David redt Keïla en ontkomt aan Saul in de woestijn
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
David redt Keïla
1Men vertelde David: „Zie, de Filistijnen vallen Keïla aan. Zij plunderen de dorsvloeren.”
וַיַּגִּ֥דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְדָוִ֖ד
(ledavid)
aan David
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הִנֵּ֤ה
(hine)
zie
פְלִשְׁתִּים֙
(pelishtim)
Filistijnen
נִלְחָמִ֣ים
(nilchamim)
strijdend
בִּקְעִילָ֔ה
(biqila)
tegen Keïla
וְהֵ֖מָּה
(vehema)
en zij
שֹׁסִ֥ים
(shosim)
plunderend
אֶת
(et)
(obj.)
הַגֳּרָנֽוֹת
(hagoranot)
de dorsvloeren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Keïla ligt in de Sefela of in het bergland van Juda, ten westen van Hebron: waarschijnlijk Khirbet Qila (Israël/Westelijke Jordaanoever).
De ligging is niet helemaal zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
Uitleg
גְּרָנוֹת (gernot), ‘dorsvloeren’: de plaats waar het graan na de oogst wordt gedorst.
3De mannen van David zeiden tegen hem: „Zie, wij zijn hier in Juda al bang. Hoeveel te meer als wij naar Keïla gaan, tegen de gelederen van de Filistijnen!”
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
de mannen van
דָוִד֙
(david)
David
אֵלָ֔יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּ֨ה
(hine)
zie
אֲנַ֥חְנוּ
(anachnu)
wij
פֹ֛ה
(po)
hier
בִּֽיהוּדָ֖ה
(bihuda)
in Juda
יְרֵאִ֑ים
(yereim)
bang
וְאַף֙
(veaf)
en zelfs
כִּֽי
(ki)
dat
נֵלֵ֣ךְ
(nelekh)
wij gaan
קְעִלָ֔ה
(qeila)
naar Keïla
אֶל
(el)
naar
מַֽעַרְכ֖וֹת
(maarkhot)
de gelederen van
פְּלִשְׁתִּֽים
(pelishtim)
de Filistijnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
5David ging met zijn mannen naar Keïla. Hij streed tegen de Filistijnen en dreef hun vee weg. Hij bracht hun een zware slag toe. Zo redde David de inwoners van Keïla.
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
דָּוִד֩
(david)
David
וַאֲנָשָׁ֨יו
(vaanashav)
en zijn mannen
קְעִילָ֜ה
(qeila)
naar Keïla
וַיִּלָּ֣חֶם
(vayilachem)
en hij streed
בַּפְּלִשְׁתִּ֗ים
(bapelishtim)
tegen de Filistijnen
וַיִּנְהַג֙
(vayinhag)
en hij dreef weg
אֶת
(et)
(obj.)
מִקְנֵיהֶ֔ם
(miqneihem)
hun vee
וַיַּ֥ךְ
(vayakh)
en hij sloeg
בָּהֶ֖ם
(bahem)
onder hen
מַכָּ֣ה
(maka)
een slag
גְדוֹלָ֑ה
(gedola)
grote
וַיֹּ֣שַׁע
(vayosha)
en hij redde
דָּוִ֔ד
(david)
David
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
קְעִילָֽה
(qeila)
Keïla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Zie Filistea: Filistea was de kuststrook in het zuidwesten van het land, rond Gaza en Asdod.
6Toen Abjatar, de zoon van Achimelech, naar David in Keïla vluchtte, kwam hij met een efod in zijn hand.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
בִּ֠בְרֹחַ
(bivroach)
bij het vluchten van
אֶבְיָתָ֧ר
(evyatar)
Abjatar
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִימֶ֛לֶךְ
(achimelekh)
Achimelech
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֖ד
(david)
David
קְעִילָ֑ה
(qeila)
naar Keïla
אֵפ֖וֹד
(efod)
een efod
יָרַ֥ד
(yarad)
was afgedaald
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Uitleg
אֵפוֹד (efod): het priesterkleed met de Urim en Tummim (Exod. 28:6–30).
7Men vertelde Saul dat David naar Keïla was gekomen. Saul zei: „Elohim heeft hem verstoten: hij is in mijn hand. Want hij is opgesloten, nu hij een stad met deuren en grendel is binnengegaan.”
וַיֻּגַּ֣ד
(vayugad)
en het werd verteld
לְשָׁא֔וּל
(leshaul)
aan Saul
כִּי
(ki)
dat
בָ֥א
(ba)
was gekomen
דָוִ֖ד
(david)
David
קְעִילָ֑ה
(qeila)
naar Keïla
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
נִכַּ֨ר
(nikar)
heeft verstoten
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
בְּיָדִ֔י
(beyadi)
in mijn hand
כִּ֚י
(ki)
want
נִסְגַּ֣ר
(nisgar)
hij is opgesloten
לָב֔וֹא
(lavo)
door te komen
בְּעִ֖יר
(beir)
in een stad
דְּלָתַ֥יִם
(delatayim)
deuren
וּבְרִֽיחַ
(uveriach)
en grendel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Lezing
נִכַּר (nikkar) komt van een werkwoord met de betekenis ‘vreemd maken, verstoten’.
Saul zegt: Elohim heeft David verstoten, en nu is hij in mijn hand.
10David zei: „Yahweh, Elohim van Israël, Uw dienaar heeft het zeker gehoord. Saul zoekt een weg om naar Keïla te komen en de stad te verwoesten, omwille van mij.
וַיֹּאמֶר֮
(vayomer)
en hij zei
דָּוִד֒
(david)
David
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
שָׁמֹ֤עַ
(shamoa)
heeft gehoord
שָׁמַע֙
(shama)
heeft zeker gehoord
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
Uw dienaar
כִּֽי
(ki)
dat
מְבַקֵּ֥שׁ
(mevaqesh)
zoekt
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
קְעִילָ֑ה
(qeila)
Keïla
לְשַׁחֵ֥ת
(leshachet)
om te verwoesten
לָעִ֖יר
(lair)
de stad
בַּעֲבוּרִֽי
(baavuri)
om mijnentwil
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
11Zullen de burgers van Keïla mij aan hem uitleveren? Zal Saul afdalen, zoals Uw dienaar heeft gehoord? Yahweh, Elohim van Israël, maak het toch bekend aan Uw dienaar.” Yahweh zei: „Hij zal afdalen.”
הֲיַסְגִּרֻ֣נִי
(hayasgiruni)
zullen overleveren mij
בַעֲלֵי֩
(baalei)
de burgers van
קְעִילָ֨ה
(qeila)
Keïla
בְיָד֜וֹ
(beyado)
in zijn hand
הֲיֵרֵ֣ד
(hayered)
zal afdalen
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
כַּֽאֲשֶׁר֙
(kaasher)
zoals
שָׁמַ֣ע
(shama)
heeft gehoord
עַבְדֶּ֔ךָ
(avdekha)
Uw dienaar
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
Elohim van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
הַגֶּד
(haged)
maak bekend
נָ֖א
(na)
toch
לְעַבְדֶּ֑ךָ
(leavdekha)
aan Uw dienaar
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יֵרֵֽד
(yered)
hij zal afdalen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Uitleg
בַּעֲלֵי קְעִילָה (ba'alei Qe'ilah), ‘heren van Keïla’: de burgers van de stad, de leiders.
13David stond op, met zijn mannen, ongeveer 600 man. Zij trokken weg uit Keïla en gingen rond waar zij maar konden. Aan Saul werd verteld dat David uit Keïla was ontkomen. Toen zag hij af van de tocht.
וַיָּקָם֩
(vayaqam)
en hij stond op
דָּוִ֨ד
(david)
David
וַאֲנָשָׁ֜יו
(vaanashav)
en zijn mannen
כְּשֵׁשׁ
(keshesh)
ongeveer zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִ֗ישׁ
(ish)
man
וַיֵּצְאוּ֙
(vayetseu)
en zij trokken uit
מִקְּעִלָ֔ה
(miqeila)
uit Keïla
וַיִּֽתְהַלְּכ֖וּ
(vayithalekhu)
en zij gingen rond
בַּאֲשֶׁ֣ר
(baasher)
waar
יִתְהַלָּ֑כוּ
(yithalakhu)
zij rondgingen
וּלְשָׁא֣וּל
(uleshaul)
en aan Saul
הֻגַּ֗ד
(hugad)
werd verteld
כִּֽי
(ki)
dat
נִמְלַ֤ט
(nimlat)
was ontkomen
דָּוִד֙
(david)
David
מִקְּעִילָ֔ה
(miqeila)
uit Keïla
וַיֶּחְדַּ֖ל
(vayechdal)
en hij hield op
לָצֵֽאת
(latset)
om uit te trekken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Keïla (ligging onzeker): Keïla wordt gezocht bij Khirbet Qila, in de Sefela.
Dit is niet zeker.
Uitleg
David heeft nu ongeveer 600 man, tegenover ongeveer 400 in 1 Sam. 22:2.
‘Waar zij maar konden’ is letterlijk ‘waarheen zij gingen, gingen zij’: zij trokken zonder vast doel rond.
14David bleef in de woestijn, in de bergvestingen. Hij bleef in het bergland in de woestijn van Zif. Saul zocht hem al die dagen. Maar Elohim gaf hem niet in zijn hand.
וַיֵּ֨שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
דָּוִ֤ד
(david)
David
בַּמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
בַּמְּצָד֔וֹת
(bametsadot)
in de bergvestingen
וַיֵּ֥שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
בָּהָ֖ר
(bahar)
op de berg
בְּמִדְבַּר
(bemidbar)
in de woestijn van
זִ֑יף
(zif)
Zif
וַיְבַקְשֵׁ֤הוּ
(vayvaqshehu)
en hij zocht hem
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
כָּל
(kal)
alle
הַיָּמִ֔ים
(hayamim)
de dagen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נְתָנ֥וֹ
(netano)
gaf hem
אֱלֹהִ֖ים
(Elohim)
Elohim
בְּיָדֽוֹ
(beyado)
in zijn hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De woestijn van Zif ligt in het bergland van Juda, ten zuidoosten van Hebron, bij Tell Zif (Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
מְצָדוֹת (metsadot), ‘bergvestingen’: meervoud van het woord in 1 Sam. 22:4–5.
15David zag dat Saul was uitgetrokken om zijn leven te zoeken. David was in de woestijn van Zif, bij Choresh.
וַיַּ֣רְא
(vayar)
en hij zag
דָוִ֔ד
(david)
David
כִּֽי
(ki)
dat
יָצָ֥א
(yatsa)
was uitgetrokken
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
לְבַקֵּ֣שׁ
(levaqesh)
om te zoeken
אֶת
(et)
(obj.)
נַפְשׁ֑וֹ
(nafsho)
zijn leven
וְדָוִ֥ד
(vedavid)
en David
בְּמִדְבַּר
(bemidbar)
in de woestijn van
זִ֖יף
(zif)
Zif
בַּחֹֽרְשָׁה
(bachoresha)
bij Choresh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Choresh (chorshah), ‘bos’ of ‘kreupelhout’, is onzeker.
Men denkt aan Khirbet Choreisa, bij Tell Zif (Westelijke Jordaanoever).
Het kan ook een gewoon woord zijn: ‘in het bos’.
Jonatan sterkt David
16Jonatan, de zoon van Saul, stond op en ging naar David, naar Choresh. Hij sterkte David door Elohim.
וַיָּ֨קָם֙
(vayaqam)
en hij stond op
יְהוֹנָתָ֣ן
(yehonatan)
Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֖ד
(david)
David
חֹ֑רְשָׁה
(choresha)
naar Choresh
וַיְחַזֵּ֥ק
(vaychazeq)
en hij versterkte
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֖וֹ
(yado)
zijn hand
בֵּאלֹהִֽים
(bElohim)
in Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Choresh (ligging onzeker): Choresh wordt gezocht bij Khirbet Choreisa, bij Tell Zif.
Dit is niet zeker.
Uitleg
וַיְחַזֵּק אֶת־יָדוֹ בֵּאלֹהִים (vajechazzeq et jado be'Elohim), letterlijk ‘hij maakte zijn hand sterk in Elohim’: hij gaf hem moed en vertrouwen door Elohim.
17Hij zei tegen hem: „Wees niet bang. De hand van Saul, mijn vader, zal je niet vinden. Jij zult koning worden over Israël. Ik zal de tweede na jou zijn. Ook Saul, mijn vader, weet dat.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
אַל
(al)
niet
תִּירָ֗א
(tira)
wees bang
כִּ֠י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
תִֽמְצָאֲךָ֙
(timtsaakha)
zal je vinden
יַ֚ד
(yad)
hand van
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֔י
(avi)
mijn vader
וְאַתָּה֙
(veata)
en jij
תִּמְלֹ֣ךְ
(timlokh)
zult regeren
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאָנֹכִ֖י
(veanokhi)
en ik
אֶֽהְיֶה
(ehye)
zal zijn
לְּךָ֣
(lekha)
voor jou
לְמִשְׁנֶ֑ה
(lemishne)
tot tweede
וְגַם
(vegam)
en ook
שָׁא֥וּל
(shaul)
Saul
אָבִ֖י
(avi)
mijn vader
יֹדֵ֥עַ
(yodea)
weet
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Jonatan erkent dat David koning wordt.
Zie ook 1 Sam. 20:13–16 en 24:21.
לְמִשְׁנֶה (lemishne), ‘tot tweede’: de tweede man na de koning.
19De Zifieten gingen naar Saul in Gibea. Zij zeiden: „Houdt David zich niet bij ons schuil, in de bergvestingen bij Choresh, op de heuvel van Chachila? Die heuvel ligt ten zuiden van de woestenij.
וַיַּעֲל֤וּ
(vayaalu)
en zij trokken op
זִפִים֙
(zifim)
de Zifieten
אֶל
(el)
naar
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
הַגִּבְעָ֖תָה
(hagivata)
naar Gibea
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הֲל֣וֹא
(halo)
is niet
דָ֠וִד
(david)
David
מִסְתַּתֵּ֨ר
(mistater)
verborgen
עִמָּ֤נוּ
(imanu)
bij ons
בַמְּצָדוֹת֙
(bametsadot)
in de bergvestingen
בַּחֹ֔רְשָׁה
(bachoresha)
bij Choresh
בְּגִבְעַת֙
(begivat)
op de heuvel van
הַֽחֲכִילָ֔ה
(hachakhila)
Chachila
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
מִימִ֥ין
(mimin)
ten zuiden van
הַיְשִׁימֽוֹן
(hayshimon)
de woestenij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibea is het Gibea van Saul, waarschijnlijk Tell el-Ful (Westelijke Jordaanoever).
Chachila is onzeker; men zoekt het in de buurt van Zif.
De ‘woestenij’ (הַיְשִׁימוֹן, hajeshimon, Jesjimon) is de dorre streek ten westen van de Zoutzee.
Zie Choresh (ligging onzeker): Choresh wordt gezocht bij Khirbet Choreisa, bij Tell Zif.
Dit is niet zeker.
Zie Heuvel van Chachila (ligging onzeker): De heuvel van Chachila lag in de buurt van Zif, aan de rand van de woestijn van Juda.
22Ga toch en zorg ervoor dat het zeker is. Zoek uit waar hij zich ophoudt en wie hem daar heeft gezien. Want mij is gezegd dat hij uiterst sluw te werk gaat.
לְכוּ
(lekhu)
gaat
נָ֞א
(na)
toch
הָכִ֣ינוּ
(hakhinu)
bereidt voor
ע֗וֹד
(od)
nog
וּדְע֤וּ
(udeu)
en weet
וּרְאוּ֙
(ureu)
en zie
אֶת
(et)
(obj.)
מְקוֹמוֹ֙
(meqomo)
zijn plaats
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
תִּֽהְיֶ֣ה
(tihye)
zal zijn
רַגְל֔וֹ
(raglo)
zijn voet
מִ֥י
(mi)
wie
רָאָ֖הוּ
(raahu)
heeft hem gezien
שָׁ֑ם
(sham)
daar
כִּ֚י
(ki)
want
אָמַ֣ר
(amar)
hij zei
אֵלַ֔י
(elay)
tegen mij
עָר֥וֹם
(arom)
sluw
יַעְרִ֖ם
(yarim)
hij zal sluw te werk gaan
הֽוּא
(hu)
hij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Kijk goed en zoek uit in welke schuilplaatsen hij zich verbergt. Kom dan met zekerheid bij mij terug. Dan ga ik met jullie mee. Als hij in het land is, zal ik hem opsporen onder alle geslachten van Juda.”
וּרְא֣וּ
(ureu)
en kijk
וּדְע֗וּ
(udeu)
en weet
מִכֹּ֤ל
(mikol)
van alle
הַמַּֽחֲבֹאִים֙
(hamachavoim)
de schuilplaatsen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
יִתְחַבֵּ֣א
(yitchabe)
hij zich verbergt
שָׁ֔ם
(sham)
daar
וְשַׁבְתֶּ֤ם
(veshavtem)
en kom terug
אֵלַי֙
(elay)
naar mij
אֶל
(el)
naar
נָכ֔וֹן
(nakhon)
zekerheid
וְהָלַכְתִּ֖י
(vehalakhti)
en ik zal gaan
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het zal zijn
אִם
(im)
als
יֶשְׁנ֣וֹ
(yeshno)
hij is er
בָאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וְחִפַּשְׂתִּ֣י
(vechipasti)
en ik zal opsporen
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
onder alle
אַלְפֵ֥י
(alfei)
duizendtallen van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַלְפֵי יְהוּדָה (alfei Jehudah), ‘duizendtallen van Juda’: de geslachten of familiegroepen van Juda (zie Num. 1:16).
25Saul ging met zijn mannen op zoek. Het werd aan David verteld. Toen daalde hij af naar de rots en bleef in de woestijn van Maon. Saul hoorde dat en achtervolgde David in de woestijn van Maon.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
וַאֲנָשָׁיו֮
(vaanashav)
en zijn mannen
לְבַקֵּשׁ֒
(levaqesh)
om te zoeken
וַיַּגִּ֣דוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְדָוִ֔ד
(ledavid)
aan David
וַיֵּ֣רֶד
(vayered)
en hij daalde af
הַסֶּ֔לַע
(hasela)
naar de rots
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij bleef
בְּמִדְבַּ֣ר
(bemidbar)
in de woestijn van
מָע֑וֹן
(maon)
Maon
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hij hoorde
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיִּרְדֹּ֥ף
(vayirdof)
en hij achtervolgde
אַחֲרֵֽי
(acharei)
achter
דָוִ֖ד
(david)
David
מִדְבַּ֥ר
(midbar)
woestijn van
מָעֽוֹן
(maon)
Maon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Maon: Maon wordt gezocht bij Tell Ma'in, ten zuiden van Hebron.
26Saul liep aan de ene kant van de berg. David en zijn mannen liepen aan de andere kant van de berg. David haastte zich om voor Saul te vluchten. Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen om hen te grijpen.
וַיֵּ֨לֶךְ
(vayelekh)
en hij ging
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
מִצַּ֤ד
(mitsad)
van de kant van
הָהָר֙
(hahar)
de berg
מִזֶּ֔ה
(mize)
aan deze zijde
וְדָוִ֧ד
(vedavid)
en David
וַאֲנָשָׁ֛יו
(vaanashav)
en zijn mannen
מִצַּ֥ד
(mitsad)
van de kant van
הָהָ֖ר
(hahar)
de berg
מִזֶּ֑ה
(mize)
aan gene zijde
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
דָוִ֜ד
(david)
David
נֶחְפָּ֤ז
(nechpaz)
haastig
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te gaan
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
vanwege
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וְשָׁא֣וּל
(veshaul)
en Saul
וַאֲנָשָׁ֗יו
(vaanashav)
en zijn mannen
עֹֽטְרִ֛ים
(oterim)
omsingelend
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֥ד
(david)
David
וְאֶל
(veel)
en naar
אֲנָשָׁ֖יו
(anashav)
zijn mannen
לְתָפְשָֽׂם
(letafesam)
om hen te grijpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)