Elohim Bijbel

1 Koningen 20

12345678910111213141516171819202122

Achab en Ben-Hadad

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Ben-Hadad belegert Samaria

1Ben-Hadad, de koning van Aram, verzamelde zijn hele leger. Tweeëndertig koningen waren met hem, met paarden en wagens. Hij trok op, belegerde Samaria en streed ertegen.
וּבֶן
(uven)
en Ben
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֗ם
(aram)
Aram
קָבַץ֙
(qavats)
verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
חֵיל֔וֹ
(cheilo)
zijn leger
וּשְׁלֹשִׁ֨ים
(usheloshim)
en dertig
וּשְׁנַ֥יִם
(ushenayim)
en twee
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
koning
אִתּ֖וֹ
(ito)
met hem
וְס֣וּס
(vesus)
en paard
וָרָ֑כֶב
(varakhev)
en wagen
וַיַּ֗עַל
(vayaal)
en hij trok op
וַיָּ֨צַר֙
(vayatsar)
en belegerde
עַל
(al)
tegen
שֹׁ֣מְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
וַיִּלָּ֖חֶם
(vayilachem)
en streed
בָּֽהּ
(bah)
tegen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Samaria was de hoofdstad van het noordrijk, op een heuvel in het bergland van Efraïm, bij het huidige Sebastiya (Westelijke Jordaanoever).

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

Aram is het land ten noordoosten van Israël, rond Damascus, ongeveer het huidige Syrië.

Het volk noemen wij ‘Arameeërs’, zoals in 2 Sam. 8.

2Hij stuurde boden de stad in, naar Achab, de koning van Israël.
וַיִּשְׁלַ֧ח
(vayishlach)
en hij stuurde
מַלְאָכִ֛ים
(malakhim)
boden
אֶל
(el)
naar
אַחְאָ֥ב
(achav)
Achab
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
הָעִֽירָה
(haira)
naar de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Hij liet hem zeggen: „Zo zegt Ben-Hadad: Je zilver en je goud zijn van mij. Ook je vrouwen en je beste zonen zijn van mij.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
כַּסְפְּךָ֥
(kaspekha)
jouw zilver
וּֽזְהָבְךָ֖
(uzehavekha)
en jouw goud
לִֽי
(li)
van mij
ה֑וּא
(hu)
het
וְנָשֶׁ֧יךָ
(venasheikha)
en je vrouwen
וּבָנֶ֛יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
הַטּוֹבִ֖ים
(hatovim)
de beste
לִי
(li)
van mij
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4De koning van Israël antwoordde: „Zoals u zegt, mijn heer de koning: ik ben van u, en alles wat ik heb.”
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֔אמֶר
(vayomer)
en zei
כִּדְבָרְךָ֖
(kidvarekha)
zoals uw woord
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְךָ֥
(lekha)
van u
אֲנִ֖י
(ani)
ik
וְכָל
(vekhal)
en alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
לִֽי
(li)
van mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van een koning door een mens.

Wij schrijven ‘heer’ met een kleine letter; voor Yahweh gebruiken wij ‘mijn Heer’.

5De boden kwamen terug. Zij zeiden: „Zo zegt Ben-Hadad: Ik heb naar je gestuurd en gezegd: Je zilver, je goud, je vrouwen en je zonen moet je aan mij geven.
וַיָּשֻׁ֨בוּ֙
(vayashuvu)
en zij keerden terug
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boden
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֥ר
(amar)
zegt
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֖ד
(hadad)
Hadad
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כִּֽי
(ki)
want
שָׁלַ֤חְתִּי
(shalachti)
ik stuurde
אֵלֶ֨יךָ֙
(eleikha)
naar jou
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
כַּסְפְּךָ֧
(kaspekha)
jouw zilver
וּזְהָבְךָ֛
(uzehavekha)
en jouw goud
וְנָשֶׁ֥יךָ
(venasheikha)
en je vrouwen
וּבָנֶ֖יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
לִ֥י
(li)
aan mij
תִתֵּֽן
(titen)
je zult geven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Maar morgen, rond deze tijd, stuur ik mijn dienaren naar je toe. Zij zullen je huis en de huizen van je dienaren doorzoeken. Alles wat je ogen begeren, nemen zij in hun hand en voeren zij weg.”
כִּ֣י
(ki)
maar
אִם
(im)
zeker
כָּעֵ֣ת
(kaet)
rond de tijd
מָחָ֗ר
(machar)
morgen
אֶשְׁלַ֤ח
(eshlach)
ik zal sturen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבָדַי֙
(avaday)
mijn dienaren
אֵלֶ֔יךָ
(eleikha)
naar jou
וְחִפְּשׂוּ֙
(vechipesu)
en zij zullen doorzoeken
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣יתְךָ֔
(beitekha)
je huis
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
בָּתֵּ֣י
(batei)
huizen van
עֲבָדֶ֑יךָ
(avadeikha)
je dienaren
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
alles
מַחְמַ֣ד
(machmad)
kostbaarheid van
עֵינֶ֔יךָ
(eineikha)
je ogen
יָשִׂ֥ימוּ
(yasimu)
zij zullen leggen
בְיָדָ֖ם
(beyadam)
in hun hand
וְלָקָֽחוּ
(velaqachu)
en zij zullen nemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7De koning van Israël riep alle oudsten van het land bijeen en zei: „Merk toch op en zie: deze man zoekt kwaad. Want hij heeft naar mij gestuurd voor mijn vrouwen en mijn zonen, mijn zilver en mijn goud. En ik heb ze hem niet geweigerd.”
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְכָל
(lekhal)
voor alle
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
דְּעֽוּ
(deu)
weet
נָ֣א
(na)
toch
וּרְא֔וּ
(ureu)
en zie
כִּ֥י
(ki)
dat
רָעָ֖ה
(raa)
kwaad
זֶ֣ה
(ze)
deze
מְבַקֵּ֑שׁ
(mevaqesh)
zoekend
כִּֽי
(ki)
want
שָׁלַ֨ח
(shalach)
hij stuurde
אֵלַ֜י
(elay)
naar mij
לְנָשַׁ֤י
(lenashay)
om mijn vrouwen
וּלְבָנַי֙
(ulevanay)
en om mijn zonen
וּלְכַסְפִּ֣י
(ulekhaspi)
en om mijn zilver
וְלִזְהָבִ֔י
(velizhavi)
en om mijn goud
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָנַ֖עְתִּי
(manati)
ik weigerde
מִמֶּֽנּוּ
(mimenu)
aan hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achab vraagt de oudsten van het land om raad.

Het gaat hier om wat Ben-Hadad vraagt in vers 3 en vers 5–6: eerst alles wat aan Achab is, daarna alles wat zijn dienaren mooi vinden.

8Alle oudsten en heel het volk zeiden tegen hem: „Luister niet en stem niet toe.”
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָ֛יו
(elav)
tot hem
כָּל
(kal)
alle
הַזְּקֵנִ֖ים
(hazeqenim)
de oudsten
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
אַל
(al)
niet
תִּשְׁמַ֖ע
(tishma)
luister
וְל֥וֹא
(velo)
en niet
תֹאבֶֽה
(tove)
stem toe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Hij zei tegen de boden van Ben-Hadad: „Zeg tegen mijn heer de koning: Alles wat u de eerste keer naar uw dienaar hebt gestuurd, zal ik doen. Maar dit kan ik niet doen.” De boden gingen weg en brachten hem het antwoord.
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לְמַלְאֲכֵ֣י
(lemalakhei)
aan de boden van
בֶן
(ben)
Ben
הֲדַ֗ד
(hadad)
Hadad
אִמְר֞וּ
(imru)
zegt
לַֽאדֹנִ֤י
(ladoni)
aan mijn heer
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
כֹּל֩
(kol)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
שָׁלַ֨חְתָּ
(shalachta)
je stuurde
אֶל
(el)
naar
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
uw dienaar
בָרִֽאשֹׁנָה֙
(barishona)
de eerste keer
אֶעֱשֶׂ֔ה
(eese)
ik zal doen
וְהַדָּבָ֣ר
(vehadavar)
maar het woord
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
לֹ֥א
(lo)
niet
אוּכַ֖ל
(ukhal)
ik kan
לַעֲשׂ֑וֹת
(laasot)
om te doen
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en gingen
הַמַּלְאָכִ֔ים
(hamalakhim)
de boden
וַיְשִׁבֻ֖הוּ
(vayshivuhu)
en brachten hem terug
דָּבָֽר
(davar)
woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achab stemt eerst in met de eis van vers 3 (vers 4), maar weigert de tweede eis, het doorzoeken van de huizen (vers 6).

10Ben-Hadad stuurde hem dit bericht: „Zo mogen de goden mij doen, en nog erger, als het stof van Samaria genoeg is om een handvol te geven aan al het volk dat mij volgt.”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
יַעֲשׂ֥וּן
(yaasun)
mogen doen
לִ֛י
(li)
mij
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
de goden
וְכֹ֣ה
(vekho)
en zo
יוֹסִ֑פוּ
(yosifu)
mogen toevoegen
אִם
(im)
als
יִשְׂפֹּק֙
(yispoq)
genoeg is
עֲפַ֣ר
(afar)
stof van
שֹׁמְר֔וֹן
(shomeron)
Samaria
לִשְׁעָלִ֕ים
(lishalim)
voor handenvol
לְכָל
(lekhal)
voor heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
בְּרַגְלָֽי
(beraglay)
aan mijn voeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

אֱלֹהִים (elohim), ‘de goden’: het werkwoord יַעֲשׂוּן (ya'asun) staat in het meervoud.

Ben-Hadad zweert bij zijn eigen goden.

Het is dus niet de Naam Elohim.

לִשְׁעָלִים (lisho'alim), ‘voor handenvol’: een handvol. Hij bedoelt dat zijn leger zo groot is dat het stof van Samaria niet voor iedereen één handvol zou opleveren.

11De koning van Israël antwoordde: „Zeg hem: Wie zich omgordt, moet niet opscheppen als wie de gordel losmaakt.”
וַיַּ֤עַן
(vayaan)
en antwoordde
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דַּבְּר֔וּ
(daberu)
spreek
אַל
(al)
niet
יִתְהַלֵּ֥ל
(yithalel)
laat zich beroemen
חֹגֵ֖ר
(choger)
wie omgordt
כִּמְפַתֵּֽחַ
(kimfateach)
als wie losmaakt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een spreekwoord.

Wie zich omgordt (zich klaarmaakt voor de strijd) kan nog niets verwachten.

Wie de gordel losmaakt (na de strijd) mag pas dan roemen.

Het Hebreeuws zegt alleen ‘wie omgordt’ en ‘wie losmaakt’; ‘de gordel’ is de bedoeling van de zin.

12Toen Ben-Hadad dit bericht hoorde, was hij aan het drinken, hij en de koningen, in de hutten. Hij zei tegen zijn dienaren: „Stel je op.” Zij stelden zich op tegen de stad.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֨עַ֙
(kishmoa)
toen hij hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het bericht
הַזֶּ֔ה
(haze)
dit
וְה֥וּא
(vehu)
en hij
שֹׁתֶ֛ה
(shote)
dronk
ה֥וּא
(hu)
hij
וְהַמְּלָכִ֖ים
(vehamelakhim)
en de koningen
בַּסֻּכּ֑וֹת
(basukot)
in de hutten
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֶל
(el)
tot
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
שִׂ֔ימוּ
(simu)
stel op
וַיָּשִׂ֖ימוּ
(vayasimu)
en zij stelden op
עַל
(al)
tegen
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סֻכּוֹת (sukkot), ‘hutten’: tijdelijke onderkomens van takken of doek, ook gebruikt voor een legerkamp.

Het is hetzelfde woord als in Lev. 23:42.

שִׂימוּ (simu), ‘stel je op’: het Hebreeuws zegt letterlijk ‘zet’ of ‘plaats’ en noemt geen voorwerp. Wij vertalen het als een bevel om stelling te nemen.

Lezing

Het Hebreeuws noemt de naam Ben-Hadad hier niet, maar alleen ‘hij’.

Wij noemen de naam voor de duidelijkheid.

Een profeet kondigt de overwinning aan

13En zie, een profeet kwam naar Achab, de koning van Israël, en zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Heb je heel deze grote menigte gezien? Zie, Ik geef haar vandaag in je hand. Dan zul je weten dat Ik Yahweh ben.’”
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
נָבִ֣יא
(navi)
profeet
אֶחָ֗ד
(echad)
een
נִגַּשׁ֮
(nigash)
kwam naar voren
אֶל
(el)
naar
אַחְאָ֣ב
(achav)
Achab
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הְֽרָאִ֔יתָ
(heraita)
heb je gezien
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הֶהָמ֥וֹן
(hehamon)
de menigte
הַגָּד֖וֹל
(hagadol)
grote
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
הִנְנִ֨י
(hinni)
zie Ik
נֹתְנ֤וֹ
(noteno)
ik geef haar
בְיָֽדְךָ֙
(beyadekha)
in je hand
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
וְיָדַעְתָּ֖
(veyadata)
en je zult weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit is een profeet die Yahweh citeert.

Zijn woorden staan daarom niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij de profeten in 1 Sam. 15:2 en 2 Sam. 7:5.

De tekst noemt de naam van de profeet niet. De profeet van vers 22 is waarschijnlijk dezelfde; de tekst zegt dat niet. In vers 28 heet hij ‘man van Elohim’.

14Achab zei: „Door wie?” Hij zei: „Zo zegt Yahweh: ‘Door de jongens van de bestuurders van de gewesten.’” Hij zei: „Wie moet de strijd beginnen?” Hij zei: „Jij.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַחְאָב֙
(achav)
Achab
בְּמִ֔י
(bemi)
door wie
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en hij zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּנַעֲרֵ֖י
(benaarei)
door de jongens van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bestuurders van
הַמְּדִינ֑וֹת
(hamedinot)
de gewesten
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מִֽי
(mi)
wie
יֶאְסֹ֥ר
(yesor)
zal beginnen
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de strijd
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אָֽתָּה
(ata)
jij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נַעַר (na'ar), ‘jongen’: hier jonge krijgers of dienaren van de bestuurders.

Wij houden ‘jongen’ aan, omdat het één Hebreeuws woord is.

מְדִינוֹת (medinot), ‘gewesten’: bestuursgebieden. Het woord komt in dit boek alleen in dit hoofdstuk voor.

יֶאְסֹר (ye'sor), ‘beginnen’: letterlijk ‘binden’ of ‘aanspannen’. De vraag is wie de strijd zal openen. Het antwoord is ‘jij’, Achab zelf.

15Hij telde de jongens van de bestuurders van de gewesten: het waren er 232. Daarna telde hij heel het volk, alle zonen van Israël: 7.000 man.
וַיִּפְקֹ֗ד
(vayifqod)
en telde
אֶֽת
(et)
(obj.)
נַעֲרֵי֙
(naarei)
jongens van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bestuurders van
הַמְּדִינ֔וֹת
(hamedinot)
de gewesten
וַיִּהְי֕וּ
(vayihyu)
en het waren
מָאתַ֖יִם
(matayim)
tweehonderd
שְׁנַ֣יִם
(shenayim)
twee
וּשְׁלֹשִׁ֑ים
(usheloshim)
en dertig
וְאַחֲרֵיהֶ֗ם
(veachareihem)
en na hen
פָּקַ֧ד
(paqad)
telde hij
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
אֲלָפִֽים
(alafim)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het aantal van 7.000 man is klein vergeleken met het leger van Aram.

Vergelijk 1 Kon. 19:18, waar Yahweh ook 7.000 noemt.

16Zij trokken uit op het middaguur. Ben-Hadad zat in de hutten te drinken en was dronken, hij en de koningen, de tweeëndertig koningen die hem hielpen.
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
בַּֽצָּהֳרָ֑יִם
(batsahorayim)
op het middaguur
וּבֶן
(uven)
en Ben
הֲדַד֩
(hadad)
Hadad
שֹׁתֶ֨ה
(shote)
dronk
שִׁכּ֜וֹר
(shikor)
dronken
בַּסֻּכּ֗וֹת
(basukot)
in de hutten
ה֧וּא
(hu)
hij
וְהַמְּלָכִ֛ים
(vehamelakhim)
en de koningen
שְׁלֹשִֽׁים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁנַ֥יִם
(ushenayim)
en twee
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
koning
עֹזֵ֥ר
(ozer)
helper
אֹתֽוֹ
(oto)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De jongens van de bestuurders van de gewesten trokken als eersten uit. Ben-Hadad stuurde mannen en zij meldden hem: „Er zijn mannen uit Samaria uitgetrokken.”
וַיֵּצְא֗וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
נַעֲרֵ֛י
(naarei)
jongens van
שָׂרֵ֥י
(sarei)
bestuurders van
הַמְּדִינ֖וֹת
(hamedinot)
de gewesten
בָּרִֽאשֹׁנָ֑ה
(barishona)
als eersten
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en stuurde
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֗ד
(hadad)
Hadad
וַיַּגִּ֤ידוּ
(vayagidu)
en zij meldden
לוֹ֙
(lo)
aan hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֲנָשִׁ֕ים
(anashim)
mannen
יָצְא֖וּ
(yatseu)
zijn uitgetrokken
מִשֹּׁמְרֽוֹן
(mishomeron)
uit Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

18Hij zei: „Als zij voor de vrede zijn uitgetrokken, grijp hen levend. En als zij voor de strijd zijn uitgetrokken, grijp hen ook levend.”
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִם
(im)
als
לְשָׁל֥וֹם
(leshalom)
voor vrede
יָצָ֖אוּ
(yatsau)
zij zijn uitgetrokken
תִּפְשׂ֣וּם
(tifsum)
grijp hen
חַיִּ֑ים
(chayim)
levend
וְאִ֧ם
(veim)
en als
לְמִלְחָמָ֛ה
(lemilchama)
voor strijd
יָצָ֖אוּ
(yatsau)
zij zijn uitgetrokken
חַיִּ֥ים
(chayim)
levend
תִּפְשֽׂוּם
(tifsum)
grijp hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Dezen waren uit de stad getrokken: de jongens van de bestuurders van de gewesten, en het leger dat achter hen aan kwam.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dezen
יָצְא֣וּ
(yatseu)
zijn uitgetrokken
מִן
(min)
uit
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
נַעֲרֵ֖י
(naarei)
jongens van
שָׂרֵ֣י
(sarei)
bestuurders van
הַמְּדִינ֑וֹת
(hamedinot)
de gewesten
וְהַחַ֖יִל
(vehachayil)
en het leger
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אַחֲרֵיהֶֽם
(achareihem)
achter hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Ieder sloeg zijn man neer. De Arameeërs sloegen op de vlucht en Israël zette hen na. Ben-Hadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met ruiters.
וַיַּכּוּ֙
(vayaku)
en zij sloegen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אִישׁ֔וֹ
(isho)
zijn man
וַיָּנֻ֣סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וַֽיִּרְדְּפֵ֖ם
(vayirdefem)
en achtervolgde hen
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּמָּלֵ֗ט
(vayimalet)
en ontkwam
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַד֙
(hadad)
Hadad
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
עַל
(al)
op
ס֖וּס
(sus)
paard
וּפָרָשִֽׁים
(ufarashim)
en ruiters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

21De koning van Israël trok uit. Hij versloeg de paarden en de wagens en bracht Aram een grote nederlaag toe.
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en trok uit
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
הַסּ֖וּס
(hasus)
de paarden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָרָ֑כֶב
(harakhev)
de wagens
וְהִכָּ֥ה
(vehika)
en bracht een slag toe
בַאֲרָ֖ם
(baaram)
aan Aram
מַכָּ֥ה
(maka)
slag
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Arameeërs komen terug

22De profeet kwam naar de koning van Israël en zei tegen hem: „Ga, versterk jezelf. Bedenk en zie wat je gaat doen. Want als het jaar weer rond is, trekt de koning van Aram tegen je op.”
וַיִּגַּ֤שׁ
(vayigash)
en kwam naar voren
הַנָּבִיא֙
(hanavi)
de profeet
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
לוֹ֙
(lo)
tot hem
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
הִתְחַזַּ֔ק
(hitchazaq)
versterk jezelf
וְדַ֥ע
(veda)
en weet
וּרְאֵ֖ה
(uree)
en zie
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
אֲשֶֽׁר
(asher)
wat
תַּעֲשֶׂ֑ה
(taase)
je zult doen
כִּ֚י
(ki)
want
לִתְשׁוּבַ֣ת
(litshuvat)
bij de terugkeer van
הַשָּׁנָ֔ה
(hashana)
het jaar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֖ם
(aram)
Aram
עֹלֶ֥ה
(ole)
trekt op
עָלֶֽיךָ
(aleikha)
tegen jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

לִתְשׁוּבַת הַשָּׁנָה (litshuvat hashanah), ‘als het jaar weer rond is’: letterlijk ‘bij de terugkeer van het jaar’.

Dat is het begin van het nieuwe jaar, in de lente, wanneer de koningen ten strijde trokken.

Dezelfde uitdrukking staat in 2 Sam. 11:1 en 1 Kon. 20:26.

Het plan van de dienaren van Aram

23De dienaren van de koning van Aram zeiden tegen hem: „Hun god is een god van de bergen. Daarom waren zij sterker dan wij. Maar laten wij in de vlakte tegen hen strijden. Dan zijn wij zeker sterker dan zij.
וְעַבְדֵ֨י
(veavdei)
en dienaren van
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֜ם
(aram)
Aram
אָמְר֣וּ
(ameru)
zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
god van
הָרִים֙
(harim)
bergen
אֱלֹ֣הֵיהֶ֔ם
(eloheihem)
hun god
עַל
(al)
daarom
כֵּ֖ן
(ken)
zo
חָזְק֣וּ
(chazequ)
zij waren sterker
מִמֶּ֑נּוּ
(mimenu)
dan wij
וְאוּלָ֗ם
(veulam)
maar
נִלָּחֵ֤ם
(nilachem)
laten wij strijden
אִתָּם֙
(itam)
met hen
בַּמִּישׁ֔וֹר
(bamishor)
in de vlakte
אִם
(im)
zeker
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶחֱזַ֖ק
(nechezaq)
zijn wij sterker
מֵהֶֽם
(mehem)
dan zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.

Uitleg

אֱלֹהֵי הָרִים (elohei harim), ‘een god van de bergen’: de dienaren van de koning van Aram denken dat Yahweh alleen sterk is in de bergen van Israël, waar Samaria ligt.

Daarom schrijven wij ‘god’ met een kleine letter: dit is hun mening over Hem, niet de belijdenis van Israël.

In vers 28 wijst Yahweh deze mening af.

אִם לֹא (im lo), ‘zeker’: letterlijk ‘als niet’; het is de vorm van een eed of nadrukkelijke bewering.

24En doe dit: zet de koningen af, ieder van zijn plaats, en stel in hun plaats stadhouders aan.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֖ה
(haze)
deze
עֲשֵׂ֑ה
(ase)
doe
הָסֵ֤ר
(haser)
verwijder
הַמְּלָכִים֙
(hamelakhim)
de koningen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מִמְּקֹמ֔וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
וְשִׂ֥ים
(vesim)
en stel aan
פַּח֖וֹת
(pachot)
stadhouders
תַּחְתֵּיהֶֽם
(tachteihem)
in hun plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פַּחוֹת (pachot), ‘stadhouders’: bestuurders die door de koning zijn aangesteld, in plaats van koningen die zelf over hun gebied regeren.

25Stel zelf een leger samen, zoals het leger dat je verloren hebt: paard voor paard en wagen voor wagen. Dan strijden wij in de vlakte tegen hen. Dan zijn wij zeker sterker dan zij.” Hij luisterde naar hun stem en deed zo.
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en jij
תִֽמְנֶה
(timne)
tel
לְךָ֣
(lekha)
voor jou
חַ֡יִל
(chayil)
leger
כַּחַיִל֩
(kachayil)
zoals het leger
הַנֹּפֵ֨ל
(hanofel)
dat viel
מֵאוֹתָ֜ךְ
(meotakh)
van jou
וְס֣וּס
(vesus)
en paard
כַּסּ֣וּס
(kasus)
zoals paard
וְרֶ֣כֶב
(verekhev)
en wagen
כָּרֶ֗כֶב
(karekhev)
zoals wagen
וְנִֽלָּחֲמָ֤ה
(venilachama)
en laten wij strijden
אוֹתָם֙
(otam)
met hen
בַּמִּישׁ֔וֹר
(bamishor)
in de vlakte
אִם
(im)
zeker
לֹ֥א
(lo)
niet
נֶחֱזַ֖ק
(nechezaq)
zijn wij sterker
מֵהֶ֑ם
(mehem)
dan zij
וַיִּשְׁמַ֥ע
(vayishma)
en hij luisterde
לְקֹלָ֖ם
(leqolam)
naar hun stem
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookPs 10:3

De slag bij Afek

26Toen het jaar weer rond was, telde Ben-Hadad de Arameeërs en trok op naar Afek, om tegen Israël te strijden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
לִתְשׁוּבַ֣ת
(litshuvat)
bij de terugkeer van
הַשָּׁנָ֔ה
(hashana)
het jaar
וַיִּפְקֹ֥ד
(vayifqod)
en telde
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֖ד
(hadad)
Hadad
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֑ם
(aram)
Aram
וַיַּ֣עַל
(vayaal)
en trok op
אֲפֵ֔קָה
(afeqa)
naar Afek
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
tot strijd
עִם
(im)
met
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Afek ligt waarschijnlijk op de hoogte ten oosten van het meer van Galilea, bij het huidige Afiq (Fiq) op de Golan (Israël); de ligging is onzeker en er zijn meer plaatsen met deze naam.

Zie ook 1 Kon. 20:30.

27Ook de zonen van Israël werden geteld en van voorraad voorzien. Zij trokken hun tegemoet. De zonen van Israël legerden zich tegenover hen als twee kleine kuddes geiten, terwijl Aram het land vulde.
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
הָתְפָּקְדוּ֙
(hatpaqedu)
werden geteld
וְכָלְכְּל֔וּ
(vekhalkelu)
en van voorraad voorzien
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
לִקְרָאתָ֑ם
(liqratam)
hun tegemoet
וַיַּחֲנ֨וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
נֶגְדָּ֗ם
(negdam)
tegenover hen
כִּשְׁנֵי֙
(kishnei)
als twee
חֲשִׂפֵ֣י
(chasifei)
kuddetjes van
עִזִּ֔ים
(izim)
geiten
וַאֲרָ֖ם
(vaaram)
en Aram
מִלְא֥וּ
(milu)
vulde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

חֲשִׂפֵי עִזִּים (chasifei izzim), ‘kleine kuddes geiten’: dit woord komt maar hier voor.

De betekenis ‘kleine kudde’ is niet zeker.

Wij vertalen het zo, omdat de zin Israëls kleine leger wil vergelijken met het grote leger van Aram.

28Een man van Elohim kwam naar voren. Hij zei tegen de koning van Israël: „Zo zegt Yahweh: ‘Aram heeft gezegd: Yahweh is een god van de bergen en Hij is geen god van de dalen. Daarom geef Ik heel deze grote menigte in je hand. Dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben.’”
וַיִּגַּ֞שׁ
(vayigash)
en kwam naar voren
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֗ים
(haElohim)
Elohim
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
כֹּֽה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֠עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אָמְר֤וּ
(ameru)
zeiden
אֲרָם֙
(aram)
Aram
אֱלֹהֵ֤י
(elohei)
god van
הָרִים֙
(harim)
bergen
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹֽא
(velo)
en niet
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
god van
עֲמָקִ֖ים
(amaqim)
dalen
ה֑וּא
(hu)
hij
וְ֠נָתַתִּי
(venatati)
en ik zal geven
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הֶהָמ֨וֹן
(hehamon)
de menigte
הַגָּ֤דוֹל
(hagadol)
grote
הַזֶּה֙
(haze)
deze
בְּיָדֶ֔ךָ
(beyadekha)
in je hand
וִֽידַעְתֶּ֖ם
(vidatem)
en jullie zullen weten
כִּֽי
(ki)
dat
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אִישׁ הָאֱלֹהִים (ish haelohim), ‘man van Elohim’: een profeet.

De woorden van Yahweh zijn hier door de profeet geciteerd en staan daarom niet in rood.

Zie vers 13.

De Arameeërs zeggen in vers 23 dat Yahweh een ‘god van de bergen’ is. Yahweh reageert hierop: Hij zal laten zien dat Hij ook in het dal heerst.

וִידַעְתֶּם כִּי אֲנִי יְהוָה (vida'tem ki ani Yahweh), ‘dan zullen jullie weten dat Ik Yahweh ben’: de bekende uitspraak uit Exod. 6:7 en Ezech. 6:7.

29Zeven dagen lang legerden zij zich tegenover elkaar. Op de zevende dag begon de strijd. De zonen van Israël sloegen van Aram 100.000 man voetvolk neer, op één dag.
וַֽיַּחֲנ֧וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
אֵ֦לֶּה
(ele)
dezen
נֹ֥כַח
(nokhach)
tegenover
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
וַתִּקְרַב֙
(vatiqrav)
en kwam dichterbij
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de strijd
וַיַּכּ֨וּ
(vayaku)
en zij sloegen
בְנֵֽי
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֧ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרָ֛ם
(aram)
Aram
מֵאָה
(mea)
honderd
אֶ֥לֶף
(elef)
duizend
רַגְלִ֖י
(ragli)
voetvolk
בְּי֥וֹם
(beyom)
op een dag
אֶחָֽד
(echad)
een
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De overgeblevenen vluchtten naar Afek, de stad in. Daar viel de muur op de 27.000 man die waren overgebleven. Ook Ben-Hadad vluchtte. Hij kwam de stad in, in een kamer binnen een kamer.
וַיָּנֻ֨סוּ
(vayanusu)
en zij vluchtten
הַנּוֹתָרִ֥ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
אֲפֵקָה֮
(afeqa)
naar Afek
אֶל
(el)
naar
הָעִיר֒
(hair)
de stad
וַתִּפֹּל֙
(vatipol)
en viel
הַחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
עַל
(al)
op
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְשִׁבְעָ֥ה
(veshiva)
en zeven
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
הַנּוֹתָרִ֑ים
(hanotarim)
de overgeblevenen
וּבֶן
(uven)
en Ben
הֲדַ֣ד
(hadad)
Hadad
נָ֔ס
(nas)
vluchtte
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
אֶל
(el)
naar
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
חֶ֥דֶר
(cheder)
kamer
בְּחָֽדֶר
(bechader)
in kamer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Afek: zie vers 26.

Uitleg

חֶדֶר בְּחֶדֶר (cheder becheder), ‘kamer in kamer’: een binnenkamer in de stad, om zich te verbergen.

Wij vertalen letterlijk.

Ben-Hadad vraagt om genade

31Zijn dienaren zeiden tegen hem: „Zie toch, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis van Israël koningen van trouw zijn. Laten wij rouwkleden om onze heupen doen en touwen om ons hoofd, en uitgaan naar de koning van Israël. Misschien laat hij je in leven.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
אֵלָיו֮
(elav)
tot hem
עֲבָדָיו֒
(avadav)
zijn dienaren
הִנֵּֽה
(hine)
zie
נָ֣א
(na)
toch
שָׁמַ֔עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
כִּ֗י
(ki)
dat
מַלְכֵי֙
(malkhei)
koningen van
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
dat
מַלְכֵ֥י
(malkhei)
koningen van
חֶ֖סֶד
(chesed)
trouw
הֵ֑ם
(hem)
zij
נָשִׂ֣ימָה
(nasima)
laten wij doen
נָּא֩
(na)
toch
שַׂקִּ֨ים
(saqim)
rouwkleden
בְּמָתְנֵ֜ינוּ
(bemateneinu)
om onze heupen
וַחֲבָלִ֣ים
(vachavalim)
en touwen
בְּרֹאשֵׁ֗נוּ
(beroshenu)
om ons hoofd
וְנֵצֵא֙
(venetse)
en laten wij uitgaan
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אוּלַ֖י
(ulay)
misschien
יְחַיֶּ֥ה
(yechaye)
laat hij leven
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשֶֽׁךָ
(nafshekha)
je leven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: wij vertalen dit woord overal met ‘trouw’.

Hier betekent ‘koningen van trouw’ koningen die genade tonen aan een verslagen vijand.

שַׂקִּים (sakkim), ‘rouwkleden’: grove kleding die men droeg als teken van rouw of onderwerping. Zie ook Gen. 37:34. Touwen om het hoofd zijn een teken van onderwerping.

32Zij bonden rouwkleden om hun heupen en touwen om hun hoofd. Zij kwamen bij de koning van Israël en zeiden: „Uw dienaar Ben-Hadad zegt: Laat mij toch in leven.” Hij zei: „Leeft hij nog? Hij is mijn broer.”
וַיַּחְגְּרוּ֩
(vayachgeru)
en zij bonden om
שַׂקִּ֨ים
(saqim)
rouwkleden
בְּמָתְנֵיהֶ֜ם
(bemateneihem)
om hun heupen
וַחֲבָלִ֣ים
(vachavalim)
en touwen
בְּרָאשֵׁיהֶ֗ם
(berasheihem)
om hun hoofd
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
עַבְדְּךָ֧
(avdekha)
uw dienaar
בֶן
(ben)
Ben
הֲדַ֛ד
(hadad)
Hadad
אָמַ֖ר
(amar)
zegt
תְּחִֽי
(techi)
laat leven
נָ֣א
(na)
toch
נַפְשִׁ֑י
(nafshi)
mijn leven
וַיֹּ֛אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הַעוֹדֶ֥נּוּ
(haodenu)
is hij nog
חַ֖י
(chay)
levend
אָחִ֥י
(achi)
mijn broer
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33De mannen namen dit als een teken. Snel namen zij het van hem over en zeiden: „Ja, uw broer Ben-Hadad!” Hij zei: „Ga hem halen.” Ben-Hadad kwam naar hem toe en hij liet hem op de wagen stijgen.
וְהָאֲנָשִׁים֩
(vehaanashim)
en de mannen
יְנַחֲשׁ֨וּ
(yenachashu)
letten op een teken
וַֽיְמַהֲר֜וּ
(vaymaharu)
en haastten zich
וַיַּחְלְט֣וּ
(vayachletu)
en namen over
הֲמִמֶּ֗נּוּ
(hamimenu)
van hem
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אָחִ֣יךָ
(achikha)
je broer
בֶן
(ben)
Ben
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en hij zei
בֹּ֣אוּ
(bou)
ga
קָחֻ֑הוּ
(qachuhu)
haal hem
וַיֵּצֵ֤א
(vayetse)
en kwam naar buiten
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
בֶּן
(ben)
Ben
הֲדַ֔ד
(hadad)
Hadad
וַֽיַּעֲלֵ֖הוּ
(vayaalehu)
en liet hem opstijgen
עַל
(al)
op
הַמֶּרְכָּבָֽה
(hamerkava)
de wagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Dit vers is moeilijk.

Het Hebreeuws zegt: ‘de mannen letten op een teken’ (נִחֵשׁ, nichesh), ‘haastten zich’ en ‘grepen’ (וַיַּחְלְטוּ, vayachletu, een woord dat maar hier staat) ‘het van hem’.

Wij vertalen: zij herkenden in zijn woord ‘mijn broer’ een gunstig teken en grepen dat dadelijk aan.

34Ben-Hadad zei tegen hem: „De steden die mijn vader van uw vader heeft genomen, geef ik terug. U mag voor uzelf straten inrichten in Damascus, zoals mijn vader deed in Samaria.” „Dan laat ik u gaan op grond van een verbond.” Zo sloot hij een verbond met hem en liet hem gaan.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֡יו
(elav)
tot hem
הֶעָרִ֣ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁר
(asher)
die
לָֽקַח
(laqach)
nam
אָבִי֩
(avi)
mijn vader
מֵאֵ֨ת
(meet)
van
אָבִ֜יךָ
(avikha)
je vader
אָשִׁ֗יב
(ashiv)
ik zal teruggeven
וְ֠חוּצוֹת
(vechutsot)
en straten
תָּשִׂ֨ים
(tasim)
je zult inrichten
לְךָ֤
(lekha)
voor jou
בְדַמֶּ֨שֶׂק֙
(bedameseq)
in Damascus
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
zoals
שָׂ֤ם
(sam)
richtte in
אָבִי֙
(avi)
mijn vader
בְּשֹׁ֣מְר֔וֹן
(beshomeron)
in Samaria
וַאֲנִ֖י
(vaani)
en ik
בַּבְּרִ֣ית
(baberit)
met een verbond
אֲשַׁלְּחֶ֑ךָּ
(ashalecheka)
ik zal je laten gaan
וַיִּכְרָת
(vayikhrat)
en hij sloot
ל֥וֹ
(lo)
met hem
בְרִ֖ית
(berit)
verbond
וַֽיְשַׁלְּחֵֽהוּ
(vayshalechehu)
en liet hem gaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Damascus is de hoofdstad van Aram, in het zuidwesten van het huidige Syrië.

Het ligt nog altijd op dezelfde plek.

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

חוּצוֹת (chutsot), ‘straten’: eigen straten of handelswijken voor Israëlitische kooplieden.

Het woord staat letterlijk ‘buitenplaatsen’.

Lezing

Het Hebreeuws noemt geen sprekerswisseling.

Het gedeelte ‘Dan laat ik u gaan op grond van een verbond’ zijn de woorden van Achab.

Wij zetten ze tussen nieuwe aanhalingstekens.

Daarna volgt het verhaal.

Een profeet veroordeelt Achab

35Een man van de zonen van de profeten zei, op het woord van Yahweh, tegen zijn metgezel: „Sla mij toch.” Maar de man weigerde hem te slaan.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en man
אֶחָ֜ד
(echad)
een
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הַנְּבִיאִ֗ים
(haneviim)
de profeten
אָמַ֧ר
(amar)
zei
אֶל
(el)
tot
רֵעֵ֛הוּ
(reehu)
zijn metgezel
בִּדְבַ֥ר
(bidvar)
op het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַכֵּ֣ינִי
(hakeini)
sla mij
נָ֑א
(na)
toch
וַיְמָאֵ֥ן
(vaymaen)
en weigerde
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
לְהַכֹּתֽוֹ
(lehakoto)
hem te slaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּנֵי הַנְּבִיאִים (bnei hanevi'im), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een profetengroep.

De man wil dat zijn metgezel hem slaat, om zich als gewonde krijgsman voor te doen (vers 37–38).

36Hij zei tegen hem: „Omdat je niet naar de stem van Yahweh hebt geluisterd, zie, ga je van mij weg en zal een leeuw je doden.” Toen hij van hem wegging, vond een leeuw hem en doodde hem.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
יַ֚עַן
(yaan)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
שָׁמַ֨עְתָּ֙
(shamata)
je hebt geluisterd
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
הִנְּךָ֤
(hinekha)
zie jij
הוֹלֵךְ֙
(holekh)
gaat
מֵֽאִתִּ֔י
(meiti)
van mij
וְהִכְּךָ֖
(vehikekha)
en zal doden je
הָאַרְיֵ֑ה
(haarye)
de leeuw
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en hij ging
מֵֽאֶצְל֔וֹ
(meetslo)
van naast hem
וַיִּמְצָאֵ֥הוּ
(vayimtsaehu)
en vond hem
הָאַרְיֵ֖ה
(haarye)
de leeuw
וַיַּכֵּֽהוּ
(vayakehu)
en doodde hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De man die weigert te slaan, krijgt een straf omdat hij niet naar het woord van Yahweh luisterde.

De straf (een leeuw) komt onmiddellijk.

De tekst geeft verder geen reden.

37Hij vond een andere man en zei: „Sla mij toch.” De man sloeg hem en verwondde hem.
וַיִּמְצָא֙
(vayimtsa)
en hij vond
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
הַכֵּ֣ינִי
(hakeini)
sla mij
נָ֑א
(na)
toch
וַיַּכֵּ֥הוּ
(vayakehu)
en sloeg hem
הָאִ֖ישׁ
(haish)
de man
הַכֵּ֥ה
(hake)
slaand
וּפָצֹֽעַ
(ufatsoa)
en verwondend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38De profeet ging weg en stelde zich langs de weg op voor de koning. Hij maakte zich onherkenbaar met een verband over zijn ogen.
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en ging
הַנָּבִ֔יא
(hanavi)
de profeet
וַיַּעֲמֹ֥ד
(vayaamod)
en stelde zich op
לַמֶּ֖לֶךְ
(lamelekh)
voor de koning
עַל
(al)
langs
הַדָּ֑רֶךְ
(hadarekh)
de weg
וַיִּתְחַפֵּ֥שׂ
(vayitchapes)
en maakte zich onherkenbaar
בָּאֲפֵ֖ר
(baafer)
met een verband
עַל
(al)
over
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

אֲפֵר (afer), ‘verband’: dit woord staat maar hier (vers 38 en 41).

Het lijkt op het woord voor ‘as’ (אֵפֶר, efer), maar de zin vraagt een doek of verband over de ogen.

Wij vertalen ‘verband’.

39Toen de koning voorbijkwam, riep hij de koning toe: „Uw dienaar was midden in de strijd uitgetrokken. Zie, een man week af en bracht een man naar mij toe. Hij zei: ‘Bewaak deze man. Als hij wordt vermist, komt jouw leven in de plaats van zijn leven, of je moet een talent zilver wegen.’
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
עֹבֵ֔ר
(over)
voorbijgaand
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
צָעַ֣ק
(tsaaq)
riep
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּ֜אמֶר
(vayomer)
en zei
עַבְדְּךָ֣
(avdekha)
uw dienaar
יָצָ֣א
(yatsa)
trok uit
בְקֶֽרֶב
(beqerev)
midden in
הַמִּלְחָמָ֗ה
(hamilchama)
de strijd
וְהִנֵּֽה
(vehine)
en zie
אִ֨ישׁ
(ish)
man
סָ֜ר
(sar)
week af
וַיָּבֵ֧א
(vayave)
en bracht
אֵלַ֣י
(elay)
naar mij
אִ֗ישׁ
(ish)
man
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
שְׁמֹר֙
(shemor)
bewaak
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אִם
(im)
als
הִפָּקֵד֙
(hipaqed)
vermist
יִפָּקֵ֔ד
(yipaqed)
wordt vermist
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
je leven
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
נַפְשׁ֔וֹ
(nafsho)
zijn leven
א֥וֹ
(o)
of
כִכַּר
(kikar)
talent van
כֶּ֖סֶף
(kesef)
zilver
תִּשְׁקֽוֹל
(tishqol)
je zult wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כִּכַּר (kikkar), ‘talent’: een gewicht van ongeveer 34 kilogram.

Het staat hier voor een zeer grote som zilver.

De profeet vertelt een verzonnen geval, zodat de koning zichzelf veroordeelt. Zie ook 2 Sam. 12:1–7 en 2 Sam. 14:5–13.

40Terwijl uw dienaar hier en daar bezig was, was hij verdwenen.” De koning van Israël zei tegen hem: „Zo luidt uw vonnis. U hebt het zelf uitgesproken.”
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
עַבְדְּךָ֗
(avdekha)
uw dienaar
עֹשֵׂ֥ה
(ose)
bezig
הֵ֛נָּה
(hena)
hier
וָהֵ֖נָּה
(vahena)
en daar
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
אֵינֶ֑נּוּ
(einenu)
is er niet
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָ֧יו
(elav)
tot hem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
כֵּ֥ן
(ken)
zo
מִשְׁפָּטֶ֖ךָ
(mishpatekha)
uw vonnis
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
חָרָֽצְתָּ
(charatsta)
hebt uitgesproken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: wij vertalen dit woord overal met ‘recht’.

Hier is het een uitspraak van de rechter: ‘vonnis’.

41Snel nam hij het verband van zijn ogen. De koning van Israël herkende hem: hij was een van de profeten.
וַיְמַהֵ֕ר
(vaymaher)
en haastte zich
וַיָּ֨סַר֙
(vayasar)
en nam weg
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣אֲפֵ֔ר
(haafer)
het verband
מֵעֲלֵ֖י
(mealei)
van op
עֵינָ֑יו
(einav)
zijn ogen
וַיַּכֵּ֤ר
(vayaker)
en herkende
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
dat
מֵֽהַנְּבִאִ֖ים
(mehaneviim)
van de profeten
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Hij zei tegen hem: „Zo zegt Yahweh: ‘Je hebt de man van Mijn ban uit je hand laten gaan. Daarom komt jouw leven in de plaats van zijn leven en jouw volk in de plaats van zijn volk.’”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֗יו
(elav)
tot hem
כֹּ֚ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
יַ֛עַן
(yaan)
omdat
שִׁלַּ֥חְתָּ
(shilachta)
je liet gaan
אֶת
(et)
(obj.)
אִישׁ
(ish)
man van
חֶרְמִ֖י
(chermi)
Mijn ban
מִיָּ֑ד
(miyad)
uit de hand
וְהָיְתָ֤ה
(vehayeta)
en zal zijn
נַפְשְׁךָ֙
(nafshekha)
je leven
תַּ֣חַת
(tachat)
in plaats van
נַפְשׁ֔וֹ
(nafsho)
zijn leven
וְעַמְּךָ֖
(veamekha)
en je volk
תַּ֥חַת
(tachat)
in plaats van
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֵרֶם (cherem), ‘ban’: wat aan Yahweh is gewijd om vernietigd te worden.

Zie Lev. 27:28–29 en Deut. 7:2.

‘De man van Mijn ban’ is Ben-Hadad.

Yahweh had hem aan de vernietiging prijsgegeven, maar Achab liet hem gaan.

De woorden van Yahweh zijn hier door de profeet geciteerd; zie vers 13.

43De koning van Israël ging naar huis, somber en kwaad, en kwam in Samaria.
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
עַל
(al)
naar
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
סַ֣ר
(sar)
somber
וְזָעֵ֑ף
(vezaef)
en kwaad
וַיָּבֹ֖א
(vayavo)
en kwam
שֹׁמְרֽוֹנָה
(shomerona)
naar Samaria
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Samaria: Samaria is de hoofdstad van het noordrijk Israël, gebouwd door Omri op een heuvel bij het huidige Sebastiya, ten noordwesten van Sichem.

Uitleg

סַר וְזָעֵף (sar vezaef), ‘somber en kwaad’: dezelfde woorden staan in 1 Kon. 21:4.

Daar wordt Achab weer somber, nu over de wijngaard van Naboth.