Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Hongersnood en verlies in Moab
1Het was in de dagen dat de rechters rechtspraken. Er kwam een hongersnood in het land. Een man uit Betlehem in Juda ging in de velden van Moab wonen, als vreemdeling: hij, zijn vrouw en zijn twee zonen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּימֵי֙
(bimei)
in de dagen van
שְׁפֹ֣ט
(shefot)
rechtspreken
הַשֹּׁפְטִ֔ים
(hashofetim)
de rechters
וַיְהִ֥י
(vayhi)
en het was
רָעָ֖ב
(raav)
hongersnood
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en ging
אִ֜ישׁ
(ish)
een man
מִבֵּ֧ית
(mibeit)
uit huis van
לֶ֣חֶם
(lechem)
brood
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
לָגוּר֙
(lagur)
om als vreemdeling te wonen
בִּשְׂדֵ֣י
(bisdei)
in de velden van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
ה֥וּא
(hu)
hij
וְאִשְׁתּ֖וֹ
(veishto)
en zijn vrouw
וּשְׁנֵ֥י
(ushenei)
en twee van
בָנָֽיו
(banav)
zijn zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betlehem in Juda ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem, in het huidige Palestijnse gebied (Westelijke Jordaanoever); zie ook Richt. 17:7.
Moab ligt ten oosten van de Zoutzee (Dode Zee), in het huidige Jordanië.
Uitleg
שָׁפַט (shafat), ‘rechtspreken’: de leiders uit het boek Richteren, die het volk redden en bestuurden.
Het verhaal speelt dus in de tijd van de rechters, voordat Israël een koning had (Richt. 2:16–19; 21:25).
גּוּר (gur), ‘als vreemdeling wonen’: wonen in een land waar je geen eigen bezit of recht hebt. Zie ook Lev. 19:34 en Richt. 17:7.
2De man heette Elimelech, zijn vrouw Naomi en zijn twee zonen Machlon en Kiljon. Zij waren Efratieten uit Betlehem in Juda. Zij kwamen in de velden van Moab en bleven daar.
וְשֵׁ֣ם
(veshem)
en de naam van
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
אֱֽלִימֶ֡לֶךְ
(elimelekh)
Elimelech
וְשֵׁם֩
(veshem)
en de naam van
אִשְׁתּ֨וֹ
(ishto)
zijn vrouw
נָעֳמִ֜י
(naomi)
Naomi
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
שְׁנֵֽי
(shenei)
twee van
בָנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
מַחְל֤וֹן
(machlon)
Machlon
וְכִלְיוֹן֙
(vekhilyon)
en Kiljon
אֶפְרָתִ֔ים
(efratim)
Efratieten
מִבֵּ֥ית
(mibeit)
uit huis van
לֶ֖חֶם
(lechem)
brood
יְהוּדָ֑ה
(yehuda)
Juda
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
שְׂדֵי
(sedei)
de velden van
מוֹאָ֖ב
(moav)
Moab
וַיִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en zij bleven
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
אֱלִימֶלֶךְ (Elimelech) betekent ‘mijn Elohim is koning’.
נָעֳמִי (Naomi) betekent ‘mijn lieflijke’ of ‘mijn aangename’ (vergelijk vers 20).
מַחְלוֹן (Machlon) en כִּלְיוֹן (Kiljon) klinken als ‘ziekte’ en ‘uitputting’; zij komen ook zo voor in 4:9.
אֶפְרָתִים (Efratim), ‘Efratieten’: mensen uit Efrata, de oude naam van de streek rond Betlehem (Gen. 35:19; 48:7; Micha 5:1).
6Zij stond op met haar schoondochters en wilde terugkeren uit de velden van Moab. Want zij had in de velden van Moab gehoord dat Yahweh Zijn volk had bezocht en hun brood had gegeven.
וַתָּ֤קָם
(vataqam)
en zij stond op
הִיא֙
(hi)
zij
וְכַלֹּתֶ֔יהָ
(vekhaloteiha)
en haar schoondochters
וַתָּ֖שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
מִשְּׂדֵ֣י
(misedei)
uit de velden van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
כִּ֤י
(ki)
want
שָֽׁמְעָה֙
(shamea)
had gehoord
בִּשְׂדֵ֣ה
(bisde)
in de velden van
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
כִּֽי
(ki)
dat
פָקַ֤ד
(paqad)
had bezocht
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֔וֹ
(amo)
Zijn volk
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
לָהֶ֖ם
(lahem)
aan hen
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּקַד (paqad), ‘bezoeken’: Yahweh komt zorgend of rechtsprekend bij mensen.
8Naomi zei tegen haar twee schoondochters: „Ga, keer terug, ieder naar het huis van haar moeder. Moge Yahweh trouw aan jullie bewijzen, zoals jullie aan de doden en aan mij hebben gedaan.
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
נָעֳמִי֙
(naomi)
Naomi
לִשְׁתֵּ֣י
(lishtei)
tegen twee van
כַלֹּתֶ֔יהָ
(kaloteiha)
haar schoondochters
לֵ֣כְנָה
(lekhena)
ga
שֹּׁ֔בְנָה
(shovena)
keer terug
אִשָּׁ֖ה
(isha)
ieder
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אִמָּ֑הּ
(imah)
haar moeder
יַ֣עַשׂ
(yaas)
moge doen
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
עִמָּכֶם֙
(imakhem)
met jullie
חֶ֔סֶד
(chesed)
trouw
כַּאֲשֶׁ֧ר
(kaasher)
zoals
עֲשִׂיתֶ֛ם
(asitem)
jullie hebben gedaan
עִם
(im)
met
הַמֵּתִ֖ים
(hametim)
de doden
וְעִמָּדִֽי
(veimadi)
en met mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’: trouw en liefde die iemand uit zichzelf bewijst aan wie bij hem hoort.
Zie ook 2:20 en 3:10.
בֵּית אֵם (beit em), ‘het huis van haar moeder’: een zeldzame uitdrukking voor het huis van de moeder in plaats van het huis van de vader. Zij wordt ook gebruikt in Gen. 24:28 en Hoogl. 3:4.
11Naomi zei: „Keer terug, mijn dochters. Waarom zouden jullie met mij meegaan? Zijn er nog zonen in mijn schoot, die jullie tot man zouden kunnen worden?
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
נָעֳמִי֙
(naomi)
Naomi
שֹׁ֣בְנָה
(shovena)
keer terug
בְנֹתַ֔י
(benotay)
mijn dochters
לָ֥מָּה
(lama)
waarom
תֵלַ֖כְנָה
(telakhna)
zouden jullie gaan
עִמִּ֑י
(imi)
met mij
הַֽעֽוֹד
(haod)
is er nog
לִ֤י
(li)
voor mij
בָנִים֙
(banim)
zonen
בְּֽמֵעַ֔י
(bemeay)
in mijn schoot
וְהָי֥וּ
(vehayu)
dat zij zouden worden
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
לַאֲנָשִֽׁים
(laanashim)
tot mannen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Keer terug, mijn dochters, ga. Want ik ben te oud om aan een man toe te behoren. Al zou ik zeggen: ‘Er is hoop voor mij’, ja, al zou ik vannacht aan een man toebehoren en zelfs zonen baren,
שֹׁ֤בְנָה
(shovena)
keer terug
בְנֹתַי֙
(benotay)
mijn dochters
לֵ֔כְןָ
(lekhena)
ga
כִּ֥י
(ki)
want
זָקַ֖נְתִּי
(zaqanti)
ik ben oud
מִהְי֣וֹת
(mihyot)
om te zijn
לְאִ֑ישׁ
(leish)
aan een man
כִּ֤י
(ki)
want
אָמַ֨רְתִּי֙
(amarti)
ik zou zeggen
יֶשׁ
(yesh)
er is
לִ֣י
(li)
voor mij
תִקְוָ֔ה
(tiqva)
hoop
גַּ֣ם
(gam)
ook
הָיִ֤יתִי
(hayiti)
ik was
הַלַּ֨יְלָה֙
(halayla)
vannacht
לְאִ֔ישׁ
(leish)
aan een man
וְגַ֖ם
(vegam)
en ook
יָלַ֥דְתִּי
(yaladti)
ik baarde
בָנִֽים
(banim)
zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Naomi kan geen zonen meer krijgen die met Ruth en Orpa kunnen trouwen.
Zij verwijst naar het zwagerhuwelijk (Deut. 25:5–10): een broer van de gestorvene moest de weduwe nemen.
13zouden jullie daarom wachten tot zij groot zijn? Zouden jullie daarom jezelf afsluiten, zodat jullie niet aan een man toebehoren? Nee, mijn dochters. Want het is veel bitterder voor mij dan voor jullie, omdat de hand van Yahweh tegen mij is uitgegaan.”
הֲלָהֵ֣ן
(halahen)
zouden jullie daarom
תְּשַׂבֵּ֗רְנָה
(tesaberena)
wachten
עַ֚ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
יִגְדָּ֔לוּ
(yigdalu)
zij groot worden
הֲלָהֵן֙
(halahen)
zouden jullie daarom
תֵּֽעָגֵ֔נָה
(teagena)
jezelf afsluiten
לְבִלְתִּ֖י
(levilti)
om niet
הֱי֣וֹת
(heyot)
te zijn
לְאִ֑ישׁ
(leish)
aan een man
אַ֣ל
(al)
nee
בְּנֹתַ֗י
(benotay)
mijn dochters
כִּֽי
(ki)
want
מַר
(mar)
bitter
לִ֤י
(li)
voor mij
מְאֹד֙
(meod)
zeer
מִכֶּ֔ם
(mikem)
meer dan voor jullie
כִּֽי
(ki)
want
יָצְאָ֥ה
(yatsea)
is uitgegaan
בִ֖י
(bi)
tegen mij
יַד
(yad)
de hand van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָגַן (agan), ‘afsluiten’, komt alleen hier voor.
Wij vertalen ‘jezelf afsluiten’: jezelf opsluiten, zonder man blijven.
יָד יהוה (yad Yahweh), ‘de hand van Yahweh’: Yahweh die ingrijpt, hier tegen Naomi. Zie ook Exod. 9:3.
16Ruth zei: „Dring niet bij mij aan om je te verlaten en niet meer achter je aan te gaan. Want waarheen jij gaat, ga ik, en waar jij overnacht, overnacht ik. Jouw volk is mijn volk en jouw Elohim is mijn Elohim.
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
רוּת֙
(rut)
Ruth
אַל
(al)
niet
תִּפְגְּעִי
(tifgei)
dring aan
בִ֔י
(bi)
bij mij
לְעָזְבֵ֖ךְ
(leazevekh)
om je te verlaten
לָשׁ֣וּב
(lashuv)
om terug te keren
מֵאַחֲרָ֑יִךְ
(meacharayikh)
van achter je
כִּ֠י
(ki)
want
אֶל
(el)
naar
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
תֵּלְכִ֜י
(telekhi)
jij gaat
אֵלֵ֗ךְ
(elekh)
ga ik
וּבַאֲשֶׁ֤ר
(uvaasher)
en waar
תָּלִ֨ינִי֙
(talini)
jij overnacht
אָלִ֔ין
(alin)
overnacht ik
עַמֵּ֣ךְ
(amekh)
met jou
עַמִּ֔י
(ami)
mijn volk
וֵאלֹהַ֖יִךְ
(velohayikh)
en jouw Elohim
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ruth kiest voor het volk en de Elohim van Naomi.
Zij noemt Yahweh hier niet bij naam, maar zegt ‘jouw Elohim’.
אַל תִּפְגְּעִי בִי (al tifge’i vi), ‘dring niet bij mij aan’: letterlijk ‘val mij niet lastig’ of ‘druk mij niet’.
19Zo gingen die twee samen, tot zij in Betlehem aankwamen. Toen zij in Betlehem aankwamen, raakte heel de stad om hen in opschudding. De vrouwen zeiden: „Is dit Naomi?”
וַתֵּלַ֣כְנָה
(vatelakhna)
en zij gingen
שְׁתֵּיהֶ֔ם
(sheteihem)
beiden
עַד
(ad)
tot
בֹּאָ֖נָה
(boana)
zij aankwamen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כְּבֹאָ֨נָה֙
(kevoana)
toen zij aankwamen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
וַתֵּהֹ֤ם
(vatehom)
en raakte in opschudding
כָּל
(kal)
heel
הָעִיר֙
(hair)
de stad
עֲלֵיהֶ֔ן
(aleihen)
om hen
וַתֹּאמַ֖רְנָה
(vatomarna)
en zij zeiden
הֲזֹ֥את
(hazot)
is dit
נָעֳמִֽי
(naomi)
Naomi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betlehem ligt ongeveer 9 kilometer ten zuiden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).
Lezing
Het Hebreeuws heeft ‘zij zeiden’ in de vrouwelijke vorm.
Wij schrijven ‘de vrouwen’, omdat het gaat om de vrouwen van de stad.
21Vol ben ik weggegaan, maar leeg heeft Yahweh mij doen terugkeren. Waarom noemen jullie mij Naomi, terwijl Yahweh tegen mij heeft getuigd en Sjaddai mij kwaad heeft gedaan?”
אֲנִי֙
(ani)
ik
מְלֵאָ֣ה
(melea)
vol
הָלַ֔כְתִּי
(halakhti)
ik ging weg
וְרֵיקָ֖ם
(vereiqam)
en leeg
הֱשִׁיבַ֣נִי
(heshivani)
deed terugkeren mij
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
תִקְרֶ֤אנָה
(tiqrena)
noemen jullie
לִי֙
(li)
mij
נָעֳמִ֔י
(naomi)
Naomi
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
עָ֣נָה
(ana)
heeft getuigd
בִ֔י
(bi)
tegen mij
וְשַׁדַּ֖י
(veshaday)
en Sjaddai
הֵ֥רַֽע
(hera)
heeft kwaad gedaan
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
עָנָה בִי (anah vi): met de klinkers van de Masoretische tekst betekent dit ‘Hij heeft tegen mij getuigd’ (anah, getuigen).
Septuaginta en Vulgaat lezen ‘Hij heeft mij vernederd’.
22Zo keerde Naomi terug, en Ruth de Moabitische, haar schoondochter, met haar. Zij kwamen terug uit de velden van Moab en kwamen in Betlehem aan bij het begin van de gerstoogst.
וַתָּ֣שָׁב
(vatashav)
en keerde terug
נָעֳמִ֗י
(naomi)
Naomi
וְר֨וּת
(verut)
en Ruth
הַמּוֹאֲבִיָּ֤ה
(hamoaviya)
de Moabitische
כַלָּתָהּ֙
(kalatah)
haar schoondochter
עִמָּ֔הּ
(imah)
met haar
הַשָּׁ֖בָה
(hashava)
de terugkerende
מִשְּׂדֵ֣י
(misedei)
uit de velden van
מוֹאָ֑ב
(moav)
Moab
וְהֵ֗מָּה
(vehema)
en zij
בָּ֚אוּ
(bau)
kwamen
בֵּ֣ית
(beit)
huis van
לֶ֔חֶם
(lechem)
brood
בִּתְחִלַּ֖ת
(bitchilat)
bij het begin van
קְצִ֥יר
(qetsir)
oogst van
שְׂעֹרִֽים
(seorim)
gerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
De gerstoogst begint in april–mei, aan het einde van het regenseizoen.
De tarweoogst volgt enkele weken later (2:23).
Zo wordt de tijd van het verhaal aangegeven: het begin van de oogsttijd.