoon
אֶתֵּ֣ן
(eten)
Ik zal geven
שֵֽׁבֶט
(shevet)
stam
אֶחָ֑ד
(echad)
één
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
הֱיֽוֹת
(heyot)
zal zijn
נִ֣יר
(nir)
een lamp
לְדָֽוִיד
(ledavid)
voor David
עַ֠בְדִּי
(avdi)
Mijn dienaar
כָּֽל
(kal)
alle
הַיָּמִ֤ים
(hayamim)
de dagen
לְפָנַי֙
(lefanay)
voor Mijn aangezicht
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הָעִיר֙
(hair)
de stad
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
בָּחַ֣רְתִּי
(bacharti)
Ik heb gekozen
לִ֔י
(li)
voor Mij
לָשׂ֥וּם
(lasum)
om te vestigen
שְׁמִ֖י
(shemi)
Mijn naam
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

נִיר (nir), ‘lamp’: een lamp die blijft branden, een beeld van een nageslacht dat voortleeft.

De betekenis van het woord is niet helemaal zeker.

De ‘lamp van Israël’ in 2 Sam. 21:17 is David zelf.

לָשׂוּם שְׁמִי שָׁם (lasum shemi sham), ‘om Mijn naam daar te vestigen’: zie 9:3.

37Jou neem Ik, en je zult regeren over alles wat je ziel begeert. Je zult koning zijn over Israël.
וְאֹתְךָ֣
(veotekha)
en jou
אֶקַּ֔ח
(eqach)
Ik zal nemen
וּמָ֣לַכְתָּ֔
(umalakhta)
en je zult regeren
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
over alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
תְּאַוֶּ֖ה
(teave)
begeert
נַפְשֶׁ֑ךָ
(nafshekha)
je ziel
וְהָיִ֥יתָ
(vehayita)
en je zult zijn
מֶּ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38Als je luistert naar alles wat Ik je gebied en in Mijn wegen gaat, en doet wat recht is in Mijn ogen, en Mijn voorschriften en geboden bewaart zoals David, Mijn dienaar, deed, dan zal Ik met je zijn. Ik zal een betrouwbaar huis voor je bouwen, zoals Ik voor David gebouwd heb. Ik zal Israël aan jou geven.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
תִּשְׁמַע֮
(tishma)
je luistert
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
naar alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
אֲצַוֶּךָ֒
(atsavekha)
Ik je zal gebieden
וְהָלַכְתָּ֣
(vehalakhta)
en je gaat
בִדְרָכַ֗י
(bidrakhay)
in Mijn wegen
וְעָשִׂ֨יתָ
(veasita)
en je doet
הַיָּשָׁ֤ר
(hayashar)
wat recht is
בְּעֵינַי֙
(beeinay)
in Mijn ogen
לִשְׁמ֤וֹר
(lishmor)
om te bewaren
חֻקּוֹתַי֙
(chuqotay)
Mijn voorschriften
וּמִצְוֺתַ֔י
(umitsvotay)
en Mijn geboden
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
deed
דָּוִ֣ד
(david)
David
עַבְדִּ֑י
(avdi)
Mijn dienaar
וְהָיִ֣יתִי
(vehayiti)
dan zal Ik zijn
עִמָּ֗ךְ
(imakh)
met jou
וּבָנִ֨יתִי
(uvaniti)
en Ik zal bouwen
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
בַֽיִת
(bayit)
een huis
נֶאֱמָן֙
(neeman)
betrouwbaar
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
בָּנִ֣יתִי
(baniti)
Ik bouwde
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
voor David
וְנָתַתִּ֥י
(venatati)
en Ik zal geven
לְךָ֖
(lekha)
aan jou
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בַּיִת נֶאֱמָן (bayit ne’eman), ‘betrouwbaar huis’: een geslacht dat blijft bestaan.

Zie 1 Sam. 2:35 en 1 Sam. 25:28.

De voorwaarde is dezelfde als die in 9:4–5 voor Salomo staat.

39Daarom zal Ik het nageslacht van David vernederen, maar niet voor altijd.’”
וַֽאעַנֶּ֛ה
(vaane)
en Ik zal vernederen
אֶת
(et)
(obj.)
זֶ֥רַע
(zera)
nageslacht van
דָּוִ֖ד
(david)
David
לְמַ֣עַן
(lemaan)
vanwege
זֹ֑את
(zot)
dit
אַ֖ךְ
(akh)
maar
לֹ֥א
(lo)
niet
כָל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְאַעַנֶּה (va’anneh), ‘Ik zal vernederen’: het nageslacht van David wordt klein gemaakt, maar niet voor altijd.

40Salomo zocht Jerobeam te doden. Jerobeam stond op en vluchtte naar Egypte, naar Sisak, de koning van Egypte. Hij bleef in Egypte tot de dood van Salomo.
וַיְבַקֵּ֥שׁ
(vayvaqesh)
en zocht
שְׁלֹמֹ֖ה
(shelomo)
Salomo
לְהָמִ֣ית
(lehamit)
om te doden
אֶת
(et)
(obj.)
יָרָבְעָ֑ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַיָּ֣קָם
(vayaqam)
en stond op
יָרָבְעָ֗ם
(yaraveam)
Jerobeam
וַיִּבְרַ֤ח
(vayivrach)
en vluchtte
מִצְרַ֨יִם֙
(mitsrayim)
naar Egypte
אֶל
(el)
tot
שִׁישַׁ֣ק
(shishaq)
Sisak
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
מִצְרַ֔יִם
(mitsrayim)
Egypte
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en hij was
בְמִצְרַ֖יִם
(bemitsrayim)
in Egypte
עַד
(ad)
tot
מ֥וֹת
(mot)
dood van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De dood van Salomo

41De rest van de verhalen over Salomo, alles wat hij deed en zijn wijsheid: staat dat niet beschreven in het boek van de verhalen van Salomo?
וְיֶ֨תֶר
(veyeter)
en de rest van
דִּבְרֵ֧י
(divrei)
de zaken van
שְׁלֹמֹ֛ה
(shelomo)
Salomo
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
hij deed
וְחָכְמָת֑וֹ
(vechakhemato)
en zijn wijsheid
הֲלֽוֹא
(halo)
niet
הֵ֣ם
(hem)
zij
כְּתֻבִ֔ים
(ketuvim)
geschreven
עַל
(al)
in
סֵ֖פֶר
(sefer)
boek van
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de zaken van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֵפֶר דִּבְרֵי שְׁלֹמֹה (sefer divrei Shelomoh), ‘het boek van de verhalen van Salomo’: een geschrift dat wij niet kennen.

Het wordt hier genoemd als bron.

42De tijd dat Salomo in Jeruzalem over heel Israël koning was, was 40 jaar.
וְהַיָּמִ֗ים
(vehayamim)
en de dagen
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
מָלַ֨ךְ
(malakh)
regeerde
שְׁלֹמֹ֤ה
(shelomo)
Salomo
בִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
עַל
(al)
over
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָֽה
(shana)
jaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie ook1 Kon 2:11
43Salomo ging bij zijn vaderen liggen. Hij werd begraven in de stad van zijn vader David. Zijn zoon Rechabeam werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag
שְׁלֹמֹה֙
(shelomo)
Salomo
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּ֨קָּבֵ֔ר
(vayiqaver)
en werd begraven
בְּעִ֖יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֣ד
(david)
David
אָבִ֑יו
(aviv)
zijn vader
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
רְחַבְעָ֥ם
(rechavam)
Rechabeam
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁכַב עִם־אֲבֹתָיו: zie bij vers 21.