1 Tessalonicenzen 4
Een heilig leven, broederliefde, en de komst van de Heer voor de ontslapenen en de levenden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Een leven dat Elohim behaagt
De Griekse zin heeft twee keer ἵνα (hina), ‘opdat’: ‘wij vragen jullie … opdat jullie, zoals jullie ontvingen …, daarin overvloediger worden’.
Wij hebben de zin in korte zinnen gesplitst. λοιπόν (loipon), ‘verder’: ook ‘tot slot’. ἐρωτάω (erotao), ‘vragen’; παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: zie 2:12. ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’: zie 2:4.
παραγγελία (parangelia), ‘voorschrift’: een opdracht met gezag.
‘Door de Heer Yeshua’: met het gezag van de Heer.
ἁγιασμός (hagiasmos), ‘heiliging’: apart gezet worden voor Elohim, een heilig leven. πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele immoraliteit in het algemeen.
De verzen 3–6 zijn één zin: ‘dit is de wil van Elohim: … dat jullie je onthouden …, dat ieder weet …, dat niemand …’.
Zie ook Hand. 15:20; Hand. 15:29.
σκεῦος (skeuos), ‘vat’: eigenlijk een voorwerp om iets in te doen.
Het Grieks kan hier ‘zijn eigen lichaam’ of ‘zijn eigen vrouw’ bedoelen; wij vertalen letterlijk. κτάομαι (ktaomai), ‘verwerven’: kan ook ‘in bezit hebben, beheersen’ betekenen. τιμή (time), ‘eer’.
πάθος (pathos), ‘hartstocht’: een hevige gemoedsbeweging. ἐπιθυμία (epithymia), ‘begeerte’.
‘De volken die Elohim niet kennen’: vergelijk Jer. 10:25, ‘de volken die U niet kennen’.
Zie ook Jer. 10:25.
ὑπερβαίνω (hyperbaino), ‘overschrijden’: een grens over gaan. πλεονεκτέω (pleonekteo), ‘bedriegen’: meer nemen dan jou toekomt. πρᾶγμα (pragma), ‘zaak’. ἔκδικος (ekdikos), ‘wreker’: wie recht doet aan het onrecht. κύριος (kyrios), ‘Heer’: vergelijk Ps. 94:1, ‘Yahweh, El van de wraak’.
Wij schrijven ‘de Heer’ (Yeshua); het Grieks laat open of Yeshua of Yahweh bedoeld is.
Zie ook Ps. 94:1.
ἀκαθαρσία (akatharsia), ‘onreinheid’: zie 2:3. ἐν ἁγιασμῷ (en hagiasmo), ‘in heiliging’: in een leven dat voor Elohim apart gezet is.
ἀθετέω (atheteo), ‘verwerpen’: iets terzijde stellen als niet geldig.
In Gal. 2:21 en Gal. 3:15 vertalen wij dit woord met ‘ongeldig maken’.
De Griekse tekst heeft εἰς ὑμᾶς (eis hymas), ‘in/aan jullie’: Elohim geeft Zijn Heilige Geest aan de gemeente.
Zie ook Gal. 2:21; Gal. 3:15.
Broederliefde en werk
φιλαδελφία (filadelfia), ‘broederliefde’: liefde voor de broers en zusters in de gemeente. θεοδίδακτος (theodidaktos), ‘door Elohim onderwezen’: een zeldzaam woord.
Vergelijk Jes. 54:13, ‘al je zonen zullen onderwezen zijn door Yahweh’, en Joh. 6:45.
Zie ook Jes. 54:13; Joh. 6:45.
Zie Macedonië (ongeveer): Macedonië was een Romeinse provincie in het noorden van Griekenland, met Tessalonica en Filippi als steden.
De grenzen zijn bij benadering.
Macedonië: de provincie waarin Tessalonica en Filippi liggen.
De zin loopt door in vers 11 en 12: ‘Wij sporen jullie aan … te streven …’.
φιλοτιμέομαι (filotimeomai), ‘ernaar streven’: zijn eer erin stellen. ἡσυχάζω (hesychazo), ‘rustig leven’: stil zijn, niet onrustig of bemoeiziek. πράσσω (prasso), ‘doen’; ἐργάζομαι (ergazomai), ‘werken’. παραγγέλλω (parangello), ‘opdragen’: bij παραγγελία in vers 2.
Zie ook 2 Tess. 3:10–12.
εὐσχημόνως (euschemonos), ‘betamelijk’: netjes, met goede vorm. οἱ ἔξω (hoi exo), ‘wie buiten zijn’: wie buiten de gemeente staan. μηδενός (medenos), ‘niets’ of ‘niemand’: het Grieks kan beide betekenen; ‘van niemand iets nodig hebben’ dekt ze.
De ontslapenen en de komst van de Heer
κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’: letterlijk ‘slapen’; een zacht woord voor sterven.
Wij houden ‘ontslapen’ aan voor de hele brief. ἀγνοέω (agnoeo), ‘onwetend zijn’. λυπέω (lypeo), ‘bedroeven’. οἱ λοιποί (hoi loipoi), ‘de anderen’: wie niet bij de gemeente horen.
Zie ook 1 Kor. 15:6; 1 Kor. 15:18.
Voor het werkwoord ‘ontslapen’ verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
ἀνέστη (anesti), ‘stond op’, bij ἀνάστασις (anastasis), ‘opstanding’. διὰ τοῦ Ἰησοῦ (dia tou Iesou), ‘door Yeshua’: dit kan horen bij ‘ontslapen’ (zij die in Yeshua ontslapen zijn) of bij ‘meebrengen’ (Elohim zal hen door Yeshua meebrengen).
Wij laten de woordvolgorde van het Grieks staan.
Zie ook Joh. 11:25–26; Joh. 14:3.
ἐν λόγῳ κυρίου (en logo kyriou), ‘met een woord van de Heer’: het Grieks heeft geen lidwoord; het zegt niet of Paulus een uitspraak van Yeshua of een openbaring bedoelt. περιλείπομαι (perileipomai), ‘overblijven’. φθάνω (fthano), ‘voorgaan’: eerder aankomen. ὅτι (hoti), ‘dat’, leidt de inhoud van wat Paulus zegt in; wij beginnen daar een nieuwe zin. οὐ μή (ou me), ‘beslist niet’. παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’, zie 2:19.
Zie ook Matt. 24:30–31.
κέλευσμα (keleusma), ‘bevelsroep’: een luid commando, zoals een bevel aan soldaten of roeiers. ἀρχάγγελος (archangelos), ‘aartsengel’. σάλπιγξ (salpigx), ‘bazuin’.
‘De Heer zelf’ is Yeshua.
‘De doden in de Messias’: wie gestorven zijn als aanhangers van de Messias.
Zie ook Matt. 24:30–31; Joh. 5:28–29; 1 Kor. 15:51–52.
ἁρπάζω (harpazo), ‘wegrukken’: plotseling en met kracht meenemen. νεφέλη (nefele), ‘wolk’. ἀπάντησις (apantesis), ‘tegemoetkomen’: het woord voor het ontmoeten van een gast of koning die men tegemoet gaat; het staat ook in Matt. 25:6. ἀήρ (aer), ‘lucht’.
Vergelijk Dan. 7:13: ‘met de wolken van de hemel’.
Zie ook Matt. 25:6; Dan. 7:13.
παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: troost en moed geven; zie 2:12 en 3:2.