Elohim Bijbel

2 Kronieken 21

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Joram, de koning van Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Joram wordt koning en doodt zijn broers

1Josafat ging liggen bij zijn vaderen. Hij werd begraven bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
וַיִּשְׁכַּ֤ב
(vayishkav)
en lag neer
יְהֽוֹשָׁפָט֙
(yehoshafat)
Josafat
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֔יו
(avotav)
zijn vaderen
וַיִּקָּבֵ֥ר
(vayiqaver)
en werd begraven
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑יד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
יְהוֹרָ֥ם
(yehoram)
Joram
בְּנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

2Joram had broers, zonen van Josafat: Azaria, Jechiël, Zacharia, Azarja, Michaël en Sefatja. Zij allen waren zonen van Josafat, de koning van Israël.
וְלֽוֹ
(velo)
en voor hem
אַחִ֞ים
(achim)
broers
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יְהוֹשָׁפָ֗ט
(yehoshafat)
Josafat
עֲזַרְיָ֤ה
(azarya)
Azaria
וִֽיחִיאֵל֙
(vichiel)
en Jechiël
וּזְכַרְיָ֣הוּ
(uzekharyahu)
en Zacharia
וַעֲזַרְיָ֔הוּ
(vaazaryahu)
en Azarja
וּמִיכָאֵ֖ל
(umikhael)
en Michaël
וּשְׁפַטְיָ֑הוּ
(ushefatyahu)
en Sefatja
כָּל
(kal)
alle
אֵ֕לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
יְהוֹשָׁפָ֖ט
(yehoshafat)
Josafat
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
koning van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Twee namen lijken veel op elkaar: עֲזַרְיָה (Azaryah), ‘Azaria’, en עֲזַרְיָהוּ (Azaryahu), ‘Azarja’.

Het zijn twee verschillende zonen van Josafat.

Wij schrijven de twee vormen zoals ze in het Hebreeuws verschillen.

Lezing

מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל (melekh Yisrael), ‘koning van Israël’: Josafat was koning van Juda.

‘Israël’ is hier de naam van het hele volk.

Sommige oude vertalingen lezen ‘Juda’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

3Hun vader had hun veel geschenken gegeven: zilver, goud en kostbaarheden, met versterkte steden in Juda. Maar het koninkrijk gaf hij aan Joram, want die was de eerstgeborene.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en gaf
לָהֶ֣ם
(lahem)
aan hen
אֲ֠בִיהֶם
(avihem)
hun vader
מַתָּנ֨וֹת
(matanot)
geschenken
רַבּ֜וֹת
(rabot)
vele
לְכֶ֤סֶף
(lekhesef)
van zilver
וּלְזָהָב֙
(ulezahav)
en van goud
וּלְמִגְדָּנ֔וֹת
(ulemigdanot)
en van kostbaarheden
עִם
(im)
met
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מְצֻר֖וֹת
(metsurot)
versterking
בִּֽיהוּדָ֑ה
(bihuda)
in Juda
וְאֶת
(veet)
en
הַמַּמְלָכָ֛ה
(hamamlakha)
het koninkrijk
נָתַ֥ן
(natan)
gaf hij
לִֽיהוֹרָ֖ם
(lihoram)
aan Joram
כִּי
(ki)
want
ה֥וּא
(hu)
hij
הַבְּכֽוֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עָרֵי מְצֻרוֹת (arei metsurot), ‘versterkte steden’: steden met muren.

Het zijn gaven aan de andere zonen, naast zilver en goud.

מִגְדָּנוֹת (migdanot), ‘kostbaarheden’: kostbare geschenken. Het woord komt ook voor in Gen. 24:53.

4Joram nam het koninkrijk van zijn vader over en maakte zich sterk. Hij doodde al zijn broers met het zwaard, en ook enkele leiders van Israël.
וַיָּ֨קָם
(vayaqam)
en stond op
יְהוֹרָ֜ם
(yehoram)
Joram
עַל
(al)
over
מַמְלֶ֤כַת
(mamlekhat)
het koninkrijk van
אָבִיו֙
(aviv)
zijn vader
וַיִּתְחַזַּ֔ק
(vayitchazaq)
en maakte zich sterk
וַיַּהֲרֹ֥ג
(vayaharog)
en doodde
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
אֶחָ֖יו
(echav)
zijn broers
בֶּחָ֑רֶב
(becharev)
met het zwaard
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
מִשָּׂרֵ֥י
(misarei)
van de leiders van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיָּקָם עַל (vayyaqom al), ‘hij nam over’: letterlijk ‘hij stond op over’.

Het gaat om het innemen van de macht.

Daarna maakt Joram zich sterk door de dood van zijn broers.

‘Israël’ is hier waarschijnlijk het volk als geheel, zoals in vers 2.

Joram doet wat slecht is

5Joram was 32 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 8 jaar in Jeruzalem.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁתַּ֛יִם
(ushtayim)
en twee
שָׁנָ֖ה
(shana)
jaar
יְהוֹרָ֣ם
(yehoram)
Joram
בְּמָלְכ֑וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁמוֹנֶ֣ה
(ushemone)
en acht
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Vers 5–10 komen overeen met 2 Kon. 8:17–22.

Het getal 32 en 8 zijn letterlijk dezelfde als in vers 20.

6Hij liep op de weg van de koningen van Israël, zoals het huis van Achab deed. Want een dochter van Achab was zijn vrouw. Hij deed wat slecht is in de ogen van Yahweh.
וַיֵּ֜לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בְּדֶ֣רֶךְ
(bederekh)
op de weg van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
עָשׂוּ֙
(asu)
deed
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
כִּ֚י
(ki)
want
בַּת
(bat)
dochter van
אַחְאָ֔ב
(achav)
Achab
הָ֥יְתָה
(hayeta)
was
לּ֖וֹ
(lo)
hem
אִשָּׁ֑ה
(isha)
vrouw
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָרַ֖ע
(hara)
het kwade
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De vrouw van Joram was Atalia, de dochter van Achab (zie ook 2 Kron. 22:2 en 2 Kon. 8:18).

Over het huis van Achab: 1 Kon. 16:30–33.

7Toch wilde Yahweh het huis van David niet vernietigen, om het verbond dat Hij met David had gesloten. Hij had gezegd dat Hij hem en zijn zonen alle dagen een lamp zou geven.
וְלֹא
(velo)
en niet
אָבָ֣ה
(ava)
wilde
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לְהַשְׁחִית֙
(lehashchit)
om te vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
דָּוִ֔יד
(david)
David
לְמַ֣עַן
(lemaan)
omwille van
הַבְּרִ֔ית
(haberit)
het verbond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
כָּרַ֖ת
(karat)
Hij had gesloten
לְדָוִ֑יד
(ledavid)
met David
וְכַאֲשֶׁ֣ר
(vekhaasher)
en zoals
אָמַ֗ר
(amar)
Hij had gezegd
לָתֵ֨ת
(latet)
om te geven
ל֥וֹ
(lo)
hem
נִ֛יר
(nir)
een lamp
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִֽים
(hayamim)
de dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִיר (nir), ‘lamp’: een lamp die blijft branden, een beeld van een nageslacht dat voortleeft, zoals in 1 Kon. 11:36.

Het verbond met David staat in 2 Sam. 7:12–16.

Edom en Libna komen in opstand

8In zijn dagen kwam Edom in opstand tegen de macht van Juda. Zij stelden een koning over zich aan.
בְּיָמָיו֙
(beyamav)
in zijn dagen
פָּשַׁ֣ע
(pasha)
kwam in opstand
אֱד֔וֹם
(edom)
Edom
מִתַּ֖חַת
(mitachat)
van onder
יַד
(yad)
de hand van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיַּמְלִ֥יכוּ
(vayamlikhu)
en zij maakten tot koning
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
over zich
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

פָּשַׁע (pasha), ‘in opstand komen’: zich losmaken van een heer.

In 1 Kon. 22:48 staat dat Edom nog onder Juda was; nu maakt Edom zich los.

9Joram trok over met zijn bevelhebbers en al zijn wagens. ’s Nachts stond hij op en sloeg Edom, dat hem omringde, en ook de bevelhebbers van de wagens.
וַיַּֽעֲבֹ֤ר
(vayaavor)
en trok over
יְהוֹרָם֙
(yehoram)
Joram
עִם
(im)
met
שָׂרָ֔יו
(sarav)
zijn bevelhebbers
וְכָל
(vekhal)
en alle
הָרֶ֖כֶב
(harekhev)
wagens
עִמּ֑וֹ
(imo)
met hem
וַיְהִי֙
(vayhi)
en het gebeurde
קָ֣ם
(qam)
opstaand
לַ֔יְלָה
(layla)
in de nacht
וַיַּ֗ךְ
(vayakh)
en sloeg
אֶת
(et)
(obj.)
אֱדוֹם֙
(edom)
Edom
הַסּוֹבֵ֣ב
(hasovev)
die omringde
אֵלָ֔יו
(elav)
hem
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שָׂרֵ֥י
(sarei)
bevelhebbers van
הָרָֽכֶב
(harakhev)
de wagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Uitleg

וַיַּעֲבֹר (vayya’avor), ‘hij trok over’: letterlijk ‘hij ging naar de overkant’.

De tekst zegt niet waarheen.

Joram sloeg Edom ’s nachts, maar vers 10 laat zien dat Edom toch in opstand bleef.

10Edom bleef in opstand tegen de macht van Juda, tot op deze dag. In die tijd kwam ook Libna in opstand tegen zijn macht. Want hij had Yahweh, de Elohim van zijn vaderen, verlaten.
וַיִּפְשַׁ֨ע
(vayifsha)
en kwam in opstand
אֱד֜וֹם
(edom)
Edom
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
van onder
יַד
(yad)
de hand van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
עַ֚ד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אָ֣ז
(az)
toen
תִּפְשַׁ֥ע
(tifsha)
kwam in opstand
לִבְנָ֛ה
(livna)
Libna
בָּעֵ֥ת
(baet)
in tijd
הַהִ֖יא
(hahi)
die
מִתַּ֣חַת
(mitachat)
van onder
יָד֑וֹ
(yado)
zijn hand
כִּ֣י
(ki)
want
עָזַ֔ב
(azav)
had verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֥י
(elohei)
Elohim van
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Edom (Seïr): Edom (Seïr) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.

Zie Libna (ligging onzeker): Libna lag in de Sefela.

Tel Burna is voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

Libna was een stad in de Sefela, in het zuidwesten van Juda.

Het was ook een stad voor de priesters (Joz. 21:13).

De precieze plek is onzeker; vaak wordt aan Tel Burna gedacht.

‘Tot op deze dag’ is de stem van de schrijver van Kronieken.

11Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda. Hij liet de inwoners van Jeruzalem hoereren en dreef Juda af.
גַּם
(gam)
ook
ה֥וּא
(hu)
hij
עָשָֽׂה
(asa)
maakte
בָמ֖וֹת
(bamot)
hoogten
בְּהָרֵ֣י
(beharei)
op de bergen van
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיֶּ֨זֶן֙
(vayezen)
en liet hoereren
אֶת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
de inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וַיַּדַּ֖ח
(vayadach)
en dreef af
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַיֶּזֶן (vayyezen), ‘hij liet hoereren’: het werkwoord (זָנָה, zanah) staat voor ontrouw aan Yahweh, in beeld van hoererij.

Zie ook vers 13 en Exod. 34:15.

וַיַּדַּח (vayyadach), ‘hij dreef af’: hij leidde Juda van Yahweh weg.

De brief van Elia

12Er kwam een brief naar hem toe van Elia, de profeet. Daarin stond: „Zo zegt Yahweh, de Elohim van je vader David: ‘Omdat je niet bent gegaan op de wegen van je vader Josafat en op de wegen van Asa, de koning van Juda,
וַיָּבֹ֤א
(vayavo)
en kwam
אֵלָיו֙
(elav)
naar hem
מִכְתָּ֔ב
(mikhtav)
een brief
מֵֽאֵלִיָּ֥הוּ
(meeliyahu)
van Elia
הַנָּבִ֖יא
(hanavi)
de profeet
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כֹּ֣ה
(ko)
zo
אָמַ֣ר
(amar)
zegt
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵי֙
(elohei)
Elohim van
דָּוִ֣יד
(david)
David
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
תַּ֗חַת
(tachat)
omdat
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
הָלַ֨כְתָּ֙
(halakhta)
je bent gegaan
בְּדַרְכֵי֙
(bedarkhei)
op de wegen van
יְהוֹשָׁפָ֣ט
(yehoshafat)
Josafat
אָבִ֔יךָ
(avikha)
je vader
וּבְדַרְכֵ֖י
(uvedarkhei)
en op de wegen van
אָסָ֥א
(asa)
Asa
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִכְתָּב (mikhtav), ‘brief’: een geschrift.

De tekst zegt niet hoe de brief bij Joram kwam.

Elia is de profeet uit 1 Kon. 17–19.

De zin van vers 12 loopt door tot en met vers 15: ‘Omdat je … zie, Yahweh zal …’. Het Hebreeuws heeft hier één lange zin. Wij splitsen hem niet, omdat de reden (vers 12–13) en de straf (vers 14–15) bij elkaar horen.

De woorden in de brief zijn de woorden van een profeet, die Yahweh citeert. Daarom staan ze niet in rood, maar in zwart met enkele aanhalingstekens, zoals bij andere profeten.

13maar op de weg van de koningen van Israël bent gegaan, en Juda en de inwoners van Jeruzalem hebt laten hoereren zoals het huis van Achab liet hoereren, en ook je broers hebt gedood, het huis van je vader, die beter waren dan jij:
וַתֵּ֗לֶךְ
(vatelekh)
maar je bent gegaan
בְּדֶ֨רֶךְ֙
(bederekh)
op de weg van
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וַתַּזְנֶ֤ה
(vatazne)
en je liet hoereren
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כְּהַזְנ֖וֹת
(kehaznot)
zoals het hoereren laten van
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
אַחְאָ֑ב
(achav)
Achab
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֶ֧יךָ
(acheikha)
je broers
בֵית
(beit)
het huis van
אָבִ֛יךָ
(avikha)
je vader
הַטּוֹבִ֥ים
(hatovim)
die beter waren
מִמְּךָ֖
(mimekha)
dan jij
הָרָֽגְתָּ
(haragta)
heb je gedood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

וַתַּזְנֶה (vattaznèh), ‘je hebt laten hoereren’: zie vers 11.

Het huis van Achab liet het volk afdwalen naar de Baäl (1 Kon. 16:31–33).

הָרַגְתָּ (haragta), ‘je hebt gedood’: zie vers 4.

14zie, Yahweh zal je volk, je zonen, je vrouwen en al je bezit treffen met een grote plaag.
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
נֹגֵ֛ף
(nogef)
gaat treffen
מַגֵּפָ֥ה
(magefa)
met een plaag
גְדוֹלָ֖ה
(gedola)
grote
בְּעַמֶּ֑ךָ
(beamekha)
je volk
וּבְבָנֶ֥יךָ
(uvevaneikha)
en je zonen
וּבְנָשֶׁ֖יךָ
(uvenasheikha)
en je vrouwen
וּבְכָל
(uvekhal)
en al
רְכוּשֶֽׁךָ
(rekhushekha)
je bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַגֵּפָה (maggefah), ‘plaag’: een slag die Yahweh laat komen.

Zie vers 16–19.

15Jijzelf zult veel ziektes krijgen, een ziekte in je ingewanden, tot je ingewanden uitgaan vanwege de ziekte, dag na dag.’”
וְאַתָּ֛ה
(veata)
en jij
בָּחֳלָיִ֥ים
(bacholayim)
met ziektes
רַבִּ֖ים
(rabim)
vele
בְּמַחֲלֵ֣ה
(bemachale)
met een ziekte van
מֵעֶ֑יךָ
(meeikha)
je ingewanden
עַד
(ad)
totdat
יֵצְא֤וּ
(yetseu)
uitgaan
מֵעֶ֨יךָ֙
(meeikha)
je ingewanden
מִן
(min)
vanwege
הַחֹ֔לִי
(hacholi)
de ziekte
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
עַל
(al)
na
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt ‘ziektes’ en ‘een ziekte van de ingewanden’.

De ziekte komt in vers 18–19 uit.

De straf op Joram

16Yahweh wekte tegen Joram de geest van de Filistijnen en van de Arabieren die naast de Kushieten wonen.
וַיָּ֨עַר
(vayaar)
en wekte
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
tegen
יְהוֹרָ֗ם
(yehoram)
Joram
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
ר֤וּחַ
(ruach)
de geest van
הַפְּלִשְׁתִּים֙
(hapelishtim)
de Filistijnen
וְהָ֣עַרְבִ֔ים
(vehaarvim)
en de Arabieren
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
עַל
(al)
naast
יַ֥ד
(yad)
hand van
כּוּשִֽׁים
(kushim)
Kushieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.

Zie Kush (Kushieten; ligging onzeker): Hier worden de Kushieten genoemd als buren van de Arabieren.

Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië; waar deze Kushieten woonden, is niet zeker.

Uitleg

De Filistijnen woonden aan de kust, in het westen.

De Arabieren die naast de Kushieten woonden, leefden waarschijnlijk in het zuiden.

De ligging van deze groep is onzeker.

וַיָּעַר (vayya’er), ‘hij wekte op’: dit woord staat ook in 1 Kron. 5:26, waar Elohim de geest van de koning van Assyrië opwekte.

17Zij trokken op tegen Juda en braken erin binnen. Zij voerden al het bezit weg dat in het huis van de koning werd gevonden. Ook zijn zonen en zijn vrouwen namen zij mee. Er bleef hem geen zoon over, behalve Joachaz, de jongste van zijn zonen.
וַיַּעֲל֤וּ
(vayaalu)
en trokken op
בִֽיהוּדָה֙
(bihuda)
in Juda
וַיִּבְקָע֔וּהָ
(vayivqauha)
en braken erin binnen
וַיִּשְׁבּ֗וּ
(vayishbu)
en voerden weg
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הָרְכוּשׁ֙
(harekhush)
het bezit
הַנִּמְצָ֣א
(hanimtsa)
dat gevonden werd
לְבֵית
(leveit)
in het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְגַם
(vegam)
en ook
בָּנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
וְנָשָׁ֑יו
(venashav)
en zijn vrouwen
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
נִשְׁאַר
(nishar)
bleef over
לוֹ֙
(lo)
hem
בֵּ֔ן
(ben)
zoon
כִּ֥י
(ki)
dan
אִם
(im)
alleen
יְהוֹאָחָ֖ז
(yehoachaz)
Joachaz
קְטֹ֥ן
(qeton)
de jongste van
בָּנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Joachaz (יְהוֹאָחָז, Yehoachaz) is dezelfde man als Achazia in 2 Kron. 22:1.

De twee delen van de naam staan hier in een andere volgorde.

In 2 Kron. 22:6 staat voor hem nog een vorm: Azarja.

וַיִּבְקָעוּהָ (vayyivqa’uha), ‘zij braken erin’: letterlijk ‘zij splijtten haar’, zij braken door de stadsmuren of het land heen.

18Na dit alles trof Yahweh hem in zijn ingewanden met een ziekte waarvoor geen genezing was.
וְאַחֲרֵ֖י
(veacharei)
en na
כָּל
(kal)
al
זֹ֑את
(zot)
dit
נְגָפ֨וֹ
(negafo)
trof
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּמֵעָ֛יו
(bemeav)
in zijn ingewanden
לָחֳלִ֖י
(lacholi)
met een ziekte
לְאֵ֥ין
(leein)
zonder
מַרְפֵּֽא
(marpe)
genezing
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵין מַרְפֵּא (ein marpe), ‘waarvoor geen genezing was’: ook in 2 Kron. 36:16.

19Zo ging het van dag tot dag. Toen het einde kwam, na twee jaar, kwamen zijn ingewanden naar buiten door zijn ziekte. Hij stierf aan ernstige ziekten. Zijn volk ontstak voor hem geen vuur, zoals het vuur voor zijn vaderen.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
לְיָמִ֣ים
(leyamim)
van dag
מִיָּמִ֡ים
(miyamim)
tot dag
וּכְעֵת֩
(ukheet)
en toen
צֵ֨את
(tset)
uitging
הַקֵּ֜ץ
(haqets)
het einde
לְיָמִ֣ים
(leyamim)
van dagen
שְׁנַ֗יִם
(shenayim)
twee
יָצְא֤וּ
(yatseu)
gingen uit
מֵעָיו֙
(meav)
zijn ingewanden
עִם
(im)
met
חָלְי֔וֹ
(chaleyo)
zijn ziekte
וַיָּ֖מָת
(vayamat)
en hij stierf
בְּתַחֲלֻאִ֣ים
(betachaluim)
aan ziekten
רָעִ֑ים
(raim)
ernstige
וְלֹא
(velo)
en niet
עָ֨שׂוּ
(asu)
maakten
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
שְׂרֵפָ֖ה
(serefa)
een brand
כִּשְׂרֵפַ֥ת
(kisrefat)
zoals de brand van
אֲבֹתָֽיו
(avotav)
zijn vaderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt: ‘aan het einde van dagen, twee jaar’.

Dat betekent: na twee jaar ziekte.

שְׂרֵפָה (serefah), ‘vuur’: bij de begrafenis van sommige koningen werd een vuur gemaakt ter ere van hem, zoals voor Asa in 2 Kron. 16:14.

De dood van Joram

20Hij was 32 jaar oud toen hij koning werd. Hij regeerde 8 jaar in Jeruzalem. Hij ging heen zonder dat iemand hem miste. Men begroef hem in de stad van David, maar niet in de graven van de koningen.
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁתַּ֨יִם֙
(ushtayim)
en twee
הָיָ֣ה
(haya)
was hij
בְמָלְכ֔וֹ
(bemalekho)
bij zijn koning worden
וּשְׁמוֹנֶ֣ה
(ushemone)
en acht
שָׁנִ֔ים
(shanim)
jaar
מָלַ֖ךְ
(malakh)
regeerde hij
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וַיֵּ֨לֶךְ֙
(vayelekh)
en ging
בְּלֹ֣א
(belo)
zonder
חֶמְדָּ֔ה
(chemda)
verlangen
וַֽיִּקְבְּרֻ֨הוּ֙
(vayiqberuhu)
en men begroef hem
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֔יד
(david)
David
וְלֹ֖א
(velo)
en niet
בְּקִבְר֥וֹת
(beqivrot)
in de graven van
הַמְּלָכִֽים
(hamelakhim)
de koningen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בְּלֹא חֶמְדָּה (belo chemdah), ‘zonder dat iemand hem miste’: letterlijk ‘zonder verlangen’.

Het kan ook betekenen ‘zonder dat iemand verdriet had’.

Hij is niet in de graven van de koningen begraven, wel in de stad van David.