Elohim Bijbel

2 Samuël 15

123456789101112131415161718192021222324

Absalom steelt het hart van Israël, David vlucht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Absalom wint het hart van Israël

1Hierna schafte Absalom zich een wagen en paarden aan, en 50 mannen die voor hem uit renden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מֵאַ֣חֲרֵי
(meacharei)
na
כֵ֔ן
(ken)
zo
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en maakte
לוֹ֙
(lo)
voor zich
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
מֶרְכָּבָ֖ה
(merkava)
wagen
וְסֻסִ֑ים
(vesusim)
en paarden
וַחֲמִשִּׁ֥ים
(vachamishim)
en vijftig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
רָצִ֥ים
(ratsim)
rennend
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶרְכָּבָה (merkavah), ‘wagen’: een strijdwagen of koninklijke wagen.

Dit is een teken van koninklijke pracht, zoals ook bij Adonia (1 Kon. 1:5).

2Absalom stond vroeg op en ging naast de weg naar de poort staan. Iedere man die een geschil had en voor recht naar de koning wilde gaan, riep Absalom bij zich. Hij zei: „Uit welke stad ben je?” Hij antwoordde: „Uw dienaar is uit een van de stammen van Israël.”
וְהִשְׁכִּים֙
(vehishkim)
en stond vroeg op
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
וְעָמַ֕ד
(veamad)
en stond
עַל
(al)
naast
יַ֖ד
(yad)
de zijde van
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַשָּׁ֑עַר
(hashaar)
de poort
וַיְהִ֡י
(vayhi)
en het was
כָּל
(kal)
elke
הָאִ֣ישׁ
(haish)
man
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִהְיֶה
(yihye)
zou hebben
לּוֹ
(lo)
voor hem
רִיב֩
(riv)
geschil
לָב֨וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַמִּשְׁפָּ֗ט
(lamishpat)
voor recht
וַיִּקְרָ֨א
(vayiqra)
en riep
אַבְשָׁל֤וֹם
(avshalom)
Absalom
אֵלָיו֙
(elav)
hem
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵֽי
(ei)
welke
מִזֶּ֥ה
(mize)
uit deze
עִיר֙
(ir)
stad
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
מֵאַחַ֥ד
(meachad)
van één van
שִׁבְטֵֽי
(shivtei)
de stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁפָּט (mishpat), ‘recht’: een zaak die voor de koning als rechter komt.

Wij vertalen mishpat overal als ‘recht’.

3Absalom zei tegen hem: „Zie, je zaak is goed en juist. Maar van de koning is er niemand die naar je luistert.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
רְאֵ֥ה
(ree)
zie
דְבָרֶ֖ךָ
(devarekha)
je woorden
טוֹבִ֣ים
(tovim)
goed
וּנְכֹחִ֑ים
(unekhochim)
en rechtmatig
וְשֹׁמֵ֥עַ
(veshomea)
en een hoorder
אֵין
(ein)
er is niet
לְךָ֖
(lekha)
voor jou
מֵאֵ֥ת
(meet)
van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
4Absalom zei: „Wie stelt mij aan als rechter in het land? Dan zou iedereen die een geschil of een rechtszaak heeft, naar mij komen. Ik zou hem in het gelijk stellen.”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
מִי
(mi)
wie
יְשִׂמֵ֥נִי
(yesimeni)
stelt mij aan
שֹׁפֵ֖ט
(shofet)
rechter
בָּאָ֑רֶץ
(baarets)
in het land
וְעָלַ֗י
(vealay)
en tot mij
יָב֥וֹא
(yavo)
zou komen
כָּל
(kal)
elke
אִ֛ישׁ
(ish)
man
אֲשֶֽׁר
(asher)
die
יִהְיֶה
(yihye)
zou hebben
לּוֹ
(lo)
voor hem
רִ֥יב
(riv)
geschil
וּמִשְׁפָּ֖ט
(umishpat)
en recht
וְהִצְדַּקְתִּֽיו
(vehitsdaqtiv)
en ik zou hem in het gelijk stellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִצְדִּיק (hitsdiq), ‘in het gelijk stellen’, van צֶדֶק (tsedeq), ‘gerechtigheid’.

5Wanneer iemand dichtbij kwam om zich voor hem neer te buigen, dan stak hij zijn hand uit, greep hem vast en kuste hem.
וְהָיָה֙
(vehaya)
en het was
בִּקְרָב
(biqrav)
wanneer naderde
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
לְהִשְׁתַּחֲוֺ֖ת
(lehishtachavot)
om zich neer te buigen
ל֑וֹ
(lo)
voor hem
וְשָׁלַ֧ח
(veshalach)
dan strekte hij uit
אֶת
(et)
(obj.)
יָד֛וֹ
(yado)
zijn hand
וְהֶחֱזִ֥יק
(vehecheziq)
en greep vast
ל֖וֹ
(lo)
hem
וְנָ֥שַׁק
(venashaq)
en kuste
לֽוֹ
(lo)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zo deed Absalom bij heel Israël, bij allen die voor recht naar de koning kwamen. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en deed
אַבְשָׁל֜וֹם
(avshalom)
Absalom
כַּדָּבָ֤ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּה֙
(haze)
dit
לְכָל
(lekhal)
aan heel
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁר
(asher)
die
יָבֹ֥אוּ
(yavou)
kwamen
לַמִּשְׁפָּ֖ט
(lamishpat)
voor recht
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיְגַנֵּב֙
(vayganev)
en stal
אַבְשָׁל֔וֹם
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֖ב
(lev)
het hart van
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
de mannen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גָּנַב (ganav), ‘stelen’: Absalom wint het hart van het volk met bedrog.

Absalom roept zich uit in Hebron

7Na veertig jaar zei Absalom tegen de koning: „Laat mij toch gaan. Dan kan ik in Hebron mijn gelofte inlossen die ik aan Yahweh heb afgelegd.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
מִקֵּ֖ץ
(miqets)
aan het einde van
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֣לֲכָה
(elakha)
laat mij gaan
נָּ֗א
(na)
toch
וַאֲשַׁלֵּ֛ם
(vaashalem)
en inlossen
אֶת
(et)
(obj.)
נִדְרִ֛י
(nidri)
mijn gelofte
אֲשֶׁר
(asher)
die
נָדַ֥רְתִּי
(nadarti)
ik heb gelofd
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
aan Yahweh
בְּחֶבְרֽוֹן
(bechevron)
in Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Hebron ligt ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem (al-Khalil, Westelijke Jordaanoever).

Het was Davids eerste hoofdstad (2 Sam. 2:1–4) en Absaloms geboorteplaats (2 Sam. 3:2–3).

Lezing

De Masoretische tekst heeft ‘veertig jaar’.

David regeerde in totaal 40 jaar, dus dit getal is moeilijk.

Sommige oude vertalingen hebben ‘vier jaar’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

8Want uw dienaar heeft een gelofte afgelegd toen ik in Gesur in Aram woonde. Ik zei: ‘Als Yahweh mij werkelijk terugbrengt naar Jeruzalem, dan zal ik Yahweh dienen.’”
כִּי
(ki)
want
נֵ֨דֶר֙
(neder)
gelofte
נָדַ֣ר
(nadar)
heeft gelofd
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
uw dienaar
בְּשִׁבְתִּ֥י
(beshivti)
toen ik woonde
בִגְשׁ֛וּר
(bigshur)
in Gesur
בַּאֲרָ֖ם
(baaram)
in Aram
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִם
(im)
als
יָשׁ֨וֹב
(yashov)
zeker
יְשִׁיבֵ֤נִי
(yeshiveni)
brengt mij terug
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
יְר֣וּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וְעָבַדְתִּ֖י
(veavadti)
dan zal ik dienen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gesur lag ten oosten van de Jordaan, in het noorden, bij het huidige Golan (zie 2 Sam. 13:37).

Het ligt in Aram.

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

9De koning zei tegen hem: „Ga in vrede.” Hij stond op en ging naar Hebron.
וַיֹּֽאמֶר
(vayomer)
en zei
ל֥וֹ
(lo)
tot hem
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
וַיָּ֖קָם
(vayaqam)
en hij stond op
וַיֵּ֥לֶךְ
(vayelekh)
en ging
חֶבְרֽוֹנָה
(chevrona)
naar Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

10Absalom stuurde spionnen naar alle stammen van Israël. Hij zei: „Zodra jullie het geluid van de ramshoorn horen, zeg dan: ‘Absalom is koning geworden in Hebron.’”
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en zond
אַבְשָׁלוֹם֙
(avshalom)
Absalom
מְרַגְּלִ֔ים
(meragelim)
spionnen
בְּכָל
(bekhal)
in alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
כְּשָׁמְעֲכֶם֙
(keshameakhem)
wanneer jullie horen
אֶת
(et)
(obj.)
ק֣וֹל
(qol)
het geluid van
הַשֹּׁפָ֔ר
(hashofar)
de ramshoorn
וַאֲמַרְתֶּ֕ם
(vaamartem)
dan zeggen jullie
מָלַ֥ךְ
(malakh)
is koning geworden
אַבְשָׁל֖וֹם
(avshalom)
Absalom
בְּחֶבְרֽוֹן
(bechevron)
in Hebron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

הַשּׁוֹפָר (hashofar), ‘de ramshoorn’: een hoorn waarmee men een signaal gaf.

Wij vertalen dit zoals in Joz. 6.

11Met Absalom gingen tweehonderd mannen uit Jeruzalem. Zij waren uitgenodigd en gingen goedgelovig mee. Zij wisten van niets.
וְאֶת
(veet)
en met
אַבְשָׁל֗וֹם
(avshalom)
Absalom
הָלְכ֞וּ
(halekhu)
gingen
מָאתַ֤יִם
(matayim)
tweehonderd
אִישׁ֙
(ish)
man
מִיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(mirushaliam)
uit Jeruzalem
קְרֻאִ֖ים
(qeruim)
uitgenodigden
וְהֹלְכִ֣ים
(veholekhim)
en gaande
לְתֻמָּ֑ם
(letumam)
in onschuld
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָדְע֖וּ
(yadeu)
wisten
כָּל
(kal)
enig
דָּבָֽר
(davar)
ding
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

לְתֻמָּם (letummam), ‘in hun onschuld’: ze deden goedgelovig mee en kenden het plan niet.

12Absalom liet ook Ahitofel de Giloniet halen, de raadgever van David, uit zijn stad Gilo, terwijl hij de slachtoffers bracht. De samenzwering werd sterk. Het volk bij Absalom werd steeds talrijker.
וַיִּשְׁלַ֣ח
(vayishlach)
en zond
אַ֠בְשָׁלוֹם
(avshalom)
Absalom
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחִיתֹ֨פֶל
(achitofel)
Ahitofel
הַגִּֽילֹנִ֜י
(hagiloni)
de Giloniet
יוֹעֵ֣ץ
(yoets)
raadgever van
דָּוִ֗ד
(david)
David
מֵֽעִירוֹ֙
(meiro)
uit zijn stad
מִגִּלֹ֔ה
(migilo)
uit Gilo
בְּזָבְח֖וֹ
(bezavecho)
toen hij offerde
אֶת
(et)
(obj.)
הַזְּבָחִ֑ים
(hazevachim)
de slachtoffers
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het werd
הַקֶּ֨שֶׁר֙
(haqesher)
de samenzwering
אַמִּ֔ץ
(amits)
sterk
וְהָעָ֛ם
(vehaam)
en het volk
הוֹלֵ֥ךְ
(holekh)
gaande
וָרָ֖ב
(varav)
en talrijk
אֶת
(et)
met
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilo lag in het bergland van Juda, waarschijnlijk bij Khirbet Jala, ten noorden van Hebron (Westelijke Jordaanoever).

De ligging is onzeker.

Uitleg

Eliam, de zoon van Ahitofel de Giloniet, is een van Davids helden (2 Sam. 23:34).

Bat-Sjeba is de dochter van Eliam (2 Sam. 11:3).

David vlucht uit Jeruzalem

13Er kwam een bode bij David met het bericht: „Het hart van de mannen van Israël is Absalom gevolgd.”
וַיָּבֹא֙
(vayavo)
en kwam
הַמַּגִּ֔יד
(hamagid)
de boodschapper
אֶל
(el)
naar
דָּוִ֖ד
(david)
David
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
הָיָ֛ה
(haya)
is geweest
לֶב
(lev)
het hart van
אִ֥ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
אַבְשָׁלֽוֹם
(avshalom)
Absalom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14David zei tegen al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem waren: „Sta op, laten wij vluchten. Want er zal voor ons geen ontkomen zijn aan Absalom. Haast je om te gaan. Anders haalt hij ons snel in, brengt hij het onheil over ons en slaat hij de stad met de scherpte van het zwaard.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּ֠וִד
(david)
David
לְכָל
(lekhal)
tot al
עֲבָדָ֨יו
(avadav)
zijn dienaren
אֲשֶׁר
(asher)
die
אִתּ֤וֹ
(ito)
met hem
בִירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
ק֣וּמוּ
(qumu)
sta op
וְנִבְרָ֔חָה
(venivracha)
en laten wij vluchten
כִּ֛י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
תִֽהְיֶה
(tihye)
zal zijn
לָּ֥נוּ
(lanu)
voor ons
פְלֵיטָ֖ה
(peleita)
ontkomen
מִפְּנֵ֣י
(mipenei)
voor het gezicht van
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
מַהֲר֣וּ
(maharu)
haast je
לָלֶ֗כֶת
(lalekhet)
om te gaan
פֶּן
(pen)
opdat niet
יְמַהֵ֤ר
(yemaher)
hij zich haast
וְהִשִּׂגָ֨נוּ֙
(vehisiganu)
en inhaalt ons
וְהִדִּ֤יחַ
(vehidiach)
en brengt
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
אֶת
(et)
(obj.)
הָ֣רָעָ֔ה
(haraa)
het onheil
וְהִכָּ֥ה
(vehika)
en slaat
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

בְּפִי־חָרֶב (lefi-charev), ‘met de scherpte van het zwaard’: dit is de gewone uitdrukking voor ‘met het zwaard’, vergelijk Joz. 10:28.

15De dienaren van de koning zeiden tegen de koning: „Wat mijn heer de koning ook kiest: zie, hier zijn uw dienaren.”
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zeiden
עַבְדֵֽי
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כְּכֹ֧ל
(kekhol)
volgens alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יִבְחַ֛ר
(yivchar)
kiest
אֲדֹנִ֥י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
עֲבָדֶֽיךָ
(avadeikha)
uw dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De koning trok uit, te voet, met heel zijn huis. De koning liet tien vrouwen achter, bijvrouwen, om het huis te bewaken.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en trok uit
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
בֵּית֖וֹ
(beito)
zijn huis
בְּרַגְלָ֑יו
(beraglav)
te voet
וַיַּעֲזֹ֣ב
(vayaazov)
en liet achter
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
עֶ֧שֶׂר
(eser)
tien
נָשִׁ֛ים
(nashim)
vrouwen
פִּֽלַגְשִׁ֖ים
(pilagshim)
bijvrouwen
לִשְׁמֹ֥ר
(lishmor)
om te bewaken
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּלַּגְשִׁים (pilgashim), ‘bijvrouwen’.

Deze tien vrouwen komen terug in 2 Sam. 16:21–22 en 20:3.

17De koning trok uit, met heel het volk te voet. Zij bleven staan bij het verste huis.
וַיֵּצֵ֥א
(vayetse)
en trok uit
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בְּרַגְלָ֑יו
(beraglav)
te voet
וַיַּעַמְד֖וּ
(vayaamdu)
en zij bleven staan
בֵּ֥ית
(beit)
huis van
הַמֶּרְחָֽק
(hamerchaq)
de afstand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

בֵּית הַמֶּרְחָק (beit hammerchaq), letterlijk ‘het huis van de afstand’.

Dit kan ‘het laatste huis’ betekenen, maar ook een plaatsnaam zijn (‘Bet-Merchak’).

Wij vertalen ‘het verste huis’.

18Al zijn dienaren trokken langs hem. Ook alle Kerethieten, alle Pelethieten en alle Gattieten trokken voor de koning langs. Dat waren 600 man die hem te voet uit Gat waren gevolgd.
וְכָל
(vekhal)
en al
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
עֹבְרִ֣ים
(overim)
trekkend
עַל
(al)
naast
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַכְּרֵתִ֖י
(hakereti)
de Kerethiet
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַפְּלֵתִ֑י
(hapeleti)
de Pelethiet
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
הַגִּתִּ֞ים
(hagitim)
de Gattieten
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אִ֗ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֤אוּ
(bau)
kwamen
בְרַגְלוֹ֙
(beraglo)
te voet
מִגַּ֔ת
(migat)
uit Gat
עֹבְרִ֖ים
(overim)
trekkend
עַל
(al)
langs
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gat is Tell es-Safi in Israël, een van de vijf Filistijnse steden (1 Sam. 6:17).

Uitleg

הַכְּרֵתִי וְהַפְּלֵתִי (hakkereti vehappeleti), ‘de Kerethieten en de Pelethieten’: de koninklijke lijfwacht van David (2 Sam. 8:18).

Hun herkomst is niet zeker.

De naam doet denken aan Kreta of aan de Filistijnse kust.

Zie ook 1 Sam. 30:14.

Ittai de Gattiet

19De koning zei tegen Ittai de Gattiet: „Waarom ga ook jij met ons mee? Keer terug en blijf bij de koning, want je bent een vreemde. Bovendien ben je een balling van je eigen plaats.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
אִתַּ֣י
(itay)
Ittai
הַגִּתִּ֔י
(hagiti)
de Gattiet
לָ֧מָּה
(lama)
waarom
תֵלֵ֛ךְ
(telekh)
ga jij
גַּם
(gam)
ook
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
אִתָּ֑נוּ
(itanu)
met ons
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
וְשֵׁ֤ב
(veshev)
en blijf
עִם
(im)
bij
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
כִּֽי
(ki)
want
נָכְרִ֣י
(nakheri)
vreemde
אַ֔תָּה
(ata)
jij
וְגַם
(vegam)
en ook
גֹּלֶ֥ה
(gole)
balling
אַתָּ֖ה
(ata)
jij
לִמְקוֹמֶֽךָ
(limqomekha)
van je plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נָכְרִי (nokhri), ‘vreemde’: iemand van buiten het volk.

גֹּלֶה (goleh), ‘balling’: iemand die zijn land heeft verlaten.

Ittai komt uit Gat, een Filistijnse stad. Hij is met zijn mannen bij David gekomen.

20Gisteren ben je gekomen. Zou ik je vandaag met ons laten rondzwerven, terwijl ik ga waarheen ik ga? Keer terug en breng je broers mee terug. Trouw en betrouwbaarheid zij met jou.”
תְּמ֣וֹל
(temol)
gisteren
בּוֹאֶ֗ךָ
(boekha)
je komst
וְהַיּ֞וֹם
(vehayom)
en vandaag
אֲנִֽיעֲךָ֤
(aniakha)
laat ik je zwerven
עִמָּ֨נוּ֙
(imanu)
met ons
לָלֶ֔כֶת
(lalekhet)
om te gaan
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
הוֹלֵ֔ךְ
(holekh)
gaande
עַ֥ל
(al)
naar
אֲשֶׁר
(asher)
waar
אֲנִ֖י
(ani)
ik
הוֹלֵ֑ךְ
(holekh)
ga
שׁ֣וּב
(shuv)
keer terug
וְהָשֵׁ֧ב
(vehashev)
en breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֶ֛יךָ
(acheikha)
je broers
עִמָּ֖ךְ
(imakh)
met jou
חֶ֥סֶד
(chesed)
trouw
וֶאֱמֶֽת
(veemet)
en betrouwbaarheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶסֶד (chesed), ‘trouw’, en אֱמֶת (emet), ‘betrouwbaarheid’.

Het Hebreeuws zegt alleen: ‘trouw en betrouwbaarheid’.

Wij vullen ‘zij met jou’ aan.

Lezing

Ketiv: אָנוּעֲךָ (anua’akha); qere: אֲנִיעֲךָ (aniakha), ‘laat ik je zwerven’.

Wij volgen het qere.

21Ittai antwoordde de koning. Hij zei: „Zo waar Yahweh leeft en zo waar mijn heer de koning leeft. Op de plaats waar mijn heer de koning zal zijn, daar zal ook uw dienaar zijn. Of het nu is om te sterven of om te leven.”
וַיַּ֧עַן
(vayaan)
en antwoordde
אִתַּ֛י
(itay)
Ittai
אֶת
(et)
(obj.)
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
חַי
(chay)
leeft
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
וְחֵי֙
(vechei)
en leeft
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֠י
(ki)
dat
אִם
(im)
maar
בִּמְק֞וֹם
(bimqom)
op de plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waar
יִֽהְיֶה
(yihye)
zal zijn
שָּׁ֣ם
(sham)
daar
אֲדֹנִ֣י
(adoni)
mijn heer
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אִם
(im)
of
לְמָ֨וֶת֙
(lemavet)
om te sterven
אִם
(im)
of
לְחַיִּ֔ים
(lechayim)
voor het leven
כִּי
(ki)
want
שָׁ֖ם
(sham)
daar
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עַבְדֶּֽךָ
(avdekha)
uw dienaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַי־יְהוָה וְחֵי אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ (chai Yahweh vechei adoni hammelekh): een eed met Yahweh en de koning.

22David zei tegen Ittai: „Ga dan, trek verder.” Ittai de Gattiet trok verder met al zijn mannen en alle kinderen die bij hem waren.
וַיֹּ֧אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֛ד
(david)
David
אֶל
(el)
tot
אִתַּ֖י
(itay)
Ittai
לֵ֣ךְ
(lekh)
ga
וַעֲבֹ֑ר
(vaavor)
en trek over
וַֽיַּעֲבֹ֞ר
(vayaavor)
en trok over
אִתַּ֤י
(itay)
Ittai
הַגִּתִּי֙
(hagiti)
de Gattiet
וְכָל
(vekhal)
en al
אֲנָשָׁ֔יו
(anashav)
zijn mannen
וְכָל
(vekhal)
en al
הַטַּ֖ף
(hataf)
de kinderen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Het hele land huilde met luide stem, terwijl heel het volk voorbijtrok. De koning stak de beek Kidron over. Heel het volk trok verder, in de richting van de weg naar de woestijn.
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
בּוֹכִים֙
(bokhim)
huilend
ק֣וֹל
(qol)
stem
גָּד֔וֹל
(gadol)
luide
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
עֹֽבְרִ֑ים
(overim)
overtrekkend
וְהַמֶּ֗לֶךְ
(vehamelekh)
en de koning
עֹבֵר֙
(over)
stak over
בְּנַ֣חַל
(benachal)
in de beek
קִדְר֔וֹן
(qidron)
Kidron
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
עֹבְרִ֔ים
(overim)
overtrekkend
עַל
(al)
naar
פְּנֵי
(penei)
het gezicht van
דֶ֖רֶךְ
(derekh)
weg van
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De beek Kidron ligt ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

Het is een droge dalbedding (Kidrondal, Israël en Westelijke Jordaanoever).

Zie Beek Kidron: De beek Kidron is een droge dalbedding ten oosten van Jeruzalem, tussen de stad en de Olijfberg.

De ark gaat terug naar de stad

24Zie, ook Zadok was er, en alle Levieten met hem, die de ark van het verbond van Elohim droegen. Zij zetten de ark van Elohim neer. Abjatar ging omhoog, totdat heel het volk de stad uit was.
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
גַם
(gam)
ook
צָד֜וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְכָֽל
(vekhal)
en alle
הַלְוִיִּ֣ם
(halviyim)
de Levieten
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
נֹֽשְׂאִים֙
(noseim)
dragend
אֶת
(et)
(obj.)
אֲרוֹן֙
(aron)
ark van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּצִּ֨קוּ֙
(vayatsiqu)
en zij zetten neer
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֣וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en ging omhoog
אֶבְיָתָ֑ר
(evyatar)
Abjatar
עַד
(ad)
totdat
תֹּ֥ם
(tom)
klaar was
כָּל
(kal)
al
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לַעֲב֥וֹר
(laavor)
om over te trekken
מִן
(min)
uit
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲרוֹן בְּרִית הָאֱלֹהִים (aron berit ha’Elohim), ‘ark van het verbond van Elohim’.

Zie Num. 4:15 voor het dragen van de ark door de Levieten.

Lezing

Het werkwoord וַיַּצִּקוּ (vayyatsiqu) betekent letterlijk ‘zij goten’ of ‘zij zetten neer’.

Wij vertalen ‘zij zetten neer’.

Het Hebreeuws zegt ook: ‘Abjatar ging omhoog’.

Dit kan betekenen dat hij een offer bracht of dat hij naar boven ging.

Wij vertalen letterlijk.

25De koning zei tegen Zadok: „Breng de ark van Elohim terug naar de stad. Als ik gunst vind in de ogen van Yahweh, dan brengt Hij mij terug en laat Hij mij hem zien, en ook zijn woning.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְצָד֔וֹק
(letsadoq)
tot Zadok
הָשֵׁ֛ב
(hashev)
breng terug
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
הָעִ֑יר
(hair)
naar de stad
אִם
(im)
als
אֶמְצָ֥א
(emtsa)
ik vind
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וֶהֱשִׁבַ֕נִי
(veheshivani)
dan brengt Hij mij terug
וְהִרְאַ֥נִי
(vehirani)
en laat Hij mij zien
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נָוֵֽהוּ
(navehu)
zijn woning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De woorden ‘hem’ en ‘zijn woning’ (אֹתוֹ וְאֶת־נָוֵהוּ, oto ve’et navehu) kunnen op de ark slaan of op Yahweh.

Wij nemen de ark aan en schrijven daarom ‘hem’ en ‘zijn’ met kleine letter.

26Maar als Hij zo zegt: ‘Ik heb geen behagen in je’, zie, hier ben ik. Laat Hem met mij doen wat goed is in Zijn ogen.”
וְאִם֙
(veim)
en als
כֹּ֣ה
(ko)
zo
יֹאמַ֔ר
(yomar)
zegt Hij
לֹ֥א
(lo)
niet
חָפַ֖צְתִּי
(chafatsti)
ik heb behagen
בָּ֑ךְ
(bakh)
in jou
הִנְנִ֕י
(hinni)
zie mij
יַֽעֲשֶׂה
(yaase)
moge Hij doen
לִּ֕י
(li)
met mij
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
ט֖וֹב
(tov)
goed
בְּעֵינָֽיו
(beeinav)
in Zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De koning zei tegen de priester Zadok: „Ben jij een ziener? Keer in vrede terug naar de stad, met Achimaäs, je zoon, en Jonatan, de zoon van Abjatar, jullie beider zonen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
tot
צָד֣וֹק
(tsadoq)
Zadok
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
הֲרוֹאֶ֣ה
(haroe)
ziener
אַתָּ֔ה
(ata)
jij
שֻׁ֥בָה
(shuva)
keer terug
הָעִ֖יר
(hair)
naar de stad
בְּשָׁל֑וֹם
(beshalom)
in vrede
וַאֲחִימַ֨עַץ
(vaachimaats)
en Achimaäs
בִּנְךָ֜
(binkha)
je zoon
וִיהוֹנָתָ֧ן
(vihonatan)
en Jonatan
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶבְיָתָ֛ר
(evyatar)
Abjatar
שְׁנֵ֥י
(shenei)
twee
בְנֵיכֶ֖ם
(beneikhem)
jullie zonen
אִתְּכֶֽם
(itekhem)
met jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Achimaäs en Jonatan komen terug in 2 Sam. 17:17–21 en 18:19–27.

Lezing

הֲרוֹאֶה אַתָּה (haro’eh attah): ‘ben jij een ziener?’ of ‘zie je dat?’

De betekenis is niet zeker.

Wij vertalen: ‘Ben jij een ziener?’

28Zie, ik wacht in de steppen van de woestijn, totdat er bericht van jullie komt om het mij te vertellen.”
רְאוּ֙
(reu)
ziet
אָנֹכִ֣י
(anokhi)
ik
מִתְמַהְמֵ֔הַּ
(mitmahmeha)
wacht
בְּעַֽרְב֖וֹת
(bearvot)
in de steppen van
הַמִּדְבָּ֑ר
(hamidbar)
de woestijn
עַ֣ד
(ad)
totdat
בּ֥וֹא
(bo)
komt
דָבָ֛ר
(davar)
woord
מֵעִמָּכֶ֖ם
(meimakhem)
van jullie
לְהַגִּ֥יד
(lehagid)
om te vertellen
לִֽי
(li)
aan mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De steppen van de woestijn liggen in het Jordaandal, bij Jericho (Westelijke Jordaanoever).

De precieze plaats is onzeker.

Lezing

Ketiv: בְּעַבְרוֹת (be’avrot), ‘bij de doorwaadbare plaatsen’; qere: בְּעַרְבוֹת (be’arvot), ‘in de steppen’.

Wij volgen het qere.

29Zadok en Abjatar brachten de ark van Elohim terug naar Jeruzalem en bleven daar.
וַיָּ֨שֶׁב
(vayashev)
en bracht terug
צָד֧וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְאֶבְיָתָ֛ר
(veevyatar)
en Abjatar
אֶת
(et)
(obj.)
אֲר֥וֹן
(aron)
ark van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
naar Jeruzalem
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en zij bleven
שָֽׁם
(sham)
daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

De helling van de Olijfbomen

30David ging de helling van de Olijfbomen op, onder het opgaan huilend. Zijn hoofd was bedekt en hij liep barrevoets. Heel het volk dat bij hem was, bedekte ieder zijn hoofd. Zij gingen op, al huilend.
וְדָוִ֡ד
(vedavid)
en David
עֹלֶה֩
(ole)
gaande omhoog
בְמַעֲלֵ֨ה
(bemaale)
op de helling van
הַזֵּיתִ֜ים
(hazeitim)
de olijven
עֹלֶ֣ה
(ole)
gaande omhoog
וּבוֹכֶ֗ה
(uvokhe)
en huilend
וְרֹ֥אשׁ
(verosh)
en hoofd
לוֹ֙
(lo)
zijn
חָפ֔וּי
(chafuy)
bedekt
וְה֖וּא
(vehu)
en hij
הֹלֵ֣ךְ
(holekh)
liep
יָחֵ֑ף
(yachef)
barrevoets
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
met hem
חָפוּ֙
(chafu)
bedekten
אִ֣ישׁ
(ish)
man
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וְעָל֥וּ
(vealu)
en zij gingen omhoog
עָלֹ֖ה
(alo)
omhoog
וּבָכֹֽה
(uvakho)
en huilend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De helling van de Olijfbomen (מַעֲלֵה הַזֵּיתִים) is de weg omhoog naar de Olijfberg, ten oosten van Jeruzalem.

De top ligt ongeveer 800 m boven de zee (Israël en Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

Een bedekt hoofd en blote voeten zijn tekenen van rouw en boetedoening (vergelijk 2 Sam. 19:5).

31Aan David werd gemeld: „Ahitofel is een van de samenzweerders met Absalom.” David zei: „Yahweh, maak toch de raad van Ahitofel dwaas.”
וְדָוִד֙
(vedavid)
en aan David
הִגִּ֣יד
(higid)
werd gemeld
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אֲחִיתֹ֥פֶל
(achitofel)
Ahitofel
בַּקֹּשְׁרִ֖ים
(baqosherim)
onder de samenzweerders
עִם
(im)
met
אַבְשָׁל֑וֹם
(avshalom)
Absalom
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
דָּוִ֔ד
(david)
David
סַכֶּל
(sakel)
maak dwaas
נָ֛א
(na)
toch
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
de raad van
אֲחִיתֹ֖פֶל
(achitofel)
Ahitofel
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סַכֶּל (sakkel), ‘maak dwaas’: David bidt dat de raad van Ahitofel nutteloos wordt.

Het gebed wordt verhoord in 2 Sam. 17:14.

Husai de Arkiet

32Toen David boven aankwam, op de top waar men zich voor Elohim neerboog, zie, daar kwam Husai de Arkiet hem tegemoet. Zijn kleed was gescheurd en er lag grond op zijn hoofd.
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
דָוִד֙
(david)
David
בָּ֣א
(ba)
komend
עַד
(ad)
tot
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
de top
אֲשֶֽׁר
(asher)
waar
יִשְׁתַּחֲוֶ֥ה
(yishtachave)
men zich neerboog
שָׁ֖ם
(sham)
daar
לֵאלֹהִ֑ים
(lElohim)
voor Elohim
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
חוּשַׁ֣י
(chushay)
Husai
הָאַרְכִּ֔י
(haarki)
de Arkiet
קָר֨וּעַ֙
(qarua)
gescheurd
כֻּתָּנְתּ֔וֹ
(kutanto)
zijn kleed
וַאֲדָמָ֖ה
(vaadama)
en grond
עַל
(al)
op
רֹאשֽׁוֹ
(rosho)
zijn hoofd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De top (הָרֹאשׁ, harosh) is de top van de Olijfberg.

De plaats waar men zich voor Elohim neerboog, is mogelijk een offerplaats.

De precieze ligging is onzeker.

Uitleg

De Arkieten wonen volgens Joz. 16:2 bij de grens van Efraïm, bij Betel.

33David zei tegen hem: „Als je met mij meetrekt, word je een last voor mij.
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֖וֹ
(lo)
tot hem
דָּוִ֑ד
(david)
David
אִ֚ם
(im)
als
עָבַ֣רְתָּ
(avarta)
je overtrekt
אִתִּ֔י
(iti)
met mij
וְהָיִ֥תָ
(vehayita)
dan word je
עָלַ֖י
(alay)
voor mij
לְמַשָּֽׂא
(lemasa)
tot een last
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Maar als je naar de stad terugkeert en tegen Absalom zegt: ‘Uw dienaar wil ik zijn, o koning. Ik was vanouds de dienaar van uw vader, en nu ben ik uw dienaar’, dan kun je voor mij de raad van Ahitofel verijdelen.
וְאִם
(veim)
en als
הָעִ֣יר
(hair)
naar de stad
תָּשׁ֗וּב
(tashuv)
je terugkeert
וְאָמַרְתָּ֤
(veamarta)
en zegt
לְאַבְשָׁלוֹם֙
(leavshalom)
tegen Absalom
עַבְדְּךָ֨
(avdekha)
uw dienaar
אֲנִ֤י
(ani)
ik
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
koning
אֶֽהְיֶ֔ה
(ehye)
wil ik zijn
עֶ֣בֶד
(eved)
dienaar van
אָבִ֤יךָ
(avikha)
uw vader
וַֽאֲנִי֙
(vaani)
en ik
מֵאָ֔ז
(meaz)
vanouds
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
וַאֲנִ֣י
(vaani)
en ik
עַבְדֶּ֑ךָ
(avdekha)
uw dienaar
וְהֵפַרְתָּ֣ה
(vehefarta)
dan verijdel je
לִ֔י
(li)
voor mij
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
עֲצַ֥ת
(atsat)
de raad van
אֲחִיתֹֽפֶל
(achitofel)
Ahitofel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

David vraagt Husai zich voor te doen als dienaar van Absalom, om de raad van Ahitofel te verijdelen.

Zie ook 2 Sam. 17:5–14.

35Zijn Zadok en Abjatar, de priesters, daar niet bij je? Alles wat je uit het huis van de koning hoort, vertel je aan Zadok en Abjatar, de priesters.
וַהֲל֤וֹא
(vahalo)
en niet
עִמְּךָ֙
(imekha)
bij jou
שָׁ֔ם
(sham)
daar
צָד֥וֹק
(tsadoq)
Zadok
וְאֶבְיָתָ֖ר
(veevyatar)
en Abjatar
הַכֹּהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כָּל
(kal)
alles
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
תִּשְׁמַע֙
(tishma)
je hoort
מִבֵּ֣ית
(mibeit)
uit het huis van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
תַּגִּ֕יד
(tagid)
vertel je
לְצָד֥וֹק
(letsadoq)
aan Zadok
וּלְאֶבְיָתָ֖ר
(uleevyatar)
en aan Abjatar
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Zie, daar zijn bij hen hun twee zonen: Achimaäs, de zoon van Zadok, en Jonatan, de zoon van Abjatar. Door hen sturen jullie mij alles wat jullie horen.”
הִנֵּה
(hine)
zie
שָׁ֤ם
(sham)
daar
עִמָּם֙
(imam)
bij hen
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
בְנֵיהֶ֔ם
(beneihem)
hun zonen
אֲחִימַ֣עַץ
(achimaats)
Achimaäs
לְצָד֔וֹק
(letsadoq)
van Zadok
וִיהוֹנָתָ֖ן
(vihonatan)
en Jonatan
לְאֶבְיָתָ֑ר
(leevyatar)
van Abjatar
וּשְׁלַחְתֶּ֤ם
(ushelachtem)
en jullie sturen
בְּיָדָם֙
(beyadam)
door hun hand
אֵלַ֔י
(elay)
naar mij
כָּל
(kal)
elk
דָּבָ֖ר
(davar)
woord
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
תִּשְׁמָֽעוּ
(tishmau)
jullie horen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Husai, de vriend van David, kwam in de stad. Absalom kwam toen Jeruzalem binnen.
וַיָּבֹ֥א
(vayavo)
en kwam
חוּשַׁ֛י
(chushay)
Husai
רֵעֶ֥ה
(ree)
vriend van
דָוִ֖ד
(david)
David
הָעִ֑יר
(hair)
naar de stad
וְאַבְשָׁלֹ֔ם
(veavshalom)
en Absalom
יָבֹ֖א
(yavo)
kwam
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

רֵעֶה דָוִד (re’eh David), ‘vriend van David’: een titel van een vertrouweling van de koning (vergelijk 1 Kron. 27:33).