Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Absalom wint het hart van Israël
1Hierna schafte Absalom zich een wagen en paarden aan, en 50 mannen die voor hem uit renden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מֵאַ֣חֲרֵי
(meacharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte
לוֹ֙
(lo)
voor zich
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
מֶרְכָּבָ֖ה
(merkava)
wagen
וְסֻסִ֑ים
(vesusim)
en paarden
וַחֲמִשִּׁ֥ים
(vachamishim)
en vijftig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
רָצִ֥ים
(ratsim)
rennend
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֶרְכָּבָה (merkavah), ‘wagen’: een strijdwagen of koninklijke wagen.
Dit is een teken van koninklijke pracht, zoals ook bij Adonia (1 Kon. 1:5).
2Absalom stond vroeg op en ging naast de weg naar de poort staan. Iedere man die een geschil had en voor recht naar de koning wilde gaan, riep Absalom bij zich. Hij zei: „Uit welke stad ben je?” Hij antwoordde: „Uw dienaar is uit een van de stammen van Israël.”
וְהִשְׁכִּים֙
(vehishkim)
en stond vroeg op
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
וְעָמַ֕ד
(veamad)
en stond
עַל
(al)
naast
יַ֖ד
(yad)
de zijde van
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַשָּׁ֑עַר
(hashaar)
de poort
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כָּל
(kal)
elke
הָאִ֣ישׁ
(haish)
man
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִהְיֶה
(yihye)
zou hebben
לּוֹ
(lo)
voor hem
רִיב֩
(riv)
geschil
לָב֨וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַמִּשְׁפָּ֗ט
(lamishpat)
voor recht
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
אַבְשָׁל֤וֹם
(avshalom)
Absalom
אֵלָיו֙
(elav)
hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵֽי
(ei)
welke
מִזֶּ֥ה
(mize)
uit deze
עִיר֙
(ir)
stad
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מֵאַחַ֥ד
(meachad)
van één van
שִׁבְטֵֽי
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: een zaak die voor de koning als rechter komt.
4Absalom zei: „Wie stelt mij aan als rechter in het land? Dan zou iedereen die een geschil of een rechtszaak heeft, naar mij komen. Ik zou hem in het gelijk stellen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
מִי
(mi)
wie
יְשִׂמֵ֥נִי
(yesimeni)
stelt mij aan
שֹׁפֵ֖ט
(shofet)
rechter
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וְעָלַ֗י
(vealay)
en tot mij
יָב֥וֹא
(yavo)
zou komen
כָּל
(kal)
elke
אִ֛ישׁ
(ish)
man
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִהְיֶה
(yihye)
zou hebben
לּוֹ
(lo)
voor hem
רִ֥יב
(riv)
geschil
וּמִשְׁפָּ֖ט
(umishpat)
en recht
וְהִצְדַּקְתִּֽיו
(vehitsdaqtiv)
en ik zou hem in het gelijk stellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִצְדִּיק (hitsdiq), ‘in het gelijk stellen’, van צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’.
8Want uw dienaar heeft een gelofte afgelegd toen ik in Gesur in Aram woonde. Ik zei: ‘Als Yahweh mij werkelijk terugbrengt naar Jeruzalem, dan zal ik Yahweh dienen.’”
כִּי
(ki)
want
נֵ֨דֶר֙
(neder)
gelofte
נָדַ֣ר
(nadar)
heeft gelofd
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
uw dienaar
בְּשִׁבְתִּ֥י
(beshivti)
toen ik woonde
בִגְשׁ֛וּר
(bigshur)
in Gesur
בַּאֲרָ֖ם
(baaram)
in Aram
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
יָשׁ֨וֹב
(yashov)
zeker
יְשִׁיבֵ֤נִי
(yeshiveni)
brengt mij terug
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וְעָבַדְתִּ֖י
(veavadti)
dan zal ik dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gesur lag ten oosten van de Jordaan, in het noorden, bij het huidige Golan (zie 2 Sam. 13:37).
Het ligt in Aram.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
9De koning zei tegen hem: „Ga in vrede.” Hij stond op en ging naar Hebron.
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
חֶבְרֽוֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
10Absalom stuurde spionnen naar alle stammen van Israël. Hij zei: „Zodra jullie het geluid van de ramshoorn horen, zeg dan: ‘Absalom is koning geworden in Hebron.’”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
מְרַגְּלִ֔ים
(meragelim)
spionnen
בְּכָל
(bekhal)
in alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּשָׁמְעֲכֶם֙
(keshameakhem)
wanneer jullie horen
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
הַשֹּׁפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
dan zeggen jullie
מָלַ֥ךְ
(malakh)
is koning geworden
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
בְּחֶבְרֽוֹן
(bechevron)
in Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
הַשּׁוֹפָר (hashofar), ‘de ramshoorn’: een hoorn waarmee men een signaal gaf.
12Absalom liet ook Ahitofel de Giloniet halen, de raadgever van David, uit zijn stad Gilo, terwijl hij de slachtoffers bracht. De samenzwering werd sterk. Het volk bij Absalom werd steeds talrijker.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en zond
אַ֠בְשָׁלוֹם
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִיתֹ֨פֶל
(achitofel)
Ahitofel
הַגִּֽילֹנִ֜י
(hagiloni)
de Giloniet
יוֹעֵ֣ץ
(yoets)
raadgever van
דָּוִ֗ד
(david)
David
מֵֽעִירוֹ֙
(meiro)
uit zijn stad
מִגִּלֹ֔ה
(migilo)
uit Gilo
בְּזָבְח֖וֹ
(bezavecho)
toen hij offerde
אֶת
(et)
(obj.)
הַזְּבָחִ֑ים
(hazevachim)
de slachtoffers
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het werd
הַקֶּ֨שֶׁר֙
(haqesher)
de samenzwering
אַמִּ֔ץ
(amits)
sterk
וְהָעָ֛ם
(vehaam)
en het volk
הוֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaande
וָרָ֖ב
(varav)
en talrijk
אֶת
(et)
met
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gilo lag in het bergland van Juda, waarschijnlijk bij Khirbet Jala, ten noorden van Hebron (Westelijke Jordaanoever).
De ligging is onzeker.
Uitleg
Eliam, de zoon van Ahitofel de Giloniet, is een van Davids helden (2 Sam. 23:34).
14David zei tegen al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem waren: „Sta op, laten wij vluchten. Want er zal voor ons geen ontkomen zijn aan Absalom. Haast je om te gaan. Anders haalt hij ons snel in, brengt hij het onheil over ons en slaat hij de stad met de scherpte van het zwaard.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּ֠וִד
(david)
David
לְכָל
(lekhal)
tot al
עֲבָדָ֨יו
(avadav)
zijn dienaren
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֤וֹ
(ito)
met hem
בִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
ק֣וּמוּ
(qumu)
sta op
וְנִבְרָ֔חָה
(venivracha)
en laten wij vluchten
כִּ֛י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
תִֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לָּ֥נוּ
(lanu)
voor ons
פְלֵיטָ֖ה
(peleita)
ontkomen
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het gezicht van
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
מַהֲר֣וּ
(maharu)
haast je
לָלֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
פֶּן
(pen)
opdat niet
יְמַהֵ֤ר
(yemaher)
hij zich haast
וְהִשִּׂגָ֨נוּ֙
(vehisiganu)
en inhaalt ons
וְהִדִּ֤יחַ
(vehidiach)
en brengt
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
וְהִכָּ֥ה
(vehika)
en slaat
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
בְּפִי־חָרֶב (lefi-charev), ‘met de scherpte van het zwaard’: dit is de gewone uitdrukking voor ‘met het zwaard’, vergelijk Joz. 10:28.
18Al zijn dienaren trokken langs hem. Ook alle Kerethieten, alle Pelethieten en alle Gattieten trokken voor de koning langs. Dat waren 600 man die hem te voet uit Gat waren gevolgd.
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
עֹבְרִ֣ים
(overim)
trekkend
עַל
(al)
naast
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַכְּרֵתִ֖י
(hakereti)
de Kerethiet
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַפְּלֵתִ֑י
(hapeleti)
de Pelethiet
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
הַגִּתִּ֞ים
(hagitim)
de Gattieten
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִ֗ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֤אוּ
(bau)
kwamen
בְרַגְלוֹ֙
(beraglo)
te voet
מִגַּ֔ת
(migat)
uit Gat
עֹבְרִ֖ים
(overim)
trekkend
עַל
(al)
langs
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gat is Tell es-Safi in Israël, een van de vijf Filistijnse steden (1 Sam. 6:17).
Uitleg
הַכְּרֵתִי וְהַפְּלֵתִי (hakkereti vehappeleti), ‘de Kerethieten en de Pelethieten’: de koninklijke lijfwacht van David (2 Sam. 8:18).
Hun herkomst is niet zeker.
De naam doet denken aan Kreta of aan de Filistijnse kust.
19De koning zei tegen Ittai de Gattiet: „Waarom ga ook jij met ons mee? Keer terug en blijf bij de koning, want je bent een vreemde. Bovendien ben je een balling van je eigen plaats.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
אִתַּ֣י
(itay)
Ittai
הַגִּתִּ֔י
(hagiti)
de Gattiet
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
תֵלֵ֛ךְ
(telekh)
ga jij
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
וְשֵׁ֤ב
(veshev)
en blijf
עִם
(im)
bij
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
כִּֽי
(ki)
want
נָכְרִ֣י
(nakheri)
vreemde
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְגַם
(vegam)
en ook
גֹּלֶ֥ה
(gole)
balling
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לִמְקוֹמֶֽךָ
(limqomekha)
van je plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נָכְרִי (nokhri), ‘vreemde’: iemand van buiten het volk.
גֹּלֶה (goleh), ‘balling’: iemand die zijn land heeft verlaten.
Ittai komt uit Gat, een Filistijnse stad. Hij is met zijn mannen bij David gekomen.
20Gisteren ben je gekomen. Zou ik je vandaag met ons laten rondzwerven, terwijl ik ga waarheen ik ga? Keer terug en breng je broers mee terug. Trouw en betrouwbaarheid zij met jou.”
תְּמ֣וֹל
(temol)
gisteren
בּוֹאֶ֗ךָ
(boekha)
je komst
וְהַיּ֞וֹם
(vehayom)
en vandaag
אֲנִֽיעֲךָ֤
(aniakha)
laat ik je zwerven
עִמָּ֨נוּ֙
(imanu)
met ons
לָלֶ֔כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
הוֹלֵ֔ךְ
(holekh)
gaande
עַ֥ל
(al)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
waar
אֲנִ֖י
(ani)
ik
הוֹלֵ֑ךְ
(holekh)
ga
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
וְהָשֵׁ֧ב
(vehashev)
en breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֶ֛יךָ
(acheikha)
je broers
עִמָּ֖ךְ
(imakh)
met jou
חֶ֥סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶֽת
(veemet)
en betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, en אֱמֶת (emet), ‘betrouwbaarheid’.
Het Hebreeuws zegt alleen: ‘trouw en betrouwbaarheid’.
Wij vullen ‘zij met jou’ aan.
Lezing
Ketiv: אָנוּעֲךָ (anua’akha); qere: אֲנִיעֲךָ (aniakha), ‘laat ik je zwerven’.
21Ittai antwoordde de koning. Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar mijn heer de koning leeft. Op de plaats waar mijn heer de koning zal zijn, daar zal ook uw dienaar zijn. Of het nu is om te sterven of om te leven.”
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִתַּ֛י
(itay)
Ittai
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵי֙
(vechei)
en leeft
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֠י
(ki)
dat
אִם
(im)
maar
בִּמְק֞וֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
שָּׁ֣ם
(sham)
daar
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אִם
(im)
of
לְמָ֨וֶת֙
(lemavet)
om te sterven
אִם
(im)
of
לְחַיִּ֔ים
(lechayim)
voor het leven
כִּי
(ki)
want
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַי־יְהוָה וְחֵי אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ (chai Yahweh vechei adoni hammelekh): een eed met Yahweh en de koning.
22David zei tegen Ittai: „Ga dan, trek verder.” Ittai de Gattiet trok verder met al zijn mannen en alle kinderen die bij hem waren.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אִתַּ֖י
(itay)
Ittai
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
וַעֲבֹ֑ר
(vaavor)
en trek over
וַֽיַּעֲבֹ֞ר
(vayaavor)
en trok over
אִתַּ֤י
(itay)
Ittai
הַגִּתִּי֙
(hagiti)
de Gattiet
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲנָשָׁ֔יו
(anashav)
zijn mannen
וְכָל
(vekhal)
en al
הַטַּ֖ף
(hataf)
de kinderen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Het hele land huilde met luide stem, terwijl heel het volk voorbijtrok. De koning stak de beek Kidron over. Heel het volk trok verder, in de richting van de weg naar de woestijn.
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
בּוֹכִים֙
(bokhim)
huilend
ק֣וֹל
(qol)
stem
גָּד֔וֹל
(gadol)
luide
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
עֹֽבְרִ֑ים
(overim)
overtrekkend
וְהַמֶּ֗לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
עֹבֵר֙
(over)
stak over
בְּנַ֣חַל
(benachal)
in de beek
קִדְר֔וֹן
(qidron)
Kidron
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
עֹבְרִ֔ים
(overim)
overtrekkend
עַל
(al)
naar
פְּנֵי
(penei)
het gezicht van
דֶ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De beek Kidron ligt ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
Het is een droge dalbedding (Kidrondal, Israël en Westelijke Jordaanoever).
Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.
24Zie, ook Zadok was er, en alle Levieten met hem, die de ark van het verbond van Elohim droegen. Zij zetten de ark van Elohim neer. Abjatar ging omhoog, totdat heel het volk de stad uit was.
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
גַם
(gam)
ook
צָד֜וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
הַלְוִיִּ֣ם
(halviyim)
de Levieten
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
נֹֽשְׂאִים֙
(noseim)
dragend
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּצִּ֨קוּ֙
(vayatsiqu)
en zij zetten neer
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en ging omhoog
אֶבְיָתָ֑ר
(evyatar)
Abjatar
עַד
(ad)
totdat
תֹּ֥ם
(tom)
klaar was
כָּל
(kal)
al
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לַעֲב֥וֹר
(laavor)
om over te trekken
מִן
(min)
uit
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲרוֹן בְּרִית הָאֱלֹהִים (aron berit ha’Elohim), ‘ark van het verbond van Elohim’.
Zie Num. 4:15 voor het dragen van de ark door de Levieten.
Lezing
Het werkwoord וַיַּצִּקוּ (vayyatsiqu) betekent letterlijk ‘zij goten’ of ‘zij zetten neer’.
Wij vertalen ‘zij zetten neer’.
Het Hebreeuws zegt ook: ‘Abjatar ging omhoog’.
Dit kan betekenen dat hij een offer bracht of dat hij naar boven ging.
25De koning zei tegen Zadok: „Breng de ark van Elohim terug naar de stad. Als ik gunst vind in de ogen van Yahweh, dan brengt Hij mij terug en laat Hij mij hem zien, en ook zijn woning.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְצָד֔וֹק
(letsadoq)
tot Zadok
הָשֵׁ֛ב
(hashev)
breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
הָעִ֑יר
(hair)
naar de stad
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֥א
(emtsa)
ik vind
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וֶהֱשִׁבַ֕נִי
(veheshivani)
dan brengt Hij mij terug
וְהִרְאַ֥נִי
(vehirani)
en laat Hij mij zien
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נָוֵֽהוּ
(navehu)
zijn woning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
De woorden ‘hem’ en ‘zijn woning’ (אֹתוֹ וְאֶת־נָוֵהוּ, oto ve’et navehu) kunnen op de ark slaan of op Yahweh.
Wij nemen de ark aan en schrijven daarom ‘hem’ en ‘zijn’ met kleine letter.
27De koning zei tegen de priester Zadok: „Ben jij een ziener? Keer in vrede terug naar de stad, met Achimaäs, je zoon, en Jonatan, de zoon van Abjatar, jullie beider zonen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
צָד֣וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
הֲרוֹאֶ֣ה
(haroe)
ziener
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
שֻׁ֥בָה
(shuva)
keer terug
הָעִ֖יר
(hair)
naar de stad
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
וַאֲחִימַ֨עַץ
(vaachimaats)
en Achimaäs
בִּנְךָ֜
(binkha)
je zoon
וִיהוֹנָתָ֧ן
(vihonatan)
en Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָתָ֛ר
(evyatar)
Abjatar
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
בְנֵיכֶ֖ם
(beneikhem)
jullie zonen
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Achimaäs en Jonatan komen terug in 2 Sam. 17:17–21 en 18:19–27.
Lezing
הֲרוֹאֶה אַתָּה (haro’eh attah): ‘ben jij een ziener?’ of ‘zie je dat?’
29Zadok en Abjatar brachten de ark van Elohim terug naar Jeruzalem en bleven daar.
וַיָּ֨שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
צָד֧וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְאֶבְיָתָ֛ר
(veevyatar)
en Abjatar
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij bleven
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
De helling van de Olijfbomen
30David ging de helling van de Olijfbomen op, onder het opgaan huilend. Zijn hoofd was bedekt en hij liep barrevoets. Heel het volk dat bij hem was, bedekte ieder zijn hoofd. Zij gingen op, al huilend.
וְדָוִ֡ד
(vedavid)
en David
עֹלֶה֩
(ole)
gaande omhoog
בְמַעֲלֵ֨ה
(bemaale)
op de helling van
הַזֵּיתִ֜ים
(hazeitim)
de olijven
עֹלֶ֣ה
(ole)
gaande omhoog
וּבוֹכֶ֗ה
(uvokhe)
en huilend
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en hoofd
לוֹ֙
(lo)
zijn
חָפ֔וּי
(chafuy)
bedekt
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
liep
יָחֵ֑ף
(yachef)
barrevoets
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
חָפוּ֙
(chafu)
bedekten
אִ֣ישׁ
(ish)
man
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְעָל֥וּ
(vealu)
en zij gingen omhoog
עָלֹ֖ה
(alo)
omhoog
וּבָכֹֽה
(uvakho)
en huilend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De helling van de Olijfbomen (מַעֲלֵה הַזֵּיתִים) is de weg omhoog naar de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.
De top ligt ongeveer 800 m boven de zee (Israël en Westelijke Jordaanoever).
Uitleg
Een bedekt hoofd en blote voeten zijn tekenen van rouw en boetedoening (vergelijk 2 Sam. 19:5).
32Toen David boven aankwam, op de top waar men zich voor Elohim neerboog, zie, daar kwam Husai de Arkiet hem tegemoet. Zijn kleed was gescheurd en er lag grond op zijn hoofd.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
דָוִד֙
(david)
David
בָּ֣א
(ba)
komend
עַד
(ad)
tot
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
de top
אֲשֶֽׁר
(asher)
waar
יִשְׁתַּחֲוֶ֥ה
(yishtachave)
men zich neerboog
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לֵאלֹהִ֑ים
(lElohim)
voor Elohim
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
חוּשַׁ֣י
(chushay)
Husai
הָאַרְכִּ֔י
(haarki)
de Arkiet
קָר֨וּעַ֙
(qarua)
gescheurd
כֻּתָּנְתּ֔וֹ
(kutanto)
zijn kleed
וַאֲדָמָ֖ה
(vaadama)
en grond
עַל
(al)
op
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De top (הָרֹאשׁ, harosh) is de top van de Olijfberg.
De plaats waar men zich voor Elohim neerboog, is mogelijk een offerplaats.
De precieze ligging is onzeker.
Uitleg
De Arkieten wonen volgens Joz. 16:2 bij de grens van Efraïm, bij Betel.
34Maar als je naar de stad terugkeert en tegen Absalom zegt: ‘Uw dienaar wil ik zijn, o koning. Ik was vanouds de dienaar van uw vader, en nu ben ik uw dienaar’, dan kun je voor mij de raad van Ahitofel verijdelen.
וְאִם
(veim)
en als
הָעִ֣יר
(hair)
naar de stad
תָּשׁ֗וּב
(tashuv)
je terugkeert
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en zegt
לְאַבְשָׁלוֹם֙
(leavshalom)
tegen Absalom
עַבְדְּךָ֨
(avdekha)
uw dienaar
אֲנִ֤י
(ani)
ik
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
koning
אֶֽהְיֶ֔ה
(ehye)
wil ik zijn
עֶ֣בֶד
(eved)
dienaar van
אָבִ֤יךָ
(avikha)
uw vader
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
מֵאָ֔ז
(meaz)
vanouds
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וְהֵפַרְתָּ֣ה
(vehefarta)
dan verijdel je
לִ֔י
(li)
voor mij
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
de raad van
אֲחִיתֹֽפֶל
(achitofel)
Ahitofel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
David vraagt Husai zich voor te doen als dienaar van Absalom, om de raad van Ahitofel te verijdelen.
36Zie, daar zijn bij hen hun twee zonen: Achimaäs, de zoon van Zadok, en Jonatan, de zoon van Abjatar. Door hen sturen jullie mij alles wat jullie horen.”
הִנֵּה
(hine)
zie
שָׁ֤ם
(sham)
daar
עִמָּם֙
(imam)
bij hen
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
בְנֵיהֶ֔ם
(beneihem)
hun zonen
אֲחִימַ֣עַץ
(achimaats)
Achimaäs
לְצָד֔וֹק
(letsadoq)
van Zadok
וִיהוֹנָתָ֖ן
(vihonatan)
en Jonatan
לְאֶבְיָתָ֑ר
(leevyatar)
van Abjatar
וּשְׁלַחְתֶּ֤ם
(ushelachtem)
en jullie sturen
בְּיָדָם֙
(beyadam)
door hun hand
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
כָּל
(kal)
elk
דָּבָ֖ר
(davar)
woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תִּשְׁמָֽעוּ
(tishmau)
jullie horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)