Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David wil een huis bouwen
1Het gebeurde dat David in zijn huis woonde. Toen zei David tegen de profeet Natan: „Zie, ik woon in een huis van cederhout. De ark van het verbond van Yahweh staat onder tentkleden.”
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
toen
יָשַׁ֥ב
(yashav)
zat
דָּוִ֖יד
(david)
David
בְּבֵית֑וֹ
(beveito)
in zijn huis
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֜יד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
נָתָ֣ן
(natan)
Natan
הַנָּבִ֗יא
(hanavi)
de profeet
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אָנֹכִ֤י
(anokhi)
ik
יוֹשֵׁב֙
(yoshev)
woon
בְּבֵ֣ית
(beveit)
in het huis van
הָֽאֲרָזִ֔ים
(haarazim)
de cederbomen
וַאֲר֥וֹן
(vaaron)
en de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תַּ֥חַת
(tachat)
onder
יְרִיעֽוֹת
(yeriot)
tentkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit hoofdstuk komt overeen met 2 Sam. 7.
Het verschilt op veel plaatsen; wij noemen de verschillen bij de verzen.
בֵּית הָאֲרָזִים (beit haarazim), ‘huis van cederhout’: vergelijk 1 Kron. 14:1. יְרִיעוֹת (yeriot), ‘tentkleden’: de tentdoeken van de tent, zoals in Exod. 26:1.
Het werkwoord bij ‘de ark’ ontbreekt in het Hebreeuws; wij vullen ‘staat’ aan. In 2 Sam. 7:2 staat ‘de ark van Elohim’; hier ‘de ark van het verbond van Yahweh’.
4„Ga en zeg tegen David, Mijn dienaar: ‘Zo zegt Yahweh: Niet jij zult het huis voor Mij bouwen om in te wonen.
לֵ֤ךְ
(lekh)
ga
וְאָמַרְתָּ֙
(veamarta)
en zeg
אֶל
(el)
tot
דָּוִ֣יד
(david)
David
עַבְדִּ֔י
(avdi)
Mijn dienaar
כֹּ֖ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
אַתָּ֛ה
(ata)
jij
תִּבְנֶה
(tivne)
zult bouwen
לִּ֥י
(li)
voor Mij
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לָשָֽׁבֶת
(lashavet)
om te wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De verzen 4–14 zijn het woord dat Elohim aan Natan geeft om aan David door te geven.
Wij zetten ze zwart, zoals in 2 Sam. 7:5–16; de boodschap van Yahweh zelf staat tussen enkele aanhalingstekens.
לֹא אַתָּה תִּבְנֶה לִּי הַבַּיִת (lo attah tivneh li habayit), ‘Niet jij zult het huis voor Mij bouwen’: een stelling, met nadruk op ‘jij’. In 2 Sam. 7:5 is het een vraag: ‘Ben jij het die … zult bouwen?’
5Want Ik heb niet in een huis gewoond vanaf de dag dat Ik Israël heb laten optrekken tot op deze dag. Ik ben geweest van tent naar tent en van tabernakel.
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
יָשַׁ֨בְתִּי֙
(yashavti)
heb gewoond
בְּבַ֔יִת
(bevayit)
in een huis
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֗וֹם
(hayom)
de dag
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
הֶעֱלֵ֨יתִי֙
(heeleiti)
Ik liet optrekken
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
וָֽאֶהְיֶ֛ה
(vaehye)
en Ik was
מֵאֹ֥הֶל
(meohel)
van tent
אֶל
(el)
naar
אֹ֖הֶל
(ohel)
tent
וּמִמִּשְׁכָּֽן
(umimishkan)
en van tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
וּמִמִּשְׁכָּן (umimmishkan), ‘en van tabernakel’: de zin breekt hier af.
In 2 Sam. 7:6 staat ‘in een tent en in een tabernakel’.
6Heb Ik overal waar Ik rondtrok in heel Israël ooit een woord gesproken tegen een van de rechters van Israël? Ik had hun bevolen Mijn volk te weiden. Heb Ik gezegd: „Waarom hebben jullie geen huis van cederhout voor Mij gebouwd?”’
בְּכֹ֥ל
(bekhol)
in alles
אֲשֶֽׁר
(asher)
waar
הִתְהַלַּכְתִּי֮
(hithalakhti)
Ik rondtrok
בְּכָל
(bekhal)
in heel
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
הֲדָבָ֣ר
(hadavar)
het woord?
דִּבַּ֗רְתִּי
(dibarti)
heb gesproken
אֶת
(et)
tot
אַחַד֙
(achad)
een van
שֹׁפְטֵ֣י
(shofetei)
de rechters van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
צִוִּ֛יתִי
(tsiviti)
Ik beval
לִרְע֥וֹת
(lirot)
om te weiden
אֶת
(et)
(obj.)
עַמִּ֖י
(ami)
Mijn volk
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָ֛מָּה
(lama)
waarom
לֹא
(lo)
niet
בְנִיתֶ֥ם
(benitem)
hebben jullie gebouwd
לִ֖י
(li)
voor Mij
בֵּ֥ית
(beit)
een huis van
אֲרָזִֽים
(arazim)
cederbomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֲדָבָר דִּבַּרְתִּי (hadavar dibbarti), ‘heb Ik een woord gesproken?’: het Hebreeuws begint met een vraagwoord.
Wij lezen een retorische vraag en voegen ‘ooit’ toe, zoals bij 2 Sam. 7:7.
Lezing
שֹׁפְטֵי (shofete), ‘rechters van’: dit staat hier.
In 2 Sam. 7:7 staat שִׁבְטֵי (shivte), ‘stammen van’.
7Nu dan, zeg zo tegen Mijn dienaar, tegen David: ‘Zo zegt Yahweh van de legermachten: Ik heb jou van de weide genomen, van achter het kleinvee. Dat deed Ik om je leider te maken over Mijn volk Israël.
וְ֠עַתָּה
(veata)
en nu
כֹּֽה
(ko)
zo
תֹאמַ֞ר
(tomar)
zult zeggen
לְעַבְדִּ֣י
(leavdi)
tot Mijn dienaar
לְדָוִ֗יד
(ledavid)
tot David
כֹּ֤ה
(ko)
zo
אָמַר֙
(amar)
zegt
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָא֔וֹת
(tsevaot)
van de legermachten
אֲנִ֤י
(ani)
Ik
לְקַחְתִּ֨יךָ֙
(leqachtikha)
heb je genomen
מִן
(min)
van
הַנָּוֶ֔ה
(hanave)
de weide
מִֽן
(min)
van
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
הַצֹּ֑אן
(hatson)
het kleinvee
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
נָגִ֔יד
(nagid)
leider
עַ֖ל
(al)
over
עַמִּ֥י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָגִיד (nagid), ‘leider’: zoals in 2 Sam. 5:2 en 6:21.
Het Hebreeuws heeft hier één zin (‘om leider te zijn’); wij maken er twee van, zoals in 2 Sam. 7:8.
8Ik ben met je geweest overal waar je ging. Ik heb al je vijanden voor je uit afgesneden. Ik zal je een naam maken, zoals de naam van de groten die op aarde zijn.
וָֽאֶהְיֶ֣ה
(vaehye)
en Ik was
עִמְּךָ֗
(imekha)
met je
בְּכֹל֙
(bekhol)
overal
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
הָלַ֔כְתָּ
(halakhta)
je ging
וָאַכְרִ֥ית
(vaakhrit)
en Ik heb afgesneden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אוֹיְבֶ֖יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
מִפָּנֶ֑יךָ
(mipaneikha)
van voor je
וְעָשִׂ֤יתִֽי
(veasiti)
en Ik zal maken
לְךָ֙
(lekha)
voor je
שֵׁ֔ם
(shem)
een naam
כְּשֵׁ֥ם
(keshem)
zoals de naam van
הַגְּדוֹלִ֖ים
(hagedolim)
de groten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּאָֽרֶץ
(baarets)
op aarde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
In vers 8 staat ‘Ik zal je een naam maken’ zonder het woord ‘grote’.
9Ik zal een plaats aanwijzen voor Mijn volk Israël. Ik zal het planten en het zal op zijn eigen plek wonen. Het zal niet meer beven. Mensen van onrecht zullen het niet meer uitputten, zoals in het begin,
וְשַׂמְתִּ֣י
(vesamti)
en Ik zal stellen
מָ֠קוֹם
(maqom)
een plaats
לְעַמִּ֨י
(leami)
voor Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
וּנְטַעְתִּ֨יהוּ֙
(unetatihu)
en Ik zal het planten
וְשָׁכַ֣ן
(veshakhan)
en het zal wonen
תַּחְתָּ֔יו
(tachtav)
onder zich
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יִרְגַּ֖ז
(yirgaz)
zal beven
ע֑וֹד
(od)
meer
וְלֹא
(velo)
en niet
יוֹסִ֤יפוּ
(yosifu)
zullen toevoegen
בְנֵי
(benei)
zonen van
עַוְלָה֙
(avla)
onrecht
לְבַלֹּת֔וֹ
(levaloto)
om het uit te putten
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בָּרִאשׁוֹנָֽה
(barishona)
in het begin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְבַלֹּתוֹ (levallotto), ‘om het uit te putten’: het werkwoord betekent ‘verslijten’ of ‘uitputten’.
In 2 Sam. 7:10 staat een ander woord: לְעַנּוֹתוֹ (leannoto), ‘om het te verdrukken’.
10vanaf de dagen dat Ik rechters het bevel gaf over Mijn volk Israël. Ik zal al je vijanden onderwerpen. Ik maak je bekend dat Yahweh een huis voor je zal bouwen.
וּלְמִיָּמִ֗ים
(ulemiyamim)
en vanaf de dagen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
צִוִּ֤יתִי
(tsiviti)
Ik beval
שֹֽׁפְטִים֙
(shofetim)
rechters
עַל
(al)
over
עַמִּ֣י
(ami)
Mijn volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְהִכְנַ֖עְתִּי
(vehikhnati)
en Ik zal onderwerpen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
אוֹיְבֶ֑יךָ
(oyeveikha)
je vijanden
וָאַגִּ֣ד
(vaagid)
en Ik maak bekend
לָ֔ךְ
(lakh)
aan je
וּבַ֖יִת
(uvayit)
en een huis
יִֽבְנֶה
(yivne)
zal bouwen
לְּךָ֥
(lekha)
voor je
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וָאַגֵּד (vaagged), ‘en Ik maak bekend’: Yahweh spreekt over Zichzelf in de derde persoon (‘Yahweh zal een huis voor je bouwen’).
Dat staat zo in de tekst.
In 2 Sam. 7:11 luidt de zin anders: ‘Yahweh maakt je bekend dat Yahweh een huis voor je zal maken’.
Het begin sluit aan op vers 9: ‘zoals in het begin en vanaf de dagen dat Ik rechters het bevel gaf’. Zie Richt. 2:16.
11Wanneer je dagen vol zijn om met je vaders te gaan, zal Ik na jou je nageslacht laten opstaan. Het zal een van je zonen zijn. Ik zal zijn koningschap bevestigen.
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
מָלְא֤וּ
(maleu)
vol zijn
יָמֶ֨יךָ֙
(yameikha)
je dagen
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
עִם
(im)
met
אֲבֹתֶ֔יךָ
(avoteikha)
je vaders
וַהֲקִֽימוֹתִ֤י
(vahaqimoti)
dan zal Ik laten opstaan
אֶֽת
(et)
(obj.)
זַרְעֲךָ֙
(zarakha)
je nageslacht
אַחֲרֶ֔יךָ
(achareikha)
na jou
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
מִבָּנֶ֑יךָ
(mibaneikha)
uit je zonen
וַהֲכִינוֹתִ֖י
(vahakhinoti)
en Ik zal bevestigen
אֶת
(et)
(obj.)
מַלְכוּתֽוֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לָלֶכֶת עִם אֲבֹתֶיךָ (lalechet im avotecha), ‘om met je vaders te gaan’: sterven.
In 2 Sam. 7:12 staat ‘en je bij je vaders ligt’ (zie ook Deut. 31:16).
זֶרַע (zera), ‘nageslacht’: hier staat erbij ‘een van je zonen’. Daarmee wordt één opvolger bedoeld (vers 12). Vergelijk 1 Kron. 22:9–10.
13Ik zal voor hem een vader zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. Mijn trouw zal Ik niet van hem laten wijken, zoals Ik die heb laten wijken van wie vóór jou was.
אֲנִי֙
(ani)
Ik
אֶֽהְיֶה
(ehye)
zal zijn
לּ֣וֹ
(lo)
voor hem
לְאָ֔ב
(leav)
tot vader
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
לִּ֣י
(li)
voor Mij
לְבֵ֑ן
(leven)
tot zoon
וְחַסְדִּי֙
(vechasdi)
en Mijn trouw
לֹא
(lo)
niet
אָסִ֣יר
(asir)
zal Ik laten wijken
מֵֽעִמּ֔וֹ
(meimo)
van hem
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
הֲסִיר֔וֹתִי
(hasiroti)
Ik liet wijken
מֵאֲשֶׁ֥ר
(measher)
van wie
הָיָ֖ה
(haya)
was
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor je aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers wordt aangehaald in Hebr. 1:5.
In 2 Sam. 7:14 volgt hierna nog een zin over tuchtiging wanneer hij verkeerd handelt.
Die zin staat in Kronieken niet.
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: Yahweh blijft trouw aan het huis van David.
Lezing
מֵאֲשֶׁר הָיָה לְפָנֶיךָ (measher hayah lefanecha), ‘van wie vóór jou was’: Saul wordt hier niet genoemd.
16Koning David kwam binnen en zat voor het aangezicht van Yahweh. Hij zei: „Wie ben ik, Yahweh Elohim, en wie is mijn huis, dat U mij tot hier hebt gebracht?
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
דָּוִ֔יד
(david)
David
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en zat
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
מִֽי
(mi)
wie
אֲנִ֞י
(ani)
ik
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
וּמִ֣י
(umi)
en wie
בֵיתִ֔י
(beiti)
mijn huis
כִּ֥י
(ki)
dat
הֲבִיאֹתַ֖נִי
(haviotani)
U hebt mij gebracht
עַד
(ad)
tot
הֲלֹֽם
(halom)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreker noemt Elohim hier ‘Yahweh Elohim’.
In 2 Sam. 7:18 staat ‘mijn Heer Yahweh’ (Adonai Yahweh).
Het Hebreeuws zegt dat David ‘zat voor het aangezicht van Yahweh’. Waar dat was, zegt de tekst niet; de ark stond in de tent (1 Kron. 16:1).
17Dit was nog te klein in Uw ogen, Elohim. U hebt ook gesproken over het huis van Uw dienaar, voor de verre toekomst. U hebt mij gezien als een mens van hoge rang, Yahweh Elohim.
וַתִּקְטַ֨ן
(vatiqtan)
en het was klein
זֹ֤את
(zot)
dit
בְּעֵינֶ֨יךָ֙
(beeineikha)
in Uw ogen
אֱלֹהִ֔ים
(Elohim)
Elohim
וַתְּדַבֵּ֥ר
(vatedaber)
en U sprak
עַל
(al)
over
בֵּֽית
(beit)
het huis van
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
לְמֵרָח֑וֹק
(lemerachoq)
van ver
וּרְאִיתַ֗נִי
(ureitani)
en U hebt mij gezien
כְּת֧וֹר
(ketor)
als de rang van
הָאָדָ֛ם
(haadam)
de mens
הַֽמַּעֲלָ֖ה
(hamaala)
de hoge
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּרְאִיתַנִי כְּתוֹר הָאָדָם הַמַּעֲלָה (ureitani ketor haadam hamaalah), ‘U hebt mij gezien als een mens van hoge rang’: de betekenis is onzeker.
Letterlijk staat er ongeveer ‘als de rij van de mens, de hoge’.
Dat kan ‘als een man van hoge rang’ betekenen.
Het vers verschilt sterk van 2 Sam. 7:19, waar staat: ‘Is dit de wet van de mens?’
לְמֵרָחוֹק (lemerachoq), ‘voor de verre toekomst’: letterlijk ‘van ver’.
19Yahweh, omwille van Uw dienaar en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, om al die grote daden bekend te maken.
יְהוָ֕ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּעֲב֤וּר
(baavur)
ter wille van
עַבְדְּךָ֙
(avdekha)
Uw dienaar
וּֽכְלִבְּךָ֔
(ukhelibekha)
en naar Uw hart
עָשִׂ֕יתָ
(asita)
hebt gedaan
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַגְּדוּלָּ֖ה
(hagedula)
de grootheid
הַזֹּ֑את
(hazot)
deze
לְהֹדִ֖יעַ
(lehodia)
om bekend te maken
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַגְּדֻלּֽוֹת
(hagedulot)
grote daden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַגְּדוּלָּה (haggedullah), ‘de grootheid’: een enkelvoud dat alles samenvat wat Yahweh deed; het sluit aan bij het meervoud הַגְּדֻלּוֹת (haggedullot), ‘de grote daden’, aan het slot.
21Welk volk op aarde is zoals Uw volk Israël? Het is het ene volk waarvoor Elohim is gegaan om het vrij te kopen als volk voor Zich. Zo maakte U Uzelf een naam met grote en ontzagwekkende daden. U verdreef volken voor het aangezicht van Uw volk, dat U uit Egypte hebt vrijgekocht.
וּמִי֙
(umi)
en wie
כְּעַמְּךָ֣
(keamekha)
zoals Uw volk
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
גּ֥וֹי
(goy)
een volk
אֶחָ֖ד
(echad)
enig
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
op aarde
אֲשֶׁר֩
(asher)
dat
הָלַ֨ךְ
(halakh)
ging
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
de Elohim
לִפְדּ֧וֹת
(lifdot)
om vrij te kopen
ל֣וֹ
(lo)
voor Zich
עָ֗ם
(am)
een volk
לָשׂ֤וּם
(lasum)
om te maken
לְךָ֙
(lekha)
voor U
שֵׁ֚ם
(shem)
een naam
גְּדֻלּ֣וֹת
(gedulot)
grote daden
וְנֹרָא֔וֹת
(venoraot)
en ontzagwekkende
לְגָרֵ֗שׁ
(legaresh)
om te verdrijven
מִפְּנֵ֧י
(mipenei)
voor het aangezicht van
עַמְּךָ֛
(amekha)
Uw volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
פָּדִ֥יתָ
(padita)
U kocht vrij
מִמִּצְרַ֖יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
גּוֹיִֽם
(goyim)
volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Het vers springt van ‘Zich’ (vrij kopen voor Zich) naar ‘U’ (om U een naam te maken).
24Laat het bevestigd zijn en laat Uw naam groot worden voor altijd, zodat men zegt: ‘Yahweh van de legermachten, de Elohim van Israël, is Elohim voor Israël.’ Het huis van David, Uw dienaar, staat vast voor Uw aangezicht.
וְ֠יֵֽאָמֵן
(veyeamen)
en moge bevestigd worden
וְיִגְדַּ֨ל
(veyigdal)
en groot worden
שִׁמְךָ֤
(shimkha)
Uw naam
עַד
(ad)
tot
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwigheid
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
צְבָאוֹת֙
(tsevaot)
van de legermachten
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
לְיִשְׂרָאֵ֑ל
(leyisrael)
voor Israël
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
דָּוִ֥יד
(david)
David
עַבְדְּךָ֖
(avdekha)
Uw dienaar
נָכ֥וֹן
(nakhon)
vast
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְיֵאָמֵן וְיִגְדַּל (veyeamen veyigdal), ‘en moge het bevestigd worden en groot worden’: de vorm is een wens.
Wij vertalen hem als bede, zoals in 2 Sam. 7:25–26.
25Want U, mijn Elohim, hebt het oor van Uw dienaar geopend om hem een huis te bouwen. Daarom is Uw dienaar ertoe gekomen om voor Uw aangezicht te bidden.
כִּ֣י
(ki)
want
אַתָּ֣ה
(ata)
U
אֱלֹהַ֗י
(elohay)
mijn Elohim
גָּלִ֨יתָ֙
(galita)
hebt ontsluierd
אֶת
(et)
(obj.)
אֹ֣זֶן
(ozen)
het oor van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
לִבְנ֥וֹת
(livnot)
om te bouwen
ל֖וֹ
(lo)
voor hem
בָּ֑יִת
(bayit)
een huis
עַל
(al)
op
כֵּן֙
(ken)
zo
מָצָ֣א
(matsa)
heeft gevonden
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
לְהִתְפַּלֵּ֖ל
(lehitpalel)
om te bidden
לְפָנֶֽיךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּלִיתָ אֶת אֹזֶן (galita et ozen), ‘U hebt het oor geopend’: onthuld.
De uitdrukking staat ook in 1 Sam. 9:15.
מָצָא עַבְדְּךָ לְהִתְפַּלֵּל (matsa avdecha lehitpallel), ‘Uw dienaar heeft gevonden om te bidden’: wij vertalen ‘is ertoe gekomen’. In 2 Sam. 7:27 staat ‘heeft zijn hart gevonden’.
27Nu dan, U hebt besloten het huis van Uw dienaar te zegenen, zodat het voor altijd voor Uw aangezicht is. Want U, Yahweh, hebt gezegend, en gezegend is het voor altijd.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
הוֹאַ֨לְתָּ֙
(hoalta)
U hebt besloten
לְבָרֵךְ֙
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
לִהְי֥וֹת
(lihyot)
om te zijn
לְעוֹלָ֖ם
(leolam)
voor altijd
לְפָנֶ֑יךָ
(lefaneikha)
voor Uw aangezicht
כִּֽי
(ki)
want
אַתָּ֤ה
(ata)
U
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בֵּרַ֔כְתָּ
(berakhta)
hebt gezegend
וּמְבֹרָ֖ךְ
(umevorakh)
en gezegend
לְעוֹלָֽם
(leolam)
voor altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הוֹאַלְתָּ (hoalta), ‘U hebt besloten’: het woord betekent ook ‘U hebt de goedheid gehad’.
In 2 Sam. 7:29 staat de gebiedende vorm: ‘Wees bereid’.
וּמְבֹרָךְ (umevorach), ‘en gezegend’: een voltooid deelwoord. Het huis van David is door de zegen van Yahweh voor altijd gezegend.