Elohim Bijbel

Exodus 37

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De ark, de tafel, de kandelaar en het wierookaltaar

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De ark

1Bezaleël maakte de ark van acaciahout, twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
בְּצַלְאֵ֛ל
(betsalel)
Bezaleël
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֹ֖ן
(haaron)
de ark
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
אַמָּתַ֨יִם
(amatayim)
twee el
וָחֵ֜צִי
(vachetsi)
en half
אָרְכּ֗וֹ
(arko)
zijn lengte
וְאַמָּ֤ה
(veama)
en een el
וָחֵ֨צִי֙
(vachetsi)
en half
רָחְבּ֔וֹ
(rachbo)
zijn breedte
וְאַמָּ֥ה
(veama)
en een el
וָחֵ֖צִי
(vachetsi)
en half
קֹמָתֽוֹ
(qomato)
zijn hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bezaleël maakt de ark volgens Exod. 25:10–22.

Een el is ongeveer 45 cm; de ark is dus ruim 110 cm lang.

2Hij overtrok hem met zuiver goud, van binnen en van buiten, en maakte er een gouden rand omheen.
וַיְצַפֵּ֛הוּ
(vaytsapehu)
en overtrok hem
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
טָה֖וֹר
(tahor)
zuiver
מִבַּ֣יִת
(mibayit)
van binnen
וּמִח֑וּץ
(umichuts)
en van buiten
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
זֵ֥ר
(zer)
rand van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 30:3
3Hij goot er vier gouden ringen voor, aan zijn vier onderhoeken: twee ringen aan de ene zijde en twee ringen aan de andere zijde.
וַיִּצֹ֣ק
(vayitsoq)
en goot
ל֗וֹ
(lo)
voor hem
אַרְבַּע֙
(arba)
vier
טַבְּעֹ֣ת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
עַ֖ל
(al)
op
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
פַּעֲמֹתָ֑יו
(paamotav)
zijn onderhoeken
וּשְׁתֵּ֣י
(ushtei)
en twee
טַבָּעֹ֗ת
(tabaot)
ringen
עַל
(al)
op
צַלְעוֹ֙
(tsalo)
zijn zijde
הָֽאֶחָ֔ת
(haechat)
de ene
וּשְׁתֵּי֙
(ushtei)
en twee
טַבָּע֔וֹת
(tabaot)
ringen
עַל
(al)
op
צַלְע֖וֹ
(tsalo)
zijn zijde
הַשֵּׁנִֽית
(hashenit)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Hij maakte draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
בַּדֵּ֖י
(badei)
draagstokken van
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
וַיְצַ֥ף
(vaytsaf)
en overtrok
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Hij stak de draagstokken in de ringen aan de zijden van de ark, om de ark te dragen.
וַיָּבֵ֤א
(vayave)
en hij bracht
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּדִּים֙
(habadim)
de draagstokken
בַּטַּבָּעֹ֔ת
(batabaot)
in de ringen
עַ֖ל
(al)
aan
צַלְעֹ֣ת
(tsalot)
de zijden van
הָאָרֹ֑ן
(haaron)
de ark
לָשֵׂ֖את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֹֽן
(haaron)
de ark
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het verzoendeksel en de cherubs

6Hij maakte een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
כַּפֹּ֖רֶת
(kaporet)
verzoendeksel van
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֑וֹר
(tahor)
zuiver
אַמָּתַ֤יִם
(amatayim)
twee el
וָחֵ֨צִי֙
(vachetsi)
en half
אָרְכָּ֔הּ
(arkah)
zijn lengte
וְאַמָּ֥ה
(veama)
en een el
וָחֵ֖צִי
(vachetsi)
en half
רָחְבָּֽהּ
(rachbah)
zijn breedte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

כַּפֹּרֶת (kapporet), ‘verzoendeksel’, komt van het werkwoord כָּפַר (kafar), ‘bedekken, verzoenen’.

7Hij maakte twee cherubs van goud; hij maakte ze van gedreven werk, aan de twee uiteinden van het verzoendeksel:
וַיַּ֛עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
כְרֻבִ֖ים
(keruvim)
cherubs
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
מִקְשָׁה֙
(miqsha)
gedreven werk
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte hij
אֹתָ֔ם
(otam)
hen
מִשְּׁנֵ֖י
(mishenei)
aan de twee
קְצ֥וֹת
(qetsot)
einden van
הַכַּפֹּֽרֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8één cherub aan het ene uiteinde en één cherub aan het andere uiteinde. Uit het verzoendeksel maakte hij de cherubs, aan zijn beide uiteinden.
כְּרוּב
(keruv)
cherub
אֶחָ֤ד
(echad)
één
מִקָּצָה֙
(miqatsa)
aan het einde
מִזֶּ֔ה
(mize)
aan deze kant
וּכְרוּב
(ukheruv)
en cherub
אֶחָ֥ד
(echad)
één
מִקָּצָ֖ה
(miqatsa)
aan het einde
מִזֶּ֑ה
(mize)
aan die kant
מִן
(min)
uit
הַכַּפֹּ֛רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte hij
אֶת
(et)
(obj.)
הַכְּרֻבִ֖ים
(hakeruvim)
de cherubs
מִשְּׁנֵ֥י
(mishenei)
aan de twee
קְצוֹתָֽיו
(qetsotav)
zijn einden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De cherubs spreidden hun vleugels omhoog uit en overdekten met hun vleugels het verzoendeksel; hun gezichten waren naar elkaar gekeerd. De gezichten van de cherubs waren naar het verzoendeksel gericht.
וַיִּהְי֣וּ
(vayihyu)
en zij waren
הַכְּרֻבִים֩
(hakeruvim)
de cherubs
פֹּרְשֵׂ֨י
(poresei)
uitspreidend
כְנָפַ֜יִם
(kenafayim)
vleugels
לְמַ֗עְלָה
(lemala)
omhoog
סֹֽכְכִ֤ים
(sokhekhim)
overdekkend
בְּכַנְפֵיהֶם֙
(bekhanfeihem)
met hun vleugels
עַל
(al)
over
הַכַּפֹּ֔רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
וּפְנֵיהֶ֖ם
(ufeneihem)
en hun gezichten
אִ֣ישׁ
(ish)
man
אֶל
(el)
naar
אָחִ֑יו
(achiv)
zijn broer
אֶל
(el)
naar
הַכַּפֹּ֔רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
הָי֖וּ
(hayu)
waren
פְּנֵ֥י
(penei)
gezichten van
הַכְּרֻבִֽים
(hakeruvim)
de cherubs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De cherubs kijken naar elkaar en naar het verzoendeksel, waar de aanwezigheid van Yahweh gesproken heeft (Exod. 25:22).

De tafel

10Hij maakte de tafel van acaciahout, twee el lang, een el breed en anderhalve el hoog.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֻּׁלְחָ֖ן
(hashulchan)
de tafel
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
אַמָּתַ֤יִם
(amatayim)
twee el
אָרְכּוֹ֙
(arko)
zijn lengte
וְאַמָּ֣ה
(veama)
en een el
רָחְבּ֔וֹ
(rachbo)
zijn breedte
וְאַמָּ֥ה
(veama)
en een el
וָחֵ֖צִי
(vachetsi)
en half
קֹמָתֽוֹ
(qomato)
zijn hoogte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij overtrok hem met zuiver goud en maakte er een gouden rand omheen.
וַיְצַ֥ף
(vaytsaf)
en overtrok
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֑וֹר
(tahor)
zuiver
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
זֵ֥ר
(zer)
rand van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij maakte er een lijst omheen van een handbreedte en maakte een gouden rand rondom die lijst.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
מִסְגֶּ֛רֶת
(misgeret)
lijst
טֹ֖פַח
(tofach)
handbreedte
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וַיַּ֧עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
זֵר
(zer)
rand van
זָהָ֛ב
(zahav)
goud
לְמִסְגַּרְתּ֖וֹ
(lemisgarto)
voor zijn lijst
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij goot er vier gouden ringen voor en bracht de ringen aan op de vier hoeken, bij zijn vier poten.
וַיִּצֹ֣ק
(vayitsoq)
en goot
ל֔וֹ
(lo)
voor hem
אַרְבַּ֖ע
(arba)
vier
טַבְּעֹ֣ת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en plaatste
אֶת
(et)
(obj.)
הַטַּבָּעֹ֔ת
(hatabaot)
de ringen
עַ֚ל
(al)
op
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
הַפֵּאֹ֔ת
(hapeot)
de hoeken
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
לְאַרְבַּ֥ע
(learba)
aan vier
רַגְלָֽיו
(raglav)
zijn poten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Vlak bij de lijst zaten de ringen, als houders voor de draagstokken om de tafel te dragen.
לְעֻמַּת֙
(leumat)
tegenover
הַמִּסְגֶּ֔רֶת
(hamisgeret)
de lijst
הָי֖וּ
(hayu)
waren
הַטַּבָּעֹ֑ת
(hatabaot)
de ringen
בָּתִּים֙
(batim)
houders
לַבַּדִּ֔ים
(labadim)
voor de draagstokken
לָשֵׂ֖את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֻּׁלְחָֽן
(hashulchan)
de tafel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּדִּים֙
(habadim)
de draagstokken
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֔ים
(shitim)
acacia
וַיְצַ֥ף
(vaytsaf)
en overtrok
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
לָשֵׂ֖את
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֻּׁלְחָֽן
(hashulchan)
de tafel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij maakte de voorwerpen die op de tafel stonden: zijn schalen, zijn schotels, zijn offerschalen en de kannen waarmee men plengoffers uitgiet, van zuiver goud.
וַיַּ֜עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַכֵּלִ֣ים
(hakelim)
de voorwerpen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
עַל
(al)
op
הַשֻּׁלְחָ֗ן
(hashulchan)
de tafel
אֶת
(et)
(obj.)
קְעָרֹתָ֤יו
(qearotav)
zijn schalen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּפֹּתָיו֙
(kapotav)
zijn schotels
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מְנַקִּיֹּתָ֔יו
(menaqiyotav)
zijn offerschalen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַקְּשָׂוֺ֔ת
(haqesavot)
de kannen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
יֻסַּ֖ךְ
(yusakh)
uitgegoten wordt
בָּהֵ֑ן
(bahen)
daarmee
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
טָהֽוֹר
(tahor)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De kandelaar

17Hij maakte de kandelaar van zuiver goud; als gedreven werk maakte hij de kandelaar. Haar voet, haar schacht, haar kelken, haar knoppen en haar bloemen waren één geheel met haar.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּנֹרָ֖ה
(hamenora)
de kandelaar
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֑וֹר
(tahor)
zuiver
מִקְשָׁ֞ה
(miqsha)
gedreven werk
עָשָׂ֤ה
(asa)
maakte hij
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּנֹרָה֙
(hamenora)
de kandelaar
יְרֵכָ֣הּ
(yerekhah)
haar voet
וְקָנָ֔הּ
(veqanah)
en schacht
גְּבִיעֶ֛יהָ
(gevieiha)
haar kelken
כַּפְתֹּרֶ֥יהָ
(kaftoreiha)
haar knoppen
וּפְרָחֶ֖יהָ
(uferacheiha)
en haar bloemen
מִמֶּ֥נָּה
(mimena)
uit haar
הָיֽוּ
(hayu)
waren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De kandelaar (menora) is uit één stuk goud gedreven; zie Exod. 25:31–40.

18Zes armen gingen uit haar zijden: drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde.
וְשִׁשָּׁ֣ה
(veshisha)
en zes
קָנִ֔ים
(qanim)
armen
יֹצְאִ֖ים
(yotseim)
uitgaand
מִצִּדֶּ֑יהָ
(mitsideiha)
uit haar zijden
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
קְנֵ֣י
(qenei)
armen van
מְנֹרָ֗ה
(menora)
kandelaar
מִצִּדָּהּ֙
(mitsidah)
uit haar zijde
הָֽאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
וּשְׁלֹשָׁה֙
(ushelosha)
en drie
קְנֵ֣י
(qenei)
armen van
מְנֹרָ֔ה
(menora)
kandelaar
מִצִּדָּ֖הּ
(mitsidah)
uit haar zijde
הַשֵּׁנִֽי
(hasheni)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Aan de ene arm zaten drie amandelvormige kelken, elk met een knop en een bloem, en aan de andere arm drie amandelvormige kelken, elk met een knop en een bloem. Zo was het bij de zes armen die uit de kandelaar gingen.
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
גְ֠בִעִים
(geviim)
kelken
מְֽשֻׁקָּדִ֞ים
(meshuqadim)
amandelvormig
בַּקָּנֶ֣ה
(baqane)
aan de arm
הָאֶחָד֮
(haechad)
de ene
כַּפְתֹּ֣ר
(kaftor)
knop
וָפֶרַח֒
(vaferach)
en bloem
וּשְׁלֹשָׁ֣ה
(ushelosha)
en drie
גְבִעִ֗ים
(geviim)
kelken
מְשֻׁקָּדִ֛ים
(meshuqadim)
amandelvormig
בְּקָנֶ֥ה
(beqane)
aan de arm
אֶחָ֖ד
(echad)
de andere
כַּפְתֹּ֣ר
(kaftor)
knop
וָפָ֑רַח
(vafarach)
en bloem
כֵּ֚ן
(ken)
zo
לְשֵׁ֣שֶׁת
(lesheshet)
voor de zes
הַקָּנִ֔ים
(haqanim)
armen
הַיֹּצְאִ֖ים
(hayotseim)
die uitgaan
מִן
(min)
uit
הַמְּנֹרָֽה
(hamenora)
de kandelaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Aan de kandelaar zelf zaten vier amandelvormige kelken, met hun knoppen en hun bloemen,
וּבַמְּנֹרָ֖ה
(uvamenora)
en aan de kandelaar
אַרְבָּעָ֣ה
(arbaa)
vier
גְבִעִ֑ים
(geviim)
kelken
מְשֻׁ֨קָּדִ֔ים
(meshuqadim)
amandelvormig
כַּפְתֹּרֶ֖יהָ
(kaftoreiha)
haar knoppen
וּפְרָחֶֽיהָ
(uferacheiha)
en haar bloemen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21en een knop onder elk paar van de armen die eruit voortkwamen: onder het eerste paar, onder het tweede paar en onder het derde paar, bij de zes armen die eruit gingen.
וְכַפְתֹּ֡ר
(vekhaftor)
en een knop
תַּחַת֩
(tachat)
onder
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee
הַקָּנִ֜ים
(haqanim)
de armen
מִמֶּ֗נָּה
(mimena)
uit haar
וְכַפְתֹּר֙
(vekhaftor)
en een knop
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
הַקָּנִים֙
(haqanim)
de armen
מִמֶּ֔נָּה
(mimena)
uit haar
וְכַפְתֹּ֕ר
(vekhaftor)
en een knop
תַּֽחַת
(tachat)
onder
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
הַקָּנִ֖ים
(haqanim)
de armen
מִמֶּ֑נָּה
(mimena)
uit haar
לְשֵׁ֨שֶׁת֙
(lesheshet)
voor de zes
הַקָּנִ֔ים
(haqanim)
armen
הַיֹּצְאִ֖ים
(hayotseim)
die uitgaan
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
uit haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 25:35
22Hun knoppen en hun armen waren één geheel met haar; alles was één stuk gedreven werk van zuiver goud.
כַּפְתֹּרֵיהֶ֥ם
(kaftoreihem)
hun knoppen
וּקְנֹתָ֖ם
(uqenotam)
en hun armen
מִמֶּ֣נָּה
(mimena)
uit haar
הָי֑וּ
(hayu)
waren
כֻּלָּ֛הּ
(kulah)
geheel
מִקְשָׁ֥ה
(miqsha)
gedreven werk
אַחַ֖ת
(achat)
één
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
טָהֽוֹר
(tahor)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij maakte haar zeven lampen, haar tangen en haar vuurpannen van zuiver goud.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
נֵרֹתֶ֖יהָ
(neroteiha)
haar lampen
שִׁבְעָ֑ה
(shiva)
zeven
וּמַלְקָחֶ֥יהָ
(umalqacheiha)
en haar tangen
וּמַחְתֹּתֶ֖יהָ
(umachtoteiha)
en haar vuurpannen
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
טָהֽוֹר
(tahor)
zuiver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Van een talent zuiver goud maakte hij haar en al haar voorwerpen.
כִּכָּ֛ר
(kikar)
een talent van
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
טָה֖וֹר
(tahor)
zuiver
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte hij
אֹתָ֑הּ
(otah)
haar
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כֵּלֶֽיהָ
(keleiha)
haar voorwerpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Een talent (כִּכָּר, kikkar) is ongeveer 34 kilo; de exacte waarde is onzeker.

Het wierookaltaar

25Hij maakte het wierookaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, vierkant, en twee el hoog; zijn hoorns waren één geheel met hem.
וַיַּ֛עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֥ח
(mizbach)
altaar van
הַקְּטֹ֖רֶת
(haqetoret)
de wierook
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
אַמָּ֣ה
(ama)
een el
אָרְכּוֹ֩
(arko)
zijn lengte
וְאַמָּ֨ה
(veama)
en een el
רָחְבּ֜וֹ
(rachbo)
zijn breedte
רָב֗וּעַ
(ravua)
vierkant
וְאַמָּתַ֨יִם֙
(veamatayim)
en twee el
קֹֽמָת֔וֹ
(qomato)
zijn hoogte
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
uit hem
הָי֥וּ
(hayu)
waren
קַרְנֹתָֽיו
(qarnotav)
zijn hoorns
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het wierookaltaar staat voor de voorhang; zie Exod. 30:1–10.

26Hij overtrok hem met zuiver goud: zijn bovenvlak, zijn wanden rondom en zijn hoorns; en hij maakte er een gouden rand omheen.
וַיְצַ֨ף
(vaytsaf)
en overtrok
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
טָה֗וֹר
(tahor)
zuiver
אֶת
(et)
(obj.)
גַּגּ֧וֹ
(gago)
zijn bovenvlak
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קִירֹתָ֛יו
(qirotav)
zijn wanden
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קַרְנֹתָ֑יו
(qarnotav)
zijn hoorns
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
ל֛וֹ
(lo)
voor hem
זֵ֥ר
(zer)
rand van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Onder zijn rand maakte hij twee gouden ringen aan zijn twee zijkanten, aan beide zijden, als houders voor de draagstokken om hem daarmee te dragen.
וּשְׁתֵּי֩
(ushtei)
en twee
טַבְּעֹ֨ת
(tabeot)
ringen van
זָהָ֜ב
(zahav)
goud
עָֽשָׂה
(asa)
maakte hij
ל֣וֹ
(lo)
voor hem
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
onder
לְזֵר֗וֹ
(lezero)
zijn rand
עַ֚ל
(al)
aan
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
צַלְעֹתָ֔יו
(tsalotav)
zijn zijkanten
עַ֖ל
(al)
aan
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
צִדָּ֑יו
(tsidav)
zijn zijden
לְבָתִּ֣ים
(levatim)
als houders
לְבַדִּ֔ים
(levadim)
voor de draagstokken
לָשֵׂ֥את
(laset)
om te dragen
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
בָּהֶֽם
(bahem)
daarmee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Hij maakte de draagstokken van acaciahout en overtrok ze met goud.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּדִּ֖ים
(habadim)
de draagstokken
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
וַיְצַ֥ף
(vaytsaf)
en overtrok
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zalfolie en wierook

29Hij maakte de heilige zalfolie en de zuivere, welriekende wierook, als werk van een zalfbereider.
וַיַּ֜עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
שֶׁ֤מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָה֙
(hamishcha)
de zalving
קֹ֔דֶשׁ
(qodesh)
heilige
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קְטֹ֥רֶת
(qetoret)
wierook van
הַסַּמִּ֖ים
(hasamim)
de specerijen
טָה֑וֹר
(tahor)
zuiver
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
werk van
רֹקֵֽחַ
(roqeach)
zalfbereider
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)